Elohim Bijbel

Jesaja 40

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Troost Mijn volk: de grootheid van Yahweh

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Troost Mijn volk

1„Troost, troost Mijn volk, zegt jullie Elohim.
נַחֲמ֥וּ
(nachamu)
troost
נַחֲמ֖וּ
(nachamu)
troost
עַמִּ֑י
(ami)
Mijn volk
יֹאמַ֖ר
(yomar)
zegt
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַחֲמוּ נַחֲמוּ (nachamu nachamu), ‘troost, troost’: de herhaling maakt de oproep dringend.

Elohim spreekt hier zelf, tot een groep die niet wordt genoemd.

Zijn woorden staan daarom rood, tot en met vers 2.

יֹאמַר אֱלֹהֵיכֶם (yomar eloheichem), ‘zegt jullie Elohim’: een slotformule, zoals ‘godsspraak van Yahweh’.

2Spreek tot het hart van Jeruzalem en roep haar toe: haar dienst is vervuld, haar schuld is afgedaan. Zij heeft uit de hand van Yahweh het dubbele ontvangen voor al haar zonden.”
דַּבְּר֞וּ
(daberu)
spreek
עַל
(al)
tot
לֵ֤ב
(lev)
het hart van
יְרֽוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְקִרְא֣וּ
(veqiru)
en roep
אֵלֶ֔יהָ
(eleiha)
haar toe
כִּ֤י
(ki)
dat
מָֽלְאָה֙
(malea)
vervuld is
צְבָאָ֔הּ
(tsevaah)
haar dienst
כִּ֥י
(ki)
dat
נִרְצָ֖ה
(nirtsa)
afgedaan is
עֲוֺנָ֑הּ
(avonah)
haar schuld
כִּ֤י
(ki)
dat
לָקְחָה֙
(laqecha)
zij heeft ontvangen
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּפְלַ֖יִם
(kiflayim)
het dubbele
בְּכָל
(bekhal)
voor al
חַטֹּאתֶֽיהָ
(chatoteiha)
haar zonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

דַּבְּרוּ עַל לֵב (dabberu al lev), ‘spreek tot het hart van’: letterlijk ‘spreek op het hart’.

Het betekent vriendelijk en bemoedigend spreken; zo ook Gen. 34:3 en Hos. 2:16.

צְבָאָהּ (tsevaah), ‘haar dienst’: letterlijk ‘haar leger’, dus een tijd van zware dienst of strijd. De betekenis is hier niet helemaal zeker.

נִרְצָה (nirtsah), ‘is afgedaan’: letterlijk ‘is aanvaard’, van רָצָה (ratsah), ‘gunstig aannemen’. De schuld is betaald.

כִּפְלַיִם (kiflayim), ‘het dubbele’: de volle maat of twee keer zoveel. Het Hebreeuws zegt dat niet nader.

Driemaal staat כִּי (ki), ‘dat’ of ‘want’: wij lezen het als ‘dat’.

Yahweh wordt hier in de derde persoon genoemd binnen Zijn eigen woorden; zie ook Hos. 1:7.

Een stem roept in de woestijn

3Een stem roept: „Baan in de woestijn de weg van Yahweh. Maak in de steppe een rechte, gebaande weg voor onze Elohim.
ק֣וֹל
(qol)
een stem
קוֹרֵ֔א
(qore)
roept
בַּמִּדְבָּ֕ר
(bamidbar)
in de woestijn
פַּנּ֖וּ
(panu)
baan
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
יַשְּׁרוּ֙
(yasheru)
maak recht
בָּעֲרָבָ֔ה
(baarava)
in de steppe
מְסִלָּ֖ה
(mesila)
een gebaande weg
לֵאלֹהֵֽינוּ
(leloheinu)
voor onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קוֹל קוֹרֵא (qol qore), ‘een stem roept’: wie roept, wordt niet gezegd.

Het Hebreeuws laat open of ‘in de woestijn’ bij ‘roept’ of bij ‘baan’ hoort.

Wij nemen het bij ‘baan’, zoals de volgende regel (‘in de steppe’) laat zien.

Matt. 3:3, Mark. 1:3 en Joh. 1:23 halen deze regel aan.

מִדְבָּר (midbar), ‘woestijn’ en עֲרָבָה (aravah), ‘steppe’: droog, onbewoond land. In 41:19 staan beide woorden opnieuw.

מְסִלָּה (mesillah), ‘gebaande weg’: een opgehoogde, aangelegde weg.

4Elk dal wordt verhoogd, en elke berg en heuvel wordt verlaagd. Wat oneffen is, wordt vlak land, en de ruwe plekken worden een vlakte.
כָּל
(kal)
elk
גֶּיא֙
(gei)
dal
יִנָּשֵׂ֔א
(yinase)
wordt verhoogd
וְכָל
(vekhal)
en elke
הַ֥ר
(har)
berg
וְגִבְעָ֖ה
(vegiva)
en heuvel
יִשְׁפָּ֑לוּ
(yishpalu)
worden verlaagd
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het wordt
הֶֽעָקֹב֙
(heaqov)
het oneffene
לְמִישׁ֔וֹר
(lemishor)
tot vlak land
וְהָרְכָסִ֖ים
(veharekhasim)
en de ruwe plekken
לְבִקְעָֽה
(leviqa)
tot een vlakte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֶעָקֹב (he’aqov), ‘wat oneffen is’: letterlijk ‘het kromme’ of ‘het heuvelachtige’.

הָרְכָסִים (harekhasim), ‘de ruwe plekken’: de betekenis is niet zeker; misschien ‘bergruggen’.

בִּקְעָה (biq’ah), ‘vlakte’: een breed, open dal.

5De heerlijkheid van Yahweh wordt geopenbaard, en al het vlees ziet het samen. Want de mond van Yahweh heeft gesproken.”
וְנִגְלָ֖ה
(venigla)
en wordt geopenbaard
כְּב֣וֹד
(kevod)
heerlijkheid van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְרָא֤וּ
(verau)
en zien het
כָל
(kal)
al
בָּשָׂר֙
(basar)
vlees
יַחְדָּ֔ו
(yachdav)
samen
כִּ֛י
(ki)
want
פִּ֥י
(pi)
de mond van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבֵּֽר
(diber)
heeft gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּבוֹד יְהוָה (kevod Yahweh), ‘de heerlijkheid van Yahweh’: zoals in Exod. 16:7 en 16:10.

כָּל בָּשָׂר (kol basar), ‘al het vlees’: alle levende wezens, in de eerste plaats alle mensen.

Alle vlees is gras

6Een stem zegt: „Roep!” En hij zei: „Wat moet ik roepen?” „Al het vlees is gras, en al zijn trouw is als de bloem van het veld.
ק֚וֹל
(qol)
een stem
אֹמֵ֣ר
(omer)
zegt
קְרָ֔א
(qera)
roep
וְאָמַ֖ר
(veamar)
en hij zei
מָ֣ה
(ma)
wat
אֶקְרָ֑א
(eqra)
zal ik roepen
כָּל
(kal)
al
הַבָּשָׂ֣ר
(habasar)
het vlees
חָצִ֔יר
(chatsir)
gras
וְכָל
(vekhal)
en al
חַסְדּ֖וֹ
(chasdo)
zijn trouw
כְּצִ֥יץ
(ketsits)
als de bloem van
הַשָּׂדֶֽה
(hasade)
het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws noemt de sprekers niet.

Wij lezen: de stem zegt ‘Roep!’, een tweede spreker vraagt ‘Wat moet ik roepen?’, en het antwoord (6b–8) volgt zonder aanduiding van de spreker.

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: hier de trouw of standvastigheid van mensen, die vluchtig is als een bloem. Vergelijk Ps. 103:15–16 en 1 Petr. 1:24–25.

7Het gras verdort, de bloem valt af, want de wind van Yahweh waait erover. Ja, het volk is gras.
יָבֵ֤שׁ
(yavesh)
verdort
חָצִיר֙
(chatsir)
gras
נָ֣בֵֽל
(navel)
valt af
צִ֔יץ
(tsits)
bloem
כִּ֛י
(ki)
want
ר֥וּחַ
(ruach)
wind van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
נָ֣שְׁבָה
(nasheva)
waait
בּ֑וֹ
(bo)
erover
אָכֵ֥ן
(akhen)
ja
חָצִ֖יר
(chatsir)
gras
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ יְהוָה (ruach Yahweh), ‘de wind van Yahweh’: ruach betekent ‘wind’, ‘adem’ en ‘geest’.

Hier is het de wind die het gras doet verdorren.

In vers 13 kiezen wij voor hetzelfde woord ‘Geest’.

8Het gras verdort, de bloem valt af. Maar het woord van onze Elohim blijft voor eeuwig bestaan.”
יָבֵ֥שׁ
(yavesh)
verdort
חָצִ֖יר
(chatsir)
gras
נָ֣בֵֽל
(navel)
valt af
צִ֑יץ
(tsits)
bloem
וּדְבַר
(udevar)
maar het woord van
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
יָק֥וּם
(yaqum)
blijft bestaan
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Zie, jullie Elohim

9Klim op een hoge berg, boodschapster van Sion. Verhef je stem met kracht, boodschapster van Jeruzalem. Verhef haar en wees niet bang. Zeg tegen de steden van Juda: „Zie, jullie Elohim!”
עַ֣ל
(al)
op
הַר
(har)
berg
גָּבֹ֤הַ
(gavoha)
hoge
עֲלִי
(ali)
klim
לָךְ֙
(lakh)
voor jezelf
מְבַשֶּׂ֣רֶת
(mevaseret)
boodschapster van
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
הָרִ֤ימִי
(harimi)
verhef
בַכֹּ֨חַ֙
(bakoach)
met kracht
קוֹלֵ֔ךְ
(qolekh)
je stem
מְבַשֶּׂ֖רֶת
(mevaseret)
boodschapster van
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
הָרִ֨ימִי֙
(harimi)
verhef
אַל
(al)
niet
תִּירָ֔אִי
(tirai)
wees bang
אִמְרִי֙
(imri)
zeg
לְעָרֵ֣י
(learei)
tegen de steden van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
הִנֵּ֖ה
(hine)
zie
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Uitleg

מְבַשֶּׂרֶת (mevasseret), ‘boodschapster’: een vrouw die goed nieuws brengt.

Het Hebreeuws kan ‘boodschapster van Sion’ betekenen, maar ook ‘Sion, jij die goed nieuws brengt’.

Wij kiezen het eerste.

10Zie, Heer Yahweh komt met kracht, en Zijn arm heerst voor Hem. Zie, Zijn loon is bij Hem, en Zijn beloning gaat voor Hem uit.
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
אֲדֹנָ֤י
(adonay)
Heer
יְהוִה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּחָזָ֣ק
(bechazaq)
met kracht
יָב֔וֹא
(yavo)
komt Hij
וּזְרֹע֖וֹ
(uzeroo)
en Zijn arm
מֹ֣שְׁלָה
(moshela)
heerst
ל֑וֹ
(lo)
voor Hem
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
שְׂכָרוֹ֙
(sekharo)
Zijn loon
אִתּ֔וֹ
(ito)
bij Hem
וּפְעֻלָּת֖וֹ
(ufeulato)
en Zijn beloning
לְפָנָֽיו
(lefanav)
voor Hem uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Jes. 3:15.

שְׂכָרוֹ (secharo), ‘Zijn loon’, en פְּעֻלָּתוֹ (pe’ulatto), ‘Zijn beloning’: beide woorden betekenen loon voor gedaan werk. Het Hebreeuws zegt niet wat dat loon is.

11Als een herder weidt Hij Zijn kudde. Met Zijn arm brengt Hij de lammeren samen en draagt ze in Zijn schoot. De zogende ooien leidt Hij.
כְּרֹעֶה֙
(keroe)
als een herder
עֶדְר֣וֹ
(edro)
Zijn kudde
יִרְעֶ֔ה
(yire)
weidt Hij
בִּזְרֹעוֹ֙
(bizroo)
met Zijn arm
יְקַבֵּ֣ץ
(yeqabets)
brengt Hij samen
טְלָאִ֔ים
(telaim)
lammeren
וּבְחֵיק֖וֹ
(uvecheiqo)
en in Zijn schoot
יִשָּׂ֑א
(yisa)
draagt Hij
עָל֖וֹת
(alot)
zogende ooien
יְנַהֵֽל
(yenahel)
leidt Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָלוֹת (alot), ‘zogende ooien’: dieren die jongen zogen.

Wie is zo groot als Yahweh?

12Wie heeft het water gemeten in de holte van Zijn hand en de hemel uitgemeten met een span? Wie heeft het stof van de aarde in een maat gevat? Wie heeft de bergen gewogen met een weegschaal en de heuvels met een balans?
מִֽי
(mi)
wie
מָדַ֨ד
(madad)
heeft gemeten
בְּשָׁעֳל֜וֹ
(beshaolo)
in de holte van Zijn hand
מַ֗יִם
(mayim)
water
וְשָׁמַ֨יִם֙
(veshamayim)
en de hemel
בַּזֶּ֣רֶת
(bazeret)
met een span
תִּכֵּ֔ן
(tiken)
heeft uitgemeten
וְכָ֥ל
(vekhal)
en heeft gevat
בַּשָּׁלִ֖שׁ
(bashalish)
in een maat
עֲפַ֣ר
(afar)
het stof van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וְשָׁקַ֤ל
(veshaqal)
en heeft gewogen
בַּפֶּ֨לֶס֙
(bapeles)
met een weegschaal
הָרִ֔ים
(harim)
bergen
וּגְבָע֖וֹת
(ugevaot)
en heuvels
בְּמֹאזְנָֽיִם
(bemoznayim)
met een balans
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁעַל (sho’al), ‘holte van de hand’: de holle hand, waarin je water kunt dragen.

זֶרֶת (zeret), ‘span’: de afstand tussen duim en pink van een gespreide hand, ongeveer 22 centimeter.

שָׁלִשׁ (shalish), ‘maat’: een inhoudsmaat, misschien een derde deel van een grotere maat. De grootte is niet zeker.

13Wie heeft de Geest van Yahweh uitgemeten? En welke man, als Zijn raadgever, onderricht Hem?
מִֽי
(mi)
wie
תִכֵּ֥ן
(tiken)
heeft uitgemeten
אֶת
(et)
(obj.)
ר֖וּחַ
(ruach)
de Geest van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en welke man
עֲצָת֖וֹ
(atsato)
Zijn raadgever
יוֹדִיעֶֽנּוּ
(yodienu)
onderricht Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ יְהוָה (ruach Yahweh), ‘de Geest van Yahweh’: ruach betekent ook ‘wind’ en ‘adem’; zie vers 7.

Hier kiezen wij ‘Geest’.

Vergelijk Rom. 11:34 en 1 Kor. 2:16.

14Met wie heeft Hij overlegd? Wie liet Hem begrijpen, onderwees Hem in het pad van het recht, onderwees Hem in kennis en liet Hem de weg van het verstand kennen?
אֶת
(et)
met
מִ֤י
(mi)
wie
נוֹעָץ֙
(noats)
heeft Hij overlegd
וַיְבִינֵ֔הוּ
(vayvinehu)
en liet begrijpen
וַֽיְלַמְּדֵ֖הוּ
(vaylamedehu)
en onderwees Hem
בְּאֹ֣רַח
(beorach)
in het pad van
מִשְׁפָּ֑ט
(mishpat)
recht
וַיְלַמְּדֵ֣הוּ
(vaylamedehu)
en onderwees Hem
דַ֔עַת
(daat)
kennis
וְדֶ֥רֶךְ
(vederekh)
en de weg van
תְּבוּנ֖וֹת
(tevunot)
verstand
יוֹדִיעֶֽנּוּ
(yodienu)
liet Hem kennen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Zie, de volken zijn als een druppel uit een emmer. Zij worden geacht als stof op de weegschaal. Zie, de eilanden tilt Hij op als fijn stof.
הֵ֤ן
(hen)
zie
גּוֹיִם֙
(goyim)
volken
כְּמַ֣ר
(kemar)
als een druppel
מִדְּלִ֔י
(mideli)
uit een emmer
וּכְשַׁ֥חַק
(ukheshachaq)
en als stof van
מֹאזְנַ֖יִם
(moznayim)
de weegschaal
נֶחְשָׁ֑בוּ
(nechshavu)
worden geacht
הֵ֥ן
(hen)
zie
אִיִּ֖ים
(iyim)
eilanden
כַּדַּ֥ק
(kadaq)
als fijn stof
יִטּֽוֹל
(yitol)
tilt Hij op
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִיִּים (iyyim), ‘eilanden’: ook ‘kustlanden’, de verre landen aan de zee (zoals Ps. 97:1).

מַר מִדְּלִי (mar middeli), ‘een druppel uit een emmer’: het kleinste beetje water dat bij het scheppen overblijft.

16Libanon is niet genoeg om te branden, en zijn dieren zijn niet genoeg voor een brandoffer.
וּלְבָנ֕וֹן
(ulevanon)
en Libanon
אֵ֥ין
(ein)
is niet
דֵּ֖י
(dei)
genoeg
בָּעֵ֑ר
(baer)
om te branden
וְחַיָּת֔וֹ
(vechayato)
en zijn dieren
אֵ֥ין
(ein)
is niet
דֵּ֖י
(dei)
genoeg
עוֹלָֽה
(ola)
voor een brandoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Libanon was beroemd om zijn cederbossen.

Zelfs al zijn bomen als brandhout en al zijn dieren als offers zouden Yahweh niet genoeg eer geven.

17Alle volken zijn als niets tegenover Hem. Minder dan nietigheid en leegte worden zij door Hem geacht.
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִ֖ם
(hagoyim)
volken
כְּאַ֣יִן
(keayin)
als niets
נֶגְדּ֑וֹ
(negdo)
tegenover Hem
מֵאֶ֥פֶס
(meefes)
minder dan nietigheid
וָתֹ֖הוּ
(vatohu)
en leegte
נֶחְשְׁבוּ
(nechshevu)
worden geacht
לֽוֹ
(lo)
door Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֵאֶפֶס (me’efes), ‘minder dan nietigheid’: het voorzetsel מִן (min) kan ‘van’ of ‘minder dan’ betekenen.

Wij kiezen de vergelijking.

Dezelfde keuze maken wij in 41:24.

18Met wie vergelijken jullie El? Welke gelijkenis leggen jullie naast Hem?
וְאֶל
(veel)
en met
מִ֖י
(mi)
wie
תְּדַמְּי֣וּן
(tedameyun)
vergelijken jullie
אֵ֑ל
(el)
El
וּמַה
(uma)
en welke
דְּמ֖וּת
(demut)
gelijkenis
תַּ֥עַרְכוּ
(taarkhu)
leggen jullie
לֽוֹ
(lo)
naast Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Het beeld: een ambachtsman giet het. De smelter beslaat het met goud en maakt zilveren kettinkjes.
הַפֶּ֨סֶל֙
(hapesel)
het beeld
נָסַ֣ךְ
(nasakh)
giet
חָרָ֔שׁ
(charash)
een ambachtsman
וְצֹרֵ֖ף
(vetsoref)
en een smelter
בַּזָּהָ֣ב
(bazahav)
met goud
יְרַקְּעֶ֑נּוּ
(yeraqeenu)
beslaat hij het
וּרְתֻק֥וֹת
(uretuqot)
en kettinkjes van
כֶּ֖סֶף
(kesef)
zilver
צוֹרֵֽף
(tsoref)
een smelter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֶּסֶל (pesel), ‘beeld’: een door mensen gemaakt godenbeeld.

Wij gebruiken in dit hoofdstuk steeds dit woord.

רְתֻקוֹת (retuqot), ‘kettinkjes’: de betekenis is niet zeker; het woord staat zelden in de Bijbel.

Het Hebreeuws herhaalt aan het eind van het vers het woord צוֹרֵף (tsoref), ‘smelter’. Het zinsverband is moeilijk. Wij nemen aan dat de smelter ook de zilveren kettinkjes maakt.

20Wie te arm is voor een gave, kiest hout dat niet rot. Hij zoekt een bekwame ambachtsman om een beeld op te richten dat niet wankelt.
הַֽמְסֻכָּ֣ן
(hamsukan)
wie te arm is
תְּרוּמָ֔ה
(teruma)
voor een gave
עֵ֥ץ
(ets)
hout
לֹֽא
(lo)
niet
יִרְקַ֖ב
(yirqav)
rot
יִבְחָ֑ר
(yivchar)
kiest hij
חָרָ֤שׁ
(charash)
een ambachtsman
חָכָם֙
(chakham)
bekwame
יְבַקֶּשׁ
(yevaqesh)
zoekt hij
ל֔וֹ
(lo)
voor zich
לְהָכִ֥ין
(lehakhin)
om op te richten
פֶּ֖סֶל
(pesel)
een beeld
לֹ֥א
(lo)
niet
יִמּֽוֹט
(yimot)
wankelt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמְסֻכָּן (hamsukkan), ‘wie te arm is’: dit woord komt alleen hier voor; de betekenis is niet zeker.

תְּרוּמָה (terumah), ‘gave’: elders ‘heffing’, wat men voor een heiligdom afdraagt. Hier is het de bijdrage voor een metalen beeld, die de arme niet kan betalen.

21Weten jullie het niet? Horen jullie het niet? Is het jullie niet van het begin af verteld? Hebben jullie de grondvesten van de aarde niet begrepen?
הֲל֤וֹא
(halo)
is het niet
תֵֽדְעוּ֙
(tedeu)
weten jullie
הֲל֣וֹא
(halo)
is het niet
תִשְׁמָ֔עוּ
(tishmau)
horen jullie
הֲל֛וֹא
(halo)
is het niet
הֻגַּ֥ד
(hugad)
is verteld
מֵרֹ֖אשׁ
(merosh)
van het begin
לָכֶ֑ם
(lakhem)
aan jullie
הֲלוֹא֙
(halo)
is het niet
הֲבִ֣ינֹתֶ֔ם
(havinotem)
hebben jullie begrepen
מוֹסְד֖וֹת
(mosedot)
grondvesten van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Hij is het die troont boven de kring van de aarde, en haar bewoners zijn als sprinkhanen. Hij spant de hemel uit als een fijn doek en spreidt hem uit als een tent om in te wonen.
הַיֹּשֵׁב֙
(hayoshev)
Hij die troont
עַל
(al)
boven
ח֣וּג
(chug)
de kring van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וְיֹשְׁבֶ֖יהָ
(veyosheveiha)
en haar bewoners
כַּחֲגָבִ֑ים
(kachagavim)
zijn als sprinkhanen
הַנּוֹטֶ֤ה
(hanote)
Hij die uitspant
כַדֹּק֙
(kadoq)
als fijn doek
שָׁמַ֔יִם
(shamayim)
de hemel
וַיִּמְתָּחֵ֥ם
(vayimtachem)
en spreidt hem uit
כָּאֹ֖הֶל
(kaohel)
als een tent
לָשָֽׁבֶת
(lashavet)
om in te wonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חוּג (chug), ‘kring’: de gewelfde ronding van de aarde, de horizon.

דֹּק (doq), ‘fijn doek’: dit woord komt alleen hier voor; de betekenis is niet zeker. Vergelijk Ps. 104:2: ‘U spant de hemel uit als een tentdoek.’

חֲגָבִים (chagavim), ‘sprinkhanen’: heel klein; zie ook Num. 13:33.

23Hij maakt vorsten tot niets. De rechters van de aarde maakt Hij tot leegte.
הַנּוֹתֵ֥ן
(hanoten)
Hij die maakt
רוֹזְנִ֖ים
(rozenim)
vorsten
לְאָ֑יִן
(leayin)
tot niets
שֹׁ֥פְטֵי
(shofetei)
rechters van
אֶ֖רֶץ
(erets)
de aarde
כַּתֹּ֥הוּ
(katohu)
als leegte
עָשָֽׂה
(asa)
maakt Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Nauwelijks zijn ze geplant. Nauwelijks zijn ze gezaaid. Nauwelijks heeft hun stam wortel geschoten in de aarde, of Hij blaast op hen. Ze verdorren, en een storm voert hen weg als stro.
אַ֣ף
(af)
zelfs
בַּל
(bal)
nauwelijks
נִטָּ֗עוּ
(nitau)
zijn geplant
אַ֚ף
(af)
zelfs
בַּל
(bal)
nauwelijks
זֹרָ֔עוּ
(zorau)
zijn gezaaid
אַ֛ף
(af)
zelfs
בַּל
(bal)
nauwelijks
שֹׁרֵ֥שׁ
(shoresh)
heeft wortel geschoten
בָּאָ֖רֶץ
(baarets)
in de aarde
גִּזְעָ֑ם
(gizam)
hun stam
וְגַם
(vegam)
en ook
נָשַׁ֤ף
(nashaf)
blaast Hij
בָּהֶם֙
(bahem)
op hen
וַיִּבָ֔שׁוּ
(vayivashu)
en ze verdorren
וּסְעָרָ֖ה
(useara)
en een storm
כַּקַּ֥שׁ
(kaqash)
als stro
תִּשָּׂאֵֽם
(tisaem)
voert hen weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַף בַּל (af bal), ‘nauwelijks’: letterlijk ‘zelfs niet’.

Het staat driemaal na elkaar.

Wij vertalen: ‘nauwelijks zijn ze geplant’, enzovoort.

25„Met wie vergelijken jullie Mij, zodat Ik hem gelijk zou zijn?” zegt de Heilige.
וְאֶל
(veel)
en met
מִ֥י
(mi)
wie
תְדַמְּי֖וּנִי
(tedameyuni)
vergelijken jullie Mij
וְאֶשְׁוֶ֑ה
(veeshve)
zodat Ik gelijk ben
יֹאמַ֖ר
(yomar)
zegt
קָדֽוֹשׁ
(qadosh)
de Heilige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָדוֹשׁ (qadosh), ‘de Heilige’: een naam voor Yahweh.

Zijn woorden staan weer rood.

26Sla jullie ogen omhoog en kijk: wie heeft deze geschapen? Hij voert hun leger uit, geteld bij getal. Hij roept hen allen bij naam. Door Zijn grote kracht en Zijn sterke macht ontbreekt er niet één.
שְׂאוּ
(seu)
sla op
מָר֨וֹם
(marom)
omhoog
עֵינֵיכֶ֤ם
(eineikhem)
jullie ogen
וּרְאוּ֙
(ureu)
en kijk
מִי
(mi)
wie
בָרָ֣א
(bara)
heeft geschapen
אֵ֔לֶּה
(ele)
deze
הַמּוֹצִ֥יא
(hamotsi)
die naar buiten voert
בְמִסְפָּ֖ר
(bemispar)
bij getal
צְבָאָ֑ם
(tsevaam)
hun leger
לְכֻלָּם֙
(lekhulam)
hen allen
בְּשֵׁ֣ם
(beshem)
bij naam
יִקְרָ֔א
(yiqra)
roept Hij
מֵרֹ֤ב
(merov)
door de overvloed van
אוֹנִים֙
(onim)
kracht
וְאַמִּ֣יץ
(veamits)
en sterk van
כֹּ֔חַ
(koach)
macht
אִ֖ישׁ
(ish)
niemand
לֹ֥א
(lo)
niet
נֶעְדָּֽר
(nedar)
ontbreekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְבָאָם (tsevaam), ‘hun leger’: de sterren als het leger van de hemel.

Zie ook Ps. 147:4.

Hij geeft de vermoeide kracht

27Waarom zeg je, Jakob, en spreek je, Israël: „Mijn weg is verborgen voor Yahweh, en mijn recht gaat aan mijn Elohim voorbij”?
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
תֹאמַר֙
(tomar)
zeg je
יַֽעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וּתְדַבֵּ֖ר
(utedaber)
en spreek je
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
נִסְתְּרָ֤ה
(nistera)
verborgen is
דַרְכִּי֙
(darki)
mijn weg
מֵֽיְהוָ֔ה
(meYahweh)
voor Yahweh
וּמֵאֱלֹהַ֖י
(umeelohay)
en voor mijn Elohim
מִשְׁפָּטִ֥י
(mishpati)
mijn recht
יַעֲבֽוֹר
(yaavor)
gaat voorbij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Weet je het niet? Of heb je het niet gehoord? Yahweh is de Elohim van de eeuwigheid, de Schepper van de einden van de aarde. Hij wordt niet moe en raakt niet uitgeput. Zijn verstand is niet te doorgronden.
הֲל֨וֹא
(halo)
is het niet
יָדַ֜עְתָּ
(yadata)
heb je geweten
אִם
(im)
of
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁמַ֗עְתָּ
(shamata)
heb je gehoord
אֱלֹהֵ֨י
(elohei)
de Elohim van
עוֹלָ֤ם
(olam)
de eeuwigheid
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בּוֹרֵא֙
(bore)
Schepper van
קְצ֣וֹת
(qetsot)
de einden van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
לֹ֥א
(lo)
niet
יִיעַ֖ף
(yiaf)
wordt moe
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִיגָ֑ע
(yiga)
raakt uitgeput
אֵ֥ין
(ein)
er is geen
חֵ֖קֶר
(cheqer)
onderzoek
לִתְבוּנָתֽוֹ
(litvunato)
naar Zijn verstand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלֹהֵי עוֹלָם (Elohe olam), ‘de Elohim van de eeuwigheid’: olam is een lange, onbegrensde tijd.

תְּבוּנָה (tevunah), ‘verstand’: hetzelfde woord als in vers 14.

29Hij geeft de vermoeide kracht. Wie geen kracht heeft, geeft Hij sterkte in overvloed.
נֹתֵ֥ן
(noten)
Hij die geeft
לַיָּעֵ֖ף
(layaef)
aan de vermoeide
כֹּ֑חַ
(koach)
kracht
וּלְאֵ֥ין
(uleein)
en aan wie geen
אוֹנִ֖ים
(onim)
kracht heeft
עָצְמָ֥ה
(atsema)
sterkte
יַרְבֶּֽה
(yarbe)
vermeerdert Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Jongens worden moe en raken uitgeput. Jonge mannen struikelen zonder ophouden.
וְיִֽעֲפ֥וּ
(veyiafu)
en worden moe
נְעָרִ֖ים
(nearim)
jongens
וְיִגָ֑עוּ
(veyigau)
en raken uitgeput
וּבַחוּרִ֖ים
(uvachurim)
en jonge mannen
כָּשׁ֥וֹל
(kashol)
struikelen
יִכָּשֵֽׁלוּ
(yikashelu)
struikelen zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Wie op Yahweh hopen, vernieuwen hun kracht. Zij stijgen op met vleugels als arenden. Zij rennen en raken niet uitgeput. Zij lopen en worden niet moe.
וְקוֹיֵ֤
(veqoye)
en wie hopen op
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
יַחֲלִ֣יפוּ
(yachalifu)
vernieuwen
כֹ֔חַ
(koach)
kracht
יַעֲל֥וּ
(yaalu)
zij stijgen op
אֵ֖בֶר
(ever)
met vleugels
כַּנְּשָׁרִ֑ים
(kanesharim)
als arenden
יָר֨וּצוּ֙
(yarutsu)
zij rennen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִיגָ֔עוּ
(yigau)
raken uitgeput
יֵלְכ֖וּ
(yelekhu)
zij lopen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִיעָֽפוּ
(yiafu)
worden moe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קוֹיֵ יְהוָה (qoye Yahweh), ‘wie op Yahweh hopen’: het werkwoord קָוָה (qavah) betekent ‘hopen’ en ‘uitzien naar’.

יַחֲלִיפוּ כֹחַ (yachalifu koach), ‘zij vernieuwen hun kracht’: letterlijk ‘zij verwisselen kracht’. Dezelfde woorden staan in 41:1.