Elohim Bijbel

Spreuken 1

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Opschrift, doel en de roep van de Wijsheid

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Opschrift en doel van de Spreuken

1Spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël.
מִ֭שְׁלֵי
(mishlei)
spreuken van
שְׁלֹמֹ֣ה
(shelomo)
Salomo
בֶן
(ben)
zoon van
דָּוִ֑ד
(david)
David
מֶ֝֗לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁלֵי (mishlei), ‘spreuken’: een mashal is een spreuk, een beeldspraak of een vergelijking.

Het opschrift noemt Salomo; daarna volgen nog andere opschriften (Spr. 10:1; 25:1; 30:1; 31:1).

Het boek Spreuken heeft hier een lange inleiding (Spr. 1–9) in de vorm van onderwijs van een vader aan zijn zoon.

2Om wijsheid en tucht te kennen; om woorden van inzicht te begrijpen;
לָדַ֣עַת
(ladaat)
om te kennen
חָכְמָ֣ה
(chakhema)
wijsheid
וּמוּסָ֑ר
(umusar)
en tucht
לְ֝הָבִ֗ין
(lehavin)
om te begrijpen
אִמְרֵ֥י
(imrei)
woorden van
בִינָֽה
(bina)
inzicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָכְמָה (chokmah), ‘wijsheid’: kunde en inzicht in hoe het leven werkt, ook in de omgang met Yahweh.

Wij vertalen steeds ‘wijsheid’; wie die heeft, is een ‘wijze’ (chakam).

מוּסָר (musar), ‘tucht’: het woord betekent ook ‘onderricht’ en ‘vermaning’. Wij houden ‘tucht’ aan in het hele boek.

בִּינָה (binah), ‘inzicht’, en verderop תְּבוּנָה (tevunah), ‘verstand’: twee verwante woorden die wij vast gescheiden houden.

3om de tucht van doorzicht aan te nemen: gerechtigheid, recht en oprechtheid;
לָ֭קַחַת
(laqachat)
om aan te nemen
מוּסַ֣ר
(musar)
tucht van
הַשְׂכֵּ֑ל
(haskel)
doorzicht
צֶ֥דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
וּ֝מִשְׁפָּ֗ט
(umishpat)
en recht
וּמֵישָׁרִֽים
(umeisharim)
en oprechtheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַשְׂכֵּל (haskel), ‘doorzicht’: het inzicht dat tot verstandig handelen leidt.

Wij vertalen ‘doorzicht’ om het te onderscheiden van binah (inzicht).

4om de eenvoudigen slimheid te geven, de jongen kennis en doordachtheid.
לָתֵ֣ת
(latet)
om te geven
לִפְתָאיִ֣ם
(liftayim)
aan eenvoudigen
עָרְמָ֑ה
(arema)
slimheid
לְ֝נַ֗עַר
(lenaar)
aan de jongen
דַּ֣עַת
(daat)
kennis
וּמְזִמָּֽה
(umezima)
en doordachtheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פְּתָאִים (peta’im), ‘eenvoudigen’: mensen die nog niet gevormd zijn en gemakkelijk worden meegevoerd.

Het woord is hier niet scheldend bedoeld.

עָרְמָה (ormah), ‘slimheid’: het woord is positief als het goed gebruikt wordt; elders (Spr. 12:23; 14:8) vertalen wij het als ‘sluwheid’ waar het om list gaat.

מְזִמָּה (mezimmah), ‘doordachtheid’: het vermogen om vooruit te denken en te plannen.

5De wijze luistert en voegt lering toe; de verstandige verwerft leiding.
יִשְׁמַ֣ע
(yishma)
luistert
חָ֭כָם
(chakham)
de wijze
וְי֣וֹסֶף
(veyosef)
en voegt toe
לֶ֑קַח
(leqach)
lering
וְ֝נָב֗וֹן
(venavon)
en de verstandige
תַּחְבֻּל֥וֹת
(tachbulot)
leiding
יִקְנֶֽה
(yiqne)
verwerft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּחְבֻּלוֹת (tachbulot), ‘leiding’: eigenlijk ‘stuurmanskunst’ (een schip sturen).

De verstandige leert dus de goede weg te kiezen.

6Zo begrijpt men een spreuk en een raadselspreuk, de woorden van wijzen en hun raadsels.
לְהָבִ֣ין
(lehavin)
om te begrijpen
מָ֭שָׁל
(mashal)
spreuk
וּמְלִיצָ֑ה
(umelitsa)
en raadselspreuk
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
חֲ֝כָמִ֗ים
(chakhamim)
wijzen
וְחִידֹתָֽם
(vechidotam)
en hun raadsels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְלִיצָה (melitsah), ‘raadselspreuk’: de betekenis is onzeker.

Het woord staat naast ‘spreuk’ (mashal) en kan ook ‘zinspreuk’ of ‘spotdicht’ betekenen.

Wij houden ‘raadselspreuk’ aan; verderop in het vers staat het gewone woord voor raadsel (chidah, Ps. 78:2).

7De vrees voor Yahweh is het begin van kennis. Wijsheid en tucht verachten de zotten.
יִרְאַ֣ת
(yirat)
vrees voor
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
רֵאשִׁ֣ית
(reshit)
begin van
דָּ֑עַת
(daat)
kennis
חָכְמָ֥ה
(chakhema)
wijsheid
וּ֝מוּסָ֗ר
(umusar)
en tucht
אֱוִילִ֥ים
(evilim)
zotten
בָּֽזוּ
(bazu)
verachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘vrees voor Yahweh’: ‘vrees’ omvat hier ontzag en eerbied, niet alleen angst.

Het werkwoord yare vertalen wij steeds met ‘vrezen’.

Vergelijk Job 28:28 en Ps. 111:10.

רֵאשִׁית (reshit), ‘begin’: het woord kan ook ‘het beste’ of ‘het voornaamste’ betekenen. De vrees voor Yahweh is dus het begin én de kern van kennis.

אֱוִילִים (evilim), ‘zotten’: mensen die zich niets van wijsheid aantrekken. Wij vertalen evil steeds met ‘zot’ en kesil met ‘dwaas’.

Onderwijs van de vader aan zijn zoon

8Luister, mijn zoon, naar de tucht van je vader en verlaat het onderwijs van je moeder niet.
שְׁמַ֣ע
(shema)
luister
בְּ֭נִי
(beni)
mijn zoon
מוּסַ֣ר
(musar)
naar de tucht van
אָבִ֑יךָ
(avikha)
je vader
וְאַל
(veal)
en niet
תִּ֝טֹּ֗שׁ
(titosh)
verlaat
תּוֹרַ֥ת
(torat)
het onderwijs van
אִמֶּֽךָ
(imekha)
je moeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘onderwijs’: zo vertalen wij het woord waar de vader of de wijze het geeft.

Waar het om de wet van Elohim gaat, vertalen wij ‘wet’ (bijvoorbeeld Spr. 28:4).

9Want zij zijn een krans van gunst voor je hoofd en kettingen voor je hals.
כִּ֤י
(ki)
want
לִוְיַ֤ת
(livyat)
een krans van
חֵ֓ן
(chen)
gunst
הֵ֬ם
(hem)
zij
לְרֹאשֶׁ֑ךָ
(leroshekha)
voor je hoofd
וַ֝עֲנָקִ֗ים
(vaanaqim)
en kettingen
לְגַרְגְּרֹתֶֽיךָ
(legargeroteikha)
voor je hals
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵן (chen), ‘gunst’: ook ‘bevalligheid’ of ‘sierlijkheid’.

Wij houden ‘gunst’ aan, zoals elders in de Bijbel.

10Mijn zoon, als zondaars je verleiden, stem dan niet toe.
בְּנִ֡י
(beni)
mijn zoon
אִם
(im)
als
יְפַתּ֥וּךָ
(yefatukha)
verleiden je
חַ֝טָּאִ֗ים
(chataim)
zondaars
אַל
(al)
niet
תֹּבֵֽא
(tove)
stem toe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַל תֹּבֵא (al tovo), ‘kom niet’: letterlijk ‘ga niet mee’, ‘geef niet toe’.

Wij vertalen ‘stem niet toe’.

11Als zij zeggen: „Ga met ons mee! Laten wij op de loer liggen op bloed; laten wij de onschuldige zonder reden opwachten.
אִם
(im)
als
יֹאמְרוּ֮
(yomru)
zij zeggen
לְכָ֪ה
(lekha)
ga mee
אִ֫תָּ֥נוּ
(itanu)
met ons
נֶאֶרְבָ֥ה
(neerva)
laten wij op de loer liggen
לְדָ֑ם
(ledam)
op bloed
נִצְפְּנָ֖ה
(nitspena)
laten wij opwachten
לְנָקִ֣י
(lenaqi)
de onschuldige
חִנָּֽם
(chinam)
zonder reden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Er begint een toespraak van de zondaars (tot en met vers 14).

Het ‘bloed’ staat voor moord en roof.

12Laten wij hen inslikken als Sjeol, levend, en onberispelijken als wie in de kuil neerdalen.
נִ֭בְלָעֵם
(nivlaem)
laten wij hen inslikken
כִּשְׁא֣וֹל
(kishol)
als Sjeol
חַיִּ֑ים
(chayim)
levend
וּ֝תְמִימִ֗ים
(utemimim)
en onberispelijken
כְּי֣וֹרְדֵי
(keyoredei)
als wie neerdalen in
בֽוֹר
(bor)
de kuil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאוֹל (sheol), ‘Sjeol’: het verblijf van de doden.

Wij schrijven steeds ‘Sjeol’.

De zondaars willen hun slachtoffers net zo plotseling verslinden als de Sjeol dat doet.

בּוֹר (bor), ‘kuil’: het graf, de plaats van de doden.

13Wij vinden allerlei kostbaar vermogen; wij vullen onze huizen met buit.
כָּל
(kal)
allerlei
ה֣וֹן
(hon)
vermogen
יָקָ֣ר
(yaqar)
kostbaar
נִמְצָ֑א
(nimtsa)
wij vinden
נְמַלֵּ֖א
(nemale)
wij vullen
בָתֵּ֣ינוּ
(bateinu)
onze huizen
שָׁלָֽל
(shalal)
met buit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Je zult je lot onder ons werpen. Er zal één beurs zijn voor ons allen.”
גּ֭וֹרָ֣לְךָ
(goralekha)
je lot
תַּפִּ֣יל
(tapil)
zul je werpen
בְּתוֹכֵ֑נוּ
(betokhenu)
onder ons
כִּ֥יס
(kis)
beurs
אֶ֝חָ֗ד
(echad)
één
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
לְכֻלָּֽנוּ
(lekhulanu)
voor ons allen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Mijn zoon, ga niet met hen op weg. Houd je voet terug van hun pad.
בְּנִ֗י
(beni)
mijn zoon
אַל
(al)
niet
תֵּלֵ֣ךְ
(telekh)
ga
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op weg
אִתָּ֑ם
(itam)
met hen
מְנַ֥ע
(mena)
houd terug
רַ֝גְלְךָ֗
(raglekha)
je voet
מִנְּתִיבָתָֽם
(minetivatam)
van hun pad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Want hun voeten rennen naar het kwaad en haasten zich om bloed te vergieten.
כִּ֣י
(ki)
want
רַ֭גְלֵיהֶם
(ragleihem)
hun voeten
לָרַ֣ע
(lara)
naar het kwaad
יָר֑וּצוּ
(yarutsu)
rennen
וִֽ֝ימַהֲר֗וּ
(vimaharu)
en haasten zich
לִשְׁפָּךְ
(lishpakh)
om te vergieten
דָּֽם
(dam)
bloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers lijkt sterk op Jes. 59:7.

17Want het net wordt tevergeefs uitgespreid voor de ogen van alles wat vleugels heeft.
כִּֽי
(ki)
want
חִ֭נָּם
(chinam)
tevergeefs
מְזֹרָ֣ה
(mezora)
wordt uitgespreid
הָרָ֑שֶׁת
(harashet)
het net
בְּ֝עֵינֵ֗י
(beeinei)
voor de ogen van
כָל
(kal)
alles
בַּ֥עַל
(baal)
wat bezit
כָּנָֽף
(kanaf)
vleugel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zin is moeilijk.

Wij lezen: wie een vogel wil vangen, spreidt het net tevergeefs uit als de vogel het ziet.

Zo gaan de zondaars zelf in hun eigen net (vers 18).

בַּעַל כָּנָף (ba’al kanaf), ‘bezitter van een vleugel’: elk gevleugeld dier, een vogel.

חִנָּם (chinnam), ‘tevergeefs’: ook ‘zonder reden’ (vers 11). Wij kiezen per vers wat de zin eist.

18Maar zij liggen op de loer op hun eigen bloed; zij verbergen zich voor hun eigen leven.
וְ֭הֵם
(vehem)
maar zij
לְדָמָ֣ם
(ledamam)
op hun eigen bloed
יֶאֱרֹ֑בוּ
(yeerovu)
liggen op de loer
יִ֝צְפְּנ֗וּ
(yitspenu)
verbergen zich
לְנַפְשֹׁתָֽם
(lenafshotam)
voor hun eigen leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het woord betekent de mens als levend wezen, met zijn leven, zijn adem en zijn begeerte.

Wij vertalen meestal ‘ziel’ en waar de zin het eist ‘leven’, ‘persoon’ of ‘begeerte’.

Hier staat ‘leven’.

19Zo zijn de paden van ieder die winst najaagt: het neemt het leven weg van zijn bezitter.
כֵּ֗ן
(ken)
zo
אָ֭רְחוֹת
(arechot)
paden van
כָּל
(kal)
ieder
בֹּ֣צֵֽעַ
(botsea)
die najaagt
בָּ֑צַע
(batsa)
winst
אֶת
(et)
(obj.)
נֶ֖פֶשׁ
(nefesh)
leven van
בְּעָלָ֣יו
(bealav)
zijn bezitter
יִקָּֽח
(yiqach)
neemt het weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֹּצֵעַ בֶּצַע (botse’a betsa), ‘wie winst najaagt’: het woord betsa kan ook ‘roof’ of ‘oneerlijk gewin’ zijn.

Het ‘het’ aan het slot kan op de winst slaan of op het pad; de Hebreeuwse vorm laat beide toe.

De Wijsheid roept

20De Wijsheid roept luid op straat; zij laat haar stem horen op de pleinen.
חָ֭כְמוֹת
(chakhemot)
de Wijsheid
בַּח֣וּץ
(bachuts)
op straat
תָּרֹ֑נָּה
(tarona)
roept luid
בָּ֝רְחֹב֗וֹת
(barechovot)
op de pleinen
תִּתֵּ֥ן
(titen)
geeft
קוֹלָֽהּ
(qolah)
haar stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָכְמוֹת (chokmot), ‘Wijsheid’: een meervoudsvorm die de volheid van de wijsheid uitdrukt.

Zij wordt hier als een persoon voorgesteld die roept; wij schrijven ‘de Wijsheid’ met ‘zij’.

Zie ook Spr. 8 en 9.

De spreker staat zwart gedrukt: de Wijsheid is niet Yahweh zelf.

21Aan het hoofd van de rumoerige straten roept zij. Bij de ingangen van de poorten, in de stad, zegt zij haar woorden:
בְּרֹ֥אשׁ
(berosh)
aan het hoofd van
הֹמִיּ֗וֹת
(homiyot)
de rumoerige straten
תִּ֫קְרָ֥א
(tiqra)
roept zij
בְּפִתְחֵ֖י
(befitchei)
bij de ingangen van
שְׁעָרִ֥ים
(shearim)
poorten
בָּעִ֗יר
(bair)
in de stad
אֲמָרֶ֥יהָ
(amareiha)
haar woorden
תֹאמֵֽר
(tomer)
zegt zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22„Hoelang nog, eenvoudigen, houden jullie van eenvoud? Spotters verlangen naar spot, en dwazen haten kennis.
עַד
(ad)
tot
מָתַ֣י
(matay)
wanneer
פְּתָיִם֮
(petayim)
eenvoudigen
תְּֽאֵהֲב֫וּ
(teehavu)
houden jullie van
פֶ֥תִי
(peti)
eenvoud
וְלֵצִ֗ים
(veletsim)
en spotters
לָ֭צוֹן
(latson)
spot
חָמְד֣וּ
(chamedu)
verlangen
לָהֶ֑ם
(lahem)
naar zich
וּ֝כְסִילִ֗ים
(ukhesilim)
en dwazen
יִשְׂנְאוּ
(yisneu)
haten
דָֽעַת
(daat)
kennis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Keer terug bij mijn terechtwijzing! Zie, ik stort mijn geest over jullie uit; ik maak mijn woorden aan jullie bekend.
תָּשׁ֗וּבוּ
(tashuvu)
keer terug
לְֽת֫וֹכַחְתִּ֥י
(letokhachti)
bij mijn terechtwijzing
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
אַבִּ֣יעָה
(abia)
ik stort uit
לָכֶ֣ם
(lakhem)
over jullie
רוּחִ֑י
(ruchi)
mijn geest
אוֹדִ֖יעָה
(odia)
ik maak bekend
דְבָרַ֣י
(devaray)
mijn woorden
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
aan jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוּבוּ לְתוֹכַחְתִּי (shuvu letochachti), ‘keer terug bij mijn terechtwijzing’: het voorzetsel is moeilijk; het kan ook betekenen ‘keer terug door mijn terechtwijzing’ of ‘keer om op mijn terechtwijzing’.

רוּחִי (ruchi), ‘mijn geest’: hier wat de Wijsheid inwendig bezielt en wat zij nu overdraagt: haar gedachten en haar kracht. Het woord kan ook ‘adem’ of ‘wind’ zijn.

24Omdat ik riep en jullie weigerden, omdat ik mijn hand uitstrekte en niemand luisterde,
יַ֣עַן
(yaan)
omdat
קָ֭רָאתִי
(qarati)
ik riep
וַתְּמָאֵ֑נוּ
(vatemaenu)
en jullie weigerden
נָטִ֥יתִי
(natiti)
ik strekte uit
יָ֝דִ֗י
(yadi)
mijn hand
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet was er
מַקְשִֽׁיב
(maqshiv)
luisterende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25omdat jullie al mijn raad lieten varen en mijn terechtwijzing niet wilden,
וַתִּפְרְע֥וּ
(vatifreu)
en jullie lieten varen
כָל
(kal)
al
עֲצָתִ֑י
(atsati)
mijn raad
וְ֝תוֹכַחְתִּ֗י
(vetokhachti)
en mijn terechtwijzing
לֹ֣א
(lo)
niet
אֲבִיתֶֽם
(avitem)
jullie wilden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26zal ook ik lachen om jullie ramp; ik zal spotten wanneer jullie schrik komt,
גַּם
(gam)
ook
אֲ֭נִי
(ani)
ik
בְּאֵידְכֶ֣ם
(beeidekhem)
om jullie ramp
אֶשְׂחָ֑ק
(eschaq)
zal lachen
אֶ֝לְעַ֗ג
(elag)
zal spotten
בְּבֹ֣א
(bevo)
wanneer komt
פַחְדְּכֶֽם
(pachdekhem)
jullie schrik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27wanneer jullie schrik komt als een storm en jullie ramp aankomt als een wervelwind, wanneer nood en benauwdheid over jullie komen.
בְּבֹ֤א
(bevo)
wanneer komt
כְשׁוֹאָ֨ה
(keshoa)
als een storm
פַּחְדְּכֶ֗ם
(pachdekhem)
jullie schrik
וְֽ֭אֵידְכֶם
(veeidekhem)
en jullie ramp
כְּסוּפָ֣ה
(kesufa)
als een wervelwind
יֶאֱתֶ֑ה
(yeete)
komt aan
בְּבֹ֥א
(bevo)
wanneer komen
עֲ֝לֵיכֶ֗ם
(aleikhem)
over jullie
צָרָ֥ה
(tsara)
nood
וְצוּקָֽה
(vetsuqa)
en benauwdheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het woord כְּשׁוֹאָה (keshoah), ‘als een storm’, staat in de tekst met een ander schrijfbeeld (ketiv: כשאוה); de lezing (qere) is ‘als een storm’.

Wij volgen de lezing.

סוּפָה (sufah), ‘wervelwind’: een storm die alles meesleurt.

28Dan zullen zij mij aanroepen, maar ik antwoord niet; zij zullen mij zoeken, maar zij vinden mij niet.
אָ֣ז
(az)
dan
יִ֭קְרָאֻנְנִי
(yiqraunni)
zullen zij mij aanroepen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֶֽעֱנֶ֑ה
(eene)
ik antwoord
יְ֝שַׁחֲרֻ֗נְנִי
(yeshacharunni)
zij zullen mij zoeken
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִמְצָאֻֽנְנִי
(yimtsaunni)
zij vinden mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Want zij haatten kennis en kozen de vrees voor Yahweh niet.
תַּ֭חַת
(tachat)
omdat
כִּי
(ki)
dat
שָׂ֣נְאוּ
(saneu)
zij haatten
דָ֑עַת
(daat)
kennis
וְיִרְאַ֥ת
(veyirat)
en vrees voor
יְ֝הֹוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֣א
(lo)
niet
בָחָֽרוּ
(bacharu)
zij kozen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Zij wilden mijn raad niet; zij verachtten al mijn terechtwijzing.
לֹא
(lo)
niet
אָב֥וּ
(avu)
wilden
לַעֲצָתִ֑י
(laatsati)
mijn raad
נָ֝אֲצ֗וּ
(naatsu)
verachtten
כָּל
(kal)
al
תּוֹכַחְתִּֽי
(tokhachti)
mijn terechtwijzing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Zij zullen eten van de vrucht van hun weg en verzadigd worden van hun eigen plannen.
וְֽ֭יֹאכְלוּ
(veyokhlu)
en zij eten
מִפְּרִ֣י
(miperi)
van de vrucht van
דַרְכָּ֑ם
(darkam)
hun weg
וּֽמִמֹּעֲצֹ֖תֵיהֶ֣ם
(umimoatsoteihem)
en van hun plannen
יִשְׂבָּֽעוּ
(yisbau)
worden verzadigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Want de afkeer van de eenvoudigen doodt hen, en de zorgeloosheid van de dwazen richt hen te gronde.
כִּ֤י
(ki)
want
מְשׁוּבַ֣ת
(meshuvat)
afkeer van
פְּתָיִ֣ם
(petayim)
eenvoudigen
תַּֽהַרְגֵ֑ם
(tahargem)
doodt hen
וְשַׁלְוַ֖ת
(veshalvat)
en zorgeloosheid van
כְּסִילִ֣ים
(kesilim)
dwazen
תְּאַבְּדֵֽם
(teabedem)
richt hen te gronde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְשׁוּבַת (meshuvat), ‘afkeer’: letterlijk ‘het zich afkeren’.

De eenvoudigen keren zich van de Wijsheid af en dat doodt hen.

שַׁלְוַת (shalvat), ‘zorgeloosheid’: de gerustheid van wie zich niets aantrekt van gevaar.

33Maar wie naar mij luistert, zal veilig wonen en rustig zijn, zonder angst voor het kwaad.”
וְשֹׁמֵ֣עַֽ
(veshomea)
maar wie luistert
לִ֭י
(li)
naar mij
יִשְׁכָּן
(yishkan)
zal wonen
בֶּ֑טַח
(betach)
veilig
וְ֝שַׁאֲנַ֗ן
(veshaanan)
en rustig
מִפַּ֥חַד
(mipachad)
zonder angst voor
רָעָֽה
(raa)
het kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)