Hosea, de val van Samaria en de volken in het land
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Hosea, de laatste koning van Israël
1In het twaalfde jaar van Achaz, de koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning in Samaria over Israël. Hij regeerde 9 jaar.
בִּשְׁנַת֙
(bishnat)
in het jaar van
שְׁתֵּ֣ים
(sheteim)
twee
עֶשְׂרֵ֔ה
(esre)
tien
לְאָחָ֖ז
(leachaz)
van Achaz
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
מָ֠לַךְ
(malakh)
werd koning
הוֹשֵׁ֨עַ
(hoshea)
Hosea
בֶּן
(ben)
zoon van
אֵלָ֧ה
(ela)
Ela
בְשֹׁמְר֛וֹן
(beshomeron)
in Samaria
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
תֵּ֥שַׁע
(tesha)
negen
שָׁנִֽים
(shanim)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Uitleg
הוֹשֵׁעַ (Hoshea), ‘Hosea’: de naam betekent ‘redding’.
Hosea is de laatste koning van Israël.
Hij kwam aan de macht na een samenzwering tegen Pekach (2 Kon. 15:30).
Dezelfde naam droeg Jozua eerst (Num. 13:8, 16).
Wij geven de getallen letterlijk. Hoe het twaalfde jaar van Achaz zich verhoudt tot de jaren in 2 Kon. 15:30 en 15:32, is niet eenvoudig vast te stellen.
2Hij deed wat slecht was in de ogen van Yahweh, maar niet zoals de koningen van Israël die vóór hem waren.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
רַ֗ק
(raq)
alleen
לֹ֚א
(lo)
niet
כְּמַלְכֵ֣י
(kemalkhei)
zoals de koningen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הָי֖וּ
(hayu)
waren
לְפָנָֽיו
(lefanav)
vóór hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רַק לֹא כְּמַלְכֵי יִשְׂרָאֵל (raq lo kemalkhei Yisra’el), ‘maar niet zoals de koningen van Israël’: het Hebreeuws zegt niet waarin Hosea beter was dan zijn voorgangers.
3Tegen hem trok Salmaneser, de koning van Assyrië, op. Hosea werd zijn dienaar en betaalde hem schatting.
עָלָ֣יו
(alav)
tegen hem
עָלָ֔ה
(ala)
trok op
שַׁלְמַנְאֶ֖סֶר
(shalmaneser)
Salmaneser
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֑וּר
(ashur)
Assyrië
וַֽיְהִי
(vayhi)
en werd
ל֤וֹ
(lo)
voor hem
הוֹשֵׁ֨עַ֙
(hoshea)
Hosea
עֶ֔בֶד
(eved)
dienaar
וַיָּ֥שֶׁב
(vayashev)
en bracht terug
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
מִנְחָֽה
(mincha)
schatting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
שַׁלְמַנְאֶסֶר (Shalmaneser), ‘Salmaneser’: koning van Assyrië.
מִנְחָה (minchah), ‘schatting’: hier is het niet het graanoffer, maar een betaling aan een overheerser. Vergelijk 2 Sam. 8:2, waar Moab schatting brengt aan David.
4De koning van Assyrië ontdekte een samenzwering bij Hosea. Hosea had boden gestuurd naar So, de koning van Egypte. Hij bracht de koning van Assyrië geen schatting meer, zoals hij dat jaar na jaar had gedaan. Toen sloot de koning van Assyrië hem op en bond hem in de gevangenis.
וַיִּמְצָא֩
(vayimtsa)
en vond
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֨וּר
(ashur)
Assyrië
בְּהוֹשֵׁ֜עַ
(behoshea)
bij Hosea
קֶ֗שֶׁר
(qesher)
een samenzwering
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
שָׁלַ֤ח
(shalach)
hij had gestuurd
מַלְאָכִים֙
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
naar
ס֣וֹא
(so)
So
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְלֹא
(velo)
en niet
הֶעֱלָ֥ה
(heela)
bracht hij op
מִנְחָ֛ה
(mincha)
schatting
לְמֶ֥לֶךְ
(lemelekh)
aan de koning van
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assyrië
כְּשָׁנָ֣ה
(keshana)
zoals jaar
בְשָׁנָ֑ה
(beshana)
in jaar
וַֽיַּעַצְרֵ֨הוּ֙
(vayaatsrehu)
en sloot hem op
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
וַיַּאַסְרֵ֖הוּ
(vayaasrehu)
en bond hem
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
כֶּֽלֶא
(kele)
gevangenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
סוֹא (So), ‘So’: een koning van Egypte.
Wie hij was, is onzeker.
קֶשֶׁר (qesher), ‘samenzwering’: hier verzet tegen de oppermacht van Assyrië. Hosea zocht steun bij Egypte en hield op met betalen.
6In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in. Hij voerde Israël weg naar Assyrië. Hij liet hen wonen in Chalach en aan de Chabor, de rivier van Gozan, en in de steden van Medië.
בִּשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar van
הַתְּשִׁיעִ֜ית
(hateshiit)
de negende
לְהוֹשֵׁ֗עַ
(lehoshea)
van Hosea
לָכַ֤ד
(lakhad)
nam in
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁוּר֙
(ashur)
Assyrië
אֶת
(et)
(obj.)
שֹׁ֣מְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
וַיֶּ֥גֶל
(vayegel)
en voerde weg
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אַשּׁ֑וּרָה
(ashura)
naar Assyrië
וַיֹּ֨שֶׁב
(vayoshev)
en liet wonen
אֹתָ֜ם
(otam)
hen
בַּחְלַ֧ח
(bachlach)
in Chalach
וּבְחָב֛וֹר
(uvechavor)
en aan de Chabor
נְהַ֥ר
(nehar)
rivier van
גּוֹזָ֖ן
(gozan)
Gozan
וְעָרֵ֥י
(vearei)
en de steden van
מָדָֽי
(maday)
Medië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Zie Chalach en Hara (ligging onzeker): Chalach en Hara waren gebieden in het noorden van Mesopotamië, bij de Chabor en de Gozan, waarheen Assyrië Israëlieten wegvoerde.
De precieze plaats is niet zeker.
Zie Chabor: De Chabor is een zijrivier van de Eufraat in het noordoosten van Syrië.
Daar liggen de gebieden waarheen Israël in ballingschap werd gevoerd.
Zie Gozan (Tell Halaf): Gozan lag aan de Chabor, bij het huidige Tell Halaf, in het noordoosten van Syrië.
Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran.
Uitleg
Chalach (חֲלַח) was een streek in Assyrië; de ligging is onzeker.
De Chabor (חָבוֹר) is een zijrivier van de Eufraat in het noordoosten van het huidige Syrië.
Gozan (גּוֹזָן) wordt gezocht bij Tell Halaf aan de Chabor (waarschijnlijk).
Medië (מָדַי) lag ten oosten van Assyrië, in het noordwesten van het huidige Iran.
Zie ook 1 Kron. 5:26.
Met de inname van Samaria eindigt het koninkrijk Israël, ongeveer in 722 voor Christus.
7Dit gebeurde omdat de zonen van Israël gezondigd hadden tegen Yahweh, hun Elohim. Hij had hen uit het land Egypte laten optrekken, van onder de hand van Farao, de koning van Egypte. Zij vreesden andere goden.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כִּֽי
(ki)
omdat
חָטְא֤וּ
(chateu)
zondigden
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
tegen Yahweh
אֱלֹהֵיהֶ֔ם
(eloheihem)
hun Elohim
הַמַּעֲלֶ֤ה
(hamaale)
die liet optrekken
אֹתָם֙
(otam)
hen
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
מִתַּ֕חַת
(mitachat)
van onder
יַ֖ד
(yad)
de hand van
פַּרְעֹ֣ה
(paro)
Farao
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וַיִּֽירְא֖וּ
(vayireu)
en vreesden
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִֽים
(acherim)
andere
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
Vanaf hier tot vers 23 legt de schrijver uit waarom Israël werd weggevoerd.
וַיִּרְאוּ אֱלֹהִים אֲחֵרִים (vayyire’u elohim acherim), ‘zij vreesden andere goden’: vrezen is hier eerbied tonen en dienen. Vergelijk Exod. 20:2–3 en Deut. 6:13–14.
8Zij liepen in de voorschriften van de volken die Yahweh voor de zonen van Israël had verdreven. Ook liepen zij in wat de koningen van Israël hadden ingesteld.
וַיֵּֽלְכוּ֙
(vayelekhu)
en liepen
בְּחֻקּ֣וֹת
(bechuqot)
in de voorschriften van
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
הוֹרִ֣ישׁ
(horish)
verdreef
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor het aangezicht van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וּמַלְכֵ֥י
(umalkhei)
en van de koningen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
עָשֽׂוּ
(asu)
zij hadden ingesteld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
וּמַלְכֵי יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר עָשׂוּ (umalkhei Yisra’el asher asu), letterlijk ‘en de koningen van Israël, wat zij maakten’.
Het woord ‘voorschriften’ wordt niet herhaald, en het is niet duidelijk of ‘zij’ de koningen of het volk zijn.
Wij vertalen ‘in wat de koningen van Israël hadden ingesteld’.
9De zonen van Israël deden in het geheim dingen die niet juist waren tegenover Yahweh, hun Elohim. Zij bouwden voor zich hoogten in al hun steden, van de wachttoren tot de versterkte stad.
וַיְחַפְּא֣וּ
(vaychapeu)
en deden heimelijk
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
דְּבָרִים֙
(devarim)
dingen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
כֵ֔ן
(ken)
juist
עַל
(al)
tegen
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶ֑ם
(eloheihem)
hun Elohim
וַיִּבְנ֨וּ
(vayivnu)
en bouwden
לָהֶ֤ם
(lahem)
voor zich
בָּמוֹת֙
(bamot)
hoogten
בְּכָל
(bekhal)
in al
עָ֣רֵיהֶ֔ם
(areihem)
hun steden
מִמִּגְדַּ֥ל
(mimigdal)
van de toren van
נוֹצְרִ֖ים
(notserim)
de wachters
עַד
(ad)
tot
עִ֥יר
(ir)
de stad van
מִבְצָֽר
(mivtsar)
de vesting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels, vaak met altaar en gewijde stenen.
Vergelijk Deut. 12:2–3.
מִמִּגְדַּל נוֹצְרִים עַד־עִיר מִבְצָר (mimmigdal notsrim ad ir mivtsar), ‘van de wachttoren tot de versterkte stad’: een uitdrukking voor ‘overal’, van de kleinste tot de grootste plaats.
Lezing
וַיְחַפְּאוּ (vayechappe’u), ‘zij deden in het geheim’: dit werkwoord komt alleen hier voor.
11Daar lieten zij offerrook opgaan op alle hoogten, zoals de volken die Yahweh voor hen had weggevoerd. Zij deden slechte dingen om Yahweh tot toorn te prikkelen.
וַיְקַטְּרוּ
(vayqateru)
en lieten offerrook opgaan
שָׁם֙
(sham)
daar
בְּכָל
(bekhal)
op alle
בָּמ֔וֹת
(bamot)
hoogten
כַּגּוֹיִ֕ם
(kagoyim)
zoals de volken
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֶגְלָ֥ה
(hegla)
voerde weg
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מִפְּנֵיהֶ֑ם
(mipeneihem)
voor hun aangezicht
וַֽיַּעֲשׂוּ֙
(vayaasu)
en deden
דְּבָרִ֣ים
(devarim)
dingen
רָעִ֔ים
(raim)
slechte
לְהַכְעִ֖יס
(lehakhis)
om te tergen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Yahweh waarschuwde Israël en Juda door alle profeten en alle zieners: „Keer terug van jullie slechte wegen. Houd Mijn geboden en Mijn voorschriften. Doe dat volgens heel de wet die Ik jullie vaderen heb geboden. Ik heb haar naar jullie gestuurd door Mijn dienaren, de profeten.”
וַיָּ֣עַד
(vayaad)
en waarschuwde
יְהוָ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיִשְׂרָאֵ֣ל
(beyisrael)
in Israël
וּבִיהוּדָ֡ה
(uvihuda)
en in Juda
בְּיַד֩
(beyad)
door de hand van
כָּל
(kal)
alle
נְבִיאֵ֨י
(neviei)
profeten van
כָל
(kal)
alle
חֹזֶ֜ה
(choze)
zieners
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
שֻׁ֝֠בוּ
(shuvu)
keer terug
מִדַּרְכֵיכֶ֤ם
(midarkheikhem)
van jullie wegen
הָֽרָעִים֙
(haraim)
de slechte
וְשִׁמְרוּ֙
(veshimru)
en houd
מִצְוֺתַ֣י
(mitsvotay)
Mijn geboden
חֻקּוֹתַ֔י
(chuqotay)
Mijn voorschriften
כְּכָ֨ל
(kekhal)
volgens heel
הַתּוֹרָ֔ה
(hatora)
de wet
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
צִוִּ֖יתִי
(tsiviti)
Ik heb geboden
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבֹֽתֵיכֶ֑ם
(avoteikhem)
jullie vaderen
וַֽאֲשֶׁר֙
(vaasher)
en die
שָׁלַ֣חְתִּי
(shalachti)
Ik heb gestuurd
אֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
naar jullie
בְּיַ֖ד
(beyad)
door de hand van
עֲבָדַ֥י
(avaday)
Mijn dienaren
הַנְּבִיאִֽים
(haneviim)
de profeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Zij verwierpen Zijn voorschriften, Zijn verbond dat Hij met hun vaderen had gesloten en Zijn getuigenissen waarmee Hij hen had gewaarschuwd. Zij liepen achter de damp aan en werden zelf damp. Zij liepen achter de volken aan die rondom hen waren, terwijl Yahweh hun had geboden niet te doen zoals zij.
וַיִּמְאֲס֣וּ
(vayimasu)
en verwierpen
אֶת
(et)
(obj.)
חֻקָּ֗יו
(chuqav)
Zijn voorschriften
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּרִיתוֹ֙
(berito)
Zijn verbond
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
כָּרַ֣ת
(karat)
Hij sloot
אֶת
(et)
met
אֲבוֹתָ֔ם
(avotam)
hun vaderen
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
עֵֽדְוֺתָ֔יו
(edevotav)
Zijn getuigenissen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֵעִ֖יד
(heid)
Hij waarschuwde
בָּ֑ם
(bam)
hen
וַיֵּ֨לְכ֜וּ
(vayelekhu)
en liepen
אַחֲרֵ֤י
(acharei)
achter
הַהֶ֨בֶל֙
(hahevel)
de damp
וַיֶּהְבָּ֔לוּ
(vayehbalu)
en werden damp
וְאַחֲרֵ֤י
(veacharei)
en achter
הַגּוֹיִם֙
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
סְבִֽיבֹתָ֔ם
(sevivotam)
rondom hen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
צִוָּ֤ה
(tsiva)
Hij had geboden
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
לְבִלְתִּ֖י
(levilti)
om niet
עֲשׂ֥וֹת
(asot)
te doen
כָּהֶֽם
(kahem)
zoals zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֶבֶל (hevel), ‘damp’: wat verdwijnt en niet vast te grijpen is.
Wij houden ‘damp’, zoals in Pred. 1:2.
De zin ‘zij liepen achter de damp aan en werden damp’ staat ook in Jer. 2:5.
עֵדוּת (edut), ‘getuigenis’: wat Yahweh Israël als waarschuwing heeft gegeven.
16Zij verlieten alle geboden van Yahweh, hun Elohim. Zij maakten zich een gegoten beeld, twee kalveren. Zij maakten een heilige paal. Zij bogen zich neer voor heel het leger van de hemel en dienden Baäl.
וַיַּעַזְב֗וּ
(vayaazvu)
en lieten achter
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
מִצְוֺת֙
(mitsvot)
geboden van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶ֔ם
(eloheihem)
hun Elohim
וַיַּעֲשׂ֥וּ
(vayaasu)
en maakten
לָהֶ֛ם
(lahem)
voor zich
מַסֵּכָ֖ה
(masekha)
een gegoten beeld
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
עֲגָלִ֑ים
(agalim)
kalveren
וַיַּעֲשׂ֣וּ
(vayaasu)
en maakten
אֲשֵׁירָ֗ה
(asheira)
een heilige paal
וַיִּֽשְׁתַּחֲווּ֙
(vayishtachavu)
en bogen zich neer
לְכָל
(lekhal)
voor heel
צְבָ֣א
(tseva)
het leger van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וַיַּעַבְד֖וּ
(vayaavdu)
en dienden
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּֽעַל
(habaal)
Baäl
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַסֵּכָה (massekah), ‘gegoten beeld’, en de twee kalveren: zie 1 Kon. 12:28 en Exod. 32:4.
צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘leger van de hemel’: de zon, de maan en de sterren. Vergelijk Deut. 4:19.
בַּעַל (Baäl), ‘heer’: de naam van de Kanaänitische god. Wij schrijven ‘Baäl’ zonder lidwoord.
אֲשֵׁרָה (asherah), ‘heilige paal’: zie bij vers 10.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft שנים (shenayim), ‘twee’; het qere heeft שְׁנֵי (shenei), ‘twee van’.
17Zij lieten hun zonen en hun dochters door het vuur gaan. Zij voorspelden voorspellingen en zochten voortekenen. Zij verkochten zich om te doen wat slecht was in de ogen van Yahweh, om Hem tot toorn te prikkelen.
וַֽ֠יַּעֲבִירוּ
(vayaaviru)
en lieten doorgaan
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵיהֶ֤ם
(beneihem)
hun zonen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנֽוֹתֵיהֶם֙
(benoteihem)
hun dochters
בָּאֵ֔שׁ
(baesh)
door het vuur
וַיִּקְסְמ֥וּ
(vayiqsemu)
en voorspelden
קְסָמִ֖ים
(qesamim)
voorspellingen
וַיְנַחֵ֑שׁוּ
(vaynacheshu)
en zochten voortekenen
וַיִּֽתְמַכְּר֗וּ
(vayitmakeru)
en verkochten zich
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
הָרַ֛ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהַכְעִיסֽוֹ
(lehakhiso)
om Hem te tergen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Yahweh verwierp heel het nageslacht van Israël. Hij vernederde hen en gaf hen in de hand van plunderaars, totdat Hij hen van Zijn aangezicht wegwierp.
וַיִּמְאַ֨ס
(vayimas)
en verwierp
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּכָל
(bekhal)
in heel
זֶ֤רַע
(zera)
het nageslacht van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וַיְעַנֵּ֔ם
(vayanem)
en vernederde hen
וַֽיִּתְּנֵ֖ם
(vayitenem)
en gaf hen
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
שֹׁסִ֑ים
(shosim)
plunderaars
עַ֛ד
(ad)
tot
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
הִשְׁלִיכָ֖ם
(hishlikham)
Hij hen wegwierp
מִפָּנָֽיו
(mipanav)
van Zijn aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Want Israël werd van het huis van David afgescheurd. Zij maakten Jerobeam, de zoon van Nebat, tot koning. Jerobeam bracht Israël ervan af Yahweh te volgen en liet hen een grote zonde begaan.
כִּֽי
(ki)
want
קָרַ֣ע
(qara)
werd gescheurd
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
מֵעַל֙
(meal)
van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
דָּוִ֔ד
(david)
David
וַיַּמְלִ֖יכוּ
(vayamlikhu)
en maakten tot koning
אֶת
(et)
(obj.)
יָרָבְעָ֣ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָ֑ט
(nevat)
Nebat
וַיַּדַּ֨ח
(vayadach)
en dreef weg
יָרָבְעָ֤ם
(yaraveam)
Jerobeam
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מֵאַחֲרֵ֣י
(meacharei)
van achter
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהֶחֱטֵיאָ֖ם
(vehecheteiam)
en liet hen zondigen
חֲטָאָ֥ה
(chataa)
een zonde
גְדוֹלָֽה
(gedola)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
קָרַע (qara), ‘scheuren’: het werkwoord heeft hier geen genoemd onderwerp.
Het kan Yahweh zijn, zoals in 1 Kon. 11:11, 31, of Israël zelf (1 Kon. 12:16).
Wij vertalen neutraal: ‘Israël werd afgescheurd’.
Het geschreven woord (ketiv) heeft een andere vorm van ‘hij dreef weg’ (וידא). Het qere heeft וַיַּדַּח (vayyaddach). Wij volgen het qere.
23totdat Yahweh Israël van Zijn aangezicht wegdeed, zoals Hij had gesproken door al Zijn dienaren, de profeten. Zo werd Israël van zijn grond weggevoerd naar Assyrië, tot op de dag van vandaag.
עַ֠ד
(ad)
tot
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הֵסִ֨יר
(hesir)
verwijderde
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מֵעַ֣ל
(meal)
van
פָּנָ֔יו
(panav)
Zijn aangezicht
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֔ר
(diber)
Hij sprak
בְּיַ֖ד
(beyad)
door de hand van
כָּל
(kal)
al
עֲבָדָ֣יו
(avadav)
Zijn dienaren
הַנְּבִיאִ֑ים
(haneviim)
de profeten
וַיִּ֨גֶל
(vayigel)
en werd weggevoerd
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
מֵעַ֤ל
(meal)
van
אַדְמָתוֹ֙
(admato)
zijn grond
אַשּׁ֔וּרָה
(ashura)
naar Assyrië
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
Zoals Yahweh gesproken had door de profeten: zie 1 Kon. 14:15–16.
De verstrooiing is ook aangekondigd in Lev. 26:33 en Deut. 28:64.
אֲדָמָה (adamah), ‘grond’: wij vertalen ‘van zijn grond’.
‘Tot op de dag van vandaag’ is de stem van de schrijver, zoals in de verzen 34 en 41.
24De koning van Assyrië liet mensen komen uit Babel, Kuta, Awa, Chamat en Sefarwaïm. Hij liet hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats van de zonen van Israël. Zij namen Samaria in bezit en woonden in zijn steden.
וַיָּבֵ֣א
(vayave)
en liet komen
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֡וּר
(ashur)
Assyrië
מִבָּבֶ֡ל
(mibavel)
uit Babel
וּ֠מִכּוּ֠תָה
(umikuta)
en uit Kuta
וּמֵעַוָּ֤א
(umeava)
en uit Awa
וּמֵֽחֲמָת֙
(umechamat)
en uit Chamat
וּסְפַרְוַ֔יִם
(usefarvayim)
en Sefarwaïm
וַיֹּ֨שֶׁב֙
(vayoshev)
en liet wonen
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in de steden van
שֹֽׁמְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
תַּ֖חַת
(tachat)
in plaats van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּֽרְשׁוּ֙
(vayirshu)
en namen in bezit
אֶת
(et)
(obj.)
שֹׁ֣מְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
וַיֵּֽשְׁב֖וּ
(vayeshevu)
en woonden
בְּעָרֶֽיהָ
(beareiha)
in haar steden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Kuta (Tell Ibrahim): Kuta wordt gezocht bij Tell Ibrahim, ten noordoosten van Babel, in het huidige Irak.
Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.
Zie Samaria (streek): Samaria is hier de naam van de streek rond de stad, het bergland van het noordrijk Israël.
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Uitleg
Babel (בָּבֶל) is Babylon, ten zuiden van het huidige Bagdad (Irak).
Dat is zeker.
Kuta (כּוּתָה) ligt waarschijnlijk bij Tell Ibrahim (Irak).
Awa (עַוָּא) en Sefarwaïm (סְפַרְוָיִם) zijn onzeker.
Chamat (חֲמָת) is het huidige Hama (Syrië).
Het Hebreeuws zegt niet wie de koning liet komen. Wij vullen ‘mensen’ aan.
26Zij zeiden tegen de koning van Assyrië: „De volken die u hebt weggevoerd, kennen het recht van de god van het land niet. U hebt hen in de steden van Samaria laten wonen. Daarom heeft hij leeuwen onder hen gestuurd. Zie, de leeuwen doden hen, omdat zij het recht van de god van het land niet kennen.”
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zeiden
לְמֶ֣לֶךְ
(lemelekh)
tegen de koning van
אַשּׁוּר֮
(ashur)
Assyrië
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
הַגּוֹיִ֗ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הִגְלִ֨יתָ֙
(higlita)
u hebt weggevoerd
וַתּ֨וֹשֶׁב֙
(vatoshev)
en liet wonen
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in de steden van
שֹׁמְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
לֹ֣א
(lo)
niet
יָֽדְע֔וּ
(yadeu)
kennen
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁפַּ֖ט
(mishpat)
het recht van
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de god van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַיְשַׁלַּח
(vayshalach)
en hij stuurde
בָּ֣ם
(bam)
onder hen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֲרָי֗וֹת
(haarayot)
de leeuwen
וְהִנָּם֙
(vehinam)
en zie
מְמִיתִ֣ים
(memitim)
doden
אוֹתָ֔ם
(otam)
hen
כַּאֲשֶׁר֙
(kaasher)
omdat
אֵינָ֣ם
(einam)
niet
יֹדְעִ֔ים
(yodeim)
zij kennen
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁפַּ֖ט
(mishpat)
het recht van
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de god van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Zie Samaria (streek): Samaria is hier de naam van de streek rond de stad, het bergland van het noordrijk Israël.
Uitleg
De volken zien Yahweh als de god van een plaats.
Daarom schrijven wij ‘god’ met een kleine letter, als hun mening.
מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: hier de manier waarop deze god gediend wil worden.
27De koning van Assyrië gaf bevel: „Breng daarheen een van de priesters die jullie van daar hebben weggevoerd. Laat hen gaan en daar wonen. Laat hem hun het recht van de god van het land leren.”
וַיְצַ֨ו
(vaytsav)
en gebood
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֜וּר
(ashur)
Assyrië
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
הֹלִ֤יכוּ
(holikhu)
breng
שָׁ֨מָּה֙
(shama)
daarheen
אֶחָ֤ד
(echad)
een
מֵהַכֹּֽהֲנִים֙
(mehakohanim)
van de priesters
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הִגְלִיתֶ֣ם
(higlitem)
jullie hebben weggevoerd
מִשָּׁ֔ם
(misham)
vandaar
וְיֵלְכ֖וּ
(veyelekhu)
en laat hen gaan
וְיֵ֣שְׁבוּ
(veyeshevu)
en wonen
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וְיֹרֵ֕ם
(veyorem)
en laat hem leren
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁפַּ֖ט
(mishpat)
het recht van
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de god van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
29Maar elk volk maakte zijn eigen goden. Zij zetten ze in de huizen van de hoogten, die de mensen van Samaria hadden gemaakt, elk volk in de steden waar het woonde.
וַיִּהְי֣וּ
(vayihyu)
en waren
עֹשִׂ֔ים
(osim)
makend
גּ֥וֹי
(goy)
volk
גּ֖וֹי
(goy)
volk
אֱלֹהָ֑יו
(elohav)
zijn goden
וַיַּנִּ֣יחוּ
(vayanichu)
en zetten
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
הַבָּמ֗וֹת
(habamot)
de hoogten
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
עָשׂוּ֙
(asu)
maakten
הַשֹּׁ֣מְרֹנִ֔ים
(hashomeronim)
de mensen van Samaria
גּ֥וֹי
(goy)
volk
גּוֹי֙
(goy)
volk
בְּעָ֣רֵיהֶ֔ם
(beareihem)
in hun steden
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
waarin
הֵ֥ם
(hem)
zij
יֹשְׁבִ֖ים
(yoshevim)
wonend
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Uitleg
הַשֹּׁמְרֹנִים (hashomronim), ‘de mensen van Samaria’: de oorspronkelijke bewoners van Samaria.
בֵּית הַבָּמוֹת (beit habbamot), ‘huis van de hoogten’: een heiligdom op een hoogte. Zie 1 Kon. 12:31.
34Tot op de dag van vandaag doen zij naar de vroegere rechten. Zij vrezen Yahweh niet. Zij doen niet naar hun voorschrift en hun recht. Zij doen ook niet naar de wet en het gebod die Yahweh geboden heeft aan de zonen van Jakob. Aan hem had Hij de naam Israël gegeven.
עַ֣ד
(ad)
tot
הַיּ֤וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּה֙
(haze)
deze
הֵ֣ם
(hem)
zij
עֹשִׂ֔ים
(osim)
doen
כַּמִּשְׁפָּטִ֖ים
(kamishpatim)
naar de rechten
הָרִֽאשֹׁנִ֑ים
(harishonim)
de vroegere
אֵינָ֤ם
(einam)
niet zijn zij
יְרֵאִים֙
(yereim)
vrezend
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֵינָ֣ם
(veeinam)
en niet zijn zij
עֹשִׂ֗ים
(osim)
doend
כְּחֻקֹּתָם֙
(kechuqotam)
naar hun voorschrift
וּכְמִשְׁפָּטָ֔ם
(ukhemishpatam)
en naar hun recht
וְכַתּוֹרָ֣ה
(vekhatora)
en naar de wet
וְכַמִּצְוָ֗ה
(vekhamitsva)
en naar het gebod
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
צִוָּ֤ה
(tsiva)
gebood
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׂ֥ם
(sam)
gaf
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dat Yahweh Jakob de naam Israël gaf: zie Gen. 32:29 en 35:10.
Lezing
‘Hun voorschrift’ en ‘hun recht’: het Hebreeuws zegt niet duidelijk van wie.
35Yahweh had met hen een verbond gesloten en hun dit geboden: „Vrees geen andere goden. Buig je niet voor hen neer. Dien hen niet. Breng hun geen offers.
וַיִּכְרֹ֨ת
(vayikhrot)
en sloot
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אִתָּם֙
(itam)
met hen
בְּרִ֔ית
(berit)
een verbond
וַיְצַוֵּ֣ם
(vaytsavem)
en gebood hen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לֹ֥א
(lo)
niet
תִֽירְא֖וּ
(tireu)
zullen jullie vrezen
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֑ים
(acherim)
andere
וְלֹא
(velo)
en niet
תִשְׁתַּחֲו֣וּ
(tishtachavu)
zullen jullie je neerbuigen
לָהֶ֔ם
(lahem)
voor hen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תַעַבְד֔וּם
(taavdum)
zullen jullie hen dienen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִזְבְּח֖וּ
(tizbechu)
zullen jullie offeren
לָהֶֽם
(lahem)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het verbond met Israël: zie Exod. 20:2–5 en Deut. 5:6–10.
36Alleen Yahweh, die jullie met grote kracht en een uitgestrekte arm uit het land Egypte heeft laten optrekken, moeten jullie vrezen. Voor Hem moeten jullie je neerbuigen en aan Hem moeten jullie offeren.
כִּ֣י
(ki)
maar
אִֽם
(im)
alleen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
הֶעֱלָ֨ה
(heela)
liet optrekken
אֶתְכֶ֜ם
(etkhem)
jullie
מֵאֶ֧רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֛יִם
(mitsrayim)
Egypte
בְּכֹ֧חַ
(bekhoach)
met kracht
גָּד֛וֹל
(gadol)
grote
וּבִזְר֥וֹעַ
(uvizroa)
en met arm
נְטוּיָ֖ה
(netuya)
uitgestrekte
אֹת֣וֹ
(oto)
Hem
תִירָ֑אוּ
(tirau)
zullen jullie vrezen
וְל֥וֹ
(velo)
en voor Hem
תִֽשְׁתַּחֲו֖וּ
(tishtachavu)
zullen jullie je neerbuigen
וְל֥וֹ
(velo)
en voor Hem
תִזְבָּֽחוּ
(tizbachu)
zullen jullie offeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
בְּכֹחַ גָּדוֹל וּבִזְרוֹעַ נְטוּיָה (bekoach gadol uvizroa netuyah), ‘met grote kracht en een uitgestrekte arm’: een vaste uitdrukking voor de uittocht uit Egypte.
37De voorschriften, de rechten, de wet en het gebod die Hij voor jullie heeft opgeschreven, moeten jullie houden en doen, alle dagen. Vrees geen andere goden.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַחֻקִּ֨ים
(hachuqim)
de voorschriften
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּשְׁפָּטִ֜ים
(hamishpatim)
de rechten
וְהַתּוֹרָ֤ה
(vehatora)
en de wet
וְהַמִּצְוָה֙
(vehamitsva)
en het gebod
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
כָּתַ֣ב
(katav)
Hij schreef
לָכֶ֔ם
(lakhem)
voor jullie
תִּשְׁמְר֥וּן
(tishmerun)
zullen jullie houden
לַעֲשׂ֖וֹת
(laasot)
om te doen
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִ֑ים
(hayamim)
dagen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִֽירְא֖וּ
(tireu)
zullen jullie vrezen
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִֽים
(acherim)
andere
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41Zo vreesden deze volken Yahweh, en zij dienden ook hun gesneden beelden. Ook hun zonen en de zonen van hun zonen doen tot op de dag van vandaag zoals hun vaderen deden.
וַיִּהְי֣וּ
(vayihyu)
en waren
הַגּוֹיִ֣ם
(hagoyim)
de volken
הָאֵ֗לֶּה
(haele)
deze
יְרֵאִים֙
(yereim)
vrezend
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
פְּסִֽילֵיהֶ֖ם
(pesileihem)
hun gesneden beelden
הָי֣וּ
(hayu)
waren
עֹֽבְדִ֑ים
(ovedim)
dienend
גַּם
(gam)
ook
בְּנֵיהֶ֣ם
(beneihem)
hun zonen
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
בְנֵיהֶ֗ם
(beneihem)
hun zonen
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
עָשׂ֤וּ
(asu)
deden
אֲבֹתָם֙
(avotam)
hun vaderen
הֵ֣ם
(hem)
zij
עֹשִׂ֔ים
(osim)
doend
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פְּסִילֵיהֶם (pesilehem), ‘gesneden beelden’: beelden van hout of steen.