Elohim Bijbel

Exodus 15

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

Het lied van Mozes en Mara en Elim

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het lied van Mozes

1Toen zongen Mozes en de zonen van Israël dit lied voor Yahweh. Zij zeiden: „Ik wil zingen voor Yahweh, want hoog is Hij verheven. Paard en ruiter heeft Hij in de zee geworpen.
אָ֣ז
(az)
toen
יָשִֽׁיר
(yashir)
zong
מֹשֶׁה֩
(moshe)
Mozes
וּבְנֵ֨י
(uvenei)
en de zonen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
הַשִּׁירָ֤ה
(hashira)
het lied
הַזֹּאת֙
(hazot)
dit
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zeiden
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
אָשִׁ֤ירָה
(ashira)
ik wil zingen
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
כִּֽי
(ki)
want
גָאֹ֣ה
(gao)
hoog verheven is Hij
גָּאָ֔ה
(gaa)
hoog verheven
ס֥וּס
(sus)
paard
וְרֹכְב֖וֹ
(verokhevo)
en zijn ruiter
רָמָ֥ה
(rama)
wierp Hij
בַיָּֽם
(bayam)
in de zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het lied van Mozes (verzen 1–18) is een van de oudste dichtstukken in de Bijbel.

Het bestaat uit vier delen: lofprijs (1–3), de nederlaag van Egypte (4–10), de lofprijs van Yahweh’s unieke macht (11–13) en de intocht in het land (14–18).

Het wordt in Openb. 15:3 opnieuw genoemd als ‘het lied van Mozes, de dienaar van Elohim’.

2Mijn kracht en mijn lied is Jah, Hij is mij tot redding geworden. Dit is mijn El, Hem zal ik prijzen, Elohim van mijn vader, Hem zal ik verheffen.
עָזִּ֤י
(azi)
mijn kracht
וְזִמְרָת֙
(vezimrat)
en mijn lied
יָ֔הּ
(yah)
Jah
וַֽיְהִי
(vayhi)
en Hij werd
לִ֖י
(li)
voor mij
לִֽישׁוּעָ֑ה
(lishua)
tot redding
זֶ֤ה
(ze)
deze
אֵלִי֙
(eli)
mijn El
וְאַנְוֵ֔הוּ
(veanvehu)
en ik zal Hem prijzen
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
אָבִ֖י
(avi)
mijn vader
וַאֲרֹמְמֶֽנְהוּ
(vaaromemenhu)
en ik zal Hem verheffen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָהּ (Jah) is een korte vorm van de naam Yahweh; zie ook Ps. 68:5; 118:14; Jes. 12:2.

Vers 2a (‘Mijn kracht en mijn lied is Jah’) komt letterlijk voor in Ps. 118:14 en Jes. 12:2.

3Yahweh is een krijgsman, Yahweh is Zijn naam.
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
מִלְחָמָ֑ה
(milchama)
oorlog
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
שְׁמֽוֹ
(shemo)
Zijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Yahweh is een krijgsman’ (אִישׁ מִלְחָמָה, ish milchamah): Yahweh strijdt voor Zijn volk (14:14, 25).

4De wagens van de farao en zijn leger heeft Hij in de zee geworpen; de keur van zijn aanvoerders is verzonken in de Rietzee.
מַרְכְּבֹ֥ת
(markevot)
de wagens van
פַּרְעֹ֛ה
(paro)
de farao
וְחֵיל֖וֹ
(vecheilo)
en zijn leger
יָרָ֣ה
(yara)
wierp Hij
בַיָּ֑ם
(bayam)
in de zee
וּמִבְחַ֥ר
(umivchar)
en de keur van
שָֽׁלִשָׁ֖יו
(shalishav)
zijn aanvoerders
טֻבְּע֥וּ
(tubeu)
zijn verzonken
בְיַם
(beyam)
in de zee
סֽוּף
(suf)
van Riet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez.

De precieze plaats van de doortocht is niet zeker.

5De waterdiepten bedekten hen, zij daalden af in de diepten als een steen.
תְּהֹמֹ֖ת
(tehomot)
waterdiepten
יְכַסְיֻ֑מוּ
(yekhasyumu)
bedekten hen
יָרְד֥וּ
(yaredu)
zijn neergedaald
בִמְצוֹלֹ֖ת
(bimtsolot)
in de diepten
כְּמוֹ
(kemo)
als
אָֽבֶן
(aven)
een steen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Uw rechterhand, Yahweh, is majestueus in kracht; Uw rechterhand, Yahweh, verbrijzelt de vijand.
יְמִֽינְךָ֣
(yeminekha)
Uw rechterhand
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
נֶאְדָּרִ֖י
(nedari)
majestueus
בַּכֹּ֑חַ
(bakoach)
in kracht
יְמִֽינְךָ֥
(yeminekha)
Uw rechterhand
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
תִּרְעַ֥ץ
(tirats)
verbrijzelt
אוֹיֵֽב
(oyev)
de vijand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7In de grootheid van Uw hoogheid breekt U Uw tegenstanders neer; U zendt Uw gloeiende toorn uit, die hen verteert als stoppels.
וּבְרֹ֥ב
(uverov)
en in de grootheid van
גְּאוֹנְךָ֖
(geonekha)
Uw hoogheid
תַּהֲרֹ֣ס
(taharos)
breekt U neer
קָמֶ֑יךָ
(qameikha)
Uw tegenstanders
תְּשַׁלַּח֙
(teshalach)
U zendt
חֲרֹ֣נְךָ֔
(charonekha)
Uw gloed
יֹאכְלֵ֖מוֹ
(yokhlemo)
die verteert hen
כַּקַּֽשׁ
(kaqash)
als stoppel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Door de adem van Uw neus hoopten de wateren zich op, de stromen stonden als een dam, de waterdiepten stolden in het hart van de zee.
וּבְר֤וּחַ
(uveruach)
en door de adem van
אַפֶּ֨יךָ֙
(apeikha)
Uw neus
נֶ֣עֶרְמוּ
(neermu)
hoopten zich op
מַ֔יִם
(mayim)
wateren
נִצְּב֥וּ
(nitsevu)
stonden
כְמוֹ
(kemo)
als
נֵ֖ד
(ned)
een dam
נֹזְלִ֑ים
(nozelim)
stromen
קָֽפְא֥וּ
(qafeu)
stolden
תְהֹמֹ֖ת
(tehomot)
waterdiepten
בְּלֶב
(belev)
in het hart van
יָֽם
(yam)
de zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De adem van Uw neus’ is een beeld voor de wind (14:21), de adem van Yahweh.

Wij laten het beeld staan.

9De vijand zei: ‘Ik zal hen achtervolgen, ik zal hen inhalen, ik zal de buit verdelen, mijn verlangen zal zich aan hen verzadigen, ik zal mijn zwaard trekken, mijn hand zal hen in bezit nemen.’
אָמַ֥ר
(amar)
zei
אוֹיֵ֛ב
(oyev)
de vijand
אֶרְדֹּ֥ף
(erdof)
ik zal achtervolgen
אַשִּׂ֖יג
(asig)
ik zal inhalen
אֲחַלֵּ֣ק
(achaleq)
ik zal verdelen
שָׁלָ֑ל
(shalal)
buit
תִּמְלָאֵ֣מוֹ
(timlaemo)
zal verzadigd worden
נַפְשִׁ֔י
(nafshi)
mijn ziel
אָרִ֣יק
(ariq)
ik zal trekken
חַרְבִּ֔י
(charbi)
mijn zwaard
תּוֹרִישֵׁ֖מוֹ
(torishemo)
zal in bezit nemen hen
יָדִֽי
(yadi)
mijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10U blies met Uw adem, de zee bedekte hen; zij zonken als lood in geweldige wateren.
נָשַׁ֥פְתָּ
(nashafta)
U blies
בְרוּחֲךָ֖
(beruchakha)
met Uw adem
כִּסָּ֣מוֹ
(kisamo)
bedekte hen
יָ֑ם
(yam)
de zee
צָֽלֲלוּ֙
(tsalalu)
zonken
כַּֽעוֹפֶ֔רֶת
(kaoferet)
als lood
בְּמַ֖יִם
(bemayim)
in wateren
אַדִּירִֽים
(adirim)
geweldige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Wie is als U onder de goden, Yahweh? Wie is als U, majestueus in heiligheid, ontzagwekkend in lofzangen, een werker van wonderen?
מִֽי
(mi)
wie
כָמֹ֤כָה
(kamokha)
is als U
בָּֽאֵלִם֙
(baelim)
onder de goden
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִ֥י
(mi)
wie
כָּמֹ֖כָה
(kamokha)
is als U
נֶאְדָּ֣ר
(nedar)
majestueus
בַּקֹּ֑דֶשׁ
(baqodesh)
in heiligheid
נוֹרָ֥א
(nora)
ontzagwekkend
תְהִלֹּ֖ת
(tehilot)
in lofzangen
עֹ֥שֵׂה
(ose)
werker van
פֶֽלֶא
(pele)
wonder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּאֵלִים (ba’elim), ‘onder de goden’; de Samaritaanse tekst en sommige handschriften lezen ‘onder de sterken’.

De dichter vergelijkt Yahweh met de goden van de volken en noemt Hem ongeëvenaard.

12U strekte Uw rechterhand uit, de aarde verslond hen.
נָטִ֨יתָ֙
(natita)
U strekte uit
יְמִ֣ינְךָ֔
(yeminekha)
Uw rechterhand
תִּבְלָעֵ֖מוֹ
(tivlaemo)
verslond hen
אָֽרֶץ
(arets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De aarde verslond hen’ is een beeld: de zee nam hen op (vers 10).

Een tweede keer zal de aarde Korach verslinden (Num. 16:32).

13In Uw trouw hebt U het volk geleid dat U verlost hebt; met Uw kracht hebt U het gevoerd naar de woonplaats van Uw heiligheid.
נָחִ֥יתָ
(nachita)
U leidde
בְחַסְדְּךָ֖
(bechasdekha)
in Uw trouw
עַם
(am)
het volk
ז֣וּ
(zu)
dat
גָּאָ֑לְתָּ
(gaalta)
U verloste
נֵהַ֥לְתָּ
(nehalta)
U voerde
בְעָזְּךָ֖
(beazekha)
met Uw kracht
אֶל
(el)
naar
נְוֵ֥ה
(neve)
de woonplaats van
קָדְשֶֽׁךָ
(qadeshekha)
Uw heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’, is het woord voor Yahweh’s verbondstrouw.

נְוֵה קָדְשֶׁךָ (neveh qodshekha), ‘de woonplaats van Uw heiligheid’, is Kanaän of de berg Sion; de uitleggers verschillen.

14Volken hoorden het en beefden; siddering greep de inwoners van Filistea.
שָֽׁמְע֥וּ
(shameu)
hoorden
עַמִּ֖ים
(amim)
volken
יִרְגָּז֑וּן
(yirgazun)
beven
חִ֣יל
(chil)
beving
אָחַ֔ז
(achaz)
greep
יֹשְׁבֵ֖י
(yoshevei)
de bewoners van
פְּלָֽשֶׁת
(pelashet)
Filistea
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Filistea, Edom, Moab en Kanaän liggen in een boog rond de weg naar het beloofde land.

15Toen werden de vorsten van Edom verschrikt, de machtigen van Moab greep beving; alle inwoners van Kanaän smolten weg.
אָ֤ז
(az)
toen
נִבְהֲלוּ֙
(nivhalu)
werden verschrikt
אַלּוּפֵ֣י
(alufei)
de vorsten van
אֱד֔וֹם
(edom)
Edom
אֵילֵ֣י
(eilei)
de machtigen van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
יֹֽאחֲזֵ֖מוֹ
(yochazemo)
greep hen
רָ֑עַד
(raad)
siddering
נָמֹ֕גוּ
(namogu)
smolten weg
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
bewoners van
כְנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

16Schrik en angst vielen op hen. Door de grootheid van Uw arm werden zij stil als een steen, totdat Uw volk doortrok, Yahweh, totdat het volk doortrok dat U verworven hebt.
תִּפֹּ֨ל
(tipol)
valt
עֲלֵיהֶ֤ם
(aleihem)
op hen
אֵימָ֨תָה֙
(eimata)
schrik
וָפַ֔חַד
(vafachad)
en angst
בִּגְדֹ֥ל
(bigdol)
door de grootheid van
זְרוֹעֲךָ֖
(zeroakha)
Uw arm
יִדְּמ֣וּ
(yidemu)
zijn stil
כָּאָ֑בֶן
(kaaven)
als een steen
עַד
(ad)
totdat
יַעֲבֹ֤ר
(yaavor)
doortrekt
עַמְּךָ֙
(amekha)
Uw volk
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עַֽד
(ad)
totdat
יַעֲבֹ֖ר
(yaavor)
doortrekt
עַם
(am)
het volk
ז֥וּ
(zu)
dat
קָנִֽיתָ
(qanita)
U verwierf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17U zult hen brengen en planten op de berg van Uw erfdeel, de vaste plaats voor Uw woning die U gemaakt hebt, Yahweh, het heiligdom, mijn Heer, dat Uw handen hebben bevestigd.
תְּבִאֵ֗מוֹ
(teviemo)
U zult hen brengen
וְתִטָּעֵ֨מוֹ֙
(vetitaemo)
en planten
בְּהַ֣ר
(behar)
op de berg van
נַחֲלָֽתְךָ֔
(nachalatekha)
Uw erfdeel
מָכ֧וֹן
(makhon)
vaste plaats
לְשִׁבְתְּךָ֛
(leshivtekha)
voor Uw woning
פָּעַ֖לְתָּ
(paalta)
die U gemaakt hebt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
מִקְּדָ֕שׁ
(miqedash)
een heiligdom
אֲדֹנָ֖י
(adonay)
mijn Heer
כּוֹנְנ֥וּ
(konenu)
bevestigden
יָדֶֽיךָ
(yadeikha)
Uw handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’, is hier de aanspreking van Yahweh.

‘De berg van Uw erfdeel’ kan de berg Sion zijn, het land Kanaän of de berg van het heiligdom.

18Yahweh zal koning zijn voor eeuwig en altijd.”
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
יִמְלֹ֖ךְ
(yimlokh)
zal koning zijn
לְעֹלָ֥ם
(leolam)
voor eeuwig
וָעֶֽד
(vaed)
en altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Yahweh zal koning zijn voor eeuwig en altijd’: Yahweh’s koningschap is de slotzin van het lied (vergelijk Num. 23:21; Deut. 33:5; Ps. 93:1; 146:10).

19Want het paard van de farao kwam met zijn wagens en ruiters in de zee, en Yahweh deed de wateren van de zee over hen terugkeren. De zonen van Israël liepen op het droge midden door de zee.
כִּ֣י
(ki)
want
בָא֩
(ba)
kwam
ס֨וּס
(sus)
paard van
פַּרְעֹ֜ה
(paro)
de farao
בְּרִכְבּ֤וֹ
(berikhbo)
met zijn wagens
וּבְפָרָשָׁיו֙
(uvefarashav)
en zijn ruiters
בַּיָּ֔ם
(bayam)
in de zee
וַיָּ֧שֶׁב
(vayashev)
en deed terugkeren
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲלֵהֶ֖ם
(alehem)
over hen
אֶת
(et)
(obj.)
מֵ֣י
(mei)
de wateren van
הַיָּ֑ם
(hayam)
de zee
וּבְנֵ֧י
(uvenei)
en de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
הָלְכ֥וּ
(halekhu)
liepen
בַיַּבָּשָׁ֖ה
(bayabasha)
op het droge
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
in het midden van
הַיָּֽם
(hayam)
de zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het lied van Mirjam

20Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron, nam de tamboerijn in haar hand, en alle vrouwen gingen achter haar aan uit met tamboerijnen en reidansen.
וַתִּקַּח֩
(vatiqach)
en nam
מִרְיָ֨ם
(miryam)
Mirjam
הַנְּבִיאָ֜ה
(hanevia)
de profetes
אֲח֧וֹת
(achot)
de zuster van
אַהֲרֹ֛ן
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
הַתֹּ֖ף
(hatof)
de tamboerijn
בְּיָדָ֑הּ
(beyadah)
in haar hand
וַתֵּצֶ֤אןָ
(vatetsena)
en gingen uit
כָֽל
(kal)
alle
הַנָּשִׁים֙
(hanashim)
de vrouwen
אַחֲרֶ֔יהָ
(achareiha)
achter haar
בְּתֻפִּ֖ים
(betupim)
met tamboerijnen
וּבִמְחֹלֹֽת
(uvimcholot)
en met reidansen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mirjam wordt hier ‘de profetes’ genoemd, ‘de zuster van Aäron’ (haar broer Mozes wordt niet genoemd).

Zie ook Num. 12:1–2; Micha 6:4.

Aanvullend

Jasher 67:3 noemt de geboorte van Mirjam.

21Mirjam antwoordde hun: „Zing voor Yahweh, want hoog is Hij verheven. Paard en ruiter heeft Hij in de zee geworpen.”
וַתַּ֥עַן
(vataan)
en antwoordde
לָהֶ֖ם
(lahem)
hun
מִרְיָ֑ם
(miryam)
Mirjam
שִׁ֤ירוּ
(shiru)
zingt
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
כִּֽי
(ki)
want
גָאֹ֣ה
(gao)
hoog verheven is Hij
גָּאָ֔ה
(gaa)
hoog verheven
ס֥וּס
(sus)
paard
וְרֹכְב֖וֹ
(verokhevo)
en zijn ruiter
רָמָ֥ה
(rama)
wierp Hij
בַיָּֽם
(bayam)
in de zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het bittere water van Mara

22Mozes liet Israël opbreken van de Rietzee, en zij trokken uit naar de woestijn Sur. Drie dagen liepen zij door de woestijn en vonden geen water.
וַיַּסַּ֨ע
(vayasa)
en liet opbreken
מֹשֶׁ֤ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מִיַּם
(miyam)
van de zee van
ס֔וּף
(suf)
Riet
וַיֵּצְא֖וּ
(vayetseu)
en zij trokken uit
אֶל
(el)
naar
מִדְבַּר
(midbar)
de woestijn van
שׁ֑וּר
(shur)
Sur
וַיֵּלְכ֧וּ
(vayelekhu)
en zij liepen
שְׁלֹֽשֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֛ים
(yamim)
dagen
בַּמִּדְבָּ֖ר
(bamidbar)
in de woestijn
וְלֹא
(velo)
en niet
מָ֥צְאוּ
(matseu)
vonden zij
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De woestijn Sur lag in het noordwesten van het Sinaïschiereiland; Mara wordt vaak gezocht bij Ain Hawarah of Ain Musa, maar dat is onzeker.

Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez.

De precieze plaats van de doortocht is niet zeker.

23Zij kwamen in Mara, maar konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom noemde men die plaats Mara.
וַיָּבֹ֣אוּ
(vayavou)
en kwamen
מָרָ֔תָה
(marata)
naar Mara
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָֽכְל֗וּ
(yakhelu)
konden zij
לִשְׁתֹּ֥ת
(lishtot)
drinken
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
מִמָּרָ֔ה
(mimara)
van Mara
כִּ֥י
(ki)
want
מָרִ֖ים
(marim)
bitter
הֵ֑ם
(hem)
zij
עַל
(al)
op
כֵּ֥ן
(ken)
zo
קָרָֽא
(qara)
noemde men
שְׁמָ֖הּ
(shemah)
haar naam
מָרָֽה
(mara)
Mara
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mara: Mara (‘bitter’) wordt van oudsher gezocht bij Ain Hawara, aan de oostkust van de Golf van Suez.

Dit is een traditionele identificatie.

24Het volk morde tegen Mozes en zei: „Wat zullen wij drinken?”
וַיִּלֹּ֧נוּ
(vayilonu)
en morden
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
עַל
(al)
tegen
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹ֖ר
(lemor)
zeggende
מַה
(ma)
wat
נִּשְׁתֶּֽה
(nishte)
zullen wij drinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Hij riep tot Yahweh, en Yahweh wees hem een stuk hout aan. Hij wierp het in het water, en het water werd zoet. Daar stelde Hij hun een verordening en een recht, en daar stelde Hij hen op de proef.
וַיִּצְעַ֣ק
(vayitsaq)
en riep
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיּוֹרֵ֤הוּ
(vayorehu)
en liet hem zien
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עֵ֔ץ
(ets)
een stuk hout
וַיַּשְׁלֵךְ֙
(vayashlekh)
en hij wierp
אֶל
(el)
in
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
het water
וַֽיִּמְתְּק֖וּ
(vayimtequ)
en werden zoet
הַמָּ֑יִם
(hamayim)
de wateren
שָׁ֣ם
(sham)
daar
שָׂ֥ם
(sam)
stelde Hij
ל֛וֹ
(lo)
voor hem
חֹ֥ק
(choq)
een verordening
וּמִשְׁפָּ֖ט
(umishpat)
en een recht
וְשָׁ֥ם
(vesham)
en daar
נִסָּֽהוּ
(nisahu)
toetste Hij hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het stuk hout (עֵץ, ets) maakt het water zoet.

Er staat niet wat voor hout het was.

Wij laten dat zo.

נִסָּהוּ (nissahu), ‘Hij stelde hem op de proef’, heeft als onderwerp Yahweh; het is niet duidelijk of ‘hem’ Mozes of het volk is.

Wij nemen het volk, zoals de context (verordening en recht) laat zien.

26Hij zei: „Als je goed luistert naar de stem van Yahweh, je Elohim, en doet wat recht is in Zijn ogen, naar Zijn geboden luistert en al Zijn verordeningen houdt, dan zal Ik je geen enkele ziekte opleggen die Ik Egypte heb opgelegd. Want Ik ben Yahweh, je heler.”
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
אִם
(im)
indien
שָׁמ֨וֹעַ
(shamoa)
gehoor geven
תִּשְׁמַ֜ע
(tishma)
je zult gehoor geven
לְק֣וֹל
(leqol)
aan de stem van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֗יךָ
(eloheikha)
je Elohim
וְהַיָּשָׁ֤ר
(vehayashar)
en het rechte
בְּעֵינָיו֙
(beeinav)
in Zijn ogen
תַּעֲשֶׂ֔ה
(taase)
zult doen
וְהַֽאֲזַנְתָּ֙
(vehaazanta)
en je zult luisteren
לְמִצְוֺתָ֔יו
(lemitsvotav)
naar Zijn geboden
וְשָׁמַרְתָּ֖
(veshamarta)
en houden
כָּל
(kal)
alle
חֻקָּ֑יו
(chuqav)
Zijn verordeningen
כָּֽל
(kal)
alle
הַמַּֽחֲלָ֞ה
(hamachala)
de ziekte
אֲשֶׁר
(asher)
die
שַׂ֤מְתִּי
(samti)
Ik legde
בְמִצְרַ֨יִם֙
(bemitsrayim)
op Egypte
לֹא
(lo)
niet
אָשִׂ֣ים
(asim)
zal Ik leggen
עָלֶ֔יךָ
(aleikha)
op jou
כִּ֛י
(ki)
want
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
רֹפְאֶֽךָ
(rofeekha)
je heler
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

רֹפְאֶךָ (rofekha), ‘je heler’: Yahweh stelt Zich voor met een naam die op genezing wijst, in verband met het bittere water.

Elim

27Zij kwamen in Elim, waar twaalf waterbronnen waren en zeventig palmbomen, en zij legerden zich daar bij het water.
וַיָּבֹ֣אוּ
(vayavou)
en kwamen
אֵילִ֔מָה
(eilima)
naar Elim
וְשָׁ֗ם
(vesham)
en daar
שְׁתֵּ֥ים
(sheteim)
twee
עֶשְׂרֵ֛ה
(esre)
tien
עֵינֹ֥ת
(einot)
bronnen van
מַ֖יִם
(mayim)
water
וְשִׁבְעִ֣ים
(veshivim)
en zeventig
תְּמָרִ֑ים
(temarim)
palmen
וַיַּחֲנוּ
(vayachanu)
en legerden zich
שָׁ֖ם
(sham)
daar
עַל
(al)
bij
הַמָּֽיִם
(hamayim)
het water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Elim lag vermoedelijk in het westen van het Sinaïschiereiland, ten zuiden van Mara.

Het wordt vaak gezocht bij Wadi Gharandel.

Zie Num. 33:9.