Elohim Bijbel

Hosea 12

1234567891011121314

Jakob, de profeet en Efraïms bedrog

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Efraïm omringt Mij met leugen

1„Efraïm omringt Mij met leugen, en het huis van Israël met bedrog.” Maar Juda zwerft nog met El en met de heiligen; hij is getrouw.
סְבָבֻ֤נִי
(sevavuni)
hij omringt Mij
בְכַ֨חַשׁ֙
(bekhachash)
met leugen
אֶפְרַ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
וּבְמִרְמָ֖ה
(uvemirma)
en met bedrog
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וִֽיהוּדָ֗ה
(vihuda)
en Juda
עֹ֥ד
(od)
nog
רָד֙
(rad)
zwerft
עִם
(im)
met
אֵ֔ל
(el)
El
וְעִם
(veim)
en met
קְדוֹשִׁ֖ים
(qedoshim)
heiligen
נֶאֱמָֽן
(neeman)
getrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de Hebreeuwse telling begint hoofdstuk 12 met wat in Nederlandse bijbels Hos. 11:12 is.

Hebr. 12:2–15 is NL 12:1–14.

רָד (rad), ‘zwerft’: het werkwoord kan ook ‘heersen’ betekenen of ‘ongebonden zijn’. De betekenis is onzeker.

קְדוֹשִׁים (qedoshim), ‘heiligen’: een meervoud. Het kan ook een meervoud van majesteit zijn voor ‘de Heilige’.

נֶאֱמָן (ne’eman), ‘getrouw’: het hoort bij Juda of bij de Heilige.

2Efraïm weidt wind en jaagt de oostenwind na. De hele dag vermeerdert hij leugen en verwoesting. Zij sluiten een verbond met Assyrië, en olie wordt naar Egypte gebracht.
אֶפְרַ֜יִם
(efrayim)
Efraïm
רֹעֶ֥ה
(roe)
weidt
ר֨וּחַ֙
(ruach)
wind
וְרֹדֵ֣ף
(verodef)
en jaagt na
קָדִ֔ים
(qadim)
oostenwind
כָּל
(kal)
heel
הַיּ֕וֹם
(hayom)
de dag
כָּזָ֥ב
(kazav)
leugen
וָשֹׁ֖ד
(vashod)
en verwoesting
יַרְבֶּ֑ה
(yarbe)
hij vermeerdert
וּבְרִית֙
(uverit)
en verbond
עִם
(im)
met
אַשּׁ֣וּר
(ashur)
Assyrië
יִכְרֹ֔תוּ
(yikhrotu)
zij sluiten
וְשֶׁ֖מֶן
(veshemen)
en olie
לְמִצְרַ֥יִם
(lemitsrayim)
naar Egypte
יוּבָֽל
(yuval)
wordt gebracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

קָדִים (qadim), ‘oostenwind’: een hete, droge wind uit de woestijn.

‘Wind weiden’ is een beeld voor nutteloos werk.

Zij zoeken steun bij Assyrië en Egypte; zie ook 2 Kon. 17:3–4.

3Yahweh heeft een rechtszaak met Juda. Hij zal Jakob straffen naar zijn wegen en hem vergelden naar zijn daden.
וְרִ֥יב
(veriv)
en een rechtszaak
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
עִם
(im)
met
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וְלִפְקֹ֤ד
(velifqod)
en om te straffen
עַֽל
(al)
over
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
כִּדְרָכָ֔יו
(kidrakhav)
naar zijn wegen
כְּמַעֲלָלָ֖יו
(kemaalalav)
naar zijn daden
יָשִׁ֥יב
(yashiv)
Hij zal vergelden
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רִיב (riv), ‘rechtszaak’: Yahweh treedt op als aanklager.

פָּקַד (paqad), ‘straffen’: letterlijk ‘bezoeken’.

‘Jakob’ staat hier voor het volk.

Jakob in de buik en bij Betel

4In de buik greep hij zijn broer bij de hiel, en in zijn kracht streed hij met Elohim.
בַּבֶּ֖טֶן
(babeten)
in de buik
עָקַ֣ב
(aqav)
hij greep bij de hiel
אֶת
(et)
(obj.)
אָחִ֑יו
(achiv)
zijn broer
וּבְאוֹנ֖וֹ
(uveono)
en in zijn kracht
שָׂרָ֥ה
(sara)
hij streed
אֶת
(et)
met
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָקַב (aqav), ‘bij de hiel grijpen’: het woord klinkt als de naam Jakob (Ya’aqov) en kan ook ‘bedriegen’ betekenen.

Zie ook Gen. 25:26; 27:36.

אוֹן (on), ‘kracht’: de volle kracht van een man.

שָׂרָה (sarah), ‘streed’: het woord klinkt als de naam Israël. Zie ook Gen. 32:25–31.

5Hij streed met de engel en overwon. Hij huilde en smeekte hem om gunst. In Betel vond Hij hem, en daar sprak Hij met ons.
וָיָּ֤שַׂר
(vayasar)
en hij streed
אֶל
(el)
met
מַלְאָךְ֙
(malakh)
engel
וַיֻּכָ֔ל
(vayukhal)
en hij overwon
בָּכָ֖ה
(bakha)
hij huilde
וַיִּתְחַנֶּן
(vayitchanen)
en hij smeekte om gunst
ל֑וֹ
(lo)
hem
בֵּֽית
(beit)
Bet
אֵל֙
(el)
El
יִמְצָאֶ֔נּוּ
(yimtsaenu)
Hij vond hem
וְשָׁ֖ם
(vesham)
en daar
יְדַבֵּ֥ר
(yedaber)
Hij sprak
עִמָּֽנוּ
(imanu)
met ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

In Genesis staat dat ‘een man’ met Jakob worstelde (Gen. 32:25–31).

Hier heet hij ‘engel’, en in vers 4 ‘Elohim’.

בֵּית אֵל (Bet-El), ‘Betel’: zie ook Gen. 28:10–22; 35:1–15.

Lezing

Het Hebreeuws heeft ‘met ons’ (immanu): de profeet en zijn hoorders horen erbij.

Sommige oude vertalingen lezen ‘met hem’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

6Yahweh, Elohim van de legermachten: Yahweh is Zijn gedachtenis.
וַֽיהוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim
הַצְּבָא֑וֹת
(hatsevaot)
van de legermachten
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
זִכְרֽוֹ
(zikhro)
Zijn gedachtenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוָה אֱלֹהֵי הַצְּבָאוֹת (Yahweh Elohe hatsevaot), ‘Yahweh, Elohim van de legermachten’: wij schrijven ‘Elohim van de legermachten’ en laten Tsevaot staan.

זִכְרוֹ (zikro), ‘Zijn gedachtenis’: de naam waarmee Hij herinnerd wordt. Zie ook Exod. 3:15.

7Jij dan, keer terug tot je Elohim. Bewaar trouw en recht, en wacht voortdurend op je Elohim.
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
בֵּאלֹהֶ֣יךָ
(beloheikha)
tot je Elohim
תָשׁ֑וּב
(tashuv)
keer terug
חֶ֤סֶד
(chesed)
trouw
וּמִשְׁפָּט֙
(umishpat)
en recht
שְׁמֹ֔ר
(shemor)
bewaar
וְקַוֵּ֥ה
(veqave)
en wacht
אֶל
(el)
op
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
תָּמִֽיד
(tamid)
voortdurend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּאלֹהֶיךָ (be’Elohecha), letterlijk ‘in je Elohim’: dat kan ‘tot je Elohim’ of ‘met de hulp van je Elohim’ betekenen.

קַוֵּה (qavveh), ‘wacht’: verwachtend uitzien naar Hem.

Efraïm de koopman

8Kanaän: in zijn hand zijn weegschalen van bedrog; hij houdt ervan te onderdrukken.
כְּנַ֗עַן
(kenaan)
Kanaän
בְּיָד֛וֹ
(beyado)
in zijn hand
מֹאזְנֵ֥י
(moznei)
weegschalen van
מִרְמָ֖ה
(mirma)
bedrog
לַעֲשֹׁ֥ק
(laashoq)
om te onderdrukken
אָהֵֽב
(ahev)
hij heeft lief
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּנַעַן (Kena’an), ‘Kanaän’: het woord kan ook ‘handelaar’ betekenen (vergelijk Spr. 31:24).

Dan is Efraïm de handelaar.

מֹאזְנֵי מִרְמָה (moznei mirmah), ‘weegschalen van bedrog’: zie ook Spr. 11:1.

9Efraïm zei: „Zeker, ik ben rijk geworden. Ik heb mijzelf vermogen verworven. Men zal bij al mijn inspanningen geen ongerechtigheid bij mij vinden die zonde is.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶפְרַ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
אַ֣ךְ
(akh)
zeker
עָשַׁ֔רְתִּי
(asharti)
ik ben rijk geworden
מָצָ֥אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
א֖וֹן
(on)
vermogen
לִ֑י
(li)
voor mij
כָּל
(kal)
al
יְגִיעַ֕י
(yegiay)
mijn inspanningen
לֹ֥א
(lo)
niet
יִמְצְאוּ
(yimtseu)
zullen zij vinden
לִ֖י
(li)
bij mij
עָוֺ֥ן
(avon)
ongerechtigheid
אֲשֶׁר
(asher)
die
חֵֽטְא
(chete)
zonde is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אוֹן (on), ‘vermogen’: rijkdom of kracht.

Het klinkt als אָוֶן (aven), ‘onheil’.

Yahweh sinds Egypte

10„Maar Ik ben Yahweh, je Elohim, van het land Egypte af. Opnieuw zal Ik je in tenten laten wonen, zoals in de dagen van de samenkomst.
וְאָנֹכִ֛י
(veanokhi)
en Ik
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
van het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte af
עֹ֛ד
(od)
opnieuw
אוֹשִֽׁיבְךָ֥
(oshivekha)
Ik zal je laten wonen
בָאֳהָלִ֖ים
(baohalim)
in tenten
כִּימֵ֥י
(kimei)
zoals de dagen van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

מוֹעֵד (mo’ed), ‘samenkomst’: het woord betekent ook ‘vaste tijd, feest’.

Mogelijk gaat het om de tijd in de woestijn of om het Loofhuttenfeest.

Zie ook Lev. 23:42–43.

11Ik heb tot de profeten gesproken. Ik zelf heb de visioenen vermenigvuldigd, en door de hand van de profeten gebruik Ik gelijkenissen.”
וְדִבַּ֨רְתִּי֙
(vedibarti)
en Ik sprak
עַל
(al)
tot
הַנְּבִיאִ֔ים
(haneviim)
de profeten
וְאָנֹכִ֖י
(veanokhi)
en Ik zelf
חָז֣וֹן
(chazon)
visioen
הִרְבֵּ֑יתִי
(hirbeiti)
Ik heb vermenigvuldigd
וּבְיַ֥ד
(uveyad)
en door de hand van
הַנְּבִיאִ֖ים
(haneviim)
de profeten
אֲדַמֶּֽה
(adame)
Ik gebruik gelijkenissen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדַמֶּה (adammeh), ‘Ik gebruik gelijkenissen’: van het werkwoord ‘gelijken, vergelijken’.

Gilead en Gilgal

12Als Gilead onheil is, dan zijn zij zeker leegte geworden. In Gilgal offerden zij stieren. Ook hun altaren zijn als steenhopen op de voren van het veld.
אִם
(im)
als
גִּלְעָ֥ד
(gilad)
Gilead
אָ֨וֶן֙
(aven)
onheil
אַךְ
(akh)
zeker
שָׁ֣וְא
(shave)
leegte
הָי֔וּ
(hayu)
zij zijn geworden
בַּגִּלְגָּ֖ל
(bagilgal)
in Gilgal
שְׁוָרִ֣ים
(shevarim)
stieren
זִבֵּ֑חוּ
(zibechu)
zij offerden
גַּ֤ם
(gam)
ook
מִזְבְּחוֹתָם֙
(mizbechotam)
hun altaren
כְּגַלִּ֔ים
(kegalim)
als steenhopen
עַ֖ל
(al)
op
תַּלְמֵ֥י
(talmei)
voren van
שָׂדָֽי
(saday)
het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Zie Gilgal (bij Jericho?; ligging onzeker): Het is niet zeker welk Gilgal hier bedoeld is.

Een mogelijkheid is het Gilgal bij Jericho (Jozua 4:19).

Dit is niet zeker.

Zie Gilgal (bij Betel?; ligging onzeker): Een andere mogelijkheid is een Gilgal in het bergland bij Betel, vermoedelijk bij het huidige Jiljilya.

Dit is niet zeker.

Uitleg

אָוֶן (aven), ‘onheil’, en שָׁוְא (shav), ‘leegte’.

גַּלִּים (gallim), ‘steenhopen’: stenen die van het land zijn verzameld. Het klinkt als Gilgal.

Jakob en de profeet

13Jakob vluchtte naar het veld van Aram. Israël diende voor een vrouw, en voor een vrouw bewaakte hij.
וַיִּבְרַ֥ח
(vayivrach)
en hij vluchtte
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
שְׂדֵ֣ה
(sede)
veld van
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
וַיַּעֲבֹ֤ד
(vayaavod)
en diende
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
בְּאִשָּׁ֔ה
(beisha)
voor een vrouw
וּבְאִשָּׁ֖ה
(uveisha)
en voor een vrouw
שָׁמָֽר
(shamar)
hij bewaakte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

שְׂדֵה אֲרָם (sede Aram), ‘veld van Aram’: Paddan-Aram (Gen. 28:5).

שָׁמָר (shamar), ‘bewaakte’: er staat niet wat; het gaat om de kudde (Gen. 29:20; 30:31).

14Door een profeet liet Yahweh Israël uit Egypte optrekken, en door een profeet werd het bewaakt.
וּבְנָבִ֕יא
(uvenavi)
en door een profeet
הֶעֱלָ֧ה
(heela)
liet optrekken
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מִמִּצְרָ֑יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וּבְנָבִ֖יא
(uvenavi)
en door een profeet
נִשְׁמָֽר
(nishmar)
werd bewaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Waarschijnlijk is de profeet Mozes.

Zie ook Deut. 18:15; 34:10.

נִשְׁמָר (nishmar), ‘werd bewaakt’: hetzelfde werkwoord als in vers 13.

15Efraïm heeft bitter getart. Zijn bloedschuld laat Hij op hem; zijn smaad geeft zijn Heer hem terug.
הִכְעִ֥יס
(hikhis)
hij tartte
אֶפְרַ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
תַּמְרוּרִ֑ים
(tamrurim)
bitter
וְדָמָיו֙
(vedamav)
en zijn bloedschuld
עָלָ֣יו
(alav)
op hem
יִטּ֔וֹשׁ
(yitosh)
Hij laat
וְחֶ֨רְפָּת֔וֹ
(vecherpato)
en zijn smaad
יָשִׁ֥יב
(yashiv)
geeft terug
ל֖וֹ
(lo)
hem
אֲדֹנָֽיו
(adonav)
zijn Heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּמְרוּרִים (tamrurim), ‘bitter’: ook ‘bitterheid’.

דָּמָיו (damav), ‘zijn bloedschuld’: letterlijk ‘zijn bloeden’, het bloed dat hij vergoten heeft.

אֲדֹנָיו (adonav), ‘zijn Heer’: een meervoudsvorm van majesteit; hier Yahweh.