Elohim Bijbel

1 Samuël 1

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

De geboorte van Samuël

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Elkana en zijn twee vrouwen

1Er was een man uit Ramataim-Zofim, uit het bergland van Efraïm. Hij heette Elkana, zoon van Jerocham, zoon van Elihu, zoon van Tochu, zoon van Zuf, een Efratiet.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
אִ֨ישׁ
(ish)
een man
אֶחָ֜ד
(echad)
één
מִן
(min)
uit
הָרָמָתַ֛יִם
(haramatayim)
de Ramataim
צוֹפִ֖ים
(tsofim)
Zofim
מֵהַ֣ר
(mehar)
van het bergland van
אֶפְרָ֑יִם
(efrayim)
Efraïm
וּשְׁמ֡וֹ
(ushemo)
en zijn naam
אֶ֠לְקָנָה
(elqana)
Elkana
בֶּן
(ben)
zoon van
יְרֹחָ֧ם
(yerocham)
Jerocham
בֶּן
(ben)
zoon van
אֱלִיה֛וּא
(elihu)
Elihu
בֶּן
(ben)
zoon van
תֹּ֥חוּ
(tochu)
Tochu
בֶן
(ben)
zoon van
צ֖וּף
(tsuf)
Zuf
אֶפְרָתִֽי
(efrati)
Efratiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ramataim-Zofim is waarschijnlijk dezelfde plaats als Rama (1:19; 2:11).

De ligging is onzeker.

Voorgesteld worden er-Ram, ongeveer 8 kilometer ten noorden van Jeruzalem, en Rantis, ongeveer 25 kilometer ten oosten van Tel Aviv (beide Westelijke Jordaanoever).

Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.

Uitleg

אֶפְרָתִי (Efrati), ‘Efratiet’: dit woord kan een inwoner van Efrata (bij Betlehem) aanduiden, zoals in Ruth 1:2, of iemand uit Efraïm, zoals in Richt. 12:5.

Hier staat de man in het bergland van Efraïm; wij laten het woord ‘Efratiet’ staan zoals in Ruth.

צוֹפִים (Zofim) hangt samen met de naam Zuf, een voorvader van Elkana.

2Hij had twee vrouwen. De ene heette Hanna en de tweede Pennina. Pennina had kinderen, maar Hanna had geen kinderen.
וְלוֹ֙
(velo)
en voor hem
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee van
נָשִׁ֔ים
(nashim)
vrouwen
שֵׁ֤ם
(shem)
naam van
אַחַת֙
(achat)
de ene
חַנָּ֔ה
(chana)
Hanna
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en naam van
הַשֵּׁנִ֖ית
(hashenit)
de tweede
פְּנִנָּ֑ה
(penina)
Pennina
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
לִפְנִנָּה֙
(lifnina)
voor Pennina
יְלָדִ֔ים
(yeladim)
kinderen
וּלְחַנָּ֖ה
(ulechana)
en voor Hanna
אֵ֥ין
(ein)
er waren niet
יְלָדִֽים
(yeladim)
kinderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het jaarlijkse bezoek aan Silo

3Elk jaar ging die man vanuit zijn stad omhoog. Hij boog zich neer voor Yahweh van de legermachten en bracht Hem in Silo een slachtoffer. Daar waren de twee zonen van Eli, Chofni en Pinechas, priesters van Yahweh.
וְעָלָה֩
(veala)
en ging omhoog
הָאִ֨ישׁ
(haish)
de man
הַה֤וּא
(hahu)
die
מֵֽעִירוֹ֙
(meiro)
uit zijn stad
מִיָּמִ֣ים
(miyamim)
van dagen
יָמִ֔ימָה
(yamima)
naar dagen
לְהִֽשְׁתַּחֲוֺ֧ת
(lehishtachavot)
om zich neer te buigen
וְלִזְבֹּ֛חַ
(velizboach)
en om te slachtofferen
לַיהוָ֥ה
(laYahweh)
voor Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
בְּשִׁלֹ֑ה
(beshilo)
in Silo
וְשָׁ֞ם
(vesham)
en daar
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee van
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
עֵלִ֗י
(eli)
Eli
חָפְנִי֙
(chafeni)
Chofni
וּפִ֣נְחָ֔ס
(ufinchas)
en Pinechas
כֹּהֲנִ֖ים
(kohanim)
priesters
לַיהוָֽה
(laYahweh)
van Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Silo ligt ongeveer 30 kilometer ten noorden van Jeruzalem, bij het huidige Khirbet Seilun (Westelijke Jordaanoever).

De tent van samenkomst stond hier (Joz. 18:1).

Uitleg

יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): צְבָאוֹת betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’.

Deze naam komt hier voor het eerst in de Bijbel voor.

Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’.

מִיָּמִים יָמִימָה (miyyamim yamimah), letterlijk ‘van dagen naar dagen’: een uitdrukking voor ‘elk jaar’. Zie ook Exod. 13:10 en Richt. 21:19, waar het jaarfeest in Silo wordt genoemd.

4Op de dag dat Elkana een slachtoffer bracht, gaf hij porties aan zijn vrouw Pennina en aan al haar zonen en dochters.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
הַיּ֔וֹם
(hayom)
de dag
וַיִּזְבַּ֖ח
(vayizbach)
en hij slachtofferde
אֶלְקָנָ֑ה
(elqana)
Elkana
וְנָתַ֞ן
(venatan)
en gaf
לִפְנִנָּ֣ה
(lifnina)
aan Pennina
אִשְׁתּ֗וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וּֽלְכָל
(ulekhal)
en aan alle
בָּנֶ֛יהָ
(baneiha)
haar zonen
וּבְנוֹתֶ֖יהָ
(uvenoteiha)
en haar dochters
מָנֽוֹת
(manot)
porties
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Aan Hanna gaf hij één dubbele portie, want hij hield van Hanna. Maar Yahweh had haar schoot gesloten.
וּלְחַנָּ֕ה
(ulechana)
en aan Hanna
יִתֵּ֛ן
(yiten)
hij gaf
מָנָ֥ה
(mana)
portie
אַחַ֖ת
(achat)
één
אַפָּ֑יִם
(apayim)
dubbele
כִּ֤י
(ki)
want
אֶת
(et)
(obj.)
חַנָּה֙
(chana)
Hanna
אָהֵ֔ב
(ahev)
hij hield van
וַֽיהוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
סָגַ֥ר
(sagar)
had gesloten
רַחְמָֽהּ
(rachmah)
haar schoot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סָגַר רַחְמָהּ (sagar rachmah), ‘haar schoot sluiten’: Yahweh geeft geen kinderen.

Zo ook in Gen. 29:31 en Gen. 30:22, waar Elohim de baarmoeder opent.

Lezing

אַפָּיִם (apayim) komt alleen hier voor en is onzeker.

Het woord betekent letterlijk ‘twee neuzen’ of ‘twee gezichten’.

Wij vertalen ‘dubbele’: een dubbele portie.

Anderen denken aan een portie voor twee personen of aan een eervolle portie.

6Haar rivale kwelde haar bovendien zwaar, om haar te krenken, omdat Yahweh haar schoot had gesloten.
וְכִֽעֲסַ֤תָּה
(vekhiasata)
en kwelde haar
צָֽרָתָהּ֙
(tsaratah)
haar rivale
גַּם
(gam)
ook
כַּ֔עַס
(kaas)
kwelling
בַּעֲב֖וּר
(baavur)
om te
הַרְּעִמָ֑הּ
(hareimah)
haar te krenken
כִּֽי
(ki)
omdat
סָגַ֥ר
(sagar)
had gesloten
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּעַ֥ד
(bead)
rondom
רַחְמָֽהּ
(rachmah)
haar schoot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַרְעִמָהּ (har’imah), ‘haar krenken’: het woord komt van ‘donderen’ (ra’am) en betekent haar tot klagen of wanhoop brengen.

כַּעַס (ka’as), ‘kwelling’: ook in 1:7 en 1:16. Wij vertalen het werkwoord en het zelfstandig naamwoord met hetzelfde woord, ‘kwellen’.

7Zo ging het jaar na jaar. Telkens als Hanna omhoogging naar het huis van Yahweh, kwelde Pennina haar zo. Dan huilde Hanna en at niet.
וְכֵ֨ן
(vekhen)
en zo
יַעֲשֶׂ֜ה
(yaase)
hij deed
שָׁנָ֣ה
(shana)
jaar
בְשָׁנָ֗ה
(beshana)
in jaar
מִדֵּ֤י
(midei)
telkens als
עֲלֹתָהּ֙
(alotah)
zij omhoogging
בְּבֵ֣ית
(beveit)
naar het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כֵּ֖ן
(ken)
zo
תַּכְעִסֶ֑נָּה
(takhisena)
zij kwelde haar
וַתִּבְכֶּ֖ה
(vativke)
en zij huilde
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תֹאכַֽל
(tokhal)
zij at
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws heeft alleen ‘zij’ en ‘haar’ zonder namen, en ‘hij deed zo’ zonder onderwerp.

Wij noemen de namen Hanna en Pennina, omdat in de Nederlandse zin anders niet te zien is wie wat doet.

Zie ook1 Sam 2:19
8Haar man Elkana zei tegen haar: „Hanna, waarom huil je? Waarom eet je niet? Waarom is je hart bedroefd? Ben ik je niet meer waard dan tien zonen?”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
לָ֜הּ
(lah)
tot haar
אֶלְקָנָ֣ה
(elqana)
Elkana
אִישָׁ֗הּ
(ishah)
haar man
חַנָּה֙
(chana)
Hanna
לָ֣מֶה
(lame)
waarom
תִבְכִּ֗י
(tivki)
huil je
וְלָ֨מֶה֙
(velame)
en waarom
לֹ֣א
(lo)
niet
תֹֽאכְלִ֔י
(tokhli)
eet je
וְלָ֖מֶה
(velame)
en waarom
יֵרַ֣ע
(yera)
is slecht
לְבָבֵ֑ךְ
(levavekh)
je hart
הֲל֤וֹא
(halo)
toch niet
אָֽנֹכִי֙
(anokhi)
ik
ט֣וֹב
(tov)
goed
לָ֔ךְ
(lakh)
voor jou
מֵעֲשָׂרָ֖ה
(measara)
dan tien
בָּנִֽים
(banim)
zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Elkana vraagt of zijn liefde voor Hanna niet meer waard is dan tien zonen.

Tien is hier een ronde en grote hoeveelheid.

Hanna bidt in het heiligdom

9Na het eten en drinken in Silo stond Hanna op. De priester Eli zat op de stoel bij de deurpost van het heiligdom van Yahweh.
וַתָּ֣קָם
(vataqam)
en stond op
חַנָּ֔ה
(chana)
Hanna
אַחֲרֵ֛י
(acharei)
na
אָכְלָ֥ה
(akhela)
het eten
בְשִׁלֹ֖ה
(beshilo)
in Silo
וְאַחֲרֵ֣י
(veacharei)
en na
שָׁתֹ֑ה
(shato)
het drinken
וְעֵלִ֣י
(veeli)
en Eli
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
יֹשֵׁב֙
(yoshev)
zat
עַל
(al)
op
הַכִּסֵּ֔א
(hakise)
de stoel
עַל
(al)
bij
מְזוּזַ֖ת
(mezuzat)
de deurpost van
הֵיכַ֥ל
(heikhal)
het heiligdom van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

הֵיכָל (heichal), ‘heiligdom’: het woord betekent letterlijk ‘groot huis’, ‘paleis’ of ‘tempel’.

In Silo stond de tent van samenkomst (Joz. 18:1).

Hier en in 3:3 heeft het gebouw deurposten en deuren (3:15).

Wij vertalen ‘heiligdom’ en laten de vorm open.

10Zij was bitter van ziel. Zij bad tot Yahweh en huilde hevig.
וְהִ֖יא
(vehi)
en zij
מָ֣רַת
(marat)
bitter van
נָ֑פֶשׁ
(nafesh)
ziel
וַתִּתְפַּלֵּ֥ל
(vatitpalel)
en zij bad
עַל
(al)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וּבָכֹ֥ה
(uvakho)
en huilend
תִבְכֶּֽה
(tivke)
zij huilde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zij deed een gelofte. Zij zei: „Yahweh van de legermachten, als U het lijden van Uw dienares werkelijk aanziet en aan mij denkt, als U Uw dienares niet vergeet en haar een zoon geeft, dan geef ik hem aan Yahweh, al de dagen van zijn leven. Er zal geen scheermes op zijn hoofd komen.”
וַתִּדֹּ֨ר
(vatidor)
en zij deed
נֶ֜דֶר
(neder)
een gelofte
וַתֹּאמַ֗ר
(vatomar)
en zij zei
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֜וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אִם
(im)
als
רָאֹ֥ה
(rao)
zien
תִרְאֶ֣ה
(tire)
U zult zien
בָּעֳנִ֣י
(baoni)
het lijden van
אֲמָתֶ֗ךָ
(amatekha)
Uw dienares
וּזְכַרְתַּ֨נִי֙
(uzekhartani)
en U zult denken aan mij
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תִשְׁכַּ֣ח
(tishkach)
U zult vergeten
אֶת
(et)
(obj.)
אֲמָתֶ֔ךָ
(amatekha)
Uw dienares
וְנָתַתָּ֥ה
(venatata)
en U zult geven
לַאֲמָתְךָ֖
(laamatekha)
aan Uw dienares
זֶ֣רַע
(zera)
nageslacht van
אֲנָשִׁ֑ים
(anashim)
mannen
וּנְתַתִּ֤יו
(unetativ)
en ik zal hem geven
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
aan Yahweh
כָּל
(kal)
alle
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
חַיָּ֔יו
(chayav)
zijn leven
וּמוֹרָ֖ה
(umora)
en een scheermes
לֹא
(lo)
niet
יַעֲלֶ֥ה
(yaale)
zal komen
עַל
(al)
op
רֹאשֽׁוֹ
(rosho)
zijn hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶדֶר (neder), ‘gelofte’: een belofte aan Yahweh die men moet nakomen (Num. 30:3).

זֶרַע אֲנָשִׁים (zera anasjim), letterlijk ‘nageslacht van mannen’: een mannelijk kind. Wij vertalen ‘een zoon’.

וּמוֹרָה לֹא יַעֲלֶה עַל רֹאשׁוֹ (umorah lo ya’aleh al rosjo), ‘en een scheermes zal niet op zijn hoofd komen’: het teken van een nazireeër. Zie Num. 6:5 en Richt. 13:5.

Eli denkt dat zij dronken is

12Terwijl zij lang bleef bidden voor het aangezicht van Yahweh, lette Eli op haar mond.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het geschiedde
כִּ֣י
(ki)
toen
הִרְבְּתָ֔ה
(hirbeta)
zij vermenigvuldigde
לְהִתְפַּלֵּ֖ל
(lehitpalel)
om te bidden
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְעֵלִ֖י
(veeli)
en Eli
שֹׁמֵ֥ר
(shomer)
lette op
אֶת
(et)
(obj.)
פִּֽיהָ
(piha)
haar mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Eli let op haar mond, omdat zij zonder geluid bidt (vers 13).

13Hanna sprak in haar hart. Alleen haar lippen bewogen, maar haar stem was niet te horen. Eli hield haar voor dronken.
וְחַנָּ֗ה
(vechana)
en Hanna
הִ֚יא
(hi)
zij
מְדַבֶּ֣רֶת
(medaberet)
sprekend
עַל
(al)
op
לִבָּ֔הּ
(libah)
haar hart
רַ֚ק
(raq)
alleen
שְׂפָתֶ֣יהָ
(sefateiha)
haar lippen
נָּע֔וֹת
(naot)
bewegend
וְקוֹלָ֖הּ
(veqolah)
en haar stem
לֹ֣א
(lo)
niet
יִשָּׁמֵ֑עַ
(yishamea)
werd gehoord
וַיַּחְשְׁבֶ֥הָ
(vayachsheveha)
en hield haar voor
עֵלִ֖י
(eli)
Eli
לְשִׁכֹּרָֽה
(leshikora)
dronken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁכֹּרָה (shikkorah), ‘dronken’: Eli ziet haar bewegende lippen en hoort geen woorden.

Hij denkt aan dronkenschap.

14Eli zei tegen haar: „Hoelang blijf je nog dronken? Doe je wijn van je weg.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלֶ֨יהָ֙
(eleiha)
tot haar
עֵלִ֔י
(eli)
Eli
עַד
(ad)
tot
מָתַ֖י
(matay)
wanneer
תִּשְׁתַּכָּרִ֑ין
(tishtakarin)
blijf je dronken
הָסִ֥ירִי
(hasiri)
doe weg
אֶת
(et)
(obj.)
יֵינֵ֖ךְ
(yeinekh)
je wijn
מֵעָלָֽיִךְ
(mealayikh)
van je af
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Hanna antwoordde: „Nee, mijn heer. Ik ben een vrouw met een bedrukte geest. Wijn en sterke drank heb ik niet gedronken. Ik stortte mijn ziel uit voor het aangezicht van Yahweh.
וַתַּ֨עַן
(vataan)
en antwoordde
חַנָּ֤ה
(chana)
Hanna
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en zei
לֹ֣א
(lo)
nee
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
אִשָּׁ֤ה
(isha)
vrouw van
קְשַׁת
(qeshat)
hard van
ר֨וּחַ֙
(ruach)
geest
אָנֹ֔כִי
(anokhi)
ik
וְיַ֥יִן
(veyayin)
en wijn
וְשֵׁכָ֖ר
(veshekhar)
en sterke drank
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁתִ֑יתִי
(shatiti)
ik heb gedronken
וָאֶשְׁפֹּ֥ךְ
(vaeshpokh)
en ik stortte uit
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
mijn ziel
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קְשַׁת רוּחַ (qeshat ruach), letterlijk ‘hard van geest’: iemand met een zwaar gemoed, bedrukt.

אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: Hanna spreekt hier Eli aan, een mens. Daarom met kleine letter en ‘u’, anders dan Adonai voor Yahweh.

16Beschouw uw dienares niet als een dochter van Belial. Want uit grote klacht en kwelling heb ik tot nu toe gesproken.”
אַל
(al)
niet
תִּתֵּן֙
(titen)
geef
אֶת
(et)
(obj.)
אֲמָ֣תְךָ֔
(amatekha)
Uw dienares
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
בַּת
(bat)
dochter van
בְּלִיָּ֑עַל
(beliyaal)
Belial
כִּֽי
(ki)
want
מֵרֹ֥ב
(merov)
uit de grootte van
שִׂיחִ֛י
(sichi)
mijn klacht
וְכַעְסִ֖י
(vekhasi)
en mijn kwelling
דִּבַּ֥רְתִּי
(dibarti)
ik heb gesproken
עַד
(ad)
tot
הֵֽנָּה
(hena)
nu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּלִיַּעַל (beliyya’al), ‘Belial’: ‘waardeloosheid’ of ‘slechtheid’.

Een ‘dochter van Belial’ is een vrouw zonder moraal.

Zie ook Richt. 19:22 en 1 Sam. 2:12.

אַל תִּתֵּן לִפְנֵי (al titten lifnei), letterlijk ‘zet niet voor het aangezicht van’: beschouw haar niet als.

17Eli antwoordde: „Ga in vrede. Moge de Elohim van Israël je geven wat je van Hem gevraagd hebt.”
וַיַּ֧עַן
(vayaan)
en antwoordde
עֵלִ֛י
(eli)
Eli
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
לְכִ֣י
(lekhi)
ga
לְשָׁל֑וֹם
(leshalom)
in vrede
וֵאלֹהֵ֣י
(velohei)
en de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
יִתֵּן֙
(yiten)
moge geven
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֣לָתֵ֔ךְ
(shelatekh)
je verzoek
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
שָׁאַ֖לְתְּ
(shaalt)
je hebt gevraagd
מֵעִמּֽוֹ
(meimo)
van Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Zij zei: „Moge uw dienares gunst vinden in uw ogen.” Toen ging de vrouw haar weg en at. Haar gezicht was niet meer hetzelfde.
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en zij zei
תִּמְצָ֧א
(timtsa)
moge vinden
שִׁפְחָתְךָ֛
(shifchatekha)
Uw dienares
חֵ֖ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֑יךָ
(beeineikha)
in uw ogen
וַתֵּ֨לֶךְ
(vatelekh)
en ging
הָאִשָּׁ֤ה
(haisha)
de vrouw
לְדַרְכָּהּ֙
(ledarkah)
op haar weg
וַתֹּאכַ֔ל
(vatokhal)
en at
וּפָנֶ֥יהָ
(ufaneiha)
en haar gezicht
לֹא
(lo)
niet
הָיוּ
(hayu)
was
לָ֖הּ
(lah)
voor haar
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘haar gezichten waren niet meer voor haar’.

De bedoeling is dat haar gezicht niet meer bedroefd stond.

Wij vertalen ‘niet meer hetzelfde’.

Samuël wordt geboren

19Zij stonden de volgende morgen vroeg op en bogen zich neer voor het aangezicht van Yahweh. Daarna keerden zij terug en kwamen thuis in Rama. Elkana had gemeenschap met zijn vrouw Hanna, en Yahweh dacht aan haar.
וַיַּשְׁכִּ֣מוּ
(vayashkimu)
en zij stonden vroeg op
בַבֹּ֗קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיִּֽשְׁתַּחֲווּ֙
(vayishtachavu)
en zij bogen zich neer
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּשֻׁ֛בוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
בֵּיתָ֖ם
(beitam)
hun huis
הָרָמָ֑תָה
(haramata)
Rama
וַיֵּ֤דַע
(vayeda)
en kende
אֶלְקָנָה֙
(elqana)
Elkana
אֶת
(et)
(obj.)
חַנָּ֣ה
(chana)
Hanna
אִשְׁתּ֔וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וַיִּֽזְכְּרֶ֖הָ
(vayizkereha)
en dacht aan haar
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Rama is waarschijnlijk dezelfde plaats als Ramataim-Zofim (1:1).

De ligging is onzeker.

Zie bij 1:1.

Uitleg

וַיֵּדַע (vayyeda), ‘en hij kende’: hij had gemeenschap met haar.

Zie ook Gen. 4:1.

וַיִּזְכְּרֶהָ יְהוָה (vayyizkereha Yahweh), ‘en Yahweh dacht aan haar’: Yahweh grijpt in en geeft haar een kind. Zo ook Gen. 30:22.

20Na verloop van tijd werd Hanna zwanger en beviel van een zoon. Zij noemde hem Samuël: „Want van Yahweh heb ik hem gevraagd.”
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
לִתְקֻפ֣וֹת
(litqufot)
bij de omloop van
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
וַתַּ֥הַר
(vatahar)
en werd zwanger
חַנָּ֖ה
(chana)
Hanna
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en baarde
בֵּ֑ן
(ben)
een zoon
וַתִּקְרָ֤א
(vatiqra)
en noemde
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמוֹ֙
(shemo)
zijn naam
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
כִּ֥י
(ki)
want
מֵיְהוָ֖ה
(meYahweh)
van Yahweh
שְׁאִלְתִּֽיו
(sheiltiv)
ik heb hem gevraagd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁמוּאֵל (Shemu’el), ‘Samuël’.

De tekst verbindt de naam met שָׁאַל (sha’al), ‘vragen’: ‘van Yahweh heb ik hem gevraagd’ (שְׁאִלְתִּיו, she’iltiv).

De naam klinkt ook als ‘naam van Elohim’ of ‘Elohim heeft gehoord’.

Hanna blijft thuis tot Samuël gespeend is

21De man Elkana trok met heel zijn huis omhoog om aan Yahweh het jaarlijkse slachtoffer en zijn gelofte te brengen.
וַיַּ֛עַל
(vayaal)
en ging omhoog
הָאִ֥ישׁ
(haish)
de man
אֶלְקָנָ֖ה
(elqana)
Elkana
וְכָל
(vekhal)
en heel
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
לִזְבֹּ֧חַ
(lizboach)
om te slachtofferen
לַֽיהוָ֛ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
זֶ֥בַח
(zevach)
slachtoffer van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
נִדְרֽוֹ
(nidro)
zijn gelofte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זֶבַח הַיָּמִים (zevach hayyamim), ‘het slachtoffer van de dagen’: het jaarlijkse slachtoffer (zie 1:3).

נִדְרוֹ (nidro), ‘zijn gelofte’: wat Elkana aan Yahweh had beloofd te brengen.

22Hanna ging niet mee omhoog, want zij had tegen haar man gezegd: „Pas als de jongen gespeend is. Dan breng ik hem, en hij zal verschijnen voor het aangezicht van Yahweh en daar blijven wonen, voor altijd.”
וְחַנָּ֖ה
(vechana)
en Hanna
לֹ֣א
(lo)
niet
עָלָ֑תָה
(alata)
ging omhoog
כִּֽי
(ki)
want
אָמְרָ֣ה
(amera)
zij had gezegd
לְאִישָׁ֗הּ
(leishah)
tegen haar man
עַ֣ד
(ad)
tot
יִגָּמֵ֤ל
(yigamel)
gespeend is
הַנַּ֨עַר֙
(hanaar)
de jongen
וַהֲבִאֹתִ֗יו
(vahaviotiv)
en ik breng hem
וְנִרְאָה֙
(venira)
en hij zal verschijnen
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְיָ֥שַׁב
(veyashav)
en hij zal wonen
שָׁ֖ם
(sham)
daar
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גָּמַל (gamal), ‘spenen’: in die tijd werd een kind vaak pas na ongeveer drie jaar van de borst gehaald.

Hanna wil niet reizen voordat de jongen kan worden achtergelaten.

23Haar man Elkana zei tegen haar: „Doe wat goed is in jouw ogen. Blijf tot je hem gespeend hebt. Moge Yahweh maar Zijn woord bevestigen.” Zo bleef de vrouw en gaf haar zoon de borst, tot zij hem speende.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהּ֩
(lah)
tot haar
אֶלְקָנָ֨ה
(elqana)
Elkana
אִישָׁ֜הּ
(ishah)
haar man
עֲשִׂ֧י
(asi)
doe
הַטּ֣וֹב
(hatov)
het goede
בְּעֵינַ֗יִךְ
(beeinayikh)
in je ogen
שְׁבִי֙
(shevi)
blijf
עַד
(ad)
tot
גָּמְלֵ֣ךְ
(gamelekh)
je hem speent
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
אַ֛ךְ
(akh)
alleen
יָקֵ֥ם
(yaqem)
moge bevestigen
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָר֑וֹ
(devaro)
Zijn woord
וַתֵּ֤שֶׁב
(vateshev)
en bleef
הָֽאִשָּׁה֙
(haisha)
de vrouw
וַתֵּ֣ינֶק
(vateineq)
en gaf de borst
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנָ֔הּ
(benah)
haar zoon
עַד
(ad)
tot
גָּמְלָ֖הּ
(gamelah)
zij speende
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

אַךְ יָקֵם יְהוָה אֶת דְּבָרוֹ (ach yaqem Yahweh et devaro), ‘alleen moge Yahweh Zijn woord bevestigen’.

Welk woord bedoeld is, staat er niet bij: waarschijnlijk wat Yahweh haar bij haar gebed heeft toegezegd.

Wij laten het open.

Hanna brengt Samuël naar Silo

24Toen zij hem gespeend had, nam zij hem met zich mee omhoog, met drie stieren, één efa meel en een kruik wijn. Zij bracht hem naar het huis van Yahweh in Silo. De jongen was nog heel jong.
וַתַּעֲלֵ֨הוּ
(vataalehu)
en zij liet hem omhoog gaan
עִמָּ֜הּ
(imah)
met haar
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
toen
גְּמָלַ֗תּוּ
(gemalatu)
zij hem speende
בְּפָרִ֤ים
(befarim)
met stieren
שְׁלֹשָׁה֙
(shelosha)
drie
וְאֵיפָ֨ה
(veeifa)
en efa
אַחַ֥ת
(achat)
één
קֶ֨מַח֙
(qemach)
meel
וְנֵ֣בֶל
(venevel)
en kruik van
יַ֔יִן
(yayin)
wijn
וַתְּבִאֵ֥הוּ
(vateviehu)
en zij bracht hem
בֵית
(beit)
huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
שִׁל֑וֹ
(shilo)
Silo
וְהַנַּ֖עַר
(vehanaar)
en de jongen
נָֽעַר
(naar)
jongen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Silo (hier gespeld שִׁלוֹ): zie bij 1:3.

Uitleg

אֵיפָה (efa) is een inhoudsmaat van ongeveer 22 liter.

נֵבֶל (nevel) is een grote kruik of zak, hier voor wijn.

וְהַנַּעַר נָעַר (vehanna’ar na’ar), letterlijk ‘en de jongen was een jongen’: hij was nog heel klein.

Lezing

בְּפָרִים שְׁלֹשָׁה (befarim sheloshah), ‘met drie stieren’.

Vers 25 heeft ‘de stier’ in het enkelvoud.

Daarom denken sommigen aan ‘een stier van drie jaar’.

Wij volgen de Masoretische tekst letterlijk.

25Zij slachtten de stier en brachten de jongen naar Eli.
וַֽיִּשְׁחֲט֖וּ
(vayishchatu)
en zij slachtten
אֶת
(et)
(obj.)
הַפָּ֑ר
(hapar)
de stier
וַיָּבִ֥יאוּ
(vayaviu)
en zij brachten
אֶת
(et)
(obj.)
הַנַּ֖עַר
(hanaar)
de jongen
אֶל
(el)
naar
עֵלִֽי
(eli)
Eli
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Zij zei: „Pardon, mijn heer! Zo waar u leeft, mijn heer: ik ben de vrouw die hier naast u stond om tot Yahweh te bidden.
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en zij zei
בִּ֣י
(bi)
bij mij
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
חֵ֥י
(chei)
leeft
נַפְשְׁךָ֖
(nafshekha)
uw ziel
אֲדֹנִ֑י
(adoni)
mijn heer
אֲנִ֣י
(ani)
ik
הָאִשָּׁ֗ה
(haisha)
de vrouw
הַנִּצֶּ֤בֶת
(hanitsevet)
die stond
עִמְּכָה֙
(imekha)
naast u
בָּזֶ֔ה
(baze)
hier
לְהִתְפַּלֵּ֖ל
(lehitpalel)
om te bidden
אֶל
(el)
tot
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בִּי אֲדֹנִי (bi adoni), letterlijk ‘bij mij, mijn heer’: een beleefde openingsformule bij een verzoek of uitleg.

Wij vertalen ‘Pardon, mijn heer’.

חֵי נַפְשְׁךָ (chei nafshecha), ‘zo waar uw ziel leeft’: een eedformule.

27Om deze jongen heb ik gebeden. Yahweh heeft mij mijn verzoek gegeven, dat ik van Hem gevraagd heb.
אֶל
(el)
om
הַנַּ֥עַר
(hanaar)
de jongen
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
הִתְפַּלָּ֑לְתִּי
(hitpalalti)
ik heb gebeden
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en gaf
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
לִי֙
(li)
aan mij
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁאֵ֣לָתִ֔י
(sheelati)
mijn verzoek
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
שָׁאַ֖לְתִּי
(shaalti)
ik heb gevraagd
מֵעִמּֽוֹ
(meimo)
van Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Ook ik leen hem uit aan Yahweh. Al de dagen dat hij leeft, is hij aan Yahweh uitgeleend.” Hij boog zich daar neer voor Yahweh.
וְגַ֣ם
(vegam)
en ook
אָנֹכִ֗י
(anokhi)
ik
הִשְׁאִלְתִּ֨הוּ֙
(hishiltihu)
heb uitgeleend
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
aan Yahweh
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִים֙
(hayamim)
dagen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הָיָ֔ה
(haya)
hij is
ה֥וּא
(hu)
hij
שָׁא֖וּל
(shaul)
uitgeleend
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וַיִּשְׁתַּ֥חוּ
(vayishtachu)
en hij boog zich neer
שָׁ֖ם
(sham)
daar
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִשְׁאִלְתִּהוּ (hish’iltihu), ‘ik leen hem uit’, en שָׁאוּל (sha’ul), ‘uitgeleend’ of ‘gevraagd’: dezelfde stam als שָׁאַל (sha’al), ‘vragen’ in 1:20 en 1:27.

Het is ook de stam van de naam Saul.

Lezing

Het Hebreeuws heeft ‘hij boog zich neer’.

Wie bedoeld is (Elkana, Eli of de jongen), staat er niet bij.

Wij laten ‘hij’ staan.