Elohim Bijbel

Psalmen 104

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Yahweh, de Schepper en Onderhouder

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yahweh, gehuld in licht

1Zegen Yahweh, mijn ziel. Yahweh, mijn Elohim, U bent zeer groot. U hebt U gekleed met pracht en majesteit.
בָּרֲכִ֥י
(barakhi)
zegen
נַפְשִׁ֗י
(nafshi)
mijn ziel
אֶת
(et)
(obj.)
יְה֫וָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱ֭לֹהַי
(elohay)
mijn Elohim
גָּדַ֣לְתָּ
(gadalta)
U bent groot
מְּאֹ֑ד
(meod)
zeer
ה֭וֹד
(hod)
pracht
וְהָדָ֣ר
(vehadar)
en majesteit
לָבָֽשְׁתָּ
(lavashta)
U hebt U gekleed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het levende wezen, de hele persoon.

Deze psalm heeft geen opschrift. Hij loopt in volgorde van de scheppingsdagen in Gen. 1 en heeft vele overeenkomsten met Job 38–41.

2U hult U in licht als in een mantel. U spant de hemel uit als een tentdoek.
עֹֽטֶה
(ote)
die zich hult
א֭וֹר
(or)
licht
כַּשַּׂלְמָ֑ה
(kasalma)
als een mantel
נוֹטֶ֥ה
(note)
die uitspant
שָׁ֝מַ֗יִם
(shamayim)
hemel
כַּיְרִיעָֽה
(kayria)
als een tentdoek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3U legt de balken van Uw bovenzalen in de wateren. U maakt wolken tot Uw wagen. U gaat op de vleugels van de wind.
הַ֥מְקָרֶֽה
(hamqare)
die de balken legt
בַמַּ֗יִם
(bamayim)
in de wateren
עֲֽלִיּ֫וֹתָ֥יו
(aliyotav)
Uw bovenzalen
הַשָּׂם
(hasam)
die maakt
עָבִ֥ים
(avim)
wolken
רְכוּב֑וֹ
(rekhuvo)
Uw wagen
הַֽ֝מְהַלֵּ֗ךְ
(hamhalekh)
die wandelt
עַל
(al)
op
כַּנְפֵי
(kanfei)
vleugels van
רֽוּחַ
(ruach)
wind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲלִיּוֹת (aliyyot), ‘bovenzalen’: bovenvertrekken op het dak.

Yahweh bouwt Zijn woning boven de wateren van de hemel.

Zie ook Gen. 1:6–7.

4U maakt winden tot Uw boodschappers, laaiend vuur tot Uw dienaren.
עֹשֶׂ֣ה
(ose)
die maakt
מַלְאָכָ֣יו
(malakhav)
Uw boodschappers
רוּח֑וֹת
(ruchot)
winden
מְ֝שָׁרְתָ֗יו
(mesharetav)
Uw dienaren
אֵ֣שׁ
(esh)
vuur
לֹהֵֽט
(lohet)
laaiend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַלְאָךְ (mal’ach), ‘boodschapper’ of ‘engel’: letterlijk ‘bode’.

Lezing

Het Hebreeuws kan ook gelezen worden als ‘U maakt Uw engelen tot winden’.

Wij vertalen ‘U maakt winden tot Uw boodschappers’, omdat de volgorde van de woorden dat het eerst aanbiedt.

De aarde en de wateren

5U hebt de aarde op haar grondvesten gezet. Zij zal niet wankelen, voor eeuwig en altijd.
יָֽסַד
(yasad)
Hij grondvestte
אֶ֭רֶץ
(erets)
aarde
עַל
(al)
op
מְכוֹנֶ֑יהָ
(mekhoneiha)
haar grondvesten
בַּל
(bal)
niet
תִּ֝מּ֗וֹט
(timot)
zal wankelen
עוֹלָ֥ם
(olam)
eeuwigheid
וָעֶֽד
(vaed)
en altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6U bedekte haar met de oerdiepte als met een kleed. De wateren stonden boven de bergen.
תְּ֭הוֹם
(tehom)
oerdiepte
כַּלְּב֣וּשׁ
(kalevush)
als een kleed
כִּסִּית֑וֹ
(kisito)
U bedekte haar
עַל
(al)
boven
הָ֝רִ֗ים
(harim)
bergen
יַֽעַמְדוּ
(yaamdu)
stonden
מָֽיִם
(mayim)
wateren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּהוֹם (tehom), ‘oerdiepte’: de oerwateren van Gen. 1:2.

7Voor Uw bestraffing vluchtten zij. Voor de stem van Uw donder renden zij weg.
מִן
(min)
van
גַּעֲרָ֣תְךָ֣
(gaaratekha)
Uw bestraffing
יְנוּס֑וּן
(yenusun)
zij vluchten
מִן
(min)
van
ק֥וֹל
(qol)
stem van
רַֽ֝עַמְךָ֗
(raamkha)
Uw donder
יֵחָפֵזֽוּן
(yechafezun)
zij haasten zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Bergen rezen op, dalen zonken neer, naar de plaats die U voor hen hebt vastgesteld.
יַעֲל֣וּ
(yaalu)
zij stijgen op
הָ֭רִים
(harim)
bergen
יֵרְד֣וּ
(yeredu)
zij dalen af
בְקָע֑וֹת
(beqaot)
dalen
אֶל
(el)
naar
מְ֝ק֗וֹם
(meqom)
plaats
זֶ֤ה
(ze)
die
יָסַ֬דְתָּ
(yasadta)
U hebt vastgesteld
לָהֶֽם
(lahem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws zegt alleen: ‘Bergen stijgen op, dalen dalen af’.

Wij laten dat zo staan.

Het kan ook gelezen worden als: de wateren stijgen over de bergen op en dalen af in de dalen, naar de plaats die Yahweh voor hen bepaald heeft.

Zie ook Gen. 1:9 en Job 38:8–11.

9U hebt een grens gesteld die zij niet mogen overschrijden. Zij mogen niet terugkeren om de aarde te bedekken.
גְּֽבוּל
(gevul)
grens
שַׂ֭מְתָּ
(samta)
U hebt gesteld
בַּל
(bal)
niet
יַֽעֲבֹר֑וּן
(yaavorun)
zij zullen overschrijden
בַּל
(bal)
niet
יְ֝שׁוּב֗וּן
(yeshuvun)
zij zullen terugkeren
לְכַסּ֥וֹת
(lekhasot)
om te bedekken
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Bronnen, vogels en regen

10U laat bronnen stromen in de beekdalen. Tussen de bergen lopen zij.
הַֽמְשַׁלֵּ֣חַ
(hamshaleach)
die zendt
מַ֭עְיָנִים
(mayanim)
bronnen
בַּנְּחָלִ֑ים
(banechalim)
in de beekdalen
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
הָ֝רִ֗ים
(harim)
bergen
יְהַלֵּכֽוּן
(yehalekhun)
zij lopen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zij geven alle wilde dieren van het veld te drinken. De wilde ezels lessen hun dorst.
יַ֭שְׁקוּ
(yashqu)
zij geven te drinken
כָּל
(kal)
alle
חַיְת֣וֹ
(chayto)
wilde dieren van
שָׂדָ֑י
(saday)
het veld
יִשְׁבְּר֖וּ
(yishberu)
zij lessen
פְרָאִ֣ים
(peraim)
wilde ezels
צְמָאָֽם
(tsemaam)
hun dorst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Bij hen wonen de vogels van de hemel. Tussen het gebladerte laten zij hun stem horen.
עֲ֭לֵיהֶם
(aleihem)
bij hen
עוֹף
(of)
vogel van
הַשָּׁמַ֣יִם
(hashamayim)
de hemel
יִשְׁכּ֑וֹן
(yishkon)
woont
מִבֵּ֥ין
(mibein)
tussen
עֳ֝פָאיִ֗ם
(ofayim)
gebladerte
יִתְּנוּ
(yitenu)
zij geven
קֽוֹל
(qol)
stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֳפָאיִם (ofayim), ‘gebladerte’: het woord komt maar één keer voor; de betekenis is afgeleid van de zin.

13U geeft de bergen te drinken uit Uw bovenzalen. Van de vrucht van Uw werken wordt de aarde verzadigd.
מַשְׁקֶ֣ה
(mashqe)
die te drinken geeft
הָ֭רִים
(harim)
bergen
מֵעֲלִיּוֹתָ֑יו
(mealiyotav)
uit Zijn bovenzalen
מִפְּרִ֥י
(miperi)
van vrucht van
מַ֝עֲשֶׂ֗יךָ
(maaseikha)
Uw werken
תִּשְׂבַּ֥ע
(tisba)
wordt verzadigd
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Gras, wijn en cederbomen

14U laat gras groeien voor het vee en kruid voor de arbeid van de mens, zodat hij brood uit de aarde voortbrengt;
מַצְמִ֤יחַ
(matsmiach)
die laat groeien
חָצִ֨יר
(chatsir)
gras
לַבְּהֵמָ֗ה
(labehema)
voor het vee
וְ֭עֵשֶׂב
(veesev)
en kruid
לַעֲבֹדַ֣ת
(laavodat)
voor de arbeid van
הָאָדָ֑ם
(haadam)
de mens
לְה֥וֹצִיא
(lehotsi)
om voort te brengen
לֶ֝֗חֶם
(lechem)
brood
מִן
(min)
uit
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15en wijn die het hart van de mens verheugt, olie om het gezicht te laten glanzen, en brood dat het hart van de mens ondersteunt.
וְיַ֤יִן
(veyayin)
en wijn
יְשַׂמַּ֬ח
(yesamach)
verheugt
לְֽבַב
(levav)
hart van
אֱנ֗וֹשׁ
(enosh)
mens
לְהַצְהִ֣יל
(lehatshil)
om te laten glanzen
פָּנִ֣ים
(panim)
gezicht
מִשָּׁ֑מֶן
(mishamen)
met olie
וְ֝לֶ֗חֶם
(velechem)
en brood
לְֽבַב
(levav)
hart van
אֱנ֥וֹשׁ
(enosh)
mens
יִסְעָֽד
(yisad)
ondersteunt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16De bomen van Yahweh worden verzadigd, de cederbomen van de Libanon die Hij geplant heeft.
יִ֭שְׂבְּעוּ
(yisbeu)
worden verzadigd
עֲצֵ֣י
(atsei)
bomen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אַֽרְזֵ֥י
(arzei)
cederbomen van
לְ֝בָנ֗וֹן
(levanon)
Libanon
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נָטָֽע
(nata)
Hij heeft geplant
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.

17Daar nestelen de vogels. De ooievaar heeft haar huis in de cipressen.
אֲשֶׁר
(asher)
waar
שָׁ֭ם
(sham)
daar
צִפֳּרִ֣ים
(tsiporim)
vogels
יְקַנֵּ֑נוּ
(yeqanenu)
zij nestelen
חֲ֝סִידָ֗ה
(chasida)
ooievaar
בְּרוֹשִׁ֥ים
(beroshim)
cipressen
בֵּיתָֽהּ
(beitah)
haar huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲסִידָה (chasidah), ‘ooievaar’: letterlijk ‘de trouwe’.

Zie ook Lev. 11:19.

18De hoge bergen zijn voor de steenbokken. De rotsen zijn een toevlucht voor de klipdassen.
הָרִ֣ים
(harim)
bergen
הַ֭גְּבֹהִים
(hagevohim)
de hoge
לַיְּעֵלִ֑ים
(layeelim)
voor de steenbokken
סְ֝לָעִ֗ים
(selaim)
rotsen
מַחְסֶ֥ה
(machse)
toevlucht
לַֽשְׁפַנִּֽים
(lashfanim)
voor de klipdassen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָעֵל (ya’el), ‘steenbok’; שָׁפָן (shafan), ‘klipdas’: een klein dier dat tussen de rotsen woont.

Zie ook Lev. 11:5.

Maan, zon en de dieren van het woud

19U hebt de maan gemaakt voor de vaste tijden. De zon kent haar ondergang.
עָשָׂ֣ה
(asa)
Hij maakte
יָ֭רֵחַ
(yareach)
maan
לְמוֹעֲדִ֑ים
(lemoadim)
voor de vaste tijden
שֶׁ֝֗מֶשׁ
(shemesh)
zon
יָדַ֥ע
(yada)
kent
מְבוֹאֽוֹ
(mevoo)
haar ondergang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מוֹעֲדִים (mo’adim), ‘vaste tijden’: de vastgestelde tijden van de feesten en de seizoenen.

Zie ook Gen. 1:14.

20U maakt het donker, en het wordt nacht. Dan bewegen alle wilde dieren van het woud zich voort.
תָּֽשֶׁת
(tashet)
U brengt
חֹ֭שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
וִ֣יהִי
(vihi)
en het wordt
לָ֑יְלָה
(layela)
nacht
בּֽוֹ
(bo)
daarin
תִ֝רְמֹ֗שׂ
(tirmos)
bewegen zich voort
כָּל
(kal)
alle
חַיְתוֹ
(chayto)
wilde dieren van
יָֽעַר
(yaar)
woud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָמַשׂ (ramas), ‘zich voortbewegen’: dezelfde stam als in Gen. 1:24–25.

21De jonge leeuwen brullen naar prooi en eisen hun voedsel van El.
הַ֭כְּפִירִים
(hakefirim)
de jonge leeuwen
שֹׁאֲגִ֣ים
(shoagim)
brullend
לַטָּ֑רֶף
(lataref)
naar prooi
וּלְבַקֵּ֖שׁ
(ulevaqesh)
en om te zoeken
מֵאֵ֣ל
(meel)
van El
אָכְלָֽם
(akhelam)
hun voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ook de brullende leeuwen vragen hun voedsel aan El.

Zie ook Job 38:39–40.

22Als de zon opkomt, trekken zij zich terug en liggen neer in hun holen.
תִּזְרַ֣ח
(tizrach)
zij schijnt op
הַ֭שֶּׁמֶשׁ
(hashemesh)
de zon
יֵאָסֵפ֑וּן
(yeasefun)
zij trekken zich terug
וְאֶל
(veel)
en naar
מְ֝עוֹנֹתָ֗ם
(meonotam)
hun holen
יִרְבָּצֽוּן
(yirbatsun)
zij liggen neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23De mens gaat uit naar zijn werk en naar zijn arbeid, tot de avond.
יֵצֵ֣א
(yetse)
gaat uit
אָדָ֣ם
(adam)
mens
לְפָעֳל֑וֹ
(lefaolo)
naar zijn werk
וְֽלַעֲבֹ֖דָת֣וֹ
(velaavodato)
en naar zijn arbeid
עֲדֵי
(adei)
tot
עָֽרֶב
(arev)
avond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zee en alle levende wezens

24Hoe talrijk zijn Uw werken, Yahweh! U hebt ze allemaal met wijsheid gemaakt. De aarde is vol van Uw bezittingen.
מָֽה
(ma)
hoe
רַבּ֬וּ
(rabu)
zijn talrijk
מַעֲשֶׂ֨יךָ
(maaseikha)
Uw werken
יְֽהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
כֻּ֭לָּם
(kulam)
alle
בְּחָכְמָ֣ה
(bechakhema)
met wijsheid
עָשִׂ֑יתָ
(asita)
U hebt gemaakt
מָלְאָ֥ה
(malea)
is vol
הָ֝אָ֗רֶץ
(haarets)
de aarde
קִנְיָנֶֽךָ
(qinyanekha)
Uw bezittingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קִנְיָן (qinyan), ‘bezit’: wat Yahweh gemaakt heeft en wat Hem toebehoort.

25Daar is de zee, groot en wijd van omvang. Daarin bewegen zich dieren zonder getal, kleine met grote.
זֶ֤ה
(ze)
deze
הַיָּ֥ם
(hayam)
de zee
גָּדוֹל֮
(gadol)
groot
וּרְחַ֪ב
(urechav)
en wijd van
יָ֫דָ֥יִם
(yadayim)
handen
שָֽׁם
(sham)
daar
רֶ֭מֶשׂ
(remes)
bewegend
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet
מִסְפָּ֑ר
(mispar)
getal
חַיּ֥וֹת
(chayot)
dieren
קְ֝טַנּ֗וֹת
(qetanot)
kleine
עִם
(im)
met
גְּדֹלֽוֹת
(gedolot)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Daar varen de schepen. Daar is de Leviatan, die U gevormd hebt om met hem te spelen.
שָׁ֭ם
(sham)
daar
אֳנִיּ֣וֹת
(oniyot)
schepen
יְהַלֵּכ֑וּן
(yehalekhun)
zij varen
לִ֝וְיָתָ֗ן
(livyatan)
Leviatan
זֶֽה
(ze)
die
יָצַ֥רְתָּ
(yatsarta)
U hebt gevormd
לְשַֽׂחֶק
(lesacheq)
om te spelen
בּֽוֹ
(bo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לִוְיָתָן (liwyatan), ‘Leviatan’: een zeemonster.

Zie ook Job 3:8 en Job 40:25–32.

Lezing

‘Om met hem te spelen’ kan ook gelezen worden als ‘om daarin te spelen’, namelijk in de zee.

Wij volgen het eerste, omdat de Leviatan net genoemd is.

27Zij allen zien naar U uit, opdat U hun voedsel geeft op zijn tijd.
כֻּ֭לָּם
(kulam)
allen
אֵלֶ֣יךָ
(eleikha)
naar U
יְשַׂבֵּר֑וּן
(yesaberun)
zij wachten
לָתֵ֖ת
(latet)
om te geven
אָכְלָ֣ם
(akhelam)
hun voedsel
בְּעִתּֽוֹ
(beito)
op zijn tijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28U geeft het hun, zij verzamelen het. U opent Uw hand, zij worden verzadigd met het goede.
תִּתֵּ֣ן
(titen)
U geeft
לָ֭הֶם
(lahem)
hun
יִלְקֹט֑וּן
(yilqotun)
zij verzamelen
תִּפְתַּ֥ח
(tiftach)
U opent
יָֽ֝דְךָ֗
(yadekha)
Uw hand
יִשְׂבְּע֥וּן
(yisbeun)
zij worden verzadigd
טֽוֹב
(tov)
goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookPs 145:16
29Verbergt U Uw aangezicht, dan schrikken zij. Neemt U hun geest weg, dan sterven zij en keren zij terug tot hun stof.
תַּסְתִּ֥יר
(tastir)
U verbergt
פָּנֶיךָ֮
(paneikha)
Uw aangezicht
יִֽבָּהֵ֫ל֥וּן
(yibahelun)
zij schrikken
תֹּסֵ֣ף
(tosef)
U neemt weg
ר֭וּחָם
(rucham)
hun geest
יִגְוָע֑וּן
(yigvaun)
zij sterven
וְֽאֶל
(veel)
en naar
עֲפָרָ֥ם
(afaram)
hun stof
יְשׁוּבֽוּן
(yeshuvun)
zij keren terug
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ (ruach), ‘geest’: de levensadem die Yahweh geeft en terugneemt.

Hetzelfde woord betekent ook ‘wind’.

Zie ook Gen. 6:3 en Job 34:14–15.

30Zendt U Uw geest uit, dan worden zij geschapen. U vernieuwt het oppervlak van de grond.
תְּשַׁלַּ֣ח
(teshalach)
U zendt
ר֭וּחֲךָ
(ruchakha)
Uw geest
יִבָּרֵא֑וּן
(yibareun)
zij worden geschapen
וּ֝תְחַדֵּ֗שׁ
(utechadesh)
en U vernieuwt
פְּנֵ֣י
(penei)
oppervlak van
אֲדָמָֽה
(adama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדָמָה (adamah), ‘grond’: zie Gen. 2:7.

Lof en wens

31Moge de heerlijkheid van Yahweh voor eeuwig zijn. Moge Yahweh Zich verheugen in Zijn werken.
יְהִ֤י
(yehi)
moge zijn
כְב֣וֹד
(kevod)
heerlijkheid van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
לְעוֹלָ֑ם
(leolam)
voor eeuwig
יִשְׂמַ֖ח
(yismach)
moge zich verheugen
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּמַעֲשָֽׂיו
(bemaasav)
in Zijn werken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Hij kijkt naar de aarde, en zij beeft. Hij raakt de bergen aan, en zij roken.
הַמַּבִּ֣יט
(hamabit)
die kijkt
לָ֭אָרֶץ
(laarets)
naar de aarde
וַתִּרְעָ֑ד
(vatirad)
en zij beeft
יִגַּ֖ע
(yiga)
Hij raakt aan
בֶּהָרִ֣ים
(beharim)
de bergen
וְֽיֶעֱשָֽׁנוּ
(veyeeshanu)
en zij roken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Ik zal voor Yahweh zingen mijn leven lang. Ik zal voor mijn Elohim muziek maken zolang ik er nog ben.
אָשִׁ֣ירָה
(ashira)
ik zal zingen
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
voor Yahweh
בְּחַיָּ֑י
(bechayay)
in mijn leven
אֲזַמְּרָ֖ה
(azamera)
ik zal muziek maken
לֵאלֹהַ֣י
(lelohay)
voor mijn Elohim
בְּעוֹדִֽי
(beodi)
zolang ik er nog ben
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Moge mijn overdenking Hem aangenaam zijn. Ik verheug mij in Yahweh.
יֶעֱרַ֣ב
(yeerav)
moge aangenaam zijn
עָלָ֣יו
(alav)
voor Hem
שִׂיחִ֑י
(sichi)
mijn overdenking
אָ֝נֹכִ֗י
(anokhi)
ik
אֶשְׂמַ֥ח
(esmach)
ik zal mij verheugen
בַּיהוָֽה
(baYahweh)
in Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Mogen zondaars van de aarde verdwijnen, en goddelozen er niet meer zijn. Zegen Yahweh, mijn ziel. Halleluja.
יִתַּ֤מּוּ
(yitamu)
mogen verdwijnen
חַטָּאִ֨ים
(chataim)
zondaars
מִן
(min)
van
הָאָ֡רֶץ
(haarets)
de aarde
וּרְשָׁעִ֤ים
(ureshaim)
en goddelozen
ע֤וֹד
(od)
nog
אֵינָ֗ם
(einam)
zij zijn niet
בָּרֲכִ֣י
(barakhi)
zegen
נַ֭פְשִׁי
(nafshi)
mijn ziel
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הַֽלְלוּ
(hallu)
prijst
יָֽהּ
(yah)
Jah
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַלְלוּ יָהּ (halelu Jah), ‘Halleluja’: ‘prijst Jah’.

Jah is een korte vorm van Yahweh.