Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Elkana en zijn twee vrouwen
1Er was een man uit Ramataim-Zofim, uit het bergland van Efraïm. Hij heette Elkana, zoon van Jerocham, zoon van Elihu, zoon van Tochu, zoon van Zuf, een Efratiet.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
אִ֨ישׁ
(ish)
een man
אֶחָ֜ד
(echad)
één
מִן
(min)
uit
הָרָמָתַ֛יִם
(haramatayim)
de Ramataim
צוֹפִ֖ים
(tsofim)
Zofim
מֵהַ֣ר
(mehar)
van het bergland van
אֶפְרָ֑יִם
(efrayim)
Efraïm
וּשְׁמ֡וֹ
(ushemo)
en zijn naam
אֶ֠לְקָנָה
(elqana)
Elkana
בֶּן
(ben)
zoon van
יְרֹחָ֧ם
(yerocham)
Jerocham
בֶּן
(ben)
zoon van
אֱלִיה֛וּא
(elihu)
Elihu
בֶּן
(ben)
zoon van
תֹּ֥חוּ
(tochu)
Tochu
בֶן
(ben)
zoon van
צ֖וּף
(tsuf)
Zuf
אֶפְרָתִֽי
(efrati)
Efratiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Ramataim-Zofim is waarschijnlijk dezelfde plaats als Rama (1:19; 2:11).
De ligging is onzeker.
Voorgesteld worden er-Ram, ongeveer 8 kilometer ten noorden van Jeruzalem, en Rantis, ongeveer 25 kilometer ten oosten van Tel Aviv (beide Westelijke Jordaanoever).
Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.
Uitleg
אֶפְרָתִי (Efrati), ‘Efratiet’: dit woord kan een inwoner van Efrata (bij Betlehem) aanduiden, zoals in Ruth 1:2, of iemand uit Efraïm, zoals in Richt. 12:5.
Hier staat de man in het bergland van Efraïm; wij laten het woord ‘Efratiet’ staan zoals in Ruth.
צוֹפִים (Zofim) hangt samen met de naam Zuf, een voorvader van Elkana.
3Elk jaar ging die man vanuit zijn stad omhoog. Hij boog zich neer voor Yahweh van de legermachten en bracht Hem in Silo een slachtoffer. Daar waren de twee zonen van Eli, Chofni en Pinechas, priesters van Yahweh.
וְעָלָה֩
(veala)
en ging omhoog
הָאִ֨ישׁ
(haish)
de man
הַה֤וּא
(hahu)
die
מֵֽעִירוֹ֙
(meiro)
uit zijn stad
מִיָּמִ֣ים
(miyamim)
van dagen
יָמִ֔ימָה
(yamima)
naar dagen
לְהִֽשְׁתַּחֲוֺ֧ת
(lehishtachavot)
om zich neer te buigen
וְלִזְבֹּ֛חַ
(velizboach)
en om te slachtofferen
לַיהוָ֥ה
(laYahweh)
voor Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
בְּשִׁלֹ֑ה
(beshilo)
in Silo
וְשָׁ֞ם
(vesham)
en daar
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee van
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
עֵלִ֗י
(eli)
Eli
חָפְנִי֙
(chafeni)
Chofni
וּפִ֣נְחָ֔ס
(ufinchas)
en Pinechas
כֹּהֲנִ֖ים
(kohanim)
priesters
לַיהוָֽה
(laYahweh)
van Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Silo ligt ongeveer 30 kilometer ten noorden van Jeruzalem, bij het huidige Khirbet Seilun (Westelijke Jordaanoever).
De tent van samenkomst stond hier (Joz. 18:1).
Uitleg
יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): צְבָאוֹת betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’.
Deze naam komt hier voor het eerst in de Bijbel voor.
Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’.
מִיָּמִים יָמִימָה (miyyamim yamimah), letterlijk ‘van dagen naar dagen’: een uitdrukking voor ‘elk jaar’. Zie ook Exod. 13:10 en Richt. 21:19, waar het jaarfeest in Silo wordt genoemd.
11Zij deed een gelofte. Zij zei: „Yahweh van de legermachten, als U het lijden van Uw dienares werkelijk aanziet en aan mij denkt, als U Uw dienares niet vergeet en haar een zoon geeft, dan geef ik hem aan Yahweh, al de dagen van zijn leven. Er zal geen scheermes op zijn hoofd komen.”
וַתִּדֹּ֨ר
(vatidor)
en zij deed
נֶ֜דֶר
(neder)
een gelofte
וַתֹּאמַ֗ר
(vatomar)
en zij zei
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֜וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אִם
(im)
als
רָאֹ֥ה
(rao)
zien
תִרְאֶ֣ה
(tire)
U zult zien
בָּעֳנִ֣י
(baoni)
het lijden van
אֲמָתֶ֗ךָ
(amatekha)
Uw dienares
וּזְכַרְתַּ֨נִי֙
(uzekhartani)
en U zult denken aan mij
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תִשְׁכַּ֣ח
(tishkach)
U zult vergeten
אֶת
(et)
(obj.)
אֲמָתֶ֔ךָ
(amatekha)
Uw dienares
וְנָתַתָּ֥ה
(venatata)
en U zult geven
לַאֲמָתְךָ֖
(laamatekha)
aan Uw dienares
זֶ֣רַע
(zera)
nageslacht van
אֲנָשִׁ֑ים
(anashim)
mannen
וּנְתַתִּ֤יו
(unetativ)
en ik zal hem geven
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
aan Yahweh
כָּל
(kal)
alle
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
חַיָּ֔יו
(chayav)
zijn leven
וּמוֹרָ֖ה
(umora)
en een scheermes
לֹא
(lo)
niet
יַעֲלֶ֥ה
(yaale)
zal komen
עַל
(al)
op
רֹאשֽׁוֹ
(rosho)
zijn hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶדֶר (neder), ‘gelofte’: een belofte aan Yahweh die men moet nakomen (Num. 30:3).
זֶרַע אֲנָשִׁים (zera anasjim), letterlijk ‘nageslacht van mannen’: een mannelijk kind. Wij vertalen ‘een zoon’.
וּמוֹרָה לֹא יַעֲלֶה עַל רֹאשׁוֹ (umorah lo ya’aleh al rosjo), ‘en een scheermes zal niet op zijn hoofd komen’: het teken van een nazireeër. Zie Num. 6:5 en Richt. 13:5.
15Hanna antwoordde: „Nee, mijn heer. Ik ben een vrouw met een bedrukte geest. Wijn en sterke drank heb ik niet gedronken. Ik stortte mijn ziel uit voor het aangezicht van Yahweh.
וַתַּ֨עַן
(vataan)
en antwoordde
חַנָּ֤ה
(chana)
Hanna
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en zei
לֹ֣א
(lo)
nee
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
אִשָּׁ֤ה
(isha)
vrouw van
קְשַׁת
(qeshat)
hard van
ר֨וּחַ֙
(ruach)
geest
אָנֹ֔כִי
(anokhi)
ik
וְיַ֥יִן
(veyayin)
en wijn
וְשֵׁכָ֖ר
(veshekhar)
en sterke drank
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁתִ֑יתִי
(shatiti)
ik heb gedronken
וָאֶשְׁפֹּ֥ךְ
(vaeshpokh)
en ik stortte uit
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
mijn ziel
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קְשַׁת רוּחַ (qeshat ruach), letterlijk ‘hard van geest’: iemand met een zwaar gemoed, bedrukt.
אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: Hanna spreekt hier Eli aan, een mens. Daarom met kleine letter en ‘u’, anders dan Adonai voor Yahweh.
19Zij stonden de volgende morgen vroeg op en bogen zich neer voor het aangezicht van Yahweh. Daarna keerden zij terug en kwamen thuis in Rama. Elkana had gemeenschap met zijn vrouw Hanna, en Yahweh dacht aan haar.
וַיַּשְׁכִּ֣מוּ
(vayashkimu)
en zij stonden vroeg op
בַבֹּ֗קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיִּֽשְׁתַּחֲווּ֙
(vayishtachavu)
en zij bogen zich neer
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּשֻׁ֛בוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
בֵּיתָ֖ם
(beitam)
hun huis
הָרָמָ֑תָה
(haramata)
Rama
וַיֵּ֤דַע
(vayeda)
en kende
אֶלְקָנָה֙
(elqana)
Elkana
אֶת
(et)
(obj.)
חַנָּ֣ה
(chana)
Hanna
אִשְׁתּ֔וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וַיִּֽזְכְּרֶ֖הָ
(vayizkereha)
en dacht aan haar
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Rama is waarschijnlijk dezelfde plaats als Ramataim-Zofim (1:1).
De ligging is onzeker.
Zie bij 1:1.
Uitleg
וַיֵּדַע (vayyeda), ‘en hij kende’: hij had gemeenschap met haar.
Zie ook Gen. 4:1.
וַיִּזְכְּרֶהָ יְהוָה (vayyizkereha Yahweh), ‘en Yahweh dacht aan haar’: Yahweh grijpt in en geeft haar een kind. Zo ook Gen. 30:22.
22Hanna ging niet mee omhoog, want zij had tegen haar man gezegd: „Pas als de jongen gespeend is. Dan breng ik hem, en hij zal verschijnen voor het aangezicht van Yahweh en daar blijven wonen, voor altijd.”
וְחַנָּ֖ה
(vechana)
en Hanna
לֹ֣א
(lo)
niet
עָלָ֑תָה
(alata)
ging omhoog
כִּֽי
(ki)
want
אָמְרָ֣ה
(amera)
zij had gezegd
לְאִישָׁ֗הּ
(leishah)
tegen haar man
עַ֣ד
(ad)
tot
יִגָּמֵ֤ל
(yigamel)
gespeend is
הַנַּ֨עַר֙
(hanaar)
de jongen
וַהֲבִאֹתִ֗יו
(vahaviotiv)
en ik breng hem
וְנִרְאָה֙
(venira)
en hij zal verschijnen
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְיָ֥שַׁב
(veyashav)
en hij zal wonen
שָׁ֖ם
(sham)
daar
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גָּמַל (gamal), ‘spenen’: in die tijd werd een kind vaak pas na ongeveer drie jaar van de borst gehaald.
Hanna wil niet reizen voordat de jongen kan worden achtergelaten.
23Haar man Elkana zei tegen haar: „Doe wat goed is in jouw ogen. Blijf tot je hem gespeend hebt. Moge Yahweh maar Zijn woord bevestigen.” Zo bleef de vrouw en gaf haar zoon de borst, tot zij hem speende.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהּ֩
(lah)
tot haar
אֶלְקָנָ֨ה
(elqana)
Elkana
אִישָׁ֜הּ
(ishah)
haar man
עֲשִׂ֧י
(asi)
doe
הַטּ֣וֹב
(hatov)
het goede
בְּעֵינַ֗יִךְ
(beeinayikh)
in je ogen
שְׁבִי֙
(shevi)
blijf
עַד
(ad)
tot
גָּמְלֵ֣ךְ
(gamelekh)
je hem speent
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
אַ֛ךְ
(akh)
alleen
יָקֵ֥ם
(yaqem)
moge bevestigen
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָר֑וֹ
(devaro)
Zijn woord
וַתֵּ֤שֶׁב
(vateshev)
en bleef
הָֽאִשָּׁה֙
(haisha)
de vrouw
וַתֵּ֣ינֶק
(vateineq)
en gaf de borst
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנָ֔הּ
(benah)
haar zoon
עַד
(ad)
tot
גָּמְלָ֖הּ
(gamelah)
zij speende
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
אַךְ יָקֵם יְהוָה אֶת דְּבָרוֹ (ach yaqem Yahweh et devaro), ‘alleen moge Yahweh Zijn woord bevestigen’.
Welk woord bedoeld is, staat er niet bij: waarschijnlijk wat Yahweh haar bij haar gebed heeft toegezegd.
24Toen zij hem gespeend had, nam zij hem met zich mee omhoog, met drie stieren, één efa meel en een kruik wijn. Zij bracht hem naar het huis van Yahweh in Silo. De jongen was nog heel jong.
וַתַּעֲלֵ֨הוּ
(vataalehu)
en zij liet hem omhoog gaan
עִמָּ֜הּ
(imah)
met haar
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
toen
גְּמָלַ֗תּוּ
(gemalatu)
zij hem speende
בְּפָרִ֤ים
(befarim)
met stieren
שְׁלֹשָׁה֙
(shelosha)
drie
וְאֵיפָ֨ה
(veeifa)
en efa
אַחַ֥ת
(achat)
één
קֶ֨מַח֙
(qemach)
meel
וְנֵ֣בֶל
(venevel)
en kruik van
יַ֔יִן
(yayin)
wijn
וַתְּבִאֵ֥הוּ
(vateviehu)
en zij bracht hem
בֵית
(beit)
huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
שִׁל֑וֹ
(shilo)
Silo
וְהַנַּ֖עַר
(vehanaar)
en de jongen
נָֽעַר
(naar)
jongen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Silo (hier gespeld שִׁלוֹ): zie bij 1:3.
Uitleg
אֵיפָה (efa) is een inhoudsmaat van ongeveer 22 liter.
נֵבֶל (nevel) is een grote kruik of zak, hier voor wijn.
וְהַנַּעַר נָעַר (vehanna’ar na’ar), letterlijk ‘en de jongen was een jongen’: hij was nog heel klein.
Lezing
בְּפָרִים שְׁלֹשָׁה (befarim sheloshah), ‘met drie stieren’.
Vers 25 heeft ‘de stier’ in het enkelvoud.
Daarom denken sommigen aan ‘een stier van drie jaar’.
28Ook ik leen hem uit aan Yahweh. Al de dagen dat hij leeft, is hij aan Yahweh uitgeleend.” Hij boog zich daar neer voor Yahweh.
וְגַ֣ם
(vegam)
en ook
אָנֹכִ֗י
(anokhi)
ik
הִשְׁאִלְתִּ֨הוּ֙
(hishiltihu)
heb uitgeleend
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
aan Yahweh
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִים֙
(hayamim)
dagen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הָיָ֔ה
(haya)
hij is
ה֥וּא
(hu)
hij
שָׁא֖וּל
(shaul)
uitgeleend
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וַיִּשְׁתַּ֥חוּ
(vayishtachu)
en hij boog zich neer
שָׁ֖ם
(sham)
daar
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִשְׁאִלְתִּהוּ (hish’iltihu), ‘ik leen hem uit’, en שָׁאוּל (sha’ul), ‘uitgeleend’ of ‘gevraagd’: dezelfde stam als שָׁאַל (sha’al), ‘vragen’ in 1:20 en 1:27.
Het is ook de stam van de naam Saul.
Lezing
Het Hebreeuws heeft ‘hij boog zich neer’.
Wie bedoeld is (Elkana, Eli of de jongen), staat er niet bij.