Jeremia mag niet trouwen en niet rouwen; verbanning en terugkeer; vissers en jagers
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een leven als teken: geen vrouw, geen rouwhuis
1Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Want zo zegt Yahweh over de zonen en de dochters die op deze plaats geboren worden, over hun moeders die hen baren en over hun vaders die hen verwekken in dit land:
כִּי
(ki)
want
כֹ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
הַבָּנִים֙
(habanim)
de zonen
וְעַל
(veal)
en over
הַבָּנ֔וֹת
(habanot)
de dochters
הַיִּלּוֹדִ֖ים
(hayilodim)
die geboren worden
בַּמָּק֣וֹם
(bamaqom)
op de plaats
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וְעַֽל
(veal)
en over
אִמֹּתָ֞ם
(imotam)
hun moeders
הַיֹּלְד֣וֹת
(hayoledot)
die baren
אוֹתָ֗ם
(otam)
hen
וְעַל
(veal)
en over
אֲבוֹתָ֛ם
(avotam)
hun vaders
הַמּוֹלִדִ֥ים
(hamolidim)
die verwekken
אוֹתָ֖ם
(otam)
hen
בָּאָ֥רֶץ
(baarets)
in het land
הַזֹּֽאת
(hazot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Aan dodelijke ziekten zullen zij sterven. Zij worden niet beweend en niet begraven. Zij zullen mest zijn op de grond. Door het zwaard en door honger komen zij om. Hun lijk wordt voedsel voor de vogels van de hemel en voor de dieren van het land.
מְמוֹתֵ֨י
(memotei)
aan de dood van
תַחֲלֻאִ֜ים
(tachaluim)
ziekten
יָמֻ֗תוּ
(yamutu)
zullen zij sterven
לֹ֤א
(lo)
niet
יִסָּֽפְדוּ֙
(yisafedu)
zullen zij beweend worden
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִקָּבֵ֔רוּ
(yiqaveru)
zullen zij begraven worden
לְדֹ֛מֶן
(ledomen)
tot mest
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het oppervlak van
הָאֲדָמָ֖ה
(haadama)
de grond
יִֽהְי֑וּ
(yihyu)
zullen zij zijn
וּבַחֶ֤רֶב
(uvacherev)
en door het zwaard
וּבָֽרָעָב֙
(uvaraav)
en door honger
יִכְל֔וּ
(yikhlu)
zullen zij omkomen
וְהָיְתָ֤ה
(vehayeta)
en zal worden
נִבְלָתָם֙
(nivlatam)
hun lijk
לְמַאֲכָ֔ל
(lemaakhal)
tot voedsel
לְע֥וֹף
(leof)
voor de vogels van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
וּלְבֶהֱמַ֥ת
(ulevehemat)
en voor de dieren van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תַּחֲלֻאִים (tachalu’im), ‘ziekten’: het woord komt ook voor in Deut. 29:21.
Het gaat om ziekten die doden.
לְדֹמֶן (ledomen), ‘tot mest’: de lijken blijven onbegraven liggen en worden mest voor de grond, zoals bij Izebel (2 Kon. 9:37).
לְעוֹף הַשָּׁמַיִם (le’of hashamayim), ‘voor de vogels van de hemel’: onbegraven lijken zijn voedsel voor dieren. Zie ook Deut. 28:26.
5Want zo zegt Yahweh: Ga geen rouwhuis binnen. Ga niet heen om te rouwen en toon hun geen medeleven. Want Ik heb Mijn vrede van dit volk weggenomen, godsspraak van Yahweh, de trouw en de ontferming.
כִּֽי
(ki)
want
כֹ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אַל
(al)
niet
תָּבוֹא֙
(tavo)
ga binnen
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
מַרְזֵ֔חַ
(marzeach)
rouwmaal
וְאַל
(veal)
en niet
תֵּלֵ֣ךְ
(telekh)
ga heen
לִסְפּ֔וֹד
(lispod)
om te rouwen
וְאַל
(veal)
en niet
תָּנֹ֖ד
(tanod)
toon medeleven
לָהֶ֑ם
(lahem)
met hen
כִּֽי
(ki)
want
אָסַ֨פְתִּי
(asafti)
Ik heb weggenomen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁלוֹמִ֜י
(shelomi)
Mijn vrede
מֵאֵ֨ת
(meet)
van
הָעָ֤ם
(haam)
het volk
הַזֶּה֙
(haze)
dit
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֶ֖סֶד
(hachesed)
de trouw
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָֽרַחֲמִֽים
(harachamim)
de ontferming
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vers 2–18 zijn één toespraak van Yahweh aan Jeremia.
De formule ‘Want zo zegt Yahweh’ in vers 3, 5 en 9 staat daarbinnen en is daarom rood.
בֵּית מַרְזֵחַ (beit marzeach), ‘rouwhuis’ of ‘rouwmaal’: een bijeenkomst met eten en drinken. Hier is het een bijeenkomst bij een overlijden. Het woord staat ook in Amos 6:7, daar als ‘feestgelag’.
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. De formule staat midden in Zijn woorden en is daarom rood.
שְׁלוֹמִי (shelomi), ‘Mijn vrede’, הַחֶסֶד (hachesed), ‘de trouw’, en הָרַחֲמִים (harachamim), ‘de ontferming’: drie vormen van het goede dat Yahweh aan Zijn volk gaf. Hij neemt ze nu weg.
6Groten en kleinen zullen in dit land sterven. Zij worden niet begraven en niemand beweent hen. Niemand zal zich voor hen sneden toebrengen of zich kaalscheren.
וּמֵ֨תוּ
(umetu)
en zullen sterven
גְדֹלִ֧ים
(gedolim)
groten
וּקְטַנִּ֛ים
(uqetanim)
en kleinen
בָּאָ֥רֶץ
(baarets)
in het land
הַזֹּ֖את
(hazot)
dit
לֹ֣א
(lo)
niet
יִקָּבֵ֑רוּ
(yiqaveru)
zullen zij begraven worden
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִסְפְּד֣וּ
(yispedu)
zal men beweent
לָהֶ֔ם
(lahem)
hen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִתְגֹּדַ֔ד
(yitgodad)
zal zich sneden toebrengen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִקָּרֵ֖חַ
(yiqareach)
zal zich kaalscheren
לָהֶֽם
(lahem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִתְגֹּדַד (yitgodad), ‘zich sneden toebrengen’, en יִקָּרֵחַ (yiqqareach), ‘zich kaalscheren’: gebruiken bij rouw.
7Niemand breekt brood voor hen in hun rouw, om iemand te troosten over een dode. Niemand geeft hun de beker van de troost te drinken, om zijn vader en om zijn moeder.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִפְרְס֥וּ
(yifresu)
zal men breken
לָהֶ֛ם
(lahem)
voor hen
עַל
(al)
in
אֵ֖בֶל
(evel)
rouw
לְנַחֲמ֣וֹ
(lenachamo)
om te troosten
עַל
(al)
over
מֵ֑ת
(met)
een dode
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יַשְׁק֤וּ
(yashqu)
zal men te drinken geven
אוֹתָם֙
(otam)
hen
כּ֣וֹס
(kos)
beker van
תַּנְחוּמִ֔ים
(tanchumim)
troost
עַל
(al)
om
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
וְעַל
(veal)
en om
אִמּֽוֹ
(imo)
zijn moeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִפְרְסוּ (yifresu), ‘zij breken’: het woord ‘brood’ staat er niet.
Bedoeld is het breken van brood voor wie rouwt, zoals in Jes. 58:7.
Wij vullen ‘brood’ aan.
Het Hebreeuws wisselt tussen meervoud (‘voor hen’) en enkelvoud (‘om hem te troosten’, ‘zijn vader’). Bedoeld is ieder die rouwt.
כּוֹס תַּנְחוּמִים (kos tanchumim), ‘beker van de troost’: wijn die men aan rouwenden gaf.
9Want zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Zie, Ik laat voor jullie ogen en in jullie dagen op deze plaats het geluid van vreugde en het geluid van blijdschap ophouden, het geluid van de bruidegom en het geluid van de bruid.
כִּי֩
(ki)
want
כֹ֨ה
(ko)
zo
אָמַ֜ר
(amar)
zegt
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
מַשְׁבִּ֜ית
(mashbit)
laat ophouden
מִן
(min)
van
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֛ה
(haze)
deze
לְעֵינֵיכֶ֖ם
(leeineikhem)
voor jullie ogen
וּבִֽימֵיכֶ֑ם
(uvimeikhem)
en in jullie dagen
ק֤וֹל
(qol)
geluid van
שָׂשׂוֹן֙
(sason)
vreugde
וְק֣וֹל
(veqol)
en geluid van
שִׂמְחָ֔ה
(simcha)
blijdschap
ק֥וֹל
(qol)
geluid van
חָתָ֖ן
(chatan)
bruidegom
וְק֥וֹל
(veqol)
en geluid van
כַּלָּֽה
(kala)
bruid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19.
קוֹל שָׂשׂוֹן וְקוֹל שִׂמְחָה קוֹל חָתָן וְקוֹל כַּלָּה (qol sason veqol simchah qol chatan veqol kallah), ‘het geluid van vreugde en het geluid van blijdschap, het geluid van de bruidegom en het geluid van de bruid’: een vaste uitdrukking. Ze komt ook voor in Jer. 7:34, 25:10 en 33:11.
10Wanneer je dit volk al deze woorden vertelt, zullen zij tegen je zeggen: ‘Waarom heeft Yahweh al dit grote onheil over ons gesproken? Wat is onze schuld, en wat is onze zonde die wij tegen Yahweh, onze Elohim, hebben begaan?’
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּ֤י
(ki)
wanneer
תַגִּיד֙
(tagid)
je vertelt
לָעָ֣ם
(laam)
aan het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וְאָמְר֣וּ
(veameru)
en zij zullen zeggen
אֵלֶ֗יךָ
(eleikha)
tegen je
עַל
(al)
om
מֶה֩
(me)
wat
דִבֶּ֨ר
(diber)
heeft gesproken
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
עָלֵ֨ינוּ֙
(aleinu)
over ons
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָרָעָ֤ה
(haraa)
het onheil
הַגְּדוֹלָה֙
(hagedola)
het grote
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
וּמֶ֤ה
(ume)
en wat is
עֲוֺנֵ֨נוּ֙
(avonenu)
onze schuld
וּמֶ֣ה
(ume)
en wat is
חַטָּאתֵ֔נוּ
(chatatenu)
onze zonde
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
חָטָ֖אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
לַֽיהוָ֥ה
(laYahweh)
tegen Yahweh
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲוֺנֵנוּ (avonenu), ‘onze schuld’, en חַטָּאתֵנוּ (chatta’tenu), ‘onze zonde’: het volk vraagt waarom dit alles hun overkomt.
11Dan zeg je tegen hen: ‘Omdat jullie vaders Mij hebben verlaten, godsspraak van Yahweh. Zij zijn achter andere goden aan gegaan, hebben hen gediend en zich voor hen neergebogen. Mij hebben zij verlaten, en Mijn wet hebben zij niet bewaard.
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tegen hen
עַל֩
(al)
omdat
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָזְב֨וּ
(azevu)
hebben verlaten
אֲבוֹתֵיכֶ֤ם
(avoteikhem)
jullie vaders
אוֹתִי֙
(oti)
Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֵּלְכ֗וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
אַֽחֲרֵי֙
(acharei)
achter
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
וַיַּעַבְד֖וּם
(vayaavdum)
en dienden hen
וַיִּשְׁתַּחֲו֣וּ
(vayishtachavu)
en bogen zich neer
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor hen
וְאֹתִ֣י
(veoti)
en Mij
עָזָ֔בוּ
(azavu)
hebben zij verlaten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תּוֹרָתִ֖י
(torati)
Mijn wet
לֹ֥א
(lo)
niet
שָׁמָֽרוּ
(shamaru)
hebben zij bewaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Jullie hebben het nog erger gedaan dan jullie vaders. Zie, ieder van jullie loopt achter de hardnekkigheid van zijn boze hart aan, zodat jullie niet naar Mij luisteren.
וְאַתֶּ֛ם
(veatem)
en jullie
הֲרֵעֹתֶ֥ם
(hareotem)
hebben het kwaad vergroot
לַעֲשׂ֖וֹת
(laasot)
in het doen
מֵאֲבֽוֹתֵיכֶ֑ם
(meavoteikhem)
meer dan jullie vaders
וְהִנְּכֶ֣ם
(vehinekhem)
en zie jullie
הֹלְכִ֗ים
(holekhim)
lopend
אִ֚ישׁ
(ish)
ieder
אַֽחֲרֵי֙
(acharei)
achter
שְׁרִר֣וּת
(sherirut)
de hardnekkigheid van
לִבּֽוֹ
(libo)
zijn hart
הָרָ֔ע
(hara)
het boze
לְבִלְתִּ֖י
(levilti)
zodat niet
שְׁמֹ֥עַ
(shemoa)
luisteren
אֵלָֽי
(elay)
naar Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Daarom zal Ik jullie uit dit land slingeren, naar een land dat jullie niet kennen, jullie niet en jullie vaders niet. Daar zullen jullie dag en nacht andere goden dienen, want Ik zal jullie geen gunst geven.’
וְהֵטַלְתִּ֣י
(vehetalti)
en Ik zal slingeren
אֶתְכֶ֗ם
(etkhem)
jullie
מֵעַל֙
(meal)
van op
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
עַל
(al)
naar
הָאָ֕רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
לֹ֣א
(lo)
niet
יְדַעְתֶּ֔ם
(yedatem)
jullie kennen
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
וַאֲבֽוֹתֵיכֶ֑ם
(vaavoteikhem)
en jullie vaders
וַעֲבַדְתֶּם
(vaavadtem)
en jullie zullen dienen
שָׁ֞ם
(sham)
daar
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהִ֤ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִים֙
(acherim)
andere
יוֹמָ֣ם
(yomam)
overdag
וָלַ֔יְלָה
(valayla)
en 's nachts
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
want
לֹֽא
(lo)
niet
אֶתֵּ֥ן
(eten)
Ik zal geven
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
חֲנִינָֽה
(chanina)
gunst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְהֵטַלְתִּי (vehetalti), ‘en Ik zal slingeren’: zoals men een voorwerp wegwerpt, bijvoorbeeld een speer (1 Sam. 18:11).
חֲנִינָה (chaninah), ‘gunst’: dit woord komt maar hier voor. Het is verwant met חֵן (chen), ‘gunst’.
14Daarom, zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh. Dan zal men niet meer zeggen: ‘Zo waar Yahweh leeft, die de zonen van Israël uit het land Egypte heeft laten optrekken.’
לָכֵ֛ן
(lakhen)
daarom
הִנֵּֽה
(hine)
zie
יָמִ֥ים
(yamim)
dagen
בָּאִ֖ים
(baim)
komend
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יֵאָמֵ֥ר
(yeamer)
zal men zeggen
עוֹד֙
(od)
nog
חַי
(chay)
zo waar leeft
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
הֶעֱלָ֛ה
(heela)
heeft laten optrekken
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
חַי־יְהוָה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een vaste eedformule.
Het begin van vers 14–15 staat ook in Jer. 23:7–8.
De bevrijding uit Egypte was voor Israël de grootste daad van Yahweh. Een nieuwe terugkeer zal die in de eed vervangen.
15Maar men zal zeggen: ‘Zo waar Yahweh leeft, die de zonen van Israël heeft laten optrekken uit het land in het noorden en uit alle landen waarheen Hij hen verdreven had.’ Want Ik zal hen terugbrengen naar hun grond, die Ik aan hun vaders heb gegeven.
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
indien
חַי
(chay)
zo waar leeft
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הֶעֱלָ֜ה
(heela)
heeft laten optrekken
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֤י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
צָפ֔וֹן
(tsafon)
het noorden
וּמִכֹּל֙
(umikol)
en uit alle
הָֽאֲרָצ֔וֹת
(haaratsot)
de landen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarheen
הִדִּיחָ֖ם
(hidicham)
Hij had hen verdreven
שָׁ֑מָּה
(shama)
daarheen
וַהֲשִֽׁבֹתִים֙
(vahashivotim)
en Ik zal hen terugbrengen
עַל
(al)
naar
אַדְמָתָ֔ם
(admatam)
hun grond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָתַ֖תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
לַאֲבוֹתָֽם
(laavotam)
aan hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶרֶץ צָפוֹן (erets tsafon), ‘het land in het noorden’: het gebied waar de ballingen heen werden gebracht.
In Jeremia komen de vijanden uit het noorden.
Vers 13 zegt: ‘een land dat jullie niet kennen’.
הִדִּיחָם (hiddichem), ‘Hij had hen verdreven’: het werkwoord נָדַח (nadach) betekent ‘verjagen, wegdrijven’.
16Zie, Ik zend vele vissers, godsspraak van Yahweh, en zij zullen hen vangen. Daarna zend Ik vele jagers, en zij zullen hen opjagen van elke berg en van elke heuvel en uit de spleten van de rotsen.
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
שֹׁלֵ֜חַ
(sholeach)
zendend
לְדַיָּגִ֥ים
(ledayagim)
naar vissers
רַבִּ֛ים
(rabim)
vele
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְדִיג֑וּם
(vedigum)
en zij zullen hen vangen
וְאַֽחֲרֵי
(veacharei)
en daarna
כֵ֗ן
(ken)
zo
אֶשְׁלַח֙
(eshlach)
Ik zal zenden
לְרַבִּ֣ים
(lerabim)
naar jagers
צַיָּדִ֔ים
(tsayadim)
vele
וְצָד֞וּם
(vetsadum)
en zij zullen hen opjagen
מֵעַ֤ל
(meal)
van
כָּל
(kal)
elke
הַר֙
(har)
berg
וּמֵעַ֣ל
(umeal)
en van
כָּל
(kal)
elke
גִּבְעָ֔ה
(giva)
heuvel
וּמִנְּקִיקֵ֖י
(umineqiqei)
en uit de spleten van
הַסְּלָעִֽים
(haselaim)
de rotsen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דַּיָּגִים (dayyagim), ‘vissers’, en צַיָּדִים (tsayyadim), ‘jagers’: beelden voor mensen die het volk opsporen en vangen.
18Eerst zal Ik hun schuld en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land hebben ontheiligd. Met het lijk van hun gruwelbeelden en met hun afschuwelijke dingen hebben zij Mijn erfdeel gevuld.”
וְשִׁלַּמְתִּ֣י
(veshilamti)
en Ik zal vergelden
רִֽאשׁוֹנָ֗ה
(rishona)
eerst
מִשְׁנֵ֤ה
(mishne)
het dubbele van
עֲוֺנָם֙
(avonam)
hun schuld
וְחַטָּאתָ֔ם
(vechatatam)
en hun zonde
עַ֖ל
(al)
omdat
חַלְּלָ֣ם
(chalelam)
zij ontheiligen
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצִ֑י
(artsi)
Mijn land
בְּנִבְלַ֤ת
(benivlat)
met het lijk van
שִׁקּֽוּצֵיהֶם֙
(shiqutseihem)
hun gruwelbeelden
וְתוֹעֲב֣וֹתֵיהֶ֔ם
(vetoavoteihem)
en hun afschuwelijke dingen
מָלְא֖וּ
(maleu)
hebben zij gevuld
אֶת
(et)
(obj.)
נַחֲלָתִֽי
(nachalati)
Mijn erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
שִׁקּוּצֵיהֶם (shiqqutseihem), ‘gruwelbeelden’, en תּוֹעֲבוֹת (to’evot), ‘afschuwelijke dingen’: twee woorden voor afgoden en wat bij hun dienst hoort.
נִבְלַת (nivlat), ‘lijk’: het beeld van een levenloos dier. De afgoden zijn dood. Zij hebben het land onrein gemaakt.
19Yahweh, mijn kracht en mijn sterkte en mijn schuilplaats op de dag van nood! Tot U zullen volken komen van de einden van de aarde. Zij zullen zeggen: ‘Onze vaders hebben niets geërfd dan leugen, damp, en niets daarin dat nut heeft.’
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
עֻזִּ֧י
(uzi)
mijn kracht
וּמָעֻזִּ֛י
(umauzi)
en mijn sterkte
וּמְנוּסִ֖י
(umenusi)
en mijn schuilplaats
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
צָרָ֑ה
(tsara)
nood
אֵלֶ֗יךָ
(eleikha)
tot U
גּוֹיִ֤ם
(goyim)
volken
יָבֹ֨אוּ֙
(yavou)
zullen komen
מֵֽאַפְסֵי
(meafsei)
van de einden van
אָ֔רֶץ
(arets)
de aarde
וְיֹאמְר֗וּ
(veyomru)
en zij zullen zeggen
אַךְ
(akh)
alleen
שֶׁ֨קֶר֙
(sheqer)
leugen
נָחֲל֣וּ
(nachalu)
hebben geërfd
אֲבוֹתֵ֔ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
הֶ֖בֶל
(hevel)
damp
וְאֵֽין
(veein)
en niet is
בָּ֥ם
(bam)
in hen
מוֹעִֽיל
(moil)
nut
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier spreekt Jeremia tot Yahweh.
Deze verzen staan zwart.
עֻזִּי (uzzi), ‘mijn kracht’, מָעֻזִּי (ma’uzzi), ‘mijn sterkte’, en מָנוֹסִי (manosi), ‘mijn schuilplaats’: drie woorden voor veiligheid bij Yahweh.
הֶבֶל (hevel), ‘damp’: hetzelfde woord als in Pred. 1:2. De afgoden zijn niets dan damp.