Open in de app Alle boeken Psalmen ← 108 110 → Psalmen 109 Gebed van een beschuldigde tegen zijn aanklagers
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Elohim van mijn lof, zwijg niet 1 Voor de koorleider. Van David. Een psalm. Elohim van mijn lof, zwijg niet!
לַ֭מְנַצֵּחַ
(lamnatseach)
voor de koorleider
לְדָוִ֣ד
(ledavid)
van David
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
תְ֝הִלָּתִ֗י
(tehilati)
mijn lof
תֶּחֱרַֽשׁ
(techerash)
zwijg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לַמְנַצֵּחַ (lamnatseach), ‘voor de koorleider’: de betekenis is onzeker.
Wij kiezen ‘koorleider’.
אֱלֹהֵי תְהִלָּתִי (elohe tehillati), ‘Elohim van mijn lof’: Elohim is degene aan wie de dichter zijn lof richt en die zijn lof waard is.
2 Want een goddeloze mond en een mond van bedrog hebben zich tegen mij geopend. Zij spraken met mij met een leugentong.
פָּתָ֑חוּ
(patachu)
zij hebben geopend
דִּבְּר֥וּ
(diberu)
zij spraken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3 Met woorden van haat hebben zij mij omringd, en zij hebben mij zonder reden bestreden.
וְדִבְרֵ֣י
(vedivrei)
en woorden van
סְבָב֑וּנִי
(sevavuni)
zij omringden mij
וַיִּֽלָּחֲמ֥וּנִי
(vayilachamuni)
en zij bestreden mij
חִנָּֽם
(chinam)
zonder reden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4 In plaats van mijn liefde beschuldigen zij mij, maar ik ben gebed.
תַּֽחַת
(tachat)
in plaats van
אַהֲבָתִ֥י
(ahavati)
mijn liefde
יִשְׂטְנ֗וּנִי
(yistenuni)
zij beschuldigen mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִשְׂטְנוּנִי (yistenuni), ‘zij beschuldigen mij’: van dezelfde stam als שָׂטָן (satan), ‘aanklager’.
וַאֲנִי תְפִלָּה (va’ani tefillah), letterlijk ‘en ik: gebed’. Wij laten dit zo staan: de dichter bidt, of hij is niets anders dan gebed.
5 Zij legden kwaad op mij in plaats van goed, en haat in plaats van mijn liefde.
וַיָּ֘שִׂ֤ימוּ
(vayasimu)
en zij legden
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
וְ֝שִׂנְאָ֗ה
(vesina)
en haat
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
אַהֲבָתִֽי
(ahavati)
mijn liefde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
De vloek over de vijand 6 Stel een goddeloze over hem aan. Laat een aanklager aan zijn rechterhand staan.
וְ֝שָׂטָ֗ן
(vesatan)
en aanklager
יַעֲמֹ֥ד
(yaamod)
laat staan
יְמִינֽוֹ
(yemino)
zijn rechterhand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׂטָן (satan), ‘aanklager’: hier zonder lidwoord en dus geen eigennaam, maar de tegenpartij in een rechtszaak.
In Job 1:6 staat het woord met lidwoord: ‘de satan’.
Vanaf hier tot en met vers 19 volgt een zware vloek over één man. Wij vertalen letterlijk, zonder verzachting.
Lezing
Het Hebreeuws heeft geen aanhalingstekens.
Het is mogelijk dat vers 6–19 de woorden zijn die de vijanden over de dichter uitspreken.
Voor die lezing pleit het wisselen tussen ‘zij’ (vers 2–5) en ‘hij’ (vers 6–19), en vers 20, ‘het loon van mijn aanklagers’.
Wij nemen de verzen als de woorden van de dichter zelf en geven ze geen aanhalingstekens.
7 Wanneer hij gericht wordt, moge hij als een goddeloze uitgaan. Moge zijn gebed een zonde worden.
בְּ֭הִשָּׁ֣פְטוֹ
(behishafeto)
bij zijn gericht worden
יֵצֵ֣א
(yetse)
laat uitgaan
וּ֝תְפִלָּת֗וֹ
(utefilato)
en zijn gebed
לַֽחֲטָאָֽה
(lachataa)
tot zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יֵצֵא רָשָׁע (yetse rasha), ‘moge hij als goddeloze uitgaan’: hij komt uit het gericht als iemand die schuldig is bevonden.
8 Mogen zijn dagen weinig zijn. Moge een ander zijn ambt nemen.
יִֽהְיֽוּ
(yihyu)
mogen zijn
פְּ֝קֻדָּת֗וֹ
(pequdato)
zijn ambt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פְּקֻדָּתוֹ (pequdato), ‘zijn ambt’: wat hem is toevertrouwd.
Vers 8b wordt aangehaald in Hand. 1:20.
9 Mogen zijn zonen wezen zijn en zijn vrouw een weduwe.
יִֽהְיוּ
(yihyu)
mogen zijn
וְ֝אִשְׁתּוֹ
(veishto)
en zijn vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10 Mogen zijn zonen voortdurend rondzwerven en bedelen, en mogen zij zoeken vanuit hun puinhopen.
וְנ֤וֹעַ
(venoa)
en voortdurend
יָנ֣וּעוּ
(yanuu)
laten zij zwerven
וְשִׁאֵ֑לוּ
(veshielu)
en laten zij bedelen
וְ֝דָרְשׁ֗וּ
(vedareshu)
en laten zij zoeken
מֵחָרְבוֹתֵיהֶֽם
(mecharevoteihem)
vanuit hun puinhopen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מֵחָרְבוֹתֵיהֶם (mecharvoteihem), ‘vanuit hun puinhopen’: zij zoeken hulp en voedsel vanuit de ruïnes van hun huis.
De betekenis kan ook ‘ver van hun puinhopen’ zijn.
11 Moge de schuldeiser een strik leggen voor alles wat hij heeft. Mogen vreemden de vrucht van zijn zwoegen plunderen.
יְנַקֵּ֣שׁ
(yenaqesh)
moge strikken leggen
נ֭וֹשֶׁה
(noshe)
schuldeiser
וְיָבֹ֖זּוּ
(veyavozu)
en laten plunderen
יְגִיעֽוֹ
(yegio)
zijn zwoegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְגִיעוֹ (yegi’o), ‘zijn zwoegen’: het werk waarvoor hij zich heeft ingespannen, en wat dat heeft opgebracht.
12 Moge er niemand zijn die hem trouw betoont. Moge er niemand zijn die genadig is voor zijn wezen.
מֹשֵׁ֣ךְ
(moshekh)
die uitrekt
ח֝וֹנֵ֗ן
(chonen)
die genadig is
לִיתוֹמָֽיו
(litomav)
voor zijn wezen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: verbondstrouw, goedertierenheid.
מֹשֵׁךְ חֶסֶד (moshech chesed), letterlijk ‘die trouw uitrekt’: die trouw laat voortduren.
13 Moge wat na hem komt, afgesneden worden. Moge hun naam in de volgende generatie worden uitgewist.
אַחֲרִית֥וֹ
(acharito)
wat na hem komt
לְהַכְרִ֑ית
(lehakhrit)
om af te snijden
בְּד֥וֹר
(bedor)
in generatie
יִמַּ֥ח
(yimach)
worde uitgewist
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַחֲרִיתוֹ (acharito), ‘wat na hem komt’: zijn latere deel, dus zijn nakomelingen of zijn einde.
Wij vertalen letterlijk.
14 Moge de ongerechtigheid van zijn vaders bij Yahweh in herinnering blijven. Moge de zonde van zijn moeder niet worden uitgewist.
יִזָּכֵ֤ר
(yizakher)
worde herinnerd
עֲוֺ֣ן
(avon)
ongerechtigheid van
אֲ֭בֹתָיו
(avotav)
zijn vaders
וְחַטַּ֥את
(vechatat)
en zonde van
תִּמָּֽח
(timach)
worde uitgewist
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De schuld van vaders en moeder blijft bij Yahweh in herinnering.
Vergelijk Exod. 20:5 en 34:7, waar Yahweh de schuld van de vaders bezoekt.
15 Mogen zij voortdurend voor Yahweh staan. Moge Hij hun gedachtenis van de aarde afsnijden.
יִהְי֣וּ
(yihyu)
mogen zijn
תָּמִ֑יד
(tamid)
voortdurend
וְיַכְרֵ֖ת
(veyakhret)
en moge Hij afsnijden
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
van de aarde
זִכְרָֽם
(zikhram)
hun gedachtenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Waarom hij dit verdient 16 Omdat hij er niet aan dacht trouw te betonen, maar een ellendige en arme man achtervolgde, en wie gebroken is van hart, om te doden.
זָכַר֮
(zakhar)
hij dacht aan
וַיִּרְדֹּ֡ף
(vayirdof)
en hij achtervolgde
וְ֭אֶבְיוֹן
(veevyon)
en arme
וְנִכְאֵ֨ה
(venikhe)
en gebrokene van
לְמוֹתֵֽת
(lemotet)
om te doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier geeft de dichter de reden.
De man heeft geen trouw betoond en achtervolgde de ellendige, de arme en wie gebroken is van hart.
17 Hij had de vloek lief, en die kwam over hem. Hij had geen zin in zegen, en die bleef ver van hem.
וַיֶּאֱהַ֣ב
(vayeehav)
en hij had lief
וַתְּבוֹאֵ֑הוּ
(vatevoehu)
en zij kwam over hem
חָפֵ֥ץ
(chafets)
hij had zin
בִּ֝בְרָכָ֗ה
(bivrakha)
in zegen
וַתִּרְחַ֥ק
(vatirchaq)
en zij bleef ver
מִמֶּֽנּוּ
(mimenu)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De werkwoorden in vers 17–18 staan in de verleden tijd.
Zij kunnen ook als wens gelezen worden (‘moge hij de vloek liefhebben …’).
Wij vertalen als vaststelling: de vloek die hij zocht, treft hem.
18 Hij kleedde zich met vloek als met zijn kleed. Die kwam als water in zijn binnenste en als olie in zijn beenderen.
וַיִּלְבַּ֥שׁ
(vayilbash)
en hij kleedde zich
כְּמַ֫דּ֥וֹ
(kemado)
als zijn kleed
וַתָּבֹ֣א
(vatavo)
en zij kwam
כַמַּ֣יִם
(kamayim)
als water
בְּקִרְבּ֑וֹ
(beqirbo)
in zijn binnenste
וְ֝כַשֶּׁ֗מֶן
(vekhashemen)
en als olie
בְּעַצְמוֹתָֽיו
(beatsmotav)
in zijn beenderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19 Moge zij voor hem zijn als een kleed waarin hij zich hult, en als een gordel waarmee hij zich altijd omgordt.
כְּבֶ֣גֶד
(keveged)
als kleed
יַעְטֶ֑ה
(yate)
hij zich hult
וּ֝לְמֵ֗זַח
(ulemezach)
en als gordel
יַחְגְּרֶֽהָ
(yachgereha)
hij zich omgordt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מֵזַח (mezach), ‘gordel’: een woord dat zelden voorkomt.
De vloek omhult hem en houdt hem vast.
Laat dit hun loon zijn 20 Dit is het loon van mijn aanklagers, dat van Yahweh komt, en van wie kwaad spreken over mijn ziel.
פְּעֻלַּ֣ת
(peulat)
loon van
שֹׂ֭טְנַי
(sotenay)
mijn aanklagers
וְהַדֹּבְרִ֥ים
(vehadoverim)
en van sprekers
נַפְשִֽׁי
(nafshi)
mijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פְּעֻלַּת (pe’ullat), ‘loon’: wat iemand verdient voor zijn werk.
Het vers kan een vaststelling zijn (‘dit is het loon’) of een wens (‘dit zij het loon’).
Wij vertalen het eerste.
Help mij, Yahweh 21 Maar U, Yahweh, mijn Heer: handel met mij omwille van Uw naam. Want Uw trouw is goed. Bevrijd mij.
אֲדֹנָ֗י
(adonay)
mijn Heer
לְמַ֣עַן
(lemaan)
omwille van
שְׁמֶ֑ךָ
(shemekha)
Uw naam
חַ֝סְדְּךָ֗
(chasdekha)
Uw trouw
הַצִּילֵֽנִי
(hatsileni)
bevrijd mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: een aanspreking van Elohim.
יְהוִה אֲדֹנָי (Yahweh Adonai) is hier ‘Yahweh, mijn Heer’.
חֶסֶד (chesed), ‘trouw’.
22 Want ik ben ellendig en arm, en mijn hart is in mijn binnenste doorboord.
וְאֶבְי֣וֹן
(veevyon)
en arm
וְ֝לִבִּ֗י
(velibi)
en mijn hart
בְּקִרְבִּֽי
(beqirbi)
in mijn binnenste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָלַל (chalal), ‘doorboord’: ook ‘gewond’.
De dichter voelt zijn hart verwond.
23 Als een schaduw die lang wordt, ga ik heen. Ik word weggeschud als een sprinkhaan.
כְּצֵל
(ketsel)
als een schaduw
כִּנְטוֹת֥וֹ
(kintoto)
wanneer zij zich neigt
נֶהֱלָ֑כְתִּי
(nehelakhti)
ik ga heen
נִ֝נְעַ֗רְתִּי
(ninarti)
ik word afgeschud
כָּֽאַרְבֶּֽה
(kaarbe)
als sprinkhaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כִּנְטוֹתוֹ (kintoto), ‘als zij zich neigt’: de schaduw wordt lang en verdwijnt bij het vallen van de avond.
Zo vervaagt de dichter.
De sprinkhaan wordt van een kleed afgeschud: wie weggeschud wordt, heeft geen houvast.
24 Mijn knieën struikelen van het vasten, en mijn vlees is vermagerd, zonder vet.
בִּ֭רְכַּי
(birkay)
mijn knieën
כָּשְׁל֣וּ
(kashelu)
zij struikelen
מִצּ֑וֹם
(mitsom)
van vasten
וּ֝בְשָׂרִ֗י
(uvesari)
en mijn vlees
כָּחַ֥שׁ
(kachash)
is vermagerd
מִשָּֽׁמֶן
(mishamen)
zonder vet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִשָּׁמֶן (mishshamen), ‘zonder vet’: letterlijk ‘van vet’ of ‘van olie’.
Het vlees is mager geworden en het vet is weg.
25 Ik ben een smaad voor hen geworden. Als zij mij zien, schudden zij hun hoofd.
הָיִ֣יתִי
(hayiti)
ik ben geworden
יִ֝רְא֗וּנִי
(yiruni)
zij zien mij
יְנִיע֥וּן
(yeniun)
zij schudden
רֹאשָֽׁם
(rosham)
hun hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het schudden van het hoofd is een gebaar van spot.
26 Help mij, Yahweh, mijn Elohim. Red mij naar Uw trouw.
עָ֭זְרֵנִי
(azereni)
help mij
אֱלֹהָ֑י
(elohay)
mijn Elohim
ה֭וֹשִׁיעֵ֣נִי
(hoshieni)
red mij
כְחַסְדֶּֽךָ
(kechasdekha)
naar Uw trouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27 Laat hen weten dat dit Uw hand is, dat U, Yahweh, dit hebt gedaan.
וְֽ֭יֵדְעוּ
(veyedeu)
en laten weten
עֲשִׂיתָֽהּ
(asitah)
U hebt het gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Laten zij vloeken, maar zegen U 28 Laten zij vloeken, maar U zult zegenen. Als zij opstaan, worden zij beschaamd, maar Uw dienaar zal zich verheugen.
יְקַֽלְלוּ
(yeqallu)
laten vloeken
תְבָ֫רֵ֥ךְ
(tevarekh)
zult zegenen
וַיֵּבֹ֗שׁוּ
(vayevoshu)
en worden beschaamd
וְֽעַבְדְּךָ֥
(veavdekha)
maar Uw dienaar
יִשְׂמָֽח
(yismach)
zal zich verheugen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws kan worden gelezen als wens (‘laten zij vloeken … mogen zij beschaamd worden’) of als vaststelling.
Wij vertalen de eerste zin als wens en de volgende als zekerheid.
29 Mogen mijn aanklagers zich kleden in schande en zich hullen in hun schaamte als in een mantel.
יִלְבְּשׁ֣וּ
(yilbeshu)
laten zich kleden
שׂוֹטְנַ֣י
(sotenay)
mijn aanklagers
כְּלִמָּ֑ה
(kelima)
in schande
וְיַעֲט֖וּ
(veyaatu)
en laten zich hullen
כַמְעִ֣יל
(kamil)
als in een mantel
בָּשְׁתָּֽם
(bashtam)
hun schaamte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Ik zal Yahweh danken 30 Ik zal Yahweh zeer danken met mijn mond, en te midden van velen zal ik Hem prijzen.
א֘וֹדֶ֤ה
(ode)
ik zal danken
בְּפִ֑י
(befi)
met mijn mond
וּבְת֖וֹךְ
(uvetokh)
en te midden van
אֲהַֽלְלֶֽנּוּ
(ahallenu)
ik zal Hem prijzen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31 Want Hij staat aan de rechterhand van de arme, om hem te redden van wie zijn ziel veroordelen.
יַ֭עֲמֹד
(yaamod)
Hij staat
לִימִ֣ין
(limin)
aan de rechterhand van
לְ֝הוֹשִׁ֗יעַ
(lehoshia)
om te redden
מִשֹּׁפְטֵ֥י
(mishofetei)
van veroordelaars van
נַפְשֽׁוֹ
(nafsho)
zijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In vers 6 staat een aanklager aan de rechterhand van de vijand; hier staat Yahweh aan de rechterhand van de arme.