Open in de app Alle boeken Psalmen ← 103 105 → Psalmen 104 Yahweh, de Schepper en Onderhouder
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yahweh, gehuld in licht 1 Zegen Yahweh, mijn ziel. Yahweh, mijn Elohim, U bent zeer groot. U hebt U gekleed met pracht en majesteit.
נַפְשִׁ֗י
(nafshi)
mijn ziel
אֱ֭לֹהַי
(elohay)
mijn Elohim
גָּדַ֣לְתָּ
(gadalta)
U bent groot
וְהָדָ֣ר
(vehadar)
en majesteit
לָבָֽשְׁתָּ
(lavashta)
U hebt U gekleed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het levende wezen, de hele persoon.
Deze psalm heeft geen opschrift. Hij loopt in volgorde van de scheppingsdagen in Gen. 1 en heeft vele overeenkomsten met Job 38–41.
2 U hult U in licht als in een mantel. U spant de hemel uit als een tentdoek.
כַּשַּׂלְמָ֑ה
(kasalma)
als een mantel
נוֹטֶ֥ה
(note)
die uitspant
שָׁ֝מַ֗יִם
(shamayim)
hemel
כַּיְרִיעָֽה
(kayria)
als een tentdoek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3 U legt de balken van Uw bovenzalen in de wateren. U maakt wolken tot Uw wagen. U gaat op de vleugels van de wind.
הַ֥מְקָרֶֽה
(hamqare)
die de balken legt
בַמַּ֗יִם
(bamayim)
in de wateren
עֲֽלִיּ֫וֹתָ֥יו
(aliyotav)
Uw bovenzalen
רְכוּב֑וֹ
(rekhuvo)
Uw wagen
הַֽ֝מְהַלֵּ֗ךְ
(hamhalekh)
die wandelt
כַּנְפֵי
(kanfei)
vleugels van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲלִיּוֹת (aliyyot), ‘bovenzalen’: bovenvertrekken op het dak.
Yahweh bouwt Zijn woning boven de wateren van de hemel.
Zie ook Gen. 1:6–7.
4 U maakt winden tot Uw boodschappers, laaiend vuur tot Uw dienaren.
מַלְאָכָ֣יו
(malakhav)
Uw boodschappers
מְ֝שָׁרְתָ֗יו
(mesharetav)
Uw dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַלְאָךְ (mal’ach), ‘boodschapper’ of ‘engel’: letterlijk ‘bode’.
Lezing
Het Hebreeuws kan ook gelezen worden als ‘U maakt Uw engelen tot winden’.
Wij vertalen ‘U maakt winden tot Uw boodschappers’, omdat de volgorde van de woorden dat het eerst aanbiedt.
De aarde en de wateren 5 U hebt de aarde op haar grondvesten gezet. Zij zal niet wankelen, voor eeuwig en altijd.
יָֽסַד
(yasad)
Hij grondvestte
מְכוֹנֶ֑יהָ
(mekhoneiha)
haar grondvesten
תִּ֝מּ֗וֹט
(timot)
zal wankelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6 U bedekte haar met de oerdiepte als met een kleed. De wateren stonden boven de bergen.
כַּלְּב֣וּשׁ
(kalevush)
als een kleed
כִּסִּית֑וֹ
(kisito)
U bedekte haar
יַֽעַמְדוּ
(yaamdu)
stonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תְּהוֹם (tehom), ‘oerdiepte’: de oerwateren van Gen. 1:2.
7 Voor Uw bestraffing vluchtten zij. Voor de stem van Uw donder renden zij weg.
גַּעֲרָ֣תְךָ֣
(gaaratekha)
Uw bestraffing
יְנוּס֑וּן
(yenusun)
zij vluchten
רַֽ֝עַמְךָ֗
(raamkha)
Uw donder
יֵחָפֵזֽוּן
(yechafezun)
zij haasten zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8 Bergen rezen op, dalen zonken neer, naar de plaats die U voor hen hebt vastgesteld.
יַעֲל֣וּ
(yaalu)
zij stijgen op
יֵרְד֣וּ
(yeredu)
zij dalen af
יָסַ֬דְתָּ
(yasadta)
U hebt vastgesteld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws zegt alleen: ‘Bergen stijgen op, dalen dalen af’.
Wij laten dat zo staan.
Het kan ook gelezen worden als: de wateren stijgen over de bergen op en dalen af in de dalen, naar de plaats die Yahweh voor hen bepaald heeft.
Zie ook Gen. 1:9 en Job 38:8–11.
9 U hebt een grens gesteld die zij niet mogen overschrijden. Zij mogen niet terugkeren om de aarde te bedekken.
שַׂ֭מְתָּ
(samta)
U hebt gesteld
יַֽעֲבֹר֑וּן
(yaavorun)
zij zullen overschrijden
יְ֝שׁוּב֗וּן
(yeshuvun)
zij zullen terugkeren
לְכַסּ֥וֹת
(lekhasot)
om te bedekken
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Bronnen, vogels en regen 10 U laat bronnen stromen in de beekdalen. Tussen de bergen lopen zij.
הַֽמְשַׁלֵּ֣חַ
(hamshaleach)
die zendt
מַ֭עְיָנִים
(mayanim)
bronnen
בַּנְּחָלִ֑ים
(banechalim)
in de beekdalen
יְהַלֵּכֽוּן
(yehalekhun)
zij lopen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11 Zij geven alle wilde dieren van het veld te drinken. De wilde ezels lessen hun dorst.
יַ֭שְׁקוּ
(yashqu)
zij geven te drinken
חַיְת֣וֹ
(chayto)
wilde dieren van
יִשְׁבְּר֖וּ
(yishberu)
zij lessen
פְרָאִ֣ים
(peraim)
wilde ezels
צְמָאָֽם
(tsemaam)
hun dorst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12 Bij hen wonen de vogels van de hemel. Tussen het gebladerte laten zij hun stem horen.
עֲ֭לֵיהֶם
(aleihem)
bij hen
הַשָּׁמַ֣יִם
(hashamayim)
de hemel
יִשְׁכּ֑וֹן
(yishkon)
woont
עֳ֝פָאיִ֗ם
(ofayim)
gebladerte
יִתְּנוּ
(yitenu)
zij geven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֳפָאיִם (ofayim), ‘gebladerte’: het woord komt maar één keer voor; de betekenis is afgeleid van de zin.
13 U geeft de bergen te drinken uit Uw bovenzalen. Van de vrucht van Uw werken wordt de aarde verzadigd.
מַשְׁקֶ֣ה
(mashqe)
die te drinken geeft
מֵעֲלִיּוֹתָ֑יו
(mealiyotav)
uit Zijn bovenzalen
מִפְּרִ֥י
(miperi)
van vrucht van
מַ֝עֲשֶׂ֗יךָ
(maaseikha)
Uw werken
תִּשְׂבַּ֥ע
(tisba)
wordt verzadigd
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Gras, wijn en cederbomen 14 U laat gras groeien voor het vee en kruid voor de arbeid van de mens, zodat hij brood uit de aarde voortbrengt;
מַצְמִ֤יחַ
(matsmiach)
die laat groeien
לַבְּהֵמָ֗ה
(labehema)
voor het vee
וְ֭עֵשֶׂב
(veesev)
en kruid
לַעֲבֹדַ֣ת
(laavodat)
voor de arbeid van
לְה֥וֹצִיא
(lehotsi)
om voort te brengen
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15 en wijn die het hart van de mens verheugt, olie om het gezicht te laten glanzen, en brood dat het hart van de mens ondersteunt.
יְשַׂמַּ֬ח
(yesamach)
verheugt
לְהַצְהִ֣יל
(lehatshil)
om te laten glanzen
מִשָּׁ֑מֶן
(mishamen)
met olie
וְ֝לֶ֗חֶם
(velechem)
en brood
יִסְעָֽד
(yisad)
ondersteunt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16 De bomen van Yahweh worden verzadigd, de cederbomen van de Libanon die Hij geplant heeft.
יִ֭שְׂבְּעוּ
(yisbeu)
worden verzadigd
אַֽרְזֵ֥י
(arzei)
cederbomen van
לְ֝בָנ֗וֹן
(levanon)
Libanon
נָטָֽע
(nata)
Hij heeft geplant
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.
17 Daar nestelen de vogels. De ooievaar heeft haar huis in de cipressen.
צִפֳּרִ֣ים
(tsiporim)
vogels
יְקַנֵּ֑נוּ
(yeqanenu)
zij nestelen
חֲ֝סִידָ֗ה
(chasida)
ooievaar
בְּרוֹשִׁ֥ים
(beroshim)
cipressen
בֵּיתָֽהּ
(beitah)
haar huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֲסִידָה (chasidah), ‘ooievaar’: letterlijk ‘de trouwe’.
Zie ook Lev. 11:19.
18 De hoge bergen zijn voor de steenbokken. De rotsen zijn een toevlucht voor de klipdassen.
הַ֭גְּבֹהִים
(hagevohim)
de hoge
לַיְּעֵלִ֑ים
(layeelim)
voor de steenbokken
מַחְסֶ֥ה
(machse)
toevlucht
לַֽשְׁפַנִּֽים
(lashfanim)
voor de klipdassen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יָעֵל (ya’el), ‘steenbok’; שָׁפָן (shafan), ‘klipdas’: een klein dier dat tussen de rotsen woont.
Zie ook Lev. 11:5.
Maan, zon en de dieren van het woud 19 U hebt de maan gemaakt voor de vaste tijden. De zon kent haar ondergang.
לְמוֹעֲדִ֑ים
(lemoadim)
voor de vaste tijden
מְבוֹאֽוֹ
(mevoo)
haar ondergang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מוֹעֲדִים (mo’adim), ‘vaste tijden’: de vastgestelde tijden van de feesten en de seizoenen.
Zie ook Gen. 1:14.
20 U maakt het donker, en het wordt nacht. Dan bewegen alle wilde dieren van het woud zich voort.
חֹ֭שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
וִ֣יהִי
(vihi)
en het wordt
תִ֝רְמֹ֗שׂ
(tirmos)
bewegen zich voort
חַיְתוֹ
(chayto)
wilde dieren van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָמַשׂ (ramas), ‘zich voortbewegen’: dezelfde stam als in Gen. 1:24–25.
21 De jonge leeuwen brullen naar prooi en eisen hun voedsel van El.
הַ֭כְּפִירִים
(hakefirim)
de jonge leeuwen
שֹׁאֲגִ֣ים
(shoagim)
brullend
לַטָּ֑רֶף
(lataref)
naar prooi
וּלְבַקֵּ֖שׁ
(ulevaqesh)
en om te zoeken
אָכְלָֽם
(akhelam)
hun voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Ook de brullende leeuwen vragen hun voedsel aan El.
Zie ook Job 38:39–40.
22 Als de zon opkomt, trekken zij zich terug en liggen neer in hun holen.
תִּזְרַ֣ח
(tizrach)
zij schijnt op
הַ֭שֶּׁמֶשׁ
(hashemesh)
de zon
יֵאָסֵפ֑וּן
(yeasefun)
zij trekken zich terug
מְ֝עוֹנֹתָ֗ם
(meonotam)
hun holen
יִרְבָּצֽוּן
(yirbatsun)
zij liggen neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23 De mens gaat uit naar zijn werk en naar zijn arbeid, tot de avond.
לְפָעֳל֑וֹ
(lefaolo)
naar zijn werk
וְֽלַעֲבֹ֖דָת֣וֹ
(velaavodato)
en naar zijn arbeid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
De zee en alle levende wezens 24 Hoe talrijk zijn Uw werken, Yahweh! U hebt ze allemaal met wijsheid gemaakt. De aarde is vol van Uw bezittingen.
רַבּ֬וּ
(rabu)
zijn talrijk
מַעֲשֶׂ֨יךָ
(maaseikha)
Uw werken
בְּחָכְמָ֣ה
(bechakhema)
met wijsheid
עָשִׂ֑יתָ
(asita)
U hebt gemaakt
הָ֝אָ֗רֶץ
(haarets)
de aarde
קִנְיָנֶֽךָ
(qinyanekha)
Uw bezittingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קִנְיָן (qinyan), ‘bezit’: wat Yahweh gemaakt heeft en wat Hem toebehoort.
25 Daar is de zee, groot en wijd van omvang. Daarin bewegen zich dieren zonder getal, kleine met grote.
וּרְחַ֪ב
(urechav)
en wijd van
קְ֝טַנּ֗וֹת
(qetanot)
kleine
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26 Daar varen de schepen. Daar is de Leviatan, die U gevormd hebt om met hem te spelen.
אֳנִיּ֣וֹת
(oniyot)
schepen
יְהַלֵּכ֑וּן
(yehalekhun)
zij varen
לִ֝וְיָתָ֗ן
(livyatan)
Leviatan
יָצַ֥רְתָּ
(yatsarta)
U hebt gevormd
לְשַֽׂחֶק
(lesacheq)
om te spelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לִוְיָתָן (liwyatan), ‘Leviatan’: een zeemonster.
Zie ook Job 3:8 en Job 40:25–32.
Lezing
‘Om met hem te spelen’ kan ook gelezen worden als ‘om daarin te spelen’, namelijk in de zee.
Wij volgen het eerste, omdat de Leviatan net genoemd is.
27 Zij allen zien naar U uit, opdat U hun voedsel geeft op zijn tijd.
יְשַׂבֵּר֑וּן
(yesaberun)
zij wachten
אָכְלָ֣ם
(akhelam)
hun voedsel
בְּעִתּֽוֹ
(beito)
op zijn tijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28 U geeft het hun, zij verzamelen het. U opent Uw hand, zij worden verzadigd met het goede.
יִלְקֹט֑וּן
(yilqotun)
zij verzamelen
תִּפְתַּ֥ח
(tiftach)
U opent
יָֽ֝דְךָ֗
(yadekha)
Uw hand
יִשְׂבְּע֥וּן
(yisbeun)
zij worden verzadigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29 Verbergt U Uw aangezicht, dan schrikken zij. Neemt U hun geest weg, dan sterven zij en keren zij terug tot hun stof.
תַּסְתִּ֥יר
(tastir)
U verbergt
פָּנֶיךָ֮
(paneikha)
Uw aangezicht
יִֽבָּהֵ֫ל֥וּן
(yibahelun)
zij schrikken
תֹּסֵ֣ף
(tosef)
U neemt weg
יִגְוָע֑וּן
(yigvaun)
zij sterven
יְשׁוּבֽוּן
(yeshuvun)
zij keren terug
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רוּחַ (ruach), ‘geest’: de levensadem die Yahweh geeft en terugneemt.
Hetzelfde woord betekent ook ‘wind’.
Zie ook Gen. 6:3 en Job 34:14–15.
30 Zendt U Uw geest uit, dan worden zij geschapen. U vernieuwt het oppervlak van de grond.
תְּשַׁלַּ֣ח
(teshalach)
U zendt
ר֭וּחֲךָ
(ruchakha)
Uw geest
יִבָּרֵא֑וּן
(yibareun)
zij worden geschapen
וּ֝תְחַדֵּ֗שׁ
(utechadesh)
en U vernieuwt
פְּנֵ֣י
(penei)
oppervlak van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדָמָה (adamah), ‘grond’: zie Gen. 2:7.
Lof en wens 31 Moge de heerlijkheid van Yahweh voor eeuwig zijn. Moge Yahweh Zich verheugen in Zijn werken.
כְב֣וֹד
(kevod)
heerlijkheid van
לְעוֹלָ֑ם
(leolam)
voor eeuwig
יִשְׂמַ֖ח
(yismach)
moge zich verheugen
בְּמַעֲשָֽׂיו
(bemaasav)
in Zijn werken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32 Hij kijkt naar de aarde, en zij beeft. Hij raakt de bergen aan, en zij roken.
הַמַּבִּ֣יט
(hamabit)
die kijkt
לָ֭אָרֶץ
(laarets)
naar de aarde
וַתִּרְעָ֑ד
(vatirad)
en zij beeft
יִגַּ֖ע
(yiga)
Hij raakt aan
בֶּהָרִ֣ים
(beharim)
de bergen
וְֽיֶעֱשָֽׁנוּ
(veyeeshanu)
en zij roken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33 Ik zal voor Yahweh zingen mijn leven lang. Ik zal voor mijn Elohim muziek maken zolang ik er nog ben.
אָשִׁ֣ירָה
(ashira)
ik zal zingen
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
voor Yahweh
בְּחַיָּ֑י
(bechayay)
in mijn leven
אֲזַמְּרָ֖ה
(azamera)
ik zal muziek maken
לֵאלֹהַ֣י
(lelohay)
voor mijn Elohim
בְּעוֹדִֽי
(beodi)
zolang ik er nog ben
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34 Moge mijn overdenking Hem aangenaam zijn. Ik verheug mij in Yahweh.
יֶעֱרַ֣ב
(yeerav)
moge aangenaam zijn
שִׂיחִ֑י
(sichi)
mijn overdenking
אֶשְׂמַ֥ח
(esmach)
ik zal mij verheugen
בַּיהוָֽה
(baYahweh)
in Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35 Mogen zondaars van de aarde verdwijnen, en goddelozen er niet meer zijn. Zegen Yahweh, mijn ziel. Halleluja.
יִתַּ֤מּוּ
(yitamu)
mogen verdwijnen
חַטָּאִ֨ים
(chataim)
zondaars
הָאָ֡רֶץ
(haarets)
de aarde
וּרְשָׁעִ֤ים
(ureshaim)
en goddelozen
אֵינָ֗ם
(einam)
zij zijn niet
נַ֭פְשִׁי
(nafshi)
mijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַלְלוּ יָהּ (halelu Jah), ‘Halleluja’: ‘prijst Jah’.
Jah is een korte vorm van Yahweh.