Abimelech wordt koning, Jotam vertelt zijn fabel en Sichem valt
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Abimelech wil koning worden
1Abimelech, de zoon van Jerubbaal, ging naar Sichem, naar de broers van zijn moeder. Hij sprak tot hen en tot heel de familie van het huis van de vader van zijn moeder:
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
אֲבִימֶ֤לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
בֶּן
(ben)
de zoon van
יְרֻבַּ֨עַל֙
(yerubaal)
Jerubbaal
שְׁכֶ֔מָה
(shekhema)
naar Sichem
אֶל
(el)
tot
אֲחֵ֖י
(achei)
de broers van
אִמּ֑וֹ
(imo)
zijn moeder
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en hij sprak
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tot hen
וְאֶל
(veel)
en tot
כָּל
(kal)
heel
מִשְׁפַּ֛חַת
(mishpachat)
de familie van
בֵּית
(beit)
het huis van
אֲבִ֥י
(avi)
de vader van
אִמּ֖וֹ
(imo)
zijn moeder
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Sichem ligt bij het huidige Nablus (Tell Balata), op de Westelijke Jordaanoever.
Het ligt in het bergland van Efraïm, tussen de bergen Gerizim en Ebal.
Uitleg
Jerubbaal is de andere naam van Gideon (Richt. 6:32; 8:35).
Abimelechs moeder kwam uit Sichem (Richt. 8:31).
Daarom gaat hij naar de familie van zijn moeder.
אֲבִימֶלֶךְ (Avimelech), ‘Abimelech’: de naam betekent ‘mijn vader is koning’.
2„Zeg toch tegen alle heren van Sichem: ‘Wat is goed voor jullie? Dat zeventig mannen, alle zonen van Jerubbaal, over jullie heersen, of dat één man over jullie heerst? Denk eraan dat ik jullie bot en jullie vlees ben.’”
דַּבְּרוּ
(daberu)
spreek
נָ֞א
(na)
toch
בְּאָזְנֵ֨י
(beazenei)
in de oren van
כָל
(kal)
alle
בַּעֲלֵ֣י
(baalei)
de heren van
שְׁכֶם֮
(shekhem)
Sichem
מַה
(ma)
wat
טּ֣וֹב
(tov)
goed
לָכֶם֒
(lakhem)
voor jullie
הַמְשֹׁ֨ל
(hamshol)
heersen
בָּכֶ֜ם
(bakhem)
over jullie
שִׁבְעִ֣ים
(shivim)
zeventig
אִ֗ישׁ
(ish)
man
כֹּ֚ל
(kol)
alle
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יְרֻבַּ֔עַל
(yerubaal)
Jerubbaal
אִם
(im)
of
מְשֹׁ֥ל
(meshol)
heerst
בָּכֶ֖ם
(bakhem)
over jullie
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֶחָ֑ד
(echad)
één
וּזְכַרְתֶּ֕ם
(uzekhartem)
en denk eraan
כִּֽי
(ki)
dat
עַצְמֵכֶם
(atsmekhem)
jullie bot
וּבְשַׂרְכֶ֖ם
(uvesarkhem)
en jullie vlees
אָנִֽי
(ani)
ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בַּעַל (ba’al), ‘heer’: een eigenaar, een inwoner met rechten, een burger.
Het woord is hier niet de afgod Baäl.
Wij vertalen ‘heren van Sichem’.
Het woord keert terug in vers 3, 6, 18, 20, 23 en verder.
מָשַׁל (mashal), ‘heersen’: wij vertalen dit woord steeds met ‘heersen’. Een ander woord, שָׁרַר (sarar), vertalen wij met ‘regeren’ (vers 22).
עַצְמְכֶם וּבְשַׂרְכֶם (atsmechem uvesarchem), ‘jullie bot en jullie vlees’: zo zegt men dat iemand bij je familie hoort (vergelijk Gen. 29:14).
3De broers van zijn moeder zeiden al deze woorden over hem tegen alle heren van Sichem. Hun hart neigde naar Abimelech, want zij zeiden: „Hij is onze broer.”
וַיְדַבְּר֨וּ
(vaydaberu)
en zij spraken
אֲחֵֽי
(achei)
de broers van
אִמּ֜וֹ
(imo)
zijn moeder
עָלָ֗יו
(alav)
over hem
בְּאָזְנֵי֙
(beazenei)
in de oren van
כָּל
(kal)
alle
בַּעֲלֵ֣י
(baalei)
de heren van
שְׁכֶ֔ם
(shekhem)
Sichem
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וַיֵּ֤ט
(vayet)
en neigde
לִבָּם֙
(libam)
hun hart
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
אֲבִימֶ֔לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
כִּ֥י
(ki)
want
אָמְר֖וּ
(ameru)
zij zeiden
אָחִ֥ינוּ
(achinu)
onze broer
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Zij gaven hem zeventig zilverstukken uit het huis van Baäl-Berit. Abimelech huurde daarmee nietsnutten en roekeloze mannen. Zij gingen achter hem aan.
וַיִּתְּנוּ
(vayitenu)
en zij gaven
לוֹ֙
(lo)
hem
שִׁבְעִ֣ים
(shivim)
zeventig
כֶּ֔סֶף
(kesef)
zilver
מִבֵּ֖יתּ
(mibeit)
uit het huis van
בַ֣עַל
(baal)
Baäl
בְּרִ֑ית
(berit)
Berit
וַיִּשְׂכֹּ֨ר
(vayiskor)
en huurde
בָּהֶ֜ם
(bahem)
met hen
אֲבִימֶ֗לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
אֲנָשִׁ֤ים
(anashim)
mannen
רֵיקִים֙
(reiqim)
nietsnutten
וּפֹ֣חֲזִ֔ים
(ufochazim)
en roekeloze
וַיֵּלְכ֖וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
אַחֲרָֽיו
(acharav)
achter hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws zegt ‘zeventig zilver’ en noemt geen munt of gewicht.
Wij schrijven ‘zilverstukken’.
Waarschijnlijk zijn het sikkels (een sikkel is ongeveer 11,4 gram), samen ongeveer 800 gram zilver.
בַּעַל בְּרִית (Baäl-Berit), ‘heer van het verbond’: de naam van de god van Sichem. In vers 46 heet hij El-Berit, ‘god van het verbond’.
רֵיקִים (reqim), ‘nietsnutten’: letterlijk ‘leeg’, mannen zonder bezit en zonder werk. Dezelfde omschrijving staat bij de mannen die Jefta volgen (Richt. 11:3).
5Hij ging naar het huis van zijn vader in Ofra. Daar doodde hij zijn broers, de zonen van Jerubbaal, zeventig man, op één steen. Jotam, de jongste zoon van Jerubbaal, bleef over, want hij had zich verborgen.
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en hij kwam
בֵית
(beit)
het huis van
אָבִיו֙
(aviv)
zijn vader
עָפְרָ֔תָה
(aferata)
naar Ofra
וַֽיַּהֲרֹ֞ג
(vayaharog)
en hij doodde
אֶת
(et)
(obj.)
אֶחָ֧יו
(echav)
zijn broers
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יְרֻבַּ֛עַל
(yerubaal)
Jerubbaal
שִׁבְּעִ֥ים
(shibeim)
zeventig
אִ֖ישׁ
(ish)
man
עַל
(al)
op
אֶ֣בֶן
(even)
steen
אֶחָ֑ת
(echat)
één
וַיִּוָּתֵ֞ר
(vayivater)
en bleef over
יוֹתָ֧ם
(yotam)
Jotam
בֶּן
(ben)
de zoon van
יְרֻבַּ֛עַל
(yerubaal)
Jerubbaal
הַקָּטֹ֖ן
(haqaton)
de jongste
כִּ֥י
(ki)
want
נֶחְבָּֽא
(nechba)
hij had zich verborgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Ofra, de plaats van Gideons familie (Richt. 6:11, 24), ligt waarschijnlijk in het noorden van het bergland van Manasse.
De precieze plek is onzeker.
Het ligt in elk geval ver van Sichem.
Uitleg
‘Op één steen’ keert terug in vers 18.
Het wijst erop dat alle broers op dezelfde plaats werden gedood.
7Men vertelde het aan Jotam. Hij ging naar de top van de berg Gerizim en stond daar. Hij verhief zijn stem en riep tegen hen: „Luister naar mij, heren van Sichem, dan luistert Elohim naar jullie.
וַיַּגִּ֣דוּ
(vayagidu)
en zij vertelden
לְיוֹתָ֗ם
(leyotam)
aan Jotam
וַיֵּ֨לֶךְ֙
(vayelekh)
en hij ging
וַֽיַּעֲמֹד֙
(vayaamod)
en hij stond
בְּרֹ֣אשׁ
(berosh)
op de top van
הַר
(har)
de berg
גְּרִזִ֔ים
(gerizim)
Gerizim
וַיִּשָּׂ֥א
(vayisa)
en hij verhief
קוֹל֖וֹ
(qolo)
zijn stem
וַיִּקְרָ֑א
(vayiqra)
en hij riep
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶ֗ם
(lahem)
tot hen
שִׁמְע֤וּ
(shimu)
luister
אֵלַי֙
(elay)
naar mij
בַּעֲלֵ֣י
(baalei)
heren van
שְׁכֶ֔ם
(shekhem)
Sichem
וְיִשְׁמַ֥ע
(veyishma)
en luistert
אֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
naar jullie
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gerizim is de berg ten zuiden van Sichem, ongeveer 880 meter hoog, bij het huidige Nablus (Westelijke Jordaanoever).
Bij deze berg werd de zegen uitgesproken (Deut. 11:29; 27:12).
Uitleg
De fabel in vers 8–15 is een verhaal waarin bomen spreken.
Jotam vertelt het als een beeld voor wat de mannen van Sichem met Abimelech hebben gedaan.
15De doornstruik zei tegen de bomen: ‘Als jullie mij echt tot koning over jullie zalven, kom dan en schuil in mijn schaduw. Zo niet, dan komt er vuur uit de doornstruik, dat de ceders van de Libanon verteert.’
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הָאָטָד֮
(haatad)
de doornstruik
אֶל
(el)
tegen
הָעֵצִים֒
(haetsim)
de bomen
אִ֡ם
(im)
als
בֶּאֱמֶ֣ת
(beemet)
in waarheid
אַתֶּם֩
(atem)
jullie
מֹשְׁחִ֨ים
(moshechim)
zalven
אֹתִ֤י
(oti)
mij
לְמֶ֨לֶךְ֙
(lemelekh)
tot koning
עֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
over jullie
בֹּ֖אוּ
(bou)
kom
חֲס֣וּ
(chasu)
schuil
בְצִלִּ֑י
(betsili)
in mijn schaduw
וְאִם
(veim)
en als
אַ֕יִן
(ayin)
niet
תֵּ֤צֵא
(tetse)
komt uit
אֵשׁ֙
(esh)
vuur
מִן
(min)
uit
הָ֣אָטָ֔ד
(haatad)
de doornstruik
וְתֹאכַ֖ל
(vetokhal)
en verteert
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְזֵ֥י
(arzei)
de ceders van
הַלְּבָנֽוֹן
(halevanon)
de Libanon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.
Uitleg
De doornstruik belooft schaduw, maar een lage struik geeft nauwelijks schaduw.
Daarna volgt de dreiging van vuur: vuur uit een doornstruik kan zelfs de hoge ceders van de Libanon verteren.
16Nu dan: als jullie echt en oprecht hebben gehandeld toen jullie Abimelech koning maakten, en als jullie goed hebben gedaan aan Jerubbaal en zijn huis, en als jullie hem hebben gedaan wat zijn handen verdienden,
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
אִם
(im)
als
בֶּאֱמֶ֤ת
(beemet)
in waarheid
וּבְתָמִים֙
(uvetamim)
en oprecht
עֲשִׂיתֶ֔ם
(asitem)
jullie hebben gehandeld
וַתַּמְלִ֖יכוּ
(vatamlikhu)
en jullie maakten koning
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבִימֶ֑לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
וְאִם
(veim)
en als
טוֹבָ֤ה
(tova)
goed
עֲשִׂיתֶם֙
(asitem)
jullie hebben gedaan
עִם
(im)
aan
יְרֻבַּ֣עַל
(yerubaal)
Jerubbaal
וְעִם
(veim)
en aan
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
וְאִם
(veim)
en als
כִּגְמ֥וּל
(kigmul)
naar de daad van
יָדָ֖יו
(yadav)
zijn handen
עֲשִׂ֥יתֶם
(asitem)
jullie hebben gedaan
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Vers 16 begint met ‘als’ en vers 19 gaat daarmee verder: ‘wees dan blij met Abimelech’.
Vers 17–18 ligt daar tussenin en legt uit wat Jerubbaal voor Sichem deed en wat Sichem terugdeed.
18Maar jullie zijn vandaag opgestaan tegen het huis van mijn vader. Jullie hebben zijn zonen gedood, zeventig man, op één steen. Jullie hebben Abimelech, de zoon van zijn dienares, koning gemaakt over de heren van Sichem, omdat hij jullie broer is.
וְאַתֶּ֞ם
(veatem)
en jullie
קַמְתֶּ֨ם
(qamtem)
zijn opgestaan
עַל
(al)
tegen
בֵּ֤ית
(beit)
het huis van
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
וַתַּהַרְג֧וּ
(vatahargu)
en jullie doodden
אֶת
(et)
(obj.)
בָּנָ֛יו
(banav)
zijn zonen
שִׁבְעִ֥ים
(shivim)
zeventig
אִ֖ישׁ
(ish)
man
עַל
(al)
op
אֶ֣בֶן
(even)
steen
אֶחָ֑ת
(echat)
één
וַתַּמְלִ֜יכוּ
(vatamlikhu)
en jullie maakten koning
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבִימֶ֤לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
בֶּן
(ben)
de zoon van
אֲמָתוֹ֙
(amato)
zijn dienares
עַל
(al)
over
בַּעֲלֵ֣י
(baalei)
de heren van
שְׁכֶ֔ם
(shekhem)
Sichem
כִּ֥י
(ki)
want
אֲחִיכֶ֖ם
(achikhem)
jullie broer
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Als jullie vandaag echt en oprecht hebben gehandeld tegenover Jerubbaal en zijn huis, wees dan blij met Abimelech. Dan zal ook hij blij zijn met jullie.
וְאִם
(veim)
en als
בֶּאֱמֶ֨ת
(beemet)
in waarheid
וּבְתָמִ֧ים
(uvetamim)
en oprecht
עֲשִׂיתֶ֛ם
(asitem)
jullie hebben gehandeld
עִם
(im)
met
יְרֻבַּ֥עַל
(yerubaal)
Jerubbaal
וְעִם
(veim)
en met
בֵּית֖וֹ
(beito)
zijn huis
הַיּ֣וֹם
(hayom)
vandaag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
שִׂמְחוּ֙
(simchu)
wees blij
בַּאֲבִימֶ֔לֶךְ
(baavimelekh)
in Abimelech
וְיִשְׂמַ֥ח
(veyismach)
en laat hem blij zijn
גַּם
(gam)
ook
ה֖וּא
(hu)
hij
בָּכֶֽם
(bakhem)
in jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Zo niet, dan komt er vuur uit Abimelech, dat de heren van Sichem en Bet-Millo verteert. En er komt vuur uit de heren van Sichem en uit Bet-Millo, dat Abimelech verteert.”
וְאִם
(veim)
en als
אַ֕יִן
(ayin)
niet
תֵּ֤צֵא
(tetse)
komt uit
אֵשׁ֙
(esh)
vuur
מֵאֲבִימֶ֔לֶךְ
(meavimelekh)
van Abimelech
וְתֹאכַ֛ל
(vetokhal)
en verteert
אֶת
(et)
(obj.)
בַּעֲלֵ֥י
(baalei)
de heren van
שְׁכֶ֖ם
(shekhem)
Sichem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
מִלּ֑וֹא
(milo)
Millo
וְתֵצֵ֨א
(vetetse)
en komt uit
אֵ֜שׁ
(esh)
vuur
מִבַּעֲלֵ֤י
(mibaalei)
van de heren van
שְׁכֶם֙
(shekhem)
Sichem
וּמִבֵּ֣ית
(umibeit)
en van het huis van
מִלּ֔וֹא
(milo)
Millo
וְתֹאכַ֖ל
(vetokhal)
en verteert
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבִימֶֽלֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Het geweld tegen de zeventig zonen van Jerubbaal moest worden vergolden. Hun bloed moest worden gelegd op Abimelech, hun broer, die hen had gedood. Het moest ook op de heren van Sichem worden gelegd, die zijn handen hadden gesterkt om zijn broers te doden.
לָב֕וֹא
(lavo)
om te laten komen
חֲמַ֖ס
(chamas)
het geweld tegen
שִׁבְעִ֣ים
(shivim)
de zeventig
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
יְרֻבָּ֑עַל
(yerubaal)
Jerubbaal
וְדָמָ֗ם
(vedamam)
en hun bloed
לָשׂ֞וּם
(lasum)
om te leggen
עַל
(al)
op
אֲבִימֶ֤לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
אֲחִיהֶם֙
(achihem)
hun broer
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הָרַ֣ג
(harag)
doodde
אוֹתָ֔ם
(otam)
hen
וְעַל֙
(veal)
en op
בַּעֲלֵ֣י
(baalei)
de heren van
שְׁכֶ֔ם
(shekhem)
Sichem
אֲשֶׁר
(asher)
die
חִזְּק֥וּ
(chizequ)
hadden gesterkt
אֶת
(et)
(obj.)
יָדָ֖יו
(yadav)
zijn handen
לַהֲרֹ֥ג
(laharog)
om te doden
אֶת
(et)
(obj.)
אֶחָֽיו
(echav)
zijn broers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws begint met ‘om te komen’ en gaat zonder werkwoord door.
Wij lezen: het geweld dat zij de zonen van Jerubbaal aandeden, moest worden vergolden.
‘Vergolden’ vullen wij aan; letterlijk staat er ‘om te laten komen het geweld’.
25De heren van Sichem legden voor hem hinderlagen op de toppen van de bergen. Zij beroofden iedereen die langs hen op de weg kwam. Dat werd aan Abimelech gemeld.
וַיָּשִׂ֣ימוּ
(vayasimu)
en zij legden
לוֹ֩
(lo)
hem
בַעֲלֵ֨י
(baalei)
de heren van
שְׁכֶ֜ם
(shekhem)
Sichem
מְאָרְבִ֗ים
(mearevim)
hinderlagen
עַ֚ל
(al)
op
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
de toppen van
הֶהָרִ֔ים
(heharim)
de bergen
וַיִּגְזְל֗וּ
(vayigzelu)
en zij beroofden
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
allen
אֲשֶׁר
(asher)
die
יַעֲבֹ֥ר
(yaavor)
voorbijkwam
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
bij hen
בַּדָּ֑רֶךְ
(badarekh)
op de weg
וַיֻּגַּ֖ד
(vayugad)
en het werd gemeld
לַאֲבִימֶֽלֶךְ
(laavimelekh)
aan Abimelech
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Zij gingen het veld in en oogstten hun wijngaarden. Zij persten de druiven en hielden een feest. Zij gingen het huis van hun god binnen, aten en dronken en vervloekten Abimelech.
וַיֵּצְא֨וּ
(vayetseu)
en zij gingen uit
הַשָּׂדֶ֜ה
(hasade)
het veld in
וַֽיִּבְצְר֤וּ
(vayivtseru)
en zij oogstten
אֶת
(et)
(obj.)
כַּרְמֵיהֶם֙
(karmeihem)
hun wijngaarden
וַֽיִּדְרְכ֔וּ
(vayidrekhu)
en zij persten
וַֽיַּעֲשׂ֖וּ
(vayaasu)
en zij hielden
הִלּוּלִ֑ים
(hilulim)
feesten
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en zij gingen binnen
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אֱֽלֹֽהֵיהֶ֔ם
(eloheihem)
hun god
וַיֹּֽאכְלוּ֙
(vayokhlu)
en zij aten
וַיִּשְׁתּ֔וּ
(vayishtu)
en zij dronken
וַֽיְקַלְל֖וּ
(vayqallu)
en zij vervloekten
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבִימֶֽלֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִלּוּלִים (hillulim), ‘feesten’: een feest van lofzang bij de wijnoogst.
Het woord komt maar twee keer voor, hier en in Lev. 19:24 (‘heilige lofzang’).
Hier vieren zij het feest in het huis van hun god, dus van Baäl-Berit (vers 4).
28Gaäl, de zoon van Ebed, zei: „Wie is Abimelech en wie is Sichem, dat wij hem zouden dienen? Is hij niet de zoon van Jerubbaal, en is Zebul niet zijn opzichter? Dien de mannen van Hamor, de vader van Sichem! Maar waarom zouden wij hem dienen?
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
גַּ֣עַל
(gaal)
Gaäl
בֶּן
(ben)
de zoon van
עֶ֗בֶד
(eved)
Ebed
מִֽי
(mi)
wie
אֲבִימֶ֤לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
וּמִֽי
(umi)
en wie
שְׁכֶם֙
(shekhem)
Sichem
כִּ֣י
(ki)
dat
נַעַבְדֶ֔נּוּ
(naavdenu)
wij hem zouden dienen
הֲלֹ֥א
(halo)
is hij niet
בֶן
(ben)
de zoon van
יְרֻבַּ֖עַל
(yerubaal)
Jerubbaal
וּזְבֻ֣ל
(uzevul)
en Zebul
פְּקִיד֑וֹ
(peqido)
zijn opzichter
עִבְד֗וּ
(ivdu)
dien
אֶת
(et)
(obj.)
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
de mannen van
חֲמוֹר֙
(chamor)
Hamor
אֲבִ֣י
(avi)
de vader van
שְׁכֶ֔ם
(shekhem)
Sichem
וּמַדּ֖וּעַ
(umadua)
en waarom
נַעַבְדֶ֥נּוּ
(naavdenu)
zouden wij hem dienen
אֲנָֽחְנוּ
(anachenu)
wij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hamor is de stichter van Sichem (Gen. 33:19; 34:2).
Gaäl bedoelt: dien de oude families van Sichem, en niet de zoon van de Israëliet Jerubbaal.
זְבֻל (Zevul), ‘Zebul’: de overste van de stad (vers 30). Hij blijft Abimelech trouw.
30Zebul, de overste van de stad, hoorde de woorden van Gaäl, de zoon van Ebed. Hij werd woedend.
וַיִּשְׁמַ֗ע
(vayishma)
en hoorde
זְבֻל֙
(zevul)
Zebul
שַׂר
(sar)
de overste van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
de woorden van
גַּ֣עַל
(gaal)
Gaäl
בֶּן
(ben)
de zoon van
עָ֑בֶד
(aved)
Ebed
וַיִּ֖חַר
(vayichar)
en gloeide
אַפּֽוֹ
(apo)
zijn neus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Hij stuurde met list boden naar Abimelech met deze woorden: „Zie, Gaäl, de zoon van Ebed, en zijn broers komen naar Sichem. Zij zetten de stad tegen je op.
וַיִּשְׁלַ֧ח
(vayishlach)
en hij zond
מַלְאָכִ֛ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
tot
אֲבִימֶ֖לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
בְּתָרְמָ֣ה
(betarema)
met list
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּה֩
(hine)
zie
גַ֨עַל
(gaal)
Gaäl
בֶּן
(ben)
de zoon van
עֶ֤בֶד
(eved)
Ebed
וְאֶחָיו֙
(veechav)
en zijn broers
בָּאִ֣ים
(baim)
komen
שְׁכֶ֔מָה
(shekhema)
naar Sichem
וְהִנָּ֛ם
(vehinam)
en zie zij
צָרִ֥ים
(tsarim)
zetten op
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
עָלֶֽיךָ
(aleikha)
tegen jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.
Lezing
בְּתָרְמָה (betormah), ‘met list’: dit kan ook de naam van een plaats zijn, Tormah.
Dan zou Abimelech daar zijn (vergelijk Aruma in vers 41).
Wij kiezen ‘met list’; zo lezen de oude vertalingen het ook.
צָרִים (tsarim), ‘zetten op’: het woord kan ook ‘insluiten’ of ‘belegeren’ betekenen. De boden bedoelen dat Gaäl de stad tegen Abimelech opzet.
33Als het ochtend wordt, bij zonsopgang, sta je vroeg op en val je de stad aan. Dan komen hij en het volk dat bij hem is naar buiten, op je af. Doe dan met hem wat je hand te doen vindt.”
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het zal zijn
בַבֹּ֨קֶר֙
(baboqer)
in de ochtend
כִּזְרֹ֣חַ
(kizroach)
bij het opgaan van
הַשֶּׁ֔מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
תַּשְׁכִּ֖ים
(tashkim)
sta je vroeg op
וּפָשַׁטְתָּ֣
(ufashatta)
en val aan
עַל
(al)
over
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
ה֞וּא
(hu)
hij
וְהָעָ֤ם
(vehaam)
en het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אִתּוֹ֙
(ito)
bij hem is
יֹצְאִ֣ים
(yotseim)
komen uit
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
naar jou
וְעָשִׂ֣יתָ
(veasita)
en doe
לּ֔וֹ
(lo)
hem
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
תִּמְצָ֥א
(timtsa)
wat vindt
יָדֶֽךָ
(yadekha)
je hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Abimelech en heel het volk dat bij hem was, stonden 's nachts op. Zij legden een hinderlaag bij Sichem, in vier groepen.
וַיָּ֧קָם
(vayaqam)
en stond op
אֲבִימֶ֛לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עִמּ֖וֹ
(imo)
met hem
לָ֑יְלָה
(layela)
's nachts
וַיֶּאֶרְב֣וּ
(vayeervu)
en zij legden een hinderlaag
עַל
(al)
bij
שְׁכֶ֔ם
(shekhem)
Sichem
אַרְבָּעָ֖ה
(arbaa)
vier
רָאשִֽׁים
(rashim)
groepen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.
35Gaäl, de zoon van Ebed, ging naar buiten en bleef bij de ingang van de stadspoort staan. Abimelech en het volk dat bij hem was, kwamen overeind uit de hinderlaag.
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en ging uit
גַּ֣עַל
(gaal)
Gaäl
בֶּן
(ben)
de zoon van
עֶ֔בֶד
(eved)
Ebed
וַיַּעֲמֹ֕ד
(vayaamod)
en bleef staan
פֶּ֖תַח
(petach)
de ingang van
שַׁ֣עַר
(shaar)
de poort van
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וַיָּ֧קָם
(vayaqam)
en stond op
אֲבִימֶ֛לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
וְהָעָ֥ם
(vehaam)
en het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
מִן
(min)
uit
הַמַּאְרָֽב
(hamarav)
de hinderlaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Gaäl zag het volk en zei tegen Zebul: „Zie, er komt volk van de toppen van de bergen naar beneden.” Zebul zei tegen hem: „Je ziet de schaduw van de bergen aan voor mannen.”
וַיַּרְא
(vayar)
en zag
גַּעַל֮
(gaal)
Gaäl
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָם֒
(haam)
het volk
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tot
זְבֻ֔ל
(zevul)
Zebul
הִנֵּה
(hine)
zie
עָ֣ם
(am)
volk
יוֹרֵ֔ד
(yored)
komt naar beneden
מֵרָאשֵׁ֖י
(merashei)
van de toppen van
הֶהָרִ֑ים
(heharim)
de bergen
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
זְבֻ֔ל
(zevul)
Zebul
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
צֵ֧ל
(tsel)
de schaduw van
הֶהָרִ֛ים
(heharim)
de bergen
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
רֹאֶ֖ה
(roe)
ziet
כָּאֲנָשִֽׁים
(kaanashim)
als mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zebul ontkent wat Gaäl ziet.
Hij zegt dat het de schaduw van de bergen is.
Waarom hij dat zegt, noemt de tekst niet.
Hij heeft Abimelech gewaarschuwd (vers 30–33) en wil blijkbaar niet dat Gaäl op tijd reageert.
38Zebul zei tegen hem: „Waar is nu je mond, die zei: ‘Wie is Abimelech, dat wij hem zouden dienen?’ Is dit niet het volk dat je hebt verworpen? Ga nu naar buiten en vecht tegen hen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֜יו
(elav)
tot hem
זְבֻ֗ל
(zevul)
Zebul
אַיֵּ֨ה
(aye)
waar
אֵפ֥וֹא
(efo)
dan
פִ֨יךָ֙
(pikha)
je mond
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תֹּאמַ֔ר
(tomar)
je zei
מִ֥י
(mi)
wie
אֲבִימֶ֖לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
כִּ֣י
(ki)
dat
נַעַבְדֶ֑נּוּ
(naavdenu)
wij hem zouden dienen
הֲלֹ֨א
(halo)
is niet
זֶ֤ה
(ze)
dit
הָעָם֙
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
מָאַ֣סְתָּה
(maasta)
je hebt verworpen
בּ֔וֹ
(bo)
in hem
צֵא
(tse)
ga uit
נָ֥א
(na)
toch
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
וְהִלָּ֥חֶם
(vehilachem)
en vecht
בּֽוֹ
(bo)
tegen hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42De volgende dag ging het volk het veld in. Dat werd aan Abimelech gemeld.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
מִֽמָּחֳרָ֔ת
(mimachorat)
de volgende dag
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en ging uit
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
הַשָּׂדֶ֑ה
(hasade)
het veld in
וַיַּגִּ֖דוּ
(vayagidu)
en zij meldden het
לַאֲבִימֶֽלֶךְ
(laavimelekh)
aan Abimelech
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43Hij nam het volk, verdeelde het in drie groepen en legde een hinderlaag in het veld. Hij keek en zag dat het volk uit de stad kwam. Hij stond op tegen hen en versloeg hen.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
וַֽיֶּחֱצֵם֙
(vayechetsem)
en hij verdeelde hen
לִשְׁלֹשָׁ֣ה
(lishlosha)
in drie
רָאשִׁ֔ים
(rashim)
groepen
וַיֶּאֱרֹ֖ב
(vayeerov)
en hij legde een hinderlaag
בַּשָּׂדֶ֑ה
(basade)
in het veld
וַיַּ֗רְא
(vayar)
en hij zag
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
הָעָם֙
(haam)
het volk
יֹצֵ֣א
(yotse)
was uitgegaan
מִן
(min)
uit
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וַיָּ֥קָם
(vayaqam)
en hij stond op
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
tegen hen
וַיַּכֵּֽם
(vayakem)
en hij versloeg hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44Abimelech en de groepen die bij hem waren, stormden naar voren en bleven bij de ingang van de stadspoort staan. De twee groepen stormden op allen die in het veld waren af en versloegen hen.
וַאֲבִימֶ֗לֶךְ
(vaavimelekh)
en Abimelech
וְהָרָאשִׁים֙
(veharashim)
en de groepen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
פָּשְׁט֕וּ
(pashetu)
stormden naar voren
וַיַּ֣עַמְד֔וּ
(vayaamdu)
en zij bleven staan
פֶּ֖תַח
(petach)
de ingang van
שַׁ֣עַר
(shaar)
de poort van
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וּשְׁנֵ֣י
(ushenei)
en de twee
הָֽרָאשִׁ֗ים
(harashim)
groepen
פָּֽשְׁט֛וּ
(pashetu)
stormden
עַֽל
(al)
op
כָּל
(kal)
allen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בַּשָּׂדֶ֖ה
(basade)
in het veld
וַיַּכּֽוּם
(vayakum)
en zij versloegen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
47Het werd aan Abimelech gemeld dat alle heren van de toren van Sichem zich hadden verzameld.
וַיֻּגַּ֖ד
(vayugad)
en het werd gemeld
לַאֲבִימֶ֑לֶךְ
(laavimelekh)
aan Abimelech
כִּ֣י
(ki)
dat
הִֽתְקַבְּצ֔וּ
(hitqabetsu)
zich verzameld hadden
כָּֽל
(kal)
alle
בַּעֲלֵ֖י
(baalei)
de heren van
מִֽגְדַּל
(migdal)
de toren van
שְׁכֶֽם
(shekhem)
Sichem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
48Abimelech ging de berg Salmon op, hij en heel het volk dat bij hem was. Abimelech nam bijlen in zijn hand en hakte een tak van de bomen af. Hij tilde die op en legde die op zijn schouder. Hij zei tegen het volk dat bij hem was: „Wat jullie mij hebben zien doen, haast je en doe dat ook.”
וַיַּ֨עַל
(vayaal)
en ging op
אֲבִימֶ֜לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
הַר
(har)
de berg
צַלְמ֗וֹן
(tsalmon)
Salmon
הוּא֮
(hu)
hij
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אִתּוֹ֒
(ito)
met hem
וַיִּקַּח֩
(vayiqach)
en nam
אֲבִימֶ֨לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
אֶת
(et)
(obj.)
הַקַּרְדֻּמּ֜וֹת
(haqardumot)
de bijlen
בְּיָד֗וֹ
(beyado)
in zijn hand
וַיִּכְרֹת֙
(vayikhrot)
en hij hakte af
שׂוֹכַ֣ת
(sokhat)
een tak van
עֵצִ֔ים
(etsim)
bomen
וַיִּ֨שָּׂאֶ֔הָ
(vayisaeha)
en hij tilde haar op
וַיָּ֖שֶׂם
(vayasem)
en hij legde
עַל
(al)
op
שִׁכְמ֑וֹ
(shikhmo)
zijn schouder
וַיֹּ֜אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tot
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עִמּ֗וֹ
(imo)
met hem
מָ֤ה
(ma)
wat
רְאִיתֶם֙
(reitem)
jullie hebben gezien
עָשִׂ֔יתִי
(asiti)
heb ik gedaan
מַהֲר֖וּ
(maharu)
haast jullie
עֲשׂ֥וּ
(asu)
doe
כָמֽוֹנִי
(kamoni)
zoals ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De berg Salmon ligt bij Sichem.
Zeker is de ligging niet.
Zie ook Ps. 68:15.
Zie Berg Salmon (ligging onzeker): De berg Salmon lag bij Sichem.
De precieze plaats is niet bekend.
Lezing
שׁוֹכַת עֵצִים (shochat etsim), ‘een tak van bomen’: het woord שׂוֹכָה komt alleen hier voor, in vers 48 en 49.
49Ook al het volk hakte, ieder voor zich, een tak af. Zij gingen achter Abimelech aan, legden de takken tegen de burcht en staken de burcht in brand, met hen erin. Zo stierven ook alle mannen van de toren van Sichem, ongeveer duizend mannen en vrouwen.
וַיִּכְרְת֨וּ
(vayikhretu)
en zij hakten af
גַם
(gam)
ook
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
שׂוֹכֹ֗ה
(sokho)
zijn tak
וַיֵּ֨לְכ֜וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
אַחֲרֵ֤י
(acharei)
achter
אֲבִימֶ֨לֶךְ֙
(avimelekh)
Abimelech
וַיָּשִׂ֣ימוּ
(vayasimu)
en zij legden
עַֽל
(al)
tegen
הַצְּרִ֔יחַ
(hatseriach)
de burcht
וַיַּצִּ֧יתוּ
(vayatsitu)
en zij staken in brand
עֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
boven hen
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַצְּרִ֖יחַ
(hatseriach)
de burcht
בָּאֵ֑שׁ
(baesh)
met vuur
וַיָּמֻ֜תוּ
(vayamutu)
en zij stierven
גַּ֣ם
(gam)
ook
כָּל
(kal)
alle
אַנְשֵׁ֧י
(anshei)
de mannen van
מִֽגְדַּל
(migdal)
de toren van
שְׁכֶ֛ם
(shekhem)
Sichem
כְּאֶ֖לֶף
(keelef)
ongeveer duizend
אִ֥ישׁ
(ish)
man
וְאִשָּֽׁה
(veisha)
en vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws zegt ‘ongeveer duizend, man en vrouw’.
50Abimelech ging naar Tebets. Hij sloeg zijn kamp op bij Tebets en nam de stad in.
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אֲבִימֶ֖לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
אֶל
(el)
naar
תֵּבֵ֑ץ
(tevets)
Tebets
וַיִּ֥חַן
(vayichan)
en hij legerde zich
בְּתֵבֵ֖ץ
(betevets)
bij Tebets
וַֽיִּלְכְּדָֽהּ
(vayilkedah)
en hij nam haar in
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Tebets ligt waarschijnlijk bij het huidige Tubas, ongeveer 25 kilometer ten noordoosten van Sichem (Westelijke Jordaanoever).
Dit is waarschijnlijk, niet zeker.
51In het midden van de stad stond een sterke toren. Alle mannen en vrouwen en alle heren van de stad vluchtten daarheen. Zij sloten achter zich dicht en klommen op het dak van de toren.
וּמִגְדַּל
(umigdal)
en een toren van
עֹז֮
(oz)
sterkte
הָיָ֣ה
(haya)
was
בְתוֹךְ
(betokh)
in het midden van
הָעִיר֒
(hair)
de stad
וַיָּנֻ֨סוּ
(vayanusu)
en zij vluchtten
שָׁ֜מָּה
(shama)
daarheen
כָּל
(kal)
alle
הָאֲנָשִׁ֣ים
(haanashim)
de mannen
וְהַנָּשִׁ֗ים
(vehanashim)
en de vrouwen
וְכֹל֙
(vekhol)
en alle
בַּעֲלֵ֣י
(baalei)
de heren van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וַֽיִּסְגְּר֖וּ
(vayisgeru)
en zij sloten dicht
בַּעֲדָ֑ם
(baadam)
achter zich
וַֽיַּעֲל֖וּ
(vayaalu)
en zij klommen
עַל
(al)
op
גַּ֥ג
(gag)
het dak van
הַמִּגְדָּֽל
(hamigdal)
de toren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
52Abimelech kwam bij de toren en bestormde hem. Hij ging tot bij de ingang van de toren om hem in brand te steken.
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en kwam
אֲבִימֶ֨לֶךְ֙
(avimelekh)
Abimelech
עַד
(ad)
tot
הַמִּגְדָּ֔ל
(hamigdal)
de toren
וַיִּלָּ֖חֶם
(vayilachem)
en hij streed
בּ֑וֹ
(bo)
tegen hem
וַיִּגַּ֛שׁ
(vayigash)
en hij naderde
עַד
(ad)
tot
פֶּ֥תַח
(petach)
de ingang van
הַמִּגְדָּ֖ל
(hamigdal)
de toren
לְשָׂרְפ֥וֹ
(lesarefo)
om hem te verbranden
בָאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
54Haastig riep hij zijn jongen, die zijn wapens droeg. Hij zei tegen hem: „Trek je zwaard en dood mij. Anders zegt men over mij: ‘Een vrouw heeft hem gedood.’” Zijn jongen doorstak hem en hij stierf.
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en hij riep
מְהֵרָ֜ה
(mehera)
haastig
אֶל
(el)
tot
הַנַּ֣עַר
(hanaar)
de jongen
נֹשֵׂ֣א
(nose)
die droeg
כֵלָ֗יו
(kelav)
zijn wapens
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לוֹ֙
(lo)
tot hem
שְׁלֹ֤ף
(shelof)
trek
חַרְבְּךָ֙
(charbekha)
je zwaard
וּמ֣וֹתְתֵ֔נִי
(umoteteni)
en dood mij
פֶּן
(pen)
opdat niet
יֹ֥אמְרוּ
(yomru)
zij zeggen
לִ֖י
(li)
over mij
אִשָּׁ֣ה
(isha)
een vrouw
הֲרָגָ֑תְהוּ
(haragatehu)
heeft hem gedood
וַיִּדְקְרֵ֥הוּ
(vayidqerehu)
en doorstak hem
נַעֲר֖וֹ
(naaro)
zijn jongen
וַיָּמֹֽת
(vayamot)
en hij stierf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Abimelech vraagt om de dood door het zwaard, zodat men niet zal zeggen dat een vrouw hem doodde.
Toch bleef dat wel in het geheugen (2 Sam. 11:21).