Elohim Bijbel

Numeri 22

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Balak, Bileam en de ezelin

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Balak laat Bileam roepen

1De zonen van Israël braken op en legerden zich in de vlakten van Moab, aan de overkant van de Jordaan bij Jericho.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַֽיַּחֲנוּ֙
(vayachanu)
en legerden zich
בְּעַֽרְב֣וֹת
(bearvot)
in de vlakten van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
מֵעֵ֖בֶר
(meever)
aan de overkant van
לְיַרְדֵּ֥ן
(leyarden)
de Jordaan
יְרֵחֽוֹ
(yerecho)
Jericho
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De vlakten van Moab (arvot Moab) liggen aan de oostkant van de Jordaan, tegenover Jericho, in het huidige Jordanië.

Dit is de laatste legerplaats van Israël voor de oversteek.

Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho.

2Balak, de zoon van Sippor, zag alles wat Israël met de Amorieten had gedaan.
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en zag
בָּלָ֖ק
(balaq)
Balak
בֶּן
(ben)
zoon van
צִפּ֑וֹר
(tsipor)
Sippor
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשָׂ֥ה
(asa)
deed
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לָֽאֱמֹרִֽי
(laemori)
met de Amorieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Moab was heel bang voor het volk, want het was talrijk. Moab walgde van de zonen van Israël.
וַיָּ֨גָר
(vayagar)
en was bang
מוֹאָ֜ב
(moav)
Moab
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
כִּ֣י
(ki)
want
רַב
(rav)
talrijk
ה֑וּא
(hu)
het was
וַיָּ֣קָץ
(vayaqats)
en walgde
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קוּץ (qutz), ‘walgen’: hetzelfde woord als in Exod. 1:12.

4Moab zei tot de oudsten van Midian: „Nu zal deze vergadering alles om ons heen opvreten, zoals de stier het groen van het veld opvreet.” Balak, de zoon van Sippor, was in die tijd koning van Moab.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
מוֹאָ֜ב
(moav)
Moab
אֶל
(el)
tot
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
de oudsten van
מִדְיָ֗ן
(midyan)
Midian
עַתָּ֞ה
(ata)
nu
יְלַחֲכ֤וּ
(yelachakhu)
zullen opvreten
הַקָּהָל֙
(haqahal)
de vergadering
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
סְבִ֣יבֹתֵ֔ינוּ
(sevivoteinu)
om ons heen
כִּלְחֹ֣ךְ
(kilchokh)
zoals het opvreet
הַשּׁ֔וֹר
(hashor)
de stier
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
יֶ֣רֶק
(yereq)
het groen van
הַשָּׂדֶ֑ה
(hasade)
het veld
וּבָלָ֧ק
(uvalaq)
en Balak
בֶּן
(ben)
zoon van
צִפּ֛וֹר
(tsipor)
Sippor
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning
לְמוֹאָ֖ב
(lemoav)
van Moab
בָּעֵ֥ת
(baet)
in de tijd
הַהִֽוא
(hahi)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Uitleg

Moab spreekt met de oudsten van Midian.

Zij waren bondgenoten.

Wij schrijven ‘Midian’ zoals in Exodus.

הַקָּהָל (haqqahal), ‘de vergadering’: zo heet Israël hier in de mond van Moab.

5Hij stuurde boden naar Bileam, de zoon van Beor, naar Petor. Dat ligt aan de rivier, in het land van de zonen van zijn volk. Zij moesten hem roepen. Hij zei: „Zie, een volk is uit Egypte getrokken. Zie, het bedekt het oppervlak van het land en het woont tegenover mij.
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en stuurde
מַלְאָכִ֜ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
naar
בִּלְעָ֣ם
(bilam)
Bileam
בֶּן
(ben)
zoon van
בְּע֗וֹר
(beor)
Beor
פְּ֠תוֹרָה
(petora)
Petor
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
dat
עַל
(al)
aan
הַנָּהָ֛ר
(hanahar)
de rivier
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
עַמּ֖וֹ
(amo)
zijn volk
לִקְרֹא
(liqro)
om te roepen
ל֑וֹ
(lo)
hem
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
הִ֠נֵּה
(hine)
zie
עַ֣ם
(am)
een volk
יָצָ֤א
(yatsa)
is uitgetrokken
מִמִּצְרַ֨יִם֙
(mimitsrayim)
uit Egypte
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
כִסָּה֙
(kisa)
het bedekt
אֶת
(et)
(obj.)
עֵ֣ין
(ein)
het oppervlak van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְה֥וּא
(vehu)
en het
יֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
woont
מִמֻּלִֽי
(mimuli)
tegenover mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Petor ligt aan de Eufraat (‘de rivier’), in het noorden van het huidige Syrië.

De ligging is waarschijnlijk.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Lezing

Wij lezen ‘het land van de zonen van zijn volk’, zoals de Masoretische tekst heeft.

Andere getuigen hebben hier ‘het land van de zonen van Ammon’.

6Kom nu toch en vervloek dit volk voor mij, want het is machtiger dan ik. Misschien kan ik hen verslaan en uit het land verjagen. Want ik weet: wie jij zegent, is gezegend, en wie jij vervloekt, is vervloekt.”
וְעַתָּה֩
(veata)
en nu
לְכָה
(lekha)
kom
נָּ֨א
(na)
toch
אָֽרָה
(ara)
vervloek
לִּ֜י
(li)
voor mij
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֗ה
(haze)
dit
כִּֽי
(ki)
want
עָצ֥וּם
(atsum)
machtig
הוּא֙
(hu)
het is
מִמֶּ֔נִּי
(mimeni)
meer dan ik
אוּלַ֤י
(ulay)
misschien
אוּכַל֙
(ukhal)
kan ik
נַכֶּה
(nake)
verslaan
בּ֔וֹ
(bo)
hen
וַאֲגָרְשֶׁ֖נּוּ
(vaagareshenu)
en ik zal het verjagen
מִן
(min)
uit
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
כִּ֣י
(ki)
want
יָדַ֗עְתִּי
(yadati)
ik weet
אֵ֤ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wie
תְּבָרֵךְ֙
(tevarekh)
jij zegent
מְבֹרָ֔ךְ
(mevorakh)
is gezegend
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en wie
תָּאֹ֖ר
(taor)
jij vervloekt
יוּאָֽר
(yuar)
is vervloekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7De oudsten van Moab en de oudsten van Midian gingen weg, met het loon voor waarzeggerij in hun handen. Zij kwamen bij Bileam en zeiden hem de woorden van Balak.
וַיֵּ֨לְכ֜וּ
(vayelekhu)
en gingen
זִקְנֵ֤י
(ziqnei)
de oudsten van
מוֹאָב֙
(moav)
Moab
וְזִקְנֵ֣י
(veziqnei)
en de oudsten van
מִדְיָ֔ן
(midyan)
Midian
וּקְסָמִ֖ים
(uqesamim)
en waarzeggerij
בְּיָדָ֑ם
(beyadam)
in hun hand
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
בִּלְעָ֔ם
(bilam)
Bileam
וַיְדַבְּר֥וּ
(vaydaberu)
en zij spraken
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
בָלָֽק
(balaq)
Balak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קְסָמִים (qesamim), ‘waarzeggerij’: het loon voor een waarzegger, of de middelen om voortekenen te lezen.

De precieze betekenis is niet zeker.

8Hij zei tot hen: „Overnacht hier vannacht. Dan geef ik jullie antwoord, zoals Yahweh tot mij spreekt.” De vorsten van Moab bleven bij Bileam.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tot hen
לִ֤ינוּ
(linu)
overnacht
פֹה֙
(po)
hier
הַלַּ֔יְלָה
(halayla)
vannacht
וַהֲשִׁבֹתִ֤י
(vahashivoti)
en ik zal teruggeven
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
aan jullie
דָּבָ֔ר
(davar)
een woord
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
יְדַבֵּ֥ר
(yedaber)
spreekt
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
וַיֵּשְׁב֥וּ
(vayeshevu)
en bleven
שָׂרֵֽי
(sarei)
de vorsten van
מוֹאָ֖ב
(moav)
Moab
עִם
(im)
bij
בִּלְעָֽם
(bilam)
Bileam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Elohim spreekt tot Bileam

9Elohim kwam bij Bileam en zei: „Wie zijn deze mannen bij je?”
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en kwam
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
naar
בִּלְעָ֑ם
(bilam)
Bileam
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
מִ֛י
(mi)
wie
הָאֲנָשִׁ֥ים
(haanashim)
de mannen
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
עִמָּֽךְ
(imakh)
bij je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Bileam noemt in vers 8 Yahweh, maar hier komt Elohim bij hem.

Wij houden de namen zoals in het Hebreeuws.

10Bileam zei tot Elohim: „Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab, heeft naar mij gestuurd:
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
בִּלְעָ֖ם
(bilam)
Bileam
אֶל
(el)
tot
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
בָּלָ֧ק
(balaq)
Balak
בֶּן
(ben)
zoon van
צִפֹּ֛ר
(tsipor)
Sippor
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
מוֹאָ֖ב
(moav)
Moab
שָׁלַ֥ח
(shalach)
heeft gestuurd
אֵלָֽי
(elay)
naar mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

11‘Zie, het volk dat uit Egypte is getrokken bedekt het oppervlak van het land. Kom nu en verwens het voor mij. Misschien kan ik tegen hen strijden en hen verjagen.’”
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
הָעָם֙
(haam)
het volk
הַיֹּצֵ֣א
(hayotse)
dat uitgetrokken is
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וַיְכַ֖ס
(vaykhas)
en het bedekt
אֶת
(et)
(obj.)
עֵ֣ין
(ein)
het oppervlak van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
עַתָּ֗ה
(ata)
nu
לְכָ֤ה
(lekha)
kom
קָֽבָה
(qava)
verwens
לִּי֙
(li)
voor mij
אֹת֔וֹ
(oto)
het
אוּלַ֥י
(ulay)
misschien
אוּכַ֛ל
(ukhal)
kan ik
לְהִלָּ֥חֶם
(lehilachem)
strijden
בּ֖וֹ
(bo)
tegen hen
וְגֵרַשְׁתִּֽיו
(vegerashtiv)
en ik zal hen verjagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

12Elohim zei tot Bileam: „Je mag niet met hen meegaan. Je mag het volk niet vervloeken, want het is gezegend.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
בִּלְעָ֔ם
(bilam)
Bileam
לֹ֥א
(lo)
niet
תֵלֵ֖ךְ
(telekh)
je zult gaan
עִמָּהֶ֑ם
(imahem)
met hen
לֹ֤א
(lo)
niet
תָאֹר֙
(taor)
je zult vervloeken
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
כִּ֥י
(ki)
want
בָר֖וּךְ
(barukh)
gezegend
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Elohim zegt: het volk is gezegend.

Zie Gen. 12:2–3, waar Abraham en zijn nageslacht gezegend worden.

13Bileam stond in de morgen op en zei tot de vorsten van Balak: „Ga naar jullie land. Want Yahweh weigert mij toe te staan met jullie mee te gaan.”
וַיָּ֤קָם
(vayaqam)
en stond op
בִּלְעָם֙
(bilam)
Bileam
בַּבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
שָׂרֵ֣י
(sarei)
de vorsten van
בָלָ֔ק
(balaq)
Balak
לְכ֖וּ
(lekhu)
gaat
אֶֽל
(el)
naar
אַרְצְכֶ֑ם
(artsekhem)
jullie land
כִּ֚י
(ki)
want
מֵאֵ֣ן
(meen)
weigert
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְתִתִּ֖י
(letiti)
mij te geven
לַהֲלֹ֥ךְ
(lahalokh)
om te gaan
עִמָּכֶֽם
(imakhem)
met jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14De vorsten van Moab stonden op, gingen naar Balak en zeiden: „Bileam weigert met ons mee te gaan.”
וַיָּק֨וּמוּ֙
(vayaqumu)
en stonden op
שָׂרֵ֣י
(sarei)
de vorsten van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en kwamen
אֶל
(el)
naar
בָּלָ֑ק
(balaq)
Balak
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden
מֵאֵ֥ן
(meen)
weigert
בִּלְעָ֖ם
(bilam)
Bileam
הֲלֹ֥ךְ
(halokh)
te gaan
עִמָּֽנוּ
(imanu)
met ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Balak stuurt meer vorsten

15Balak stuurde opnieuw vorsten, talrijker en aanzienlijker dan de eersten.
וַיֹּ֥סֶף
(vayosef)
en voegde toe
ע֖וֹד
(od)
nog
בָּלָ֑ק
(balaq)
Balak
שְׁלֹ֣חַ
(sheloach)
te sturen
שָׂרִ֔ים
(sarim)
vorsten
רַבִּ֥ים
(rabim)
talrijker
וְנִכְבָּדִ֖ים
(venikhbadim)
en aanzienlijker
מֵאֵֽלֶּה
(meele)
dan deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Zij kwamen bij Bileam en zeiden tegen hem: „Zo zegt Balak, de zoon van Sippor: Laat niets je tegenhouden om naar mij toe te komen.
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
בִּלְעָ֑ם
(bilam)
Bileam
וַיֹּ֣אמְרוּ
(vayomru)
en zeiden
ל֗וֹ
(lo)
tegen hem
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
בָּלָ֣ק
(balaq)
Balak
בֶּן
(ben)
zoon van
צִפּ֔וֹר
(tsipor)
Sippor
אַל
(al)
niet
נָ֥א
(na)
toch
תִמָּנַ֖ע
(timana)
laat je tegenhouden
מֵהֲלֹ֥ךְ
(mehalokh)
om te gaan
אֵלָֽי
(elay)
naar mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Want ik zal je zeer eren, en alles wat je tegen mij zegt, zal ik doen. Kom toch en verwens dit volk voor mij.”
כִּֽי
(ki)
want
כַבֵּ֤ד
(kabed)
zeer
אֲכַבֶּדְךָ֙
(akhabedkha)
ik zal je eren
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וְכֹ֛ל
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
תֹּאמַ֥ר
(tomar)
je zegt
אֵלַ֖י
(elay)
tegen mij
אֶֽעֱשֶׂ֑ה
(eese)
zal ik doen
וּלְכָה
(ulekha)
en kom
נָּא֙
(na)
toch
קָֽבָה
(qava)
verwens
לִּ֔י
(li)
voor mij
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Bileam antwoordde de dienaren van Balak: „Al zou Balak mij zijn huis vol zilver en goud geven. Ik kan het bevel van Yahweh, mijn Elohim, niet overtreden, om iets kleins of iets groots te doen.
וַיַּ֣עַן
(vayaan)
en antwoordde
בִּלְעָ֗ם
(bilam)
Bileam
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tegen
עַבְדֵ֣י
(avdei)
de dienaren van
בָלָ֔ק
(balaq)
Balak
אִם
(im)
als
יִתֶּן
(yiten)
geeft
לִ֥י
(li)
mij
בָלָ֛ק
(balaq)
Balak
מְלֹ֥א
(melo)
vol van
בֵית֖וֹ
(beito)
zijn huis
כֶּ֣סֶף
(kesef)
zilver
וְזָהָ֑ב
(vezahav)
en goud
לֹ֣א
(lo)
niet
אוּכַ֗ל
(ukhal)
kan ik
לַעֲבֹר֙
(laavor)
overtreden
אֶת
(et)
(obj.)
פִּי֙
(pi)
het bevel van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֔י
(elohay)
mijn Elohim
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
קְטַנָּ֖ה
(qetana)
iets kleins
א֥וֹ
(o)
of
גְדוֹלָֽה
(gedola)
iets groots
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Blijf nu toch ook jullie hier vannacht, zodat ik weet wat Yahweh verder tot mij zal zeggen.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
שְׁב֨וּ
(shevu)
blijft
נָ֥א
(na)
toch
בָזֶ֛ה
(baze)
hier
גַּם
(gam)
ook
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
הַלָּ֑יְלָה
(halayela)
vannacht
וְאֵ֣דְעָ֔ה
(veedea)
en ik zal weten
מַה
(ma)
wat
יֹּסֵ֥ף
(yosef)
verder
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
דַּבֵּ֥ר
(daber)
spreken
עִמִּֽי
(imi)
met mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Elohim kwam in de nacht bij Bileam en zei tegen hem: „Stel dat de mannen zijn gekomen om je te roepen. Sta dan op en ga met hen mee. Maar alleen het woord dat Ik tot je zal spreken, moet je doen.”
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en kwam
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
naar
בִּלְעָם֮
(bilam)
Bileam
לַיְלָה֒
(layla)
in de nacht
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֗וֹ
(lo)
tegen hem
אִם
(im)
als
לִקְרֹ֤א
(liqro)
om te roepen
לְךָ֙
(lekha)
je
בָּ֣אוּ
(bau)
zijn gekomen
הָאֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
ק֖וּם
(qum)
sta op
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
אִתָּ֑ם
(itam)
met hen
וְאַ֗ךְ
(veakh)
maar
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֛ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אֲדַבֵּ֥ר
(adaber)
Ik zal spreken
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tot je
אֹת֥וֹ
(oto)
het
תַעֲשֶֽׂה
(taase)
je zult doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Bileam stond in de morgen op, zadelde zijn ezelin en ging met de vorsten van Moab mee.
וַיָּ֤קָם
(vayaqam)
en stond op
בִּלְעָם֙
(bilam)
Bileam
בַּבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַֽיַּחֲבֹ֖שׁ
(vayachavosh)
en zadelde
אֶת
(et)
(obj.)
אֲתֹנ֑וֹ
(atono)
zijn ezelin
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en ging
עִם
(im)
met
שָׂרֵ֥י
(sarei)
de vorsten van
מוֹאָֽב
(moav)
Moab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De engel van Yahweh en de ezelin

22Maar de toorn van Elohim ontbrandde, omdat hij meeging. De engel van Yahweh stelde zich op de weg om hem te weerstaan. Hij reed op zijn ezelin, met zijn twee jongens bij zich.
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֣ף
(af)
de toorn van
אֱלֹהִים֮
(Elohim)
Elohim
כִּֽי
(ki)
omdat
הוֹלֵ֣ךְ
(holekh)
gaand
הוּא֒
(hu)
hij
וַיִּתְיַצֵּ֞ב
(vayityatsev)
en stelde zich op
מַלְאַ֧ךְ
(malakh)
de engel van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּדֶּ֖רֶךְ
(baderekh)
op de weg
לְשָׂטָ֣ן
(lesatan)
als tegenstander
ל֑וֹ
(lo)
voor hem
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
רֹכֵ֣ב
(rokhev)
reed
עַל
(al)
op
אֲתֹנ֔וֹ
(atono)
zijn ezelin
וּשְׁנֵ֥י
(ushenei)
en twee van
נְעָרָ֖יו
(nearav)
zijn jongens
עִמּֽוֹ
(imo)
bij hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׂטָן (satan), ‘tegenstander’: iemand die de weg versperrt.

Het is hier geen eigennaam.

מַלְאַךְ יְהוָה (malakh Yahweh), ‘engel van Yahweh’.

Lezing

Elohim is toornig omdat Bileam meegaat, ook al had Hij gezegd: ‘ga met hen mee’ (vers 20).

Wij laten beide verzen staan; de tekst geeft er geen verklaring voor.

23De ezelin zag de engel van Yahweh op de weg staan, met zijn getrokken zwaard in zijn hand. De ezelin week van de weg af en liep het veld in. Bileam sloeg de ezelin om haar terug op de weg te krijgen.
וַתֵּ֣רֶא
(vatere)
en zag
הָאָתוֹן֩
(haaton)
de ezelin
אֶת
(et)
(obj.)
מַלְאַ֨ךְ
(malakh)
de engel van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
נִצָּ֣ב
(nitsav)
staande
בַּדֶּ֗רֶךְ
(baderekh)
op de weg
וְחַרְבּ֤וֹ
(vecharbo)
en zijn zwaard
שְׁלוּפָה֙
(shelufa)
getrokken
בְּיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
וַתֵּ֤ט
(vatet)
en week af
הָֽאָתוֹן֙
(haaton)
de ezelin
מִן
(min)
van
הַדֶּ֔רֶךְ
(haderekh)
de weg
וַתֵּ֖לֶךְ
(vatelekh)
en ging
בַּשָּׂדֶ֑ה
(basade)
in het veld
וַיַּ֤ךְ
(vayakh)
en sloeg
בִּלְעָם֙
(bilam)
Bileam
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣אָת֔וֹן
(haaton)
de ezelin
לְהַטֹּתָ֖הּ
(lehatotah)
om af te laten wijken
הַדָּֽרֶךְ
(hadarekh)
naar de weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De ezelin ziet de engel eerder dan Bileam.

24Toen stelde de engel van Yahweh zich op in het smalle pad tussen de wijngaarden. Er was een muur aan de ene kant en een muur aan de andere kant.
וַֽיַּעֲמֹד֙
(vayaamod)
en stond
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
de engel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּמִשְׁע֖וֹל
(bemishol)
in het smalle pad van
הַכְּרָמִ֑ים
(hakeramim)
de wijngaarden
גָּדֵ֥ר
(gader)
een muur
מִזֶּ֖ה
(mize)
aan deze kant
וְגָדֵ֥ר
(vegader)
en een muur
מִזֶּֽה
(mize)
aan gene kant
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25De ezelin zag de engel van Yahweh en drukte zich tegen de muur. Zij drukte Bileams voet tegen de muur. Hij sloeg haar opnieuw.
וַתֵּ֨רֶא
(vatere)
en zag
הָאָת֜וֹן
(haaton)
de ezelin
אֶת
(et)
(obj.)
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
de engel van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתִּלָּחֵץ֙
(vatilachets)
en drukte zich
אֶל
(el)
tegen
הַקִּ֔יר
(haqir)
de muur
וַתִּלְחַ֛ץ
(vatilchats)
en drukte
אֶת
(et)
(obj.)
רֶ֥גֶל
(regel)
de voet van
בִּלְעָ֖ם
(bilam)
Bileam
אֶל
(el)
tegen
הַקִּ֑יר
(haqir)
de muur
וַיֹּ֖סֶף
(vayosef)
en hij voegde toe
לְהַכֹּתָֽהּ
(lehakotah)
om haar te slaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26De engel van Yahweh ging nog verder en stelde zich op een smalle plaats. Daar was geen ruimte om naar rechts of naar links uit te wijken.
וַיּ֥וֹסֶף
(vayosef)
en voegde toe
מַלְאַךְ
(malakh)
de engel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲב֑וֹר
(avor)
om verder te gaan
וַֽיַּעֲמֹד֙
(vayaamod)
en stond
בְּמָק֣וֹם
(bemaqom)
op een plaats
צָ֔ר
(tsar)
smal
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
waar
אֵֽין
(ein)
er is niet
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
ruimte
לִנְט֖וֹת
(lintot)
om af te wijken
יָמִ֥ין
(yamin)
rechts
וּשְׂמֹֽאול
(usemovl)
en links
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27De ezelin zag de engel van Yahweh en liet zich onder Bileam neerzakken. Bileams toorn ontbrandde en hij sloeg de ezelin met zijn stok.
וַתֵּ֤רֶא
(vatere)
en zag
הָֽאָתוֹן֙
(haaton)
de ezelin
אֶת
(et)
(obj.)
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
de engel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתִּרְבַּ֖ץ
(vatirbats)
en zakte neer
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
בִּלְעָ֑ם
(bilam)
Bileam
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֣ף
(af)
de toorn van
בִּלְעָ֔ם
(bilam)
Bileam
וַיַּ֥ךְ
(vayakh)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָת֖וֹן
(haaton)
de ezelin
בַּמַּקֵּֽל
(bamaqel)
met de stok
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Yahweh opende de mond van de ezelin. Zij zei tot Bileam: „Wat heb ik jou gedaan, dat je mij nu drie keer hebt geslagen?”
וַיִּפְתַּ֥ח
(vayiftach)
en opende
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
פִּ֣י
(pi)
de mond van
הָאָת֑וֹן
(haaton)
de ezelin
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en zij zei
לְבִלְעָם֙
(levilam)
tegen Bileam
מֶה
(me)
wat
עָשִׂ֣יתִֽי
(asiti)
heb ik gedaan
לְךָ֔
(lekha)
jou
כִּ֣י
(ki)
dat
הִכִּיתַ֔נִי
(hikitani)
je mij hebt geslagen
זֶ֖ה
(ze)
nu
שָׁלֹ֥שׁ
(shalosh)
drie
רְגָלִֽים
(regalim)
keer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רְגָלִים (regalim), ‘voeten’, betekent hier ‘keer’: drie voetstappen, drie keer.

29Bileam zei tot de ezelin: „Omdat je mij belachelijk hebt gemaakt! Had ik maar een zwaard in mijn hand, dan zou ik je nu doden.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
בִּלְעָם֙
(bilam)
Bileam
לָֽאָת֔וֹן
(laaton)
tegen de ezelin
כִּ֥י
(ki)
omdat
הִתְעַלַּ֖לְתְּ
(hitalalt)
je hebt gespot
בִּ֑י
(bi)
met mij
ל֤וּ
(lu)
och
יֶשׁ
(yesh)
als er was
חֶ֨רֶב֙
(cherev)
een zwaard
בְּיָדִ֔י
(beyadi)
in mijn hand
כִּ֥י
(ki)
want
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
הֲרַגְתִּֽיךְ
(haragtikh)
had ik je gedood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30De ezelin zei tot Bileam: „Ben ik niet jouw ezelin, waarop je hebt gereden, al sinds je bestaat tot op deze dag? Ben ik ooit gewend geweest dit bij je te doen?” Hij zei: „Nee.”
וַתֹּ֨אמֶר
(vatomer)
en zei
הָאָת֜וֹן
(haaton)
de ezelin
אֶל
(el)
tot
בִּלְעָ֗ם
(bilam)
Bileam
הֲלוֹא֩
(halo)
niet waar
אָנֹכִ֨י
(anokhi)
ik
אֲתֹֽנְךָ֜
(atonekha)
jouw ezelin
אֲשֶׁר
(asher)
waarop
רָכַ֣בְתָּ
(rakhavta)
je hebt gereden
עָלַ֗י
(alay)
op mij
מֵעֽוֹדְךָ֙
(meodekha)
sinds je bestaan
עַד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
הַֽהַסְכֵּ֣ן
(hahasken)
ben ik gewend
הִסְכַּ֔נְתִּי
(hiskanti)
ben ik geweest
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
לְךָ֖
(lekha)
aan jou
כֹּ֑ה
(ko)
zo
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לֹֽא
(lo)
nee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Toen opende Yahweh de ogen van Bileam. Hij zag de engel van Yahweh op de weg staan, met zijn getrokken zwaard in zijn hand. Hij boog diep en wierp zich op zijn gezicht neer.
וַיְגַ֣ל
(vaygal)
en opende
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
עֵינֵ֣י
(einei)
de ogen van
בִלְעָם֒
(bilam)
Bileam
וַיַּ֞רְא
(vayar)
en hij zag
אֶת
(et)
(obj.)
מַלְאַ֤ךְ
(malakh)
de engel van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
נִצָּ֣ב
(nitsav)
staande
בַּדֶּ֔רֶךְ
(baderekh)
op de weg
וְחַרְבּ֥וֹ
(vecharbo)
en zijn zwaard
שְׁלֻפָ֖ה
(shelufa)
getrokken
בְּיָד֑וֹ
(beyado)
in zijn hand
וַיִּקֹּ֥ד
(vayiqod)
en hij boog
וַיִּשְׁתַּ֖חוּ
(vayishtachu)
en wierp zich neer
לְאַפָּֽיו
(leapav)
op zijn gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיְגַל (vayegal), ‘Hij onthulde’: Yahweh haalt als het ware een sluier van Bileams ogen.

Wij vertalen ‘opende de ogen’.

32De engel van Yahweh zei tot hem: „Waarom heb je je ezelin nu drie keer geslagen? Zie, ik ben uitgegaan als tegenstander, want je weg is roekeloos tegenover mij.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָיו֙
(elav)
tegen hem
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
de engel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
מָ֗ה
(ma)
wat
הִכִּ֨יתָ֙
(hikita)
heb je geslagen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲתֹ֣נְךָ֔
(atonekha)
je ezelin
זֶ֖ה
(ze)
deze
שָׁל֣וֹשׁ
(shalosh)
drie
רְגָלִ֑ים
(regalim)
keer
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
אָנֹכִי֙
(anokhi)
ik
יָצָ֣אתִי
(yatsati)
ben uitgegaan
לְשָׂטָ֔ן
(lesatan)
als tegenstander
כִּֽי
(ki)
want
יָרַ֥ט
(yarat)
is roekeloos
הַדֶּ֖רֶךְ
(haderekh)
de weg
לְנֶגְדִּֽי
(lenegdi)
tegenover mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָרַט (yarat), ‘roekeloos zijn’: een zeldzaam woord.

Bileams weg is gevaarlijk voor hemzelf.

33De ezelin heeft mij gezien en is drie keer voor mij uitgeweken. Als zij niet voor mij was uitgeweken, had ik nu jou gedood en haar in leven gelaten.”
וַתִּרְאַ֨נִי֙
(vatirani)
en zag mij
הָֽאָת֔וֹן
(haaton)
de ezelin
וַתֵּ֣ט
(vatet)
en week af
לְפָנַ֔י
(lefanay)
voor mij
זֶ֖ה
(ze)
deze
שָׁלֹ֣שׁ
(shalosh)
drie
רְגָלִ֑ים
(regalim)
keer
אוּלַי֙
(ulay)
misschien
נָטְתָ֣ה
(nateta)
was zij uitgeweken
מִפָּנַ֔י
(mipanay)
voor mij
כִּ֥י
(ki)
want
עַתָּ֛ה
(ata)
nu
גַּם
(gam)
ook
אֹתְכָ֥ה
(otekha)
jou
הָרַ֖גְתִּי
(haragti)
had ik gedood
וְאוֹתָ֥הּ
(veotah)
en haar
הֶחֱיֵֽיתִי
(hecheyeiti)
in leven gelaten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

אוּלַי (ulay) betekent meestal ‘misschien’.

Hier past de zin ‘als zij niet was uitgeweken’.

Wij vertalen zo, naar de gedachte van het vers.

34Bileam zei tot de engel van Yahweh: „Ik heb gezondigd, want ik wist niet dat u tegenover mij op de weg stond. Als het nu kwaad is in uw ogen, dan keer ik terug.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
בִּלְעָ֜ם
(bilam)
Bileam
אֶל
(el)
tot
מַלְאַ֤ךְ
(malakh)
de engel van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
חָטָ֔אתִי
(chatati)
ik heb gezondigd
כִּ֚י
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדַ֔עְתִּי
(yadati)
ik wist
כִּ֥י
(ki)
dat
אַתָּ֛ה
(ata)
u
נִצָּ֥ב
(nitsav)
stond
לִקְרָאתִ֖י
(liqrati)
tegenover mij
בַּדָּ֑רֶךְ
(badarekh)
op de weg
וְעַתָּ֛ה
(veata)
en nu
אִם
(im)
als
רַ֥ע
(ra)
kwaad
בְּעֵינֶ֖יךָ
(beeineikha)
in uw ogen
אָשׁ֥וּבָה
(ashuva)
keer ik terug
לִּֽי
(li)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Bileam spreekt de engel aan met ‘u’.

35De engel van Yahweh zei tot Bileam: „Ga met de mannen mee. Maar alleen het woord dat ik tot je spreek, moet je spreken.” Bileam ging mee met de vorsten van Balak.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
מַלְאַ֨ךְ
(malakh)
de engel van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
בִּלְעָ֗ם
(bilam)
Bileam
לֵ֚ךְ
(lekh)
ga
עִם
(im)
met
הָ֣אֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
וְאֶ֗פֶס
(veefes)
maar
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֛ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אֲדַבֵּ֥ר
(adaber)
ik zal spreken
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tot je
אֹת֣וֹ
(oto)
het
תְדַבֵּ֑ר
(tedaber)
je zult spreken
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
בִּלְעָ֖ם
(bilam)
Bileam
עִם
(im)
met
שָׂרֵ֥י
(sarei)
de vorsten van
בָלָֽק
(balaq)
Balak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Bileam bij Balak

36Balak hoorde dat Bileam kwam. Hij ging hem tegemoet naar de stad van Moab aan de Arnon, die aan het uiterste van de grens ligt.
וַיִּשְׁמַ֥ע
(vayishma)
en hoorde
בָּלָ֖ק
(balaq)
Balak
כִּ֣י
(ki)
dat
בָ֣א
(ba)
was gekomen
בִלְעָ֑ם
(bilam)
Bileam
וַיֵּצֵ֨א
(vayetse)
en ging uit
לִקְרָאת֜וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
אֶל
(el)
naar
עִ֣יר
(ir)
de stad van
מוֹאָ֗ב
(moav)
Moab
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
עַל
(al)
aan
גְּב֣וּל
(gevul)
de grens van
אַרְנֹ֔ן
(arnon)
de Arnon
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בִּקְצֵ֥ה
(biqtse)
aan het uiterste van
הַגְּבֽוּל
(hagevul)
de grens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De stad van Moab aan de Arnon is waarschijnlijk Ar (zie Num. 21:15 en 21:28).

De ligging is onzeker.

37Balak zei tot Bileam: „Heb ik niet dringend naar je gestuurd om je te roepen? Waarom ben je niet naar mij gekomen? Kan ik je soms niet eren?”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
בָּלָ֜ק
(balaq)
Balak
אֶל
(el)
tot
בִּלְעָ֗ם
(bilam)
Bileam
הֲלֹא֩
(halo)
niet waar
שָׁלֹ֨חַ
(shaloach)
sturen
שָׁלַ֤חְתִּי
(shalachti)
heb ik gestuurd
אֵלֶ֨יךָ֙
(eleikha)
naar je
לִקְרֹא
(liqro)
om te roepen
לָ֔ךְ
(lakh)
je
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
לֹא
(lo)
niet
הָלַ֖כְתָּ
(halakhta)
ben je gekomen
אֵלָ֑י
(elay)
naar mij
הַֽאֻמְנָ֔ם
(haumnam)
werkelijk
לֹ֥א
(lo)
niet
אוּכַ֖ל
(ukhal)
kan ik
כַּבְּדֶֽךָ
(kabedekha)
je eren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38Bileam zei tot Balak: „Zie, ik ben naar je toe gekomen. Maar kan ik nu iets zeggen? Het woord dat Elohim in mijn mond legt, dat zal ik spreken.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
בִּלְעָ֜ם
(bilam)
Bileam
אֶל
(el)
tot
בָּלָ֗ק
(balaq)
Balak
הִֽנֵּה
(hine)
zie
בָ֨אתִי֙
(bati)
ik ben gekomen
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
naar je
עַתָּ֕ה
(ata)
nu
הֲיָכ֥וֹל
(hayakhol)
is het mogelijk
אוּכַ֖ל
(ukhal)
ik kan
דַּבֵּ֣ר
(daber)
zeggen
מְא֑וּמָה
(meuma)
iets
הַדָּבָ֗ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יָשִׂ֧ים
(yasim)
legt
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
בְּפִ֖י
(befi)
in mijn mond
אֹת֥וֹ
(oto)
dat
אֲדַבֵּֽר
(adaber)
zal ik spreken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39Bileam ging met Balak mee en zij kwamen in Kirjat-Chuzot.
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
בִּלְעָ֖ם
(bilam)
Bileam
עִם
(im)
met
בָּלָ֑ק
(balaq)
Balak
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
קִרְיַ֥ת
(qiryat)
Kirjat
חֻצֽוֹת
(chutsot)
Chuzot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kirjat-Chuzot: de ligging is onbekend, ergens op het plateau van Moab.

40Balak slachtte runderen en schapen en stuurde daarvan naar Bileam en naar de vorsten die bij hem waren.
וַיִּזְבַּ֥ח
(vayizbach)
en slachtte
בָּלָ֖ק
(balaq)
Balak
בָּקָ֣ר
(baqar)
runderen
וָצֹ֑אן
(vatson)
en kleinvee
וַיְשַׁלַּ֣ח
(vayshalach)
en stuurde
לְבִלְעָ֔ם
(levilam)
naar Bileam
וְלַשָּׂרִ֖ים
(velasarim)
en naar de vorsten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אִתּֽוֹ
(ito)
bij hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De tekst zegt niet wat Balak stuurde.

Wij voegen alleen ‘daarvan’ toe: een deel van het vlees van de geslachte dieren.

41De volgende morgen nam Balak Bileam mee en bracht hem omhoog naar Bamot-Baäl. Van daar zag hij het uiterste deel van het volk.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בַבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en nam
בָּלָק֙
(balaq)
Balak
אֶת
(et)
(obj.)
בִּלְעָ֔ם
(bilam)
Bileam
וַֽיַּעֲלֵ֖הוּ
(vayaalehu)
en bracht hem omhoog
בָּמ֣וֹת
(bamot)
naar Bamot
בָּ֑עַל
(baal)
Baäl
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en hij zag
מִשָּׁ֖ם
(misham)
vandaar
קְצֵ֥ה
(qetse)
het uiterste van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bamot-Baäl, ‘hoogten van Baäl’, ligt in Moab, vlak bij de Arnon.

De ligging is niet zeker.