2 Timotheüs 2
Word sterk en geef door; soldaat, strijder en landbouwer; het betrouwbare woord; het vaste fundament en de vaten in het huis
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Word sterk en geef het door
διὰ πολλῶν μαρτύρων (dia pollon martyron), ‘voor vele getuigen’: ook ‘in aanwezigheid van’ of ‘door middel van vele getuigen’. παρατίθημι (paratithemi), ‘toevertrouwen’: hetzelfde werkwoord als de basis van παραθήκη (1:12, 1:14).
Het Grieks noemt vier schakels: Paulus, Timoteüs, betrouwbare mensen, anderen.
Zie ook 2 Tim. 1:12–14; 1 Tim. 6:20.
Soldaat, strijder, landbouwer
De verzen 3–6 geven drie beelden: soldaat, wedstrijdstrijder en landbouwer. συγκακοπαθέω (synkakopatheo), ‘samen lijden’: zoals in 1:8.
De SBLGNT markeert hier varianten bij het werkwoord συγκακοπάθησον (synkakopathéson), ‘lijd mee’, en bij de woorden Χριστοῦ Ἰησοῦ (Christou Iesou), ‘van de Messias Yeshua’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 2 Tim. 1:8.
στρατεύομαι (strateuomai), ‘soldaat zijn, dienen als soldaat’. βίος (bios), ‘leven’: het gewone leven met zijn bezigheden, ook ‘levensonderhoud’. στρατολογέω (stratologeo), ‘als soldaat aanwerven’.
ἀθλέω (athleo), ‘aan een wedstrijd deelnemen’, van het Griekse athlon, ‘prijs’. στεφανόω (stefanoo), ‘kronen’: de winnaar kreeg een krans. νομίμως (nomimos), ‘volgens de regels’: eigenlijk ‘wettig’.
Zie ook 1 Kor. 9:25; 2 Tim. 4:8.
κοπιάω (kopiao), ‘hard werken, zich afbeulen’. μεταλαμβάνω (metalambano), ‘deel hebben aan’.
De Griekse zin kan ook gelezen worden: ‘de landbouwer moet eerst hard werken om van de vruchten te delen’; wij volgen de woordvolgorde (πρῶτον staat bij ‘delen’).
Zie ook 1 Kor. 9:7–10.
νοέω (noeo), ‘inzien, bedenken’. σύνεσις (synesis), ‘inzicht’.
‘De Heer’ is hier Yeshua of Elohim: de tekst zegt het niet; wij schrijven ‘Heer’.
De SBLGNT markeert hier varianten bij het woordje ὅ (ho), ‘wat’, en bij het werkwoord δώσει (dosei), ‘zal geven’; wij volgen de SBLGNT.
Yeshua de Messias, opgewekt
Μνημονεύω (mnemoneuo), ‘gedenken, denken aan’. ἐγηγερμένον (egegermenon), ‘opgewekt’: het Griekse voltooid deelwoord zegt dat Hij nu opgewekt is, met blijvend gevolg. σπέρμα Δαυίδ (sperma David), ‘zaad van David’: de belofte aan David over een nageslacht, 2 Sam. 7:12; hetzelfde Griekse woord σπέρμα als in Gal. 3:16 (‘zaad’).
‘Mijn goede boodschap’: de goede boodschap die Paulus verkondigt.
Zie ook Rom. 1:3–4; 2 Sam. 7:12; 1 Kor. 15:4.
κακοπαθέω (kakopatheo), ‘kwaad lijden’. δεσμός (desmos), ‘boei’. κακοῦργος (kakourgos), ‘misdadiger’: iemand die kwaad doet.
‘Het woord van Elohim is niet gebonden’: ook als de verkondiger gevangen zit, werkt het woord vrij.
Zie ook Fil. 1:12–14; Kol. 4:3.
ἐκλεκτοί (eklektoi), ‘uitverkorenen’. ὑπομένω (hypomeno), ‘verdragen, volharden’: met een object ‘doorstaan’; hetzelfde woord staat in vers 12 zonder object. σωτηρία (soteria), ‘redding’. δόξα αἰώνιος (doxa aionios), ‘eeuwige heerlijkheid’.
Zie ook Tit. 1:1; Kol. 3:12.
Het betrouwbare woord
Πιστὸς ὁ λόγος (pistos ho logos), ‘betrouwbaar is het woord’: een vaste formule, ook in 1 Tim. 1:15; 3:1; 4:9 en Tit. 3:8.
Hier staat de formule vóór de volgende regels (verzen 11–13), die als een vaste spreuk gebouwd zijn: vier keer ‘als wij …, dan …’ in dezelfde vorm.
De tekst zegt niet waar zij vandaan komen.
De werkwoorden met het voorvoegsel συν- (syn-), ‘samen’, geven ‘met Hem’; het Grieks noemt Hem niet, wij vullen ‘Hem’ aan.
Vergelijk Rom. 6:8 voor ‘met Hem gestorven zijn’.
Zie ook Rom. 6:8; 1 Tim. 1:15; 1 Tim. 3:1; 1 Tim. 4:9; Tit. 3:8.
ὑπομένω (hypomeno), ‘volharden’ (zonder object). συμβασιλεύω (symbasileuo), ‘samen regeren’. ἀρνέομαι (arneomai), ‘verloochenen’: het Grieks heeft geen voorwerp bij de eerste vorm; wij vullen ‘Hem’ aan, omdat de tweede helft ‘ook Hij’ zegt.
Vergelijk Matt. 10:33 en Luc. 12:9 voor het verloochenen.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het werkwoord ἀρνησόμεθα (arnesometha), ‘wij zullen verloochenen’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Matt. 10:33; Luc. 12:9; Rom. 8:17.
ἀπιστέω (apisteo), ‘ontrouw zijn’: het woord kan ook ‘niet geloven’ betekenen.
De tegenstelling met ‘trouw’ (πιστός) laat hier ‘ontrouw’ toe.
Het Grieks heeft geen ‘want’ tussen de helften; wij laten de zinnen naast elkaar staan.
Bij het werkwoord ἀρνήσασθαι (arnesasthai), ‘te verloochenen’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Een beproefde werker
ὑπομιμνῄσκω (hypomimnesko), ‘herinneren’.
Het Grieks heeft geen voorwerp; wij vullen ‘hen’ aan. διαμαρτύρομαι (diamartyromai), ‘plechtig getuigen, dringend waarschuwen’. λογομαχέω (logomacheo), ‘woordenstrijd voeren’: ruzie maken over woorden. καταστροφή (katastrofe), ‘omkering, ondergang’.
‘De Heer’: in het Grieks κύριος (kyrios).
De SBLGNT markeert hier varianten bij het woord κυρίου (kyriou), ‘Heer’, en bij het voorzetsel ἐπ’ (ep’), ‘tot’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 1 Tim. 6:4; 2 Tim. 4:1.
σπουδάζω (spoudazo), ‘zich inspannen’. δόκιμος (dokimos), ‘beproefd’: getoetst en goed bevonden. ἀνεπαίσχυντος (anepaischyntos), ‘zonder reden tot schaamte’. ὀρθοτομέω (orthotomeo), ‘recht snijden’: letterlijk ‘recht snijden’ (ὀρθός ‘recht’ en τέμνω ‘snijden’): het beeld wordt verschillend verstaan (‘recht houden’, ‘recht uitleggen’).
Wij houden de letterlijke betekenis.
Zie ook 1 Tim. 4:13; 2 Tim. 3:16.
βέβηλος (bebelos), ‘ongewijd’: wat niet bij het heilige hoort. κενοφωνία (kenofonia), ‘holle praat’. περιΐστημι (periistemi), ‘mijden’: hier met de zin van ‘zich ervan afwenden’; hetzelfde werkwoord staat in Tit. 3:9.
Het onderwerp van ‘zullen vooruitgaan’ is niet genoemd: de mensen die zo praten. προκόπτω (prokopto), ‘vooruitkomen’.
Zie ook Tit. 3:9; 1 Tim. 6:20.
γάγγραινα (gangraina), ‘gangreen’: een ziekte die zich in het weefsel verspreidt. νομὴν ἕξει (nomen exei), ‘zal weidegrond hebben’: zal zich laten voeden en verspreiden, dus om zich heen grijpen.
Hymeneüs wordt ook genoemd in 1 Tim. 1:20; Filetus komt alleen hier voor.
Zie ook 1 Tim. 1:20.
ἀστοχέω (astocheo), ‘het doel missen, afdwalen’; hetzelfde werkwoord staat in 1 Tim. 1:6; 6:21.
‘De opstanding is al gebeurd’: de tekst zegt niet hoe zij dit bedoelden. ἀνατρέπω (anatrepo), ‘omverwerpen’.
Bij het woord λέγοντες (legontes), ‘zeggend’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 1 Tim. 1:6; 1 Tim. 6:21; 1 Kor. 15:12.
Het vaste fundament
θεμέλιος (themelios), ‘fundament’: ‘het fundament van Elohim’ kan de gemeente zijn of de waarheid; de tekst zegt het niet. σφραγίς (sfragis), ‘zegel’: een inscriptie op een fundament of een merk van eigendom.
Het zegel heeft twee regels.
De eerste, ‘Yahweh kent wie van Hem zijn’, lijkt op Num. 16:5, waar ons Hebreeuws zegt dat Yahweh morgen zal laten weten wie van Hem is; in Num. 16 spreekt Mozes tot Korach en zijn aanhang.
De tweede regel lijkt op Num. 16:26 (‘Ga toch weg bij de tenten van deze goddeloze mannen’) en bevat een toespeling op Jes. 26:13 (‘Alleen in U vermelden wij Uw naam’).
Het Grieks geeft geen letterlijk citaat.
De eerste regel heeft κύριος (kyrios) als de Naam: ‘Yahweh’.
In de tweede regel is ‘de Heer’ wellicht Yeshua.
Beide regels staan zwart: het is een aanhaling die Paulus als zegel gebruikt. ἀδικία (adikia), ‘onrecht’.
Zie ook Num. 16:5; Num. 16:26; Jes. 26:13.
σκεῦος (skeuos), ‘vat, gebruiksvoorwerp’. ὀστράκινος (ostrakinos), ‘van gebakken klei’, aarden. τιμή (time), ‘eer’; ἀτιμία (atimia), ‘oneer’: vaten voor gewoon of voor feestelijk gebruik.
Het ‘grote huis’ wordt niet uitgelegd.
Zie ook Rom. 9:21.
ἐκκαθαίρω (ekkathairo), ‘uitzuiveren, reinigen’.
‘Van deze’ (ἀπὸ τούτων, apo touton) verwijst terug naar het voorafgaande (verzen 14–20); de tekst noemt niet nauwkeurig wat bedoeld is. ἡγιασμένον (hegiasmenon), ‘geheiligd’: apart gezet. δεσπότης (despotes), ‘Meester’: iemand met volledig gezag; elders vertaald ‘meester’ (Tit. 2:9).
‘De Meester’ is hier Elohim of Yeshua.
Bij het woord εὔχρηστον (euchreston), ‘bruikbaar’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Vlucht, jaag na en onderricht zachtmoedig
νεωτερικός (neoterikos), ‘van de jeugd’: de begeerten van een jonge man. φεύγω (feugo), ‘vluchten’; διώκω (dioko), ‘najagen’. ἐπικαλέομαι (epikaleomai), ‘aanroepen’: de Heer aanroepen, zoals ook in Rom. 10:13 en 1 Kor. 1:2.
‘De Heer’ is Yeshua.
Zie ook 1 Tim. 6:11; Rom. 10:13; 1 Kor. 1:2.
ζήτησις (zetesis), ‘onderzoek, vraag, discussie’: hier twistvragen. ἀπαίδευτος (apaideutos), ‘ongeschoold, zonder vorming’. παραιτέομαι (paraiteomai), ‘afwijzen’. μάχη (mache), ‘twist’; μάχομαι (machomai), ‘twisten’ (vers 24).
Zie ook 1 Tim. 6:4; Tit. 3:9.
δοῦλος κυρίου (doulos kyriou), ‘knecht van de Heer’; δοῦλος is letterlijk ‘slaaf’. ἤπιος (epios), ‘vriendelijk, zacht’. διδακτικός (didaktikos), ‘in staat om te onderwijzen’. ἀνεξίκακος (anexikakos), ‘iemand die kwaad verdraagt’, geduldig.
Dezelfde eisen staan, in andere woorden, voor de opziener in 1 Tim. 3:2–3.
Zie ook 1 Tim. 3:2–3.
πραΰτης (prautes), ‘zachtmoedigheid’. παιδεύω (paideuo), ‘opvoeden, onderrichten’; zie ook 3:16 (παιδεία). ἀντιδιατίθημι (antidiatithemi), ‘zich tegen iets opstellen’: wie tegenspreekt. μήποτε (mepote), ‘misschien’: ook ‘opdat nooit’; wij nemen ‘misschien’. μετάνοια (metanoia), ‘bekering’: verandering van denken. ἐπίγνωσις ἀληθείας (epignosis aletheias), ‘volle kennis van de waarheid’: zoals 1 Tim. 2:4; Tit. 1:1.
Bij het werkwoord δώῃ (doe), ‘geeft’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 1 Tim. 2:4; 3:7; Tit. 1:1.
ἀνανήφω (ananefo), ‘weer nuchter worden’, bijkomen. παγίς (pagis), ‘strik’. ζωγρέω (zogreo), ‘levend vangen’.
‘Door hem … tot diens wil’: het Grieks heeft twee verschillende voornaamwoorden, αὐτοῦ (autou) en ἐκείνου (ekeinou); die kunnen naar dezelfde persoon verwijzen (de duivel) of naar twee verschillende (‘door hem [de duivel] … tot de wil van Elohim’).
Wij vertalen ‘door hem … tot diens wil’ en laten de verwijzing open. διάβολος (diabolos), ‘duivel’, ‘lasteraar’.
Zie ook 1 Tim. 3:7; Luc. 22:31.