Elohim Bijbel

Psalmen 106

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Wij hebben gezondigd, maar Yahweh denkt aan Zijn verbond

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Lof en gebed om redding

1Halleluja. Dank Yahweh, want Hij is goed, want Zijn trouw is voor eeuwig.
הַֽלְלוּ
(hallu)
prijst
יָ֨הּ
(yah)
Jah
הוֹד֣וּ
(hodu)
dank
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
aan Yahweh
כִּי
(ki)
want
ט֑וֹב
(tov)
goed
כִּ֖י
(ki)
want
לְעוֹלָ֣ם
(leolam)
voor eeuwig
חַסְדּֽוֹ
(chasdo)
Zijn trouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַלְלוּ יָהּ (halelu Jah), ‘Halleluja’: ‘prijst Jah’.

Jah is een korte vorm van Yahweh.

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: verbondstrouw, goedertierenheid.

Vers 1 en de verzen 47–48 komen ook voor in 1 Kron. 16:34–36. Psalm 106 sluit het vierde deel van de Psalmen af (Ps. 90–106).

2Wie kan de krachtige daden van Yahweh uitspreken, al Zijn lof laten horen?
מִ֗י
(mi)
wie
יְ֭מַלֵּל
(yemalel)
kan uitspreken
גְּבוּר֣וֹת
(gevurot)
krachtige daden van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֝שְׁמִ֗יעַ
(yashmia)
laat horen
כָּל
(kal)
al
תְּהִלָּתֽוֹ
(tehilato)
Zijn lof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Gelukkig wie het recht bewaren, wie te allen tijde gerechtigheid doet.
אַ֭שְׁרֵי
(ashrei)
gelukkig
שֹׁמְרֵ֣י
(shomerei)
wie bewaren
מִשְׁפָּ֑ט
(mishpat)
recht
עֹשֵׂ֖ה
(ose)
wie doet
צְדָקָ֣ה
(tsedaqa)
gerechtigheid
בְכָל
(bekhal)
te allen
עֵֽת
(et)
tijde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’; צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’.

Het werkwoord ‘doet’ staat in het enkelvoud; wij vertalen ‘wie … doet’.

4Denk aan mij, Yahweh, in Uw welbehagen voor Uw volk. Bezoek mij met Uw redding:
זָכְרֵ֣נִי
(zakhereni)
denk aan mij
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
בִּרְצ֣וֹן
(birtson)
in welbehagen van
עַמֶּ֑ךָ
(amekha)
Uw volk
פָּ֝קְדֵ֗נִי
(paqedeni)
bezoek mij
בִּישׁוּעָתֶֽךָ
(bishuatekha)
met Uw redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּקַד (paqad), ‘bezoeken’: Yahweh komt zorgend bij mensen.

Zie ook Gen. 21:1.

5om het goede van Uw uitverkorenen te zien; om mij te verheugen in de vreugde van Uw natie; om mij te beroemen samen met Uw erfdeel.
לִרְא֤וֹת
(lirot)
om te zien
בְּט֘וֹבַ֤ת
(betovat)
het goede van
בְּחִירֶ֗יךָ
(bechireikha)
Uw uitverkorenen
לִ֭שְׂמֹחַ
(lismoach)
om te verheugen
בְּשִׂמְחַ֣ת
(besimchat)
in vreugde van
גּוֹיֶ֑ךָ
(goyekha)
Uw natie
לְ֝הִתְהַלֵּ֗ל
(lehithalel)
om te beroemen
עִם
(im)
samen met
נַחֲלָתֶֽךָ
(nachalatekha)
Uw erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De Rietzee en de woestijn

6Wij hebben gezondigd, evenals onze vaders. Wij hebben onrecht gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld.
חָטָ֥אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
עִם
(im)
met
אֲבוֹתֵ֗ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
הֶעֱוִ֥ינוּ
(heevinu)
wij hebben onrecht gedaan
הִרְשָֽׁעְנוּ
(hirshaenu)
wij hebben goddeloos gehandeld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier belijdt de dichter de zonden van het volk, in drie delen: bij de Rietzee (vers 7–12), in de woestijn (vers 13–33) en in het land (vers 34–46).

7Onze vaders in Egypte hadden geen inzicht in Uw wonderen. Zij dachten niet aan Uw overvloedige trouw. Zij waren weerspannig bij de zee, bij de Rietzee.
אֲב֘וֹתֵ֤ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
בְמִצְרַ֨יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
לֹא
(lo)
niet
הִשְׂכִּ֬ילוּ
(hiskilu)
hadden inzicht in
נִפְלְאוֹתֶ֗יךָ
(nifleoteikha)
Uw wonderen
לֹ֣א
(lo)
niet
זָ֭כְרוּ
(zakheru)
dachten aan
אֶת
(et)
(obj.)
רֹ֣ב
(rov)
overvloed van
חֲסָדֶ֑יךָ
(chasadeikha)
Uw trouw
וַיַּמְר֖וּ
(vayamru)
en zij waren weerspannig
עַל
(al)
bij
יָ֣ם
(yam)
zee
בְּיַם
(beyam)
bij de zee van
סֽוּף
(suf)
Riet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Rietzee (yam suf) is de zee waar Israël doorheen trok (Exod. 14).

De ligging is niet zeker: de Golf van Suez of een meer ten noorden daarvan.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

8Toch redde Hij hen omwille van Zijn naam, om Zijn kracht bekend te maken.
וַֽ֭יּוֹשִׁיעֵם
(vayoshiem)
en Hij redde hen
לְמַ֣עַן
(lemaan)
omwille van
שְׁמ֑וֹ
(shemo)
Zijn naam
לְ֝הוֹדִ֗יעַ
(lehodia)
om bekend te maken
אֶת
(et)
(obj.)
גְּבוּרָתֽוֹ
(gevurato)
Zijn kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Hij bestrafte de Rietzee, en zij droogde op. Hij liet hen door de diepten gaan als door een woestijn.
וַיִּגְעַ֣ר
(vayigar)
en Hij bestrafte
בְּיַם
(beyam)
de zee van
ס֭וּף
(suf)
Riet
וַֽיֶּחֱרָ֑ב
(vayecherav)
en zij droogde op
וַיּוֹלִיכֵ֥ם
(vayolikhem)
en Hij liet hen gaan
בַּ֝תְּהֹמ֗וֹת
(batehomot)
door de diepten
כַּמִּדְבָּֽר
(kamidbar)
als door een woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez.

De precieze plaats van de doortocht is niet zeker.

Uitleg

Zie Exod. 14:21–22 en Exod. 15:4–5.

10Hij redde hen uit de hand van wie hen haatte, en verloste hen uit de hand van de vijand.
וַֽ֭יּוֹשִׁיעֵם
(vayoshiem)
en Hij redde hen
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
שׂוֹנֵ֑א
(sone)
haters
וַ֝יִּגְאָלֵ֗ם
(vayigalem)
en Hij verloste hen
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
אוֹיֵֽב
(oyev)
vijand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11De wateren bedekten hun tegenstanders. Niet één van hen bleef over.
וַיְכַסּוּ
(vaykhasu)
en bedekten
מַ֥יִם
(mayim)
wateren
צָרֵיהֶ֑ם
(tsareihem)
hun tegenstanders
אֶחָ֥ד
(echad)
één
מֵ֝הֶ֗ם
(mehem)
van hen
לֹ֣א
(lo)
niet
נוֹתָֽר
(notar)
bleef over
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Toen geloofden zij Zijn woorden. Zij zongen Zijn lof.
וַיַּאֲמִ֥ינוּ
(vayaaminu)
en zij geloofden
בִדְבָרָ֑יו
(bidvarav)
in Zijn woorden
יָ֝שִׁ֗ירוּ
(yashiru)
zij zongen
תְּהִלָּתֽוֹ
(tehilato)
Zijn lof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Snel vergaten zij Zijn werken. Zij wachtten niet op Zijn raad.
מִֽ֭הֲרוּ
(miharu)
snel
שָׁכְח֣וּ
(shakhechu)
zij vergaten
מַעֲשָׂ֑יו
(maasav)
Zijn werken
לֹֽא
(lo)
niet
חִ֝כּ֗וּ
(chiku)
wachtten
לַעֲצָתֽוֹ
(laatsato)
op Zijn raad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Zij werden vol begeerte in de woestijn en stelden El op de proef in de wildernis.
וַיִּתְאַוּ֣וּ
(vayitauu)
en zij werden begerig
תַ֭אֲוָה
(taava)
begeerte
בַּמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
וַיְנַסּוּ
(vaynasu)
en zij stelden op de proef
אֵ֝֗ל
(el)
El
בִּֽישִׁימֽוֹן
(bishimon)
in de wildernis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְשִׁימוֹן (yeshimon), ‘wildernis’: een kale, lege streek.

Zie Num. 11:4 en Num. 11:34.

15Hij gaf hun wat zij vroegen, maar zond magerheid in hun ziel.
וַיִּתֵּ֣ן
(vayiten)
en Hij gaf
לָ֭הֶם
(lahem)
hun
שֶׁאֱלָתָ֑ם
(sheelatam)
wat zij vroegen
וַיְשַׁלַּ֖ח
(vayshalach)
en Hij zond
רָז֣וֹן
(razon)
magerheid
בְּנַפְשָֽׁם
(benafsham)
in hun ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָזוֹן (razon), ‘magerheid’: de betekenis is ‘verval’ of ‘uitputting’.

Zie Num. 11:33.

16In het kamp werden zij jaloers op Mozes en op Aäron, de heilige van Yahweh.
וַיְקַנְא֣וּ
(vayqanu)
en zij werden jaloers
לְ֭מֹשֶׁה
(lemoshe)
op Mozes
בַּֽמַּחֲנֶ֑ה
(bamachane)
in het kamp
לְ֝אַהֲרֹ֗ן
(leaharon)
op Aäron
קְד֣וֹשׁ
(qedosh)
heilige van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Num. 16:1–3.

‘De heilige van Yahweh’ is Aäron, die voor de dienst van Yahweh is afgezonderd (Num. 16:7).

17De aarde ging open en verslond Datan, en bedekte de gemeenschap van Abiram.
תִּפְתַּח
(tiftach)
ging open
אֶ֭רֶץ
(erets)
aarde
וַתִּבְלַ֣ע
(vativla)
en verslond
דָּתָ֑ן
(datan)
Datan
וַ֝תְּכַ֗ס
(vatekhas)
en bedekte
עַל
(al)
over
עֲדַ֥ת
(adat)
gemeenschap van
אֲבִירָֽם
(aviram)
Abiram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Num. 16:31–33.

Korach wordt hier niet genoemd.

Datan en Abiram zijn de mannen die de aarde verslond.

18Een vuur ontbrandde in hun gemeenschap. Een vlam verbrandde de goddelozen.
וַתִּבְעַר
(vativar)
en ontbrandde
אֵ֥שׁ
(esh)
vuur
בַּעֲדָתָ֑ם
(baadatam)
in hun gemeenschap
לֶ֝הָבָ֗ה
(lehava)
vlam
תְּלַהֵ֥ט
(telahet)
verbrandde
רְשָׁעִֽים
(reshaim)
goddelozen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Num. 16:35.

Het gouden kalf

19Zij maakten een kalf bij de Horeb en bogen zich neer voor een gegoten beeld.
יַעֲשׂוּ
(yaasu)
zij maakten
עֵ֥גֶל
(egel)
kalf
בְּחֹרֵ֑ב
(bechorev)
bij de Horeb
וַ֝יִּשְׁתַּחֲו֗וּ
(vayishtachavu)
en zij bogen zich neer
לְמַסֵּכָֽה
(lemasekha)
voor een gegoten beeld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Horeb is een andere naam voor de Sinaï (Exod. 3:1; Deut. 5:2).

De ligging van de berg is onzeker; traditioneel wordt hij gezocht bij de Gebel Musa in het zuiden van het schiereiland Sinaï (Egypte).

Uitleg

Zie Exod. 32:1–8.

מַסֵּכָה (massekhah), ‘gegoten beeld’.

20Zij ruilden hun heerlijkheid in voor het beeld van een stier die gras eet.
וַיָּמִ֥ירוּ
(vayamiru)
en zij ruilden in
אֶת
(et)
(obj.)
כְּבוֹדָ֑ם
(kevodam)
hun heerlijkheid
בְּתַבְנִ֥ית
(betavnit)
voor het beeld van
שׁ֝֗וֹר
(shor)
stier
אֹכֵ֥ל
(okhel)
etend
עֵֽשֶׂב
(esev)
gras
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

‘Hun heerlijkheid’ (kevodam) is hier Elohim zelf, de heerlijkheid van Israël.

Vergelijk Jer. 2:11, waar het volk ‘zijn heerlijkheid’ ruilt voor wat niet helpt.

21Zij vergaten El, hun redder, die grote dingen deed in Egypte,
שָׁ֭כְחוּ
(shakhechu)
zij vergaten
אֵ֣ל
(el)
El
מוֹשִׁיעָ֑ם
(moshiam)
hun redder
עֹשֶׂ֖ה
(ose)
die deed
גְדֹל֣וֹת
(gedolot)
grote dingen
בְּמִצְרָֽיִם
(bemitsrayim)
in Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

22wonderen in het land van Cham, ontzagwekkende daden bij de Rietzee.
נִ֭פְלָאוֹת
(niflaot)
wonderen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
חָ֑ם
(cham)
Cham
נ֝וֹרָא֗וֹת
(noraot)
ontzagwekkende daden
עַל
(al)
bij
יַם
(yam)
de zee van
סֽוּף
(suf)
Riet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Land van Cham (Egypte): Cham is hier een dichterlijke naam voor Egypte (zie Psalm 105:23): het land van Cham is Egypte, rond de Nijl.

Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez.

De precieze plaats van de doortocht is niet zeker.

23Toen zei Hij dat Hij hen wilde verdelgen. Maar Mozes, Zijn uitverkorene, stond voor Hem in de bres om Zijn woede af te wenden, zodat die hen niet zou vernietigen.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
לְֽהַשְׁמִ֫ידָ֥ם
(lehashmidam)
om hen te verdelgen
לוּלֵ֡י
(lulei)
als niet
מֹ֘שֶׁ֤ה
(moshe)
Mozes
בְחִיר֗וֹ
(bechiro)
Zijn uitverkorene
עָמַ֣ד
(amad)
stond
בַּפֶּ֣רֶץ
(baperets)
in de bres
לְפָנָ֑יו
(lefanav)
voor Hem
לְהָשִׁ֥יב
(lehashiv)
om af te wenden
חֲ֝מָת֗וֹ
(chamato)
Zijn woede
מֵֽהַשְׁחִֽית
(mehashchit)
van vernietigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Exod. 32:9–14.

‘In de bres staan’ betekent: in de opening van de gebroken muur staan, om de stad te beschermen.

Mozes bidt voor het volk.

Opstand in de woestijn

24Zij verwierpen het begeerlijke land en geloofden Zijn woord niet.
וַֽ֭יִּמְאֲסוּ
(vayimasu)
en zij verwierpen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
land van
חֶמְדָּ֑ה
(chemda)
begeerlijk
לֹֽא
(lo)
niet
הֶ֝אֱמִ֗ינוּ
(heeminu)
geloofden
לִדְבָרֽוֹ
(lidvaro)
Zijn woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Num. 14:1–4.

‘Het begeerlijke land’ is Kanaän.

25Zij morden in hun tenten en luisterden niet naar de stem van Yahweh.
וַיֵּרָגְנ֥וּ
(vayeragenu)
en zij morden
בְאָהֳלֵיהֶ֑ם
(beaholeihem)
in hun tenten
לֹ֥א
(lo)
niet
שָׁ֝מְע֗וּ
(shameu)
luisterden
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Toen hief Hij Zijn hand over hen op om hen in de woestijn te laten vallen;
וַיִּשָּׂ֣א
(vayisa)
en Hij hief op
יָד֣וֹ
(yado)
Zijn hand
לָהֶ֑ם
(lahem)
over hen
לְהַפִּ֥יל
(lehapil)
om te laten vallen
א֝וֹתָ֗ם
(otam)
hen
בַּמִּדְבָּֽר
(bamidbar)
in de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Zijn hand opheffen’ is een eed zweren.

Zie Num. 14:28–35.

Hij zwoer dat die generatie in de woestijn zou sterven.

27om hun nageslacht onder de volken te laten vallen en hen over de landen te verspreiden.
וּלְהַפִּ֣יל
(ulehapil)
en om te laten vallen
זַ֭רְעָם
(zaram)
hun nageslacht
בַּגּוֹיִ֑ם
(bagoyim)
onder de volken
וּ֝לְזָרוֹתָ֗ם
(ulezarotam)
en om hen te verspreiden
בָּאֲרָצֽוֹת
(baaratsot)
over de landen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws heeft hier ‘laten vallen’, zoals in vers 26.

Ezech. 20:23 heeft een vergelijkbare uitspraak met ‘verspreiden’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

Zie ook Lev. 26:33 en Deut. 28:64.

Baäl-Peor en Meriba

28Zij hechtten zich aan Baäl-Peor en aten de slachtoffers van de doden.
וַ֭יִּצָּ֣מְדוּ
(vayitsamedu)
en zij hechtten zich
לְבַ֣עַל
(levaal)
aan Baäl
פְּע֑וֹר
(peor)
Peor
וַ֝יֹּאכְל֗וּ
(vayokhlu)
en zij aten
זִבְחֵ֥י
(zivchei)
slachtoffers van
מֵתִֽים
(metim)
doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Baäl-Peor ligt in Moab, ten oosten van de Jordaan (Jordanië).

De ligging is onzeker; zie Num. 25:1–3.

Uitleg

זִבְחֵי מֵתִים (zivche metim), ‘slachtoffers van de doden’: offers aan de afgoden, die ‘dood’ zijn, of offers aan de doden.

29Zij tartten Hem met hun daden, en een plaag brak onder hen los.
וַ֭יַּכְעִיסוּ
(vayakhisu)
en zij tartten
בְּמַֽעַלְלֵיהֶ֑ם
(bemaalleihem)
met hun daden
וַתִּפְרָץ
(vatifrats)
en brak los
בָּ֝֗ם
(bam)
onder hen
מַגֵּפָֽה
(magefa)
plaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Toen stond Pinechas op en greep in, en de plaag werd gestopt.
וַיַּעֲמֹ֣ד
(vayaamod)
en stond op
פִּֽ֭ינְחָס
(pinechas)
Pinechas
וַיְפַלֵּ֑ל
(vayfalel)
en greep in
וַ֝תֵּעָצַ֗ר
(vateatsar)
en werd gestopt
הַמַּגֵּפָֽה
(hamagefa)
de plaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיְפַלֵּל (wayefallel), ‘hij greep in’: de betekenis is onzeker.

Het kan ook ‘hij trad op als rechter’ of ‘hij bad’ betekenen.

Zie Num. 25:7–8.

31Dat werd hem als gerechtigheid toegerekend, van generatie op generatie, tot in eeuwigheid.
וַתֵּחָ֣שֶׁב
(vatechashev)
en werd toegerekend
ל֭וֹ
(lo)
aan hem
לִצְדָקָ֑ה
(litsdaqa)
als gerechtigheid
לְדֹ֥ר
(ledor)
van generatie
וָ֝דֹ֗ר
(vador)
en generatie
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Gen. 15:6, waar hetzelfde werkwoord en dezelfde woorden staan voor Abraham.

Zie ook Num. 25:10–13.

32Zij maakten Hem ook boos bij de wateren van Meriba, en het ging Mozes slecht om hunnentwil.
וַ֭יַּקְצִיפוּ
(vayaqtsifu)
en zij maakten boos
עַל
(al)
bij
מֵ֥י
(mei)
wateren van
מְרִיבָ֑ה
(meriva)
Meriba
וַיֵּ֥רַע
(vayera)
en het ging slecht
לְ֝מֹשֶׁ֗ה
(lemoshe)
met Mozes
בַּעֲבוּרָֽם
(baavuram)
om hunnentwil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Meriba (‘ruzie’): het water bij Kades.

De ligging is onzeker; zie Num. 20:1–13.

33Want zij waren weerspannig tegen zijn geest, en hij sprak onbezonnen met zijn lippen.
כִּֽי
(ki)
want
הִמְר֥וּ
(himru)
zij waren weerspannig
אֶת
(et)
tegen
רוּח֑וֹ
(rucho)
zijn geest
וַ֝יְבַטֵּ֗א
(vayvate)
en hij sprak onbezonnen
בִּשְׂפָתָֽיו
(bisfatav)
met zijn lippen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

‘Zijn geest’ kan de geest van Mozes zijn (zij maakten hem verbitterd) of de Geest van Yahweh.

Wij vertalen ‘zijn geest’ met kleine letter, omdat het tweede deel van het vers over Mozes gaat (Num. 20:10).

Afgoderij in het land

34Zij verdelgden de volken niet, zoals Yahweh hun gezegd had.
לֹֽא
(lo)
niet
הִ֭שְׁמִידוּ
(hishmidu)
zij verdelgden
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽעַמִּ֑ים
(haamim)
de volken
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
אָמַ֖ר
(amar)
zei
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
לָהֶֽם
(lahem)
hun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Deut. 7:2 en Deut. 20:16–18.

35Zij vermengden zich met de volken en leerden hun daden.
וַיִּתְעָרְב֥וּ
(vayitarevu)
en zij vermengden zich
בַגּוֹיִ֑ם
(bagoyim)
met de volken
וַֽ֝יִּלְמְד֗וּ
(vayilmedu)
en zij leerden
מַֽעֲשֵׂיהֶֽם
(maaseihem)
hun daden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Zij dienden hun afgodsbeelden, en die werden voor hen een valstrik.
וַיַּעַבְד֥וּ
(vayaavdu)
en zij dienden
אֶת
(et)
(obj.)
עֲצַבֵּיהֶ֑ם
(atsabeihem)
hun afgodsbeelden
וַיִּהְי֖וּ
(vayihyu)
en zij werden
לָהֶ֣ם
(lahem)
voor hen
לְמוֹקֵֽשׁ
(lemoqesh)
tot valstrik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲצַבִּים (atsabbim), ‘afgodsbeelden’: door mensen gemaakte beelden.

Zie ook Richt. 2:12–13.

37Zij brachten hun zonen en hun dochters als slachtoffer aan de demonen.
וַיִּזְבְּח֣וּ
(vayizbechu)
en zij brachten slachtoffers
אֶת
(et)
(obj.)
בְּ֭נֵיהֶם
(beneihem)
hun zonen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנֽוֹתֵיהֶ֗ם
(benoteihem)
hun dochters
לַשֵּֽׁדִים
(lashedim)
aan de demonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֵׁדִים (shedim), ‘demonen’: geesten achter de afgoden.

Het woord komt ook voor in Deut. 32:17.

38Zij vergoten onschuldig bloed, het bloed van hun zonen en dochters, die zij offerden aan de afgodsbeelden van Kanaän. Het land werd bezoedeld door het bloed.
וַיִּֽשְׁפְּכ֨וּ
(vayishpekhu)
en zij vergoten
דָ֪ם
(dam)
bloed
נָקִ֡י
(naqi)
onschuldig
דַּם
(dam)
bloed van
בְּנֵ֘יהֶ֤ם
(beneihem)
hun zonen
וּֽבְנוֹתֵיהֶ֗ם
(uvenoteihem)
en hun dochters
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
זִ֭בְּחוּ
(zibechu)
zij offerden
לַעֲצַבֵּ֣י
(laatsabei)
aan afgodsbeelden van
כְנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
וַתֶּחֱנַ֥ף
(vatechenaf)
en werd bezoedeld
הָ֝אָ֗רֶץ
(haarets)
het land
בַּדָּמִֽים
(badamim)
door het bloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

Zie Num. 35:33–34: bloed bezoedelt het land.

39Zij werden onrein door hun werken en hoereerden met hun daden.
וַיִּטְמְא֥וּ
(vayitmeu)
en zij werden onrein
בְמַעֲשֵׂיהֶ֑ם
(bemaaseihem)
door hun werken
וַ֝יִּזְנוּ֗
(vayiznu)
en zij hoereerden
בְּמַֽעַלְלֵיהֶֽם
(bemaalleihem)
met hun daden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh straft en ontfermt Zich

40Toen ontbrandde de toorn van Yahweh tegen Zijn volk, en Hij verafschuwde Zijn erfdeel.
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֣ף
(af)
toorn van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּעַמּ֑וֹ
(beamo)
tegen Zijn volk
וַ֝יְתָעֵ֗ב
(vaytaev)
en Hij verafschuwde
אֶת
(et)
(obj.)
נַחֲלָתֽוֹ
(nachalato)
Zijn erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41Hij gaf hen in de hand van de volken, en wie hen haatten, heersten over hen.
וַיִּתְּנֵ֥ם
(vayitenem)
en Hij gaf hen
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
גּוֹיִ֑ם
(goyim)
volken
וַֽיִּמְשְׁל֥וּ
(vayimshelu)
en heersten
בָ֝הֶ֗ם
(bahem)
over hen
שֹׂנְאֵיהֶֽם
(soneeihem)
wie hen haatten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42Hun vijanden onderdrukten hen, en zij werden gebogen onder hun hand.
וַיִּלְחָצ֥וּם
(vayilchatsum)
en onderdrukten hen
אוֹיְבֵיהֶ֑ם
(oyeveihem)
hun vijanden
וַ֝יִּכָּנְע֗וּ
(vayikaneu)
en zij werden gebogen
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
יָדָֽם
(yadam)
hun hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43Vele malen bevrijdde Hij hen. Maar zij waren weerspannig met hun eigen raad en zakten weg in hun schuld.
פְּעָמִ֥ים
(peamim)
malen
רַבּ֗וֹת
(rabot)
vele
יַצִּ֫ילֵ֥ם
(yatsilem)
Hij bevrijdde hen
וְ֭הֵמָּה
(vehema)
en zij
יַמְר֣וּ
(yamru)
waren weerspannig
בַעֲצָתָ֑ם
(baatsatam)
met hun raad
וַ֝יָּמֹ֗כּוּ
(vayamoku)
en zakten weg
בַּעֲוֺנָֽם
(baavonam)
in hun schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָכַךְ (makak), ‘wegzinken’: het werkwoord betekent ‘laag worden, bezwijken’.

44Toch zag Hij hun nood aan toen Hij hun roep hoorde.
וַ֭יַּרְא
(vayar)
en Hij zag
בַּצַּ֣ר
(batsar)
de nood
לָהֶ֑ם
(lahem)
hun
בְּ֝שָׁמְע֗וֹ
(beshameo)
toen Hij hoorde
אֶת
(et)
(obj.)
רִנָּתָֽם
(rinatam)
hun roep
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
45Hij dacht aan Zijn verbond met hen en kreeg berouw naar de grootte van Zijn trouw.
וַיִּזְכֹּ֣ר
(vayizkor)
en Hij dacht aan
לָהֶ֣ם
(lahem)
voor hen
בְּרִית֑וֹ
(berito)
Zijn verbond
וַ֝יִּנָּחֵ֗ם
(vayinachem)
en kreeg berouw
כְּרֹ֣ב
(kerov)
naar de grootte van
חֲסָדָֽיו
(chasadav)
Zijn trouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָחַם (nacham), ‘berouw krijgen’: Yahweh laat Zich door Zijn trouw bewegen om het aangekondigde kwaad niet te doen.

Zie ook Exod. 32:14.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is חסדו, ‘Zijn trouw’ (enkelvoud).

De te lezen vorm (qere) is חסדיו, ‘Zijn trouwbewijzen’ (meervoud).

Wij volgen de qere en vertalen ‘Zijn trouw’.

46Hij liet hen ontferming vinden bij allen die hen gevangen hielden.
וַיִּתֵּ֣ן
(vayiten)
en Hij gaf
אוֹתָ֣ם
(otam)
hen
לְרַחֲמִ֑ים
(lerachamim)
tot ontferming
לִ֝פְנֵ֗י
(lifnei)
voor het aangezicht van
כָּל
(kal)
allen
שׁוֹבֵיהֶֽם
(shoveihem)
die hen gevangen hielden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Gebed om verzameling

47Red ons, Yahweh, onze Elohim, en verzamel ons uit de volken, om Uw heilige naam te danken en ons te beroemen in Uw lof.
הוֹשִׁיעֵ֨נוּ
(hoshienu)
red ons
יְה֘וָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֗ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
וְקַבְּצֵנוּ֮
(veqabetsenu)
en verzamel ons
מִֽן
(min)
uit
הַגּ֫וֹיִ֥ם
(hagoyim)
de volken
לְ֭הֹדוֹת
(lehodot)
om te danken
לְשֵׁ֣ם
(leshem)
aan de naam van
קָדְשֶׁ֑ךָ
(qadeshekha)
Uw heiligheid
לְ֝הִשְׁתַּבֵּ֗חַ
(lehishtabeach)
om ons te beroemen
בִּתְהִלָּתֶֽךָ
(bithilatekha)
in Uw lof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit gebed vraagt om terugkeer uit de ballingschap.

Het staat ook in 1 Kron. 16:35, daar met ‘Elohim van onze redding’.

48Gezegend is Yahweh, de Elohim van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Heel het volk zal zeggen: „Amen!” Halleluja.
בָּר֤וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֪י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֡ל
(yisrael)
Israël
מִן
(min)
van
הָ֤עוֹלָ֨ם
(haolam)
eeuwigheid
וְעַ֬ד
(vead)
en tot
הָעוֹלָ֗ם
(haolam)
eeuwigheid
וְאָמַ֖ר
(veamar)
en zal zeggen
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
אָמֵ֗ן
(amen)
amen
הַֽלְלוּ
(hallu)
prijst
יָֽהּ
(yah)
Jah
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is de lofprijzing waarmee het vierde deel van de Psalmen sluit.

Vergelijk 1 Kron. 16:36, waar ‘Heel het volk zei: Amen’ staat.