Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Troost Mijn volk
1„Troost, troost Mijn volk, zegt jullie Elohim.
נַחֲמ֥וּ
(nachamu)
troost
נַחֲמ֖וּ
(nachamu)
troost
עַמִּ֑י
(ami)
Mijn volk
יֹאמַ֖ר
(yomar)
zegt
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נַחֲמוּ נַחֲמוּ (nachamu nachamu), ‘troost, troost’: de herhaling maakt de oproep dringend.
Elohim spreekt hier zelf, tot een groep die niet wordt genoemd.
Zijn woorden staan daarom rood, tot en met vers 2.
יֹאמַר אֱלֹהֵיכֶם (yomar eloheichem), ‘zegt jullie Elohim’: een slotformule, zoals ‘godsspraak van Yahweh’.
2Spreek tot het hart van Jeruzalem en roep haar toe: haar dienst is vervuld, haar schuld is afgedaan. Zij heeft uit de hand van Yahweh het dubbele ontvangen voor al haar zonden.”
דַּבְּר֞וּ
(daberu)
spreek
עַל
(al)
tot
לֵ֤ב
(lev)
het hart van
יְרֽוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְקִרְא֣וּ
(veqiru)
en roep
אֵלֶ֔יהָ
(eleiha)
haar toe
כִּ֤י
(ki)
dat
מָֽלְאָה֙
(malea)
vervuld is
צְבָאָ֔הּ
(tsevaah)
haar dienst
כִּ֥י
(ki)
dat
נִרְצָ֖ה
(nirtsa)
afgedaan is
עֲוֺנָ֑הּ
(avonah)
haar schuld
כִּ֤י
(ki)
dat
לָקְחָה֙
(laqecha)
zij heeft ontvangen
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּפְלַ֖יִם
(kiflayim)
het dubbele
בְּכָל
(bekhal)
voor al
חַטֹּאתֶֽיהָ
(chatoteiha)
haar zonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
דַּבְּרוּ עַל לֵב (dabberu al lev), ‘spreek tot het hart van’: letterlijk ‘spreek op het hart’.
Het betekent vriendelijk en bemoedigend spreken; zo ook Gen. 34:3 en Hos. 2:16.
צְבָאָהּ (tsevaah), ‘haar dienst’: letterlijk ‘haar leger’, dus een tijd van zware dienst of strijd. De betekenis is hier niet helemaal zeker.
נִרְצָה (nirtsah), ‘is afgedaan’: letterlijk ‘is aanvaard’, van רָצָה (ratsah), ‘gunstig aannemen’. De schuld is betaald.
כִּפְלַיִם (kiflayim), ‘het dubbele’: de volle maat of twee keer zoveel. Het Hebreeuws zegt dat niet nader.
Driemaal staat כִּי (ki), ‘dat’ of ‘want’: wij lezen het als ‘dat’.
Yahweh wordt hier in de derde persoon genoemd binnen Zijn eigen woorden; zie ook Hos. 1:7.
9Klim op een hoge berg, boodschapster van Sion. Verhef je stem met kracht, boodschapster van Jeruzalem. Verhef haar en wees niet bang. Zeg tegen de steden van Juda: „Zie, jullie Elohim!”
עַ֣ל
(al)
op
הַר
(har)
berg
גָּבֹ֤הַ
(gavoha)
hoge
עֲלִי
(ali)
klim
לָךְ֙
(lakh)
voor jezelf
מְבַשֶּׂ֣רֶת
(mevaseret)
boodschapster van
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
הָרִ֤ימִי
(harimi)
verhef
בַכֹּ֨חַ֙
(bakoach)
met kracht
קוֹלֵ֔ךְ
(qolekh)
je stem
מְבַשֶּׂ֖רֶת
(mevaseret)
boodschapster van
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
הָרִ֨ימִי֙
(harimi)
verhef
אַל
(al)
niet
תִּירָ֔אִי
(tirai)
wees bang
אִמְרִי֙
(imri)
zeg
לְעָרֵ֣י
(learei)
tegen de steden van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
הִנֵּ֖ה
(hine)
zie
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
Uitleg
מְבַשֶּׂרֶת (mevasseret), ‘boodschapster’: een vrouw die goed nieuws brengt.
Het Hebreeuws kan ‘boodschapster van Sion’ betekenen, maar ook ‘Sion, jij die goed nieuws brengt’.
שְׂכָרוֹ (secharo), ‘Zijn loon’, en פְּעֻלָּתוֹ (pe’ulatto), ‘Zijn beloning’: beide woorden betekenen loon voor gedaan werk. Het Hebreeuws zegt niet wat dat loon is.
12Wie heeft het water gemeten in de holte van Zijn hand en de hemel uitgemeten met een span? Wie heeft het stof van de aarde in een maat gevat? Wie heeft de bergen gewogen met een weegschaal en de heuvels met een balans?
מִֽי
(mi)
wie
מָדַ֨ד
(madad)
heeft gemeten
בְּשָׁעֳל֜וֹ
(beshaolo)
in de holte van Zijn hand
מַ֗יִם
(mayim)
water
וְשָׁמַ֨יִם֙
(veshamayim)
en de hemel
בַּזֶּ֣רֶת
(bazeret)
met een span
תִּכֵּ֔ן
(tiken)
heeft uitgemeten
וְכָ֥ל
(vekhal)
en heeft gevat
בַּשָּׁלִ֖שׁ
(bashalish)
in een maat
עֲפַ֣ר
(afar)
het stof van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וְשָׁקַ֤ל
(veshaqal)
en heeft gewogen
בַּפֶּ֨לֶס֙
(bapeles)
met een weegschaal
הָרִ֔ים
(harim)
bergen
וּגְבָע֖וֹת
(ugevaot)
en heuvels
בְּמֹאזְנָֽיִם
(bemoznayim)
met een balans
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֹׁעַל (sho’al), ‘holte van de hand’: de holle hand, waarin je water kunt dragen.
זֶרֶת (zeret), ‘span’: de afstand tussen duim en pink van een gespreide hand, ongeveer 22 centimeter.
שָׁלִשׁ (shalish), ‘maat’: een inhoudsmaat, misschien een derde deel van een grotere maat. De grootte is niet zeker.
14Met wie heeft Hij overlegd? Wie liet Hem begrijpen, onderwees Hem in het pad van het recht, onderwees Hem in kennis en liet Hem de weg van het verstand kennen?
אֶת
(et)
met
מִ֤י
(mi)
wie
נוֹעָץ֙
(noats)
heeft Hij overlegd
וַיְבִינֵ֔הוּ
(vayvinehu)
en liet begrijpen
וַֽיְלַמְּדֵ֖הוּ
(vaylamedehu)
en onderwees Hem
בְּאֹ֣רַח
(beorach)
in het pad van
מִשְׁפָּ֑ט
(mishpat)
recht
וַיְלַמְּדֵ֣הוּ
(vaylamedehu)
en onderwees Hem
דַ֔עַת
(daat)
kennis
וְדֶ֥רֶךְ
(vederekh)
en de weg van
תְּבוּנ֖וֹת
(tevunot)
verstand
יוֹדִיעֶֽנּוּ
(yodienu)
liet Hem kennen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Het beeld: een ambachtsman giet het. De smelter beslaat het met goud en maakt zilveren kettinkjes.
הַפֶּ֨סֶל֙
(hapesel)
het beeld
נָסַ֣ךְ
(nasakh)
giet
חָרָ֔שׁ
(charash)
een ambachtsman
וְצֹרֵ֖ף
(vetsoref)
en een smelter
בַּזָּהָ֣ב
(bazahav)
met goud
יְרַקְּעֶ֑נּוּ
(yeraqeenu)
beslaat hij het
וּרְתֻק֥וֹת
(uretuqot)
en kettinkjes van
כֶּ֖סֶף
(kesef)
zilver
צוֹרֵֽף
(tsoref)
een smelter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פֶּסֶל (pesel), ‘beeld’: een door mensen gemaakt godenbeeld.
Wij gebruiken in dit hoofdstuk steeds dit woord.
רְתֻקוֹת (retuqot), ‘kettinkjes’: de betekenis is niet zeker; het woord staat zelden in de Bijbel.
Het Hebreeuws herhaalt aan het eind van het vers het woord צוֹרֵף (tsoref), ‘smelter’. Het zinsverband is moeilijk. Wij nemen aan dat de smelter ook de zilveren kettinkjes maakt.
20Wie te arm is voor een gave, kiest hout dat niet rot. Hij zoekt een bekwame ambachtsman om een beeld op te richten dat niet wankelt.
הַֽמְסֻכָּ֣ן
(hamsukan)
wie te arm is
תְּרוּמָ֔ה
(teruma)
voor een gave
עֵ֥ץ
(ets)
hout
לֹֽא
(lo)
niet
יִרְקַ֖ב
(yirqav)
rot
יִבְחָ֑ר
(yivchar)
kiest hij
חָרָ֤שׁ
(charash)
een ambachtsman
חָכָם֙
(chakham)
bekwame
יְבַקֶּשׁ
(yevaqesh)
zoekt hij
ל֔וֹ
(lo)
voor zich
לְהָכִ֥ין
(lehakhin)
om op te richten
פֶּ֖סֶל
(pesel)
een beeld
לֹ֥א
(lo)
niet
יִמּֽוֹט
(yimot)
wankelt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמְסֻכָּן (hamsukkan), ‘wie te arm is’: dit woord komt alleen hier voor; de betekenis is niet zeker.
תְּרוּמָה (terumah), ‘gave’: elders ‘heffing’, wat men voor een heiligdom afdraagt. Hier is het de bijdrage voor een metalen beeld, die de arme niet kan betalen.
22Hij is het die troont boven de kring van de aarde, en haar bewoners zijn als sprinkhanen. Hij spant de hemel uit als een fijn doek en spreidt hem uit als een tent om in te wonen.
הַיֹּשֵׁב֙
(hayoshev)
Hij die troont
עַל
(al)
boven
ח֣וּג
(chug)
de kring van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וְיֹשְׁבֶ֖יהָ
(veyosheveiha)
en haar bewoners
כַּחֲגָבִ֑ים
(kachagavim)
zijn als sprinkhanen
הַנּוֹטֶ֤ה
(hanote)
Hij die uitspant
כַדֹּק֙
(kadoq)
als fijn doek
שָׁמַ֔יִם
(shamayim)
de hemel
וַיִּמְתָּחֵ֥ם
(vayimtachem)
en spreidt hem uit
כָּאֹ֖הֶל
(kaohel)
als een tent
לָשָֽׁבֶת
(lashavet)
om in te wonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חוּג (chug), ‘kring’: de gewelfde ronding van de aarde, de horizon.
דֹּק (doq), ‘fijn doek’: dit woord komt alleen hier voor; de betekenis is niet zeker. Vergelijk Ps. 104:2: ‘U spant de hemel uit als een tentdoek.’
חֲגָבִים (chagavim), ‘sprinkhanen’: heel klein; zie ook Num. 13:33.
24Nauwelijks zijn ze geplant. Nauwelijks zijn ze gezaaid. Nauwelijks heeft hun stam wortel geschoten in de aarde, of Hij blaast op hen. Ze verdorren, en een storm voert hen weg als stro.
אַ֣ף
(af)
zelfs
בַּל
(bal)
nauwelijks
נִטָּ֗עוּ
(nitau)
zijn geplant
אַ֚ף
(af)
zelfs
בַּל
(bal)
nauwelijks
זֹרָ֔עוּ
(zorau)
zijn gezaaid
אַ֛ף
(af)
zelfs
בַּל
(bal)
nauwelijks
שֹׁרֵ֥שׁ
(shoresh)
heeft wortel geschoten
בָּאָ֖רֶץ
(baarets)
in de aarde
גִּזְעָ֑ם
(gizam)
hun stam
וְגַם
(vegam)
en ook
נָשַׁ֤ף
(nashaf)
blaast Hij
בָּהֶם֙
(bahem)
op hen
וַיִּבָ֔שׁוּ
(vayivashu)
en ze verdorren
וּסְעָרָ֖ה
(useara)
en een storm
כַּקַּ֥שׁ
(kaqash)
als stro
תִּשָּׂאֵֽם
(tisaem)
voert hen weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Sla jullie ogen omhoog en kijk: wie heeft deze geschapen? Hij voert hun leger uit, geteld bij getal. Hij roept hen allen bij naam. Door Zijn grote kracht en Zijn sterke macht ontbreekt er niet één.
שְׂאוּ
(seu)
sla op
מָר֨וֹם
(marom)
omhoog
עֵינֵיכֶ֤ם
(eineikhem)
jullie ogen
וּרְאוּ֙
(ureu)
en kijk
מִי
(mi)
wie
בָרָ֣א
(bara)
heeft geschapen
אֵ֔לֶּה
(ele)
deze
הַמּוֹצִ֥יא
(hamotsi)
die naar buiten voert
בְמִסְפָּ֖ר
(bemispar)
bij getal
צְבָאָ֑ם
(tsevaam)
hun leger
לְכֻלָּם֙
(lekhulam)
hen allen
בְּשֵׁ֣ם
(beshem)
bij naam
יִקְרָ֔א
(yiqra)
roept Hij
מֵרֹ֤ב
(merov)
door de overvloed van
אוֹנִים֙
(onim)
kracht
וְאַמִּ֣יץ
(veamits)
en sterk van
כֹּ֔חַ
(koach)
macht
אִ֖ישׁ
(ish)
niemand
לֹ֥א
(lo)
niet
נֶעְדָּֽר
(nedar)
ontbreekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צְבָאָם (tsevaam), ‘hun leger’: de sterren als het leger van de hemel.
28Weet je het niet? Of heb je het niet gehoord? Yahweh is de Elohim van de eeuwigheid, de Schepper van de einden van de aarde. Hij wordt niet moe en raakt niet uitgeput. Zijn verstand is niet te doorgronden.
הֲל֨וֹא
(halo)
is het niet
יָדַ֜עְתָּ
(yadata)
heb je geweten
אִם
(im)
of
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁמַ֗עְתָּ
(shamata)
heb je gehoord
אֱלֹהֵ֨י
(elohei)
de Elohim van
עוֹלָ֤ם
(olam)
de eeuwigheid
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בּוֹרֵא֙
(bore)
Schepper van
קְצ֣וֹת
(qetsot)
de einden van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
לֹ֥א
(lo)
niet
יִיעַ֖ף
(yiaf)
wordt moe
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִיגָ֑ע
(yiga)
raakt uitgeput
אֵ֥ין
(ein)
er is geen
חֵ֖קֶר
(cheqer)
onderzoek
לִתְבוּנָתֽוֹ
(litvunato)
naar Zijn verstand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱלֹהֵי עוֹלָם (Elohe olam), ‘de Elohim van de eeuwigheid’: olam is een lange, onbegrensde tijd.
תְּבוּנָה (tevunah), ‘verstand’: hetzelfde woord als in vers 14.
31Wie op Yahweh hopen, vernieuwen hun kracht. Zij stijgen op met vleugels als arenden. Zij rennen en raken niet uitgeput. Zij lopen en worden niet moe.
וְקוֹיֵ֤
(veqoye)
en wie hopen op
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
יַחֲלִ֣יפוּ
(yachalifu)
vernieuwen
כֹ֔חַ
(koach)
kracht
יַעֲל֥וּ
(yaalu)
zij stijgen op
אֵ֖בֶר
(ever)
met vleugels
כַּנְּשָׁרִ֑ים
(kanesharim)
als arenden
יָר֨וּצוּ֙
(yarutsu)
zij rennen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִיגָ֔עוּ
(yigau)
raken uitgeput
יֵלְכ֖וּ
(yelekhu)
zij lopen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִיעָֽפוּ
(yiafu)
worden moe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קוֹיֵ יְהוָה (qoye Yahweh), ‘wie op Yahweh hopen’: het werkwoord קָוָה (qavah) betekent ‘hopen’ en ‘uitzien naar’.
יַחֲלִיפוּ כֹחַ (yachalifu koach), ‘zij vernieuwen hun kracht’: letterlijk ‘zij verwisselen kracht’. Dezelfde woorden staan in 41:1.