Elohim Bijbel

Ezechiël 8

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

Het visioen van de gruwelen in het huis van Yahweh

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De hand van Heer Yahweh

1Het gebeurde in het zesde jaar, in de zesde maand, op de vijfde van de maand. Ik zat in mijn huis en de oudsten van Juda zaten voor mij. Daar viel de hand van Heer Yahweh op mij.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het gebeurde
בַּשָּׁנָ֣ה
(bashana)
in het jaar
הַשִּׁשִּׁ֗ית
(hashishit)
zesde
בַּשִּׁשִּׁי֙
(bashishi)
in de zesde maand
בַּחֲמִשָּׁ֣ה
(bachamisha)
op de vijfde
לַחֹ֔דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
אֲנִי֙
(ani)
ik
יוֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
zittend
בְּבֵיתִ֔י
(beveiti)
in mijn huis
וְזִקְנֵ֥י
(veziqnei)
en de oudsten van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
יוֹשְׁבִ֣ים
(yoshevim)
zittend
לְפָנָ֑י
(lefanay)
voor mij
וַתִּפֹּ֤ל
(vatipol)
en viel
עָלַי֙
(alay)
op mij
שָׁ֔ם
(sham)
daar
יַ֖ד
(yad)
hand van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהֹוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is een nieuwe datum, met een jaar, een maand en een dag, zoals in Ezech. 1:1–2.

Het ‘zesde jaar’ wordt waarschijnlijk geteld vanaf de wegvoering van koning Jojachin (Ezech. 1:2).

זִקְנֵי יְהוּדָה (ziqnei Yehudah), ‘de oudsten van Juda’: de leiders van de ballingen. Zij komen vaker bij Ezechiël zitten, zoals in Ezech. 14:1 en 20:1.

יַד אֲדֹנָי יְהוִה (yad Adonai Yahweh), ‘de hand van Heer Yahweh’: de krachtige aanraking van Yahweh, waarna een visioen volgt, zoals in Ezech. 1:3 en 3:22. Voor ‘Heer Yahweh’ zie de uitleg bij Ezech. 2:4.

2Ik keek, en zie: een gedaante die eruitzag als vuur. Van wat eruitzag als zijn heupen naar beneden was het vuur. Van zijn heupen naar boven was het als de aanblik van een schittering, als de gloed van glanzend metaal.
וָאֶרְאֶ֗ה
(vaere)
en ik zag
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
דְמוּת֙
(demut)
een gedaante
כְּמַרְאֵה
(kemare)
als het uiterlijk van
אֵ֔שׁ
(esh)
vuur
מִמַּרְאֵ֥ה
(mimare)
van het uiterlijk van
מָתְנָ֛יו
(matenav)
zijn heupen
וּלְמַ֖טָּה
(ulemata)
en naar beneden
אֵ֑שׁ
(esh)
vuur
וּמִמָּתְנָ֣יו
(umimatenav)
en van zijn heupen
וּלְמַ֔עְלָה
(ulemala)
en naar boven
כְּמַרְאֵה
(kemare)
als het uiterlijk van
זֹ֖הַר
(zohar)
schittering
כְּעֵ֥ין
(keein)
als de gloed van
הַחַשְׁמַֽלָה
(hachashmala)
het glanzend metaal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דְּמוּת (demut), ‘gedaante’: iets wat lijkt op een persoon.

In Ezech. 1:26–27 staat dezelfde beschrijving van een gedaante van vuur en schittering.

Wij laten open wie de gedaante is; vanaf vers 6 spreekt zij met de woorden van Yahweh.

הַחַשְׁמַלָה (hachashmalah), ‘het glanzend metaal’: een zeldzaam woord, ook in Ezech. 1:4 en 1:27. De betekenis is niet zeker: ‘glanzend metaal’, ‘barnsteen’ of ‘gouden-zilverlegering’. Wij kiezen ‘glanzend metaal’.

Lezing

In plaats van ‘vuur’ (אֵשׁ, esh) hebben sommige oude vertalingen ‘man’ (אִישׁ, ish).

Wij volgen de Masoretische tekst.

Naar Jeruzalem in visioenen

3Hij stak de vorm van een hand uit en greep mij bij een lok van mijn hoofd. Een geest tilde mij op tussen de aarde en de hemel. Zij bracht mij in visioenen van Elohim naar Jeruzalem, naar de ingang van de binnenste poort. Die is naar het noorden gericht. Daar was de plaats van het afbeeldsel van de jaloezie, dat jaloezie opwekt.
וַיִּשְׁלַח֙
(vayishlach)
en Hij stak uit
תַּבְנִ֣ית
(tavnit)
vorm van
יָ֔ד
(yad)
hand
וַיִּקָּחֵ֖נִי
(vayiqacheni)
en greep mij
בְּצִיצִ֣ת
(betsitsit)
bij een lok van
רֹאשִׁ֑י
(roshi)
mijn hoofd
וַתִּשָּׂ֣א
(vatisa)
en tilde op
אֹתִ֣י
(oti)
mij
ר֣וּחַ
(ruach)
een geest
בֵּֽין
(bein)
tussen
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
de aarde
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הַשָּׁמַ֡יִם
(hashamayim)
de hemel
וַתָּבֵא֩
(vatave)
en bracht
אֹתִ֨י
(oti)
mij
יְרוּשָׁלְַ֜מָה
(yerushalaema)
naar Jeruzalem
בְּמַרְא֣וֹת
(bemarot)
in visioenen van
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
naar
פֶּ֜תַח
(petach)
ingang van
שַׁ֤עַר
(shaar)
poort van
הַפְּנִימִית֙
(hapenimit)
de binnenste
הַפּוֹנֶ֣ה
(hapone)
die gericht is
צָפ֔וֹנָה
(tsafona)
naar het noorden
אֲשֶׁר
(asher)
waar
שָׁ֣ם
(sham)
daar
מוֹשַׁ֔ב
(moshav)
plaats van
סֵ֖מֶל
(semel)
afbeeldsel van
הַקִּנְאָ֥ה
(haqina)
de jaloezie
הַמַּקְנֶֽה
(hamaqne)
die jaloezie opwekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

בְּצִיצִת רֹאשִׁי (betsitsit roshi), ‘bij een lok van mijn hoofd’: het Hebreeuwse tsitsit is een lok of kwast.

Het is iets wat men kan vastpakken.

רוּחַ (ruach), ‘een geest’: dit woord betekent ook ‘wind’ of ‘adem’. Waarschijnlijk is het de Geest van Yahweh, zoals in Ezech. 3:12 en 3:14. Het Hebreeuwse woord heeft hier geen lidwoord.

בְּמַרְאוֹת אֱלֹהִים (bemar’ot Elohim), ‘in visioenen van Elohim’: Ezechiël wordt niet lichamelijk meegenomen, maar in een visioen. Zo ook in Ezech. 40:2.

סֵמֶל הַקִּנְאָה (semel haqin’ah), ‘het afbeeldsel van de jaloezie’: een beeld dat Yahweh tot jaloezie of toorn prikkelt (vergelijk Deut. 32:16 en 32:21). Het woord סֵמֶל (semel) staat ook in 2 Kron. 33:7 en 33:15, waar wij eveneens ‘afbeeldsel’ hebben, en in Deut. 4:16 (‘standbeeld’). Wat het beeld voorstelde, vermeldt de tekst niet.

מוֹשַׁב (moshav), ‘plaats’: letterlijk ‘zitplaats, standplaats’.

4En zie, daar was de heerlijkheid van de Elohim van Israël, zoals de aanblik die ik in het dal had gezien.
וְהִ֨נֵּה
(vehine)
en zie
שָׁ֔ם
(sham)
daar
כְּב֖וֹד
(kevod)
heerlijkheid van
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כַּמַּרְאֶ֕ה
(kamare)
als het uiterlijk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
רָאִ֖יתִי
(raiti)
ik had gezien
בַּבִּקְעָֽה
(babiqa)
in het dal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּבוֹד אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל (kevod Elohei Yisra’el), ‘de heerlijkheid van de Elohim van Israël’: de zichtbare tegenwoordigheid van Yahweh.

Zie ook Ezech. 1:28 en 3:23.

בַּבִּקְעָה (babbiq’ah), ‘in het dal’: het dal waar Ezechiël de heerlijkheid eerder zag, zoals in Ezech. 3:22–23.

Het afbeeldsel van de jaloezie

5Hij zei tot mij: „Mensenkind, sla toch je ogen op in de richting van het noorden.” Ik sloeg mijn ogen op in de richting van het noorden. En zie: ten noorden van de altaarpoort stond dit afbeeldsel van de jaloezie, bij de ingang.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
שָׂא
(sa)
hef op
נָ֥א
(na)
toch
עֵינֶ֖יךָ
(eineikha)
je ogen
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
in de richting van
צָפ֑וֹנָה
(tsafona)
het noorden
וָאֶשָּׂ֤א
(vaesa)
en ik hief op
עֵינַי֙
(einay)
mijn ogen
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
in de richting van
צָפ֔וֹנָה
(tsafona)
het noorden
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
מִצָּפוֹן֙
(mitsafon)
ten noorden van
לְשַׁ֣עַר
(leshaar)
de poort van
הַמִּזְבֵּ֔חַ
(hamizbeach)
het altaar
סֵ֛מֶל
(semel)
afbeeldsel van
הַקִּנְאָ֥ה
(haqina)
de jaloezie
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
בַּבִּאָֽה
(babia)
bij de ingang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De spreker is dezelfde gedaante als in vers 2.

Vanaf vers 6 spreekt hij als Yahweh in de eerste persoon (‘Mijn heiligdom’).

Daarom staan de woorden van deze spreker rood.

שַׁעַר הַמִּזְבֵּחַ (sha’ar hammizbeach), ‘de altaarpoort’: de poort bij het altaar. De precieze ligging in het tempelcomplex is niet duidelijk.

6Hij zei tot mij: „Mensenkind, zie je wat zij doen? Zie je de grote gruwelen die het huis van Israël hier doet, zodat Ik Mij ver van Mijn heiligdom verwijder? Je zult nog eens grote gruwelen zien.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
הֲרֹאֶ֥ה
(haroe)
zie je
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
מָ֣ה
(ma)
wat
הֵ֣ם
(hem)
zij
עֹשִׂ֑ים
(osim)
doen
תּוֹעֵב֨וֹת
(toevot)
gruwelen
גְּדֹל֜וֹת
(gedolot)
grote
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בֵּֽית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
עֹשִׂ֣ים
(osim)
doen
פֹּ֗ה
(po)
hier
לְרָֽחֳקָה֙
(lerachoqa)
om ver te zijn
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
מִקְדָּשִׁ֔י
(miqdashi)
Mijn heiligdom
וְעוֹד֙
(veod)
en nog
תָּשׁ֣וּב
(tashuv)
zul je terugkeren
תִּרְאֶ֔ה
(tire)
zul je zien
תּוֹעֵב֖וֹת
(toevot)
gruwelen
גְּדֹלֽוֹת
(gedolot)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְרָחֳקָה מֵעַל מִקְדָּשִׁי (lerochaqah me’al miqdashi), ‘zodat Ik Mij ver van Mijn heiligdom verwijder’: letterlijk ‘om ver te zijn van op Mijn heiligdom’.

De vorm is ongebruikelijk en kan ook anders opgevat worden: ‘om Mij ver van Mijn heiligdom te drijven’.

De samenhang is dat de gruwelen Yahweh uit Zijn huis verdrijven.

תּוֹעֵבוֹת גְּדֹלוֹת (to’evot gedolot), ‘grote gruwelen’: zie Ezech. 5:9. Er volgt een reeks van vier gruwelen, elk groter dan de vorige (verzen 5, 10, 14, 16).

Lezing

In de geschreven tekst staat מהם (mehem), als één woord; de overlevering leest dat als twee woorden: מָה הֵם (mah hem), ‘wat zij’.

Wij volgen de lezing.

Een gat in de muur

7Hij bracht mij naar de ingang van de voorhof. Ik keek, en zie: een gat in de muur.
וַיָּבֵ֥א
(vayave)
en Hij bracht
אֹתִ֖י
(oti)
mij
אֶל
(el)
naar
פֶּ֣תַח
(petach)
ingang van
הֶֽחָצֵ֑ר
(hechatser)
de voorhof
וָאֶרְאֶ֕ה
(vaere)
en ik zag
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
חֹר
(chor)
een gat
אֶחָ֖ד
(echad)
één
בַּקִּֽיר
(baqir)
in de muur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵר (chor), ‘gat’: een opening in de muur.

De voorhof is hier de buitenste ruimte van het tempelcomplex.

8Hij zei tot mij: „Mensenkind, graaf toch door de muur.” Ik groef door de muur, en zie: een ingang.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֖ם
(adam)
mens
חֲתָר
(chatar)
graaf door
נָ֣א
(na)
toch
בַקִּ֑יר
(baqir)
in de muur
וָאֶחְתֹּ֣ר
(vaechtor)
en ik groef door
בַּקִּ֔יר
(baqir)
in de muur
וְהִנֵּ֖ה
(vehine)
en zie
פֶּ֥תַח
(petach)
een ingang
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲתָר (chatar), ‘graaf door’: het werkwoord wordt ook gebruikt voor inbrekers, die door een muur graven.

Zie Job 24:16.

9Hij zei tot mij: „Kom en zie de kwade gruwelen die zij hier doen.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
בֹּ֤א
(bo)
kom
וּרְאֵה֙
(uree)
en zie
אֶת
(et)
(obj.)
הַתּוֹעֵב֣וֹת
(hatoevot)
de gruwelen
הָרָע֔וֹת
(haraot)
de kwade
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
הֵ֥ם
(hem)
zij
עֹשִׂ֖ים
(osim)
doen
פֹּֽה
(po)
hier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEzech 20:8
10Ik ging naar binnen en keek. En zie: allerlei afbeeldingen van kruipend gedierte en afschuwelijke dieren, en alle mestgoden van het huis van Israël, rondom op de muur gegraveerd.
וָאָבוֹא֮
(vaavo)
en ik kwam
וָֽאֶרְאֶה֒
(vaere)
en ik zag
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
כָל
(kal)
allerlei
תַּבְנִ֜ית
(tavnit)
afbeelding van
רֶ֤מֶשׂ
(remes)
kruipend dier
וּבְהֵמָה֙
(uvehema)
en dier
שֶׁ֔קֶץ
(sheqets)
afschuwelijk
וְכָל
(vekhal)
en alle
גִּלּוּלֵ֖י
(gilulei)
mestgoden van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
מְחֻקֶּ֥ה
(mechuqe)
gegraveerd
עַל
(al)
op
הַקִּ֖יר
(haqir)
de muur
סָבִ֥יב
(saviv)
rondom
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֶמֶשׂ (remes), ‘kruipend gedierte’: wat over de grond kruipt, zoals in Gen. 1:24 (daar ‘kruipende dieren’).

שֶׁקֶץ (sheqets), ‘afschuwelijk’: dieren die onrein en walgelijk zijn (Lev. 11:10–13).

Samen met de ‘mestgoden’ (gillulim, zie Ezech. 6:4) gaat het om afbeeldingen van verboden eredienst.

Vergelijk Rom. 1:23.

מְחֻקֶּה (mechuqqeh), ‘gegraveerd’: in de muur uitgekrast of ingesneden.

11Zeventig mannen van de oudsten van het huis van Israël stonden voor hen, en Jaäzanja, de zoon van Safan, stond in hun midden. Ieder had zijn wierookvat in zijn hand, en de wasem van de wolk van wierook steeg op.
וְשִׁבְעִ֣ים
(veshivim)
en zeventig
אִ֣ישׁ
(ish)
man
מִזִּקְנֵ֣י
(miziqnei)
van de oudsten van
בֵֽית
(beit)
het huis van
יִ֠שְׂרָאֵל
(yisrael)
Israël
וְיַאֲזַנְיָ֨הוּ
(veyaazanyahu)
en Jaäzanja
בֶן
(ben)
zoon van
שָׁפָ֜ן
(shafan)
Safan
עֹמֵ֤ד
(omed)
staand
בְּתוֹכָם֙
(betokham)
in hun midden
עֹמְדִ֣ים
(omedim)
staand
לִפְנֵיהֶ֔ם
(lifneihem)
voor hen
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en een man
מִקְטַרְתּ֖וֹ
(miqtarto)
zijn wierookvat
בְּיָד֑וֹ
(beyado)
in zijn hand
וַעֲתַ֥ר
(vaatar)
en de wasem van
עֲנַֽן
(anan)
wolk van
הַקְּטֹ֖רֶת
(haqetoret)
de wierook
עֹלֶֽה
(ole)
stijgend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁבְעִים אִישׁ מִזִּקְנֵי בֵית יִשְׂרָאֵל (shiv’im ish mizziqnei beit Yisra’el), ‘zeventig mannen van de oudsten van het huis van Israël’: het getal zeventig doet denken aan de zeventig oudsten die bij Mozes stonden (Exod. 24:1; Num. 11:16–25).

Hier brengen zij echter wierook voor de afgodsbeelden.

יַאֲזַנְיָהוּ בֶן שָׁפָן (Ya’azanyahu ben Shafan), ‘Jaäzanja, de zoon van Safan’: Safan was de schrijver van koning Josia (2 Kon. 22:3). De naam komt ook voor in 2 Kon. 25:23, bij een andere man (de zoon van de Maächatiet).

מִקְטַרְתּוֹ (miqtarto), ‘zijn wierookvat’: een vat om wierook in te branden. Het woord komt ook voor in 2 Kron. 26:19.

עֲתַר (atar), ‘wasem’: dit woord komt alleen hier voor. Het betekent ‘geur’ of ‘dikke damp’. Wij kiezen ‘wasem’.

12Hij zei tot mij: „Heb je gezien, mensenkind, wat de oudsten van het huis van Israël doen in het donker? Ieder doet het in de kamers van zijn afbeeldingen. Want zij zeggen: ‘Yahweh ziet ons niet. Yahweh heeft het land verlaten.’”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלַי֮
(elay)
tot mij
הֲרָאִ֣יתָ
(haraita)
heb je gezien
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָם֒
(adam)
mens
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
זִקְנֵ֤י
(ziqnei)
de oudsten van
בֵֽית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
עֹשִׂ֣ים
(osim)
doen
בַּחֹ֔שֶׁךְ
(bachoshekh)
in het donker
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
בְּחַדְרֵ֣י
(bechadrei)
in de kamers van
מַשְׂכִּית֑וֹ
(maskito)
zijn afbeelding
כִּ֣י
(ki)
want
אֹמְרִ֗ים
(omerim)
zij zeggen
אֵ֤ין
(ein)
niet
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
רֹאֶ֣ה
(roe)
ziet
אֹתָ֔נוּ
(otanu)
ons
עָזַ֥ב
(azav)
heeft verlaten
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַדְרֵי מַשְׂכִּיתוֹ (chadrei maskito), ‘de kamers van zijn afbeeldingen’: het woord מַשְׂכִּית (maskit) staat ook in Lev. 26:1 en Num. 33:52 voor een beeld of een afbeelding.

Het zijn de binnenkamers waar zij afgodsbeelden aanbidden.

אֵין יְהוָה רֹאֶה אֹתָנוּ (ein Yahweh ro’eh otanu), ‘Yahweh ziet ons niet’: de oudsten zeggen dat Yahweh niets meer ziet en het land heeft verlaten. Dezelfde woorden staan in Ezech. 9:9.

13Hij zei tot mij: „Je zult nog eens grote gruwelen zien die zij doen.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
ע֣וֹד
(od)
nog
תָּשׁ֥וּב
(tashuv)
zul je terugkeren
תִּרְאֶ֛ה
(tire)
zul je zien
תּוֹעֵב֥וֹת
(toevot)
gruwelen
גְּדֹל֖וֹת
(gedolot)
grote
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
עֹשִֽׂים
(osim)
doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De vrouwen die Tammuz beweenden

14Hij bracht mij naar de ingang van de noordelijke poort van het huis van Yahweh, en zie: daar zaten vrouwen die Tammuz beweenden.
וַיָּבֵ֣א
(vayave)
en Hij bracht
אֹתִ֗י
(oti)
mij
אֶל
(el)
naar
פֶּ֨תַח֙
(petach)
ingang van
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
אֶל
(el)
naar
הַצָּפ֑וֹנָה
(hatsafona)
het noorden
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
שָׁם֙
(sham)
daar
הַנָּשִׁ֣ים
(hanashim)
de vrouwen
יֹֽשְׁב֔וֹת
(yoshevot)
zittend
מְבַכּ֖וֹת
(mevakot)
wenend om
אֶת
(et)
(obj.)
הַתַּמּֽוּז
(hatamuz)
Tammuz
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַתַּמּוּז (hatTammuz), ‘Tammuz’: de naam komt alleen hier voor.

Vaak wordt hij verbonden met een god uit Mesopotamië die door vrouwen werd beweend.

De tekst zelf zegt alleen dat de vrouwen Tammuz beweenden.

שַׁעַר בֵּית יְהוָה אֲשֶׁר אֶל הַצָּפוֹנָה (sha’ar beit Yahweh asher el hatsafonah), ‘de poort van het huis van Yahweh die naar het noorden gericht is’: de noordelijke poort, zoals in vers 3.

15Hij zei tot mij: „Heb je gezien, mensenkind? Je zult nog eens grotere gruwelen zien dan deze.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלַ֖י
(elay)
tot mij
הֲרָאִ֣יתָ
(haraita)
heb je gezien
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֑ם
(adam)
mens
ע֣וֹד
(od)
nog
תָּשׁ֥וּב
(tashuv)
zul je terugkeren
תִּרְאֶ֛ה
(tire)
zul je zien
תּוֹעֵב֥וֹת
(toevot)
gruwelen
גְּדֹל֖וֹת
(gedolot)
grote
מֵאֵֽלֶּה
(meele)
dan deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֵאֵלֶּה (me’elleh), ‘dan deze’: elke nieuwe gruwel is groter dan de vorige.

Vers 6 en 13 hebben alleen ‘grote’, vers 15 zegt ‘grotere dan deze’.

Voor de zon buigen zij zich neer

16Hij bracht mij naar de binnenste voorhof van het huis van Yahweh. En zie: bij de ingang van de tempel van Yahweh, tussen de voorhal en het altaar, stonden ongeveer vijfentwintig mannen. Zij hadden hun rug naar de tempel van Yahweh gekeerd en hun gezicht naar het oosten. Zij bogen zich neer voor de zon, naar het oosten.
וַיָּבֵ֣א
(vayave)
en Hij bracht
אֹתִ֗י
(oti)
mij
אֶל
(el)
naar
חֲצַ֣ר
(chatsar)
voorhof van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
הַפְּנִימִית֒
(hapenimit)
de binnenste
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
פֶ֜תַח
(petach)
ingang van
הֵיכַ֣ל
(heikhal)
de tempel van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
בֵּ֤ין
(bein)
tussen
הָֽאוּלָם֙
(haulam)
de voorhal
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הַמִּזְבֵּ֔חַ
(hamizbeach)
het altaar
כְּעֶשְׂרִ֥ים
(keesrim)
ongeveer twintig
וַחֲמִשָּׁ֖ה
(vachamisha)
en vijf
אִ֑ישׁ
(ish)
man
אֲחֹ֨רֵיהֶ֜ם
(achoreihem)
hun rug
אֶל
(el)
naar
הֵיכַ֤ל
(heikhal)
de tempel van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וּפְנֵיהֶ֣ם
(ufeneihem)
en hun gezicht
קֵ֔דְמָה
(qedema)
naar het oosten
וְהֵ֛מָּה
(vehema)
en zij
מִשְׁתַּחֲוִיתֶ֥ם
(mishtachavitem)
hun neerbuigen
קֵ֖דְמָה
(qedema)
naar het oosten
לַשָּֽׁמֶשׁ
(lashamesh)
voor de zon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵיכַל (hekal), ‘tempel’: het grote gebouw van het huis van Yahweh.

אוּלָם (ulam), ‘voorhal’: de ruimte voor de ingang, zoals in 1 Kon. 6:3.

מִשְׁתַּחֲוִיתֶם (mishtachavitem), ‘zij bogen zich neer’: de vorm is ongewoon en wordt vaak als een gewone deelwoordsvorm gelezen. Zij hadden hun rug naar de tempel van Yahweh gekeerd; zo wendden zij zich af van het heiligdom.

לַשָּׁמֶשׁ (lashamesh), ‘voor de zon’: het neerbuigen voor de zon is verboden (Deut. 4:19, 17:3). Zie ook 2 Kon. 23:5 en 23:11.

Ook Ik zal in grimmigheid handelen

17Hij zei tot mij: „Heb je gezien, mensenkind? Is het voor het huis van Juda te weinig om de gruwelen te doen die zij hier gedaan hebben? Want zij hebben het land met geweld gevuld en zijn steeds teruggekomen om Mij te tergen. Zie, zij houden de tak aan hun neus.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלַי֮
(elay)
tot mij
הֲרָאִ֣יתָ
(haraita)
heb je gezien
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָם֒
(adam)
mens
הֲנָקֵל֙
(hanaqel)
is het te weinig
לְבֵ֣ית
(leveit)
voor het huis van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
מֵעֲשׂ֕וֹת
(measot)
om te doen
אֶת
(et)
(obj.)
הַתּוֹעֵב֖וֹת
(hatoevot)
de gruwelen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָֽשׂוּ
(asu)
zij hebben gedaan
פֹ֑ה
(po)
hier
כִּֽי
(ki)
want
מָלְא֨וּ
(maleu)
zij hebben gevuld
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
het land
חָמָ֗ס
(chamas)
met geweld
וַיָּשֻׁ֨בוּ֙
(vayashuvu)
en zij zijn teruggekeerd
לְהַכְעִיסֵ֔נִי
(lehakhiseni)
om Mij te tergen
וְהִנָּ֛ם
(vehinam)
en zie hen
שֹׁלְחִ֥ים
(sholechim)
zendend
אֶת
(et)
(obj.)
הַזְּמוֹרָ֖ה
(hazemora)
de tak
אֶל
(el)
naar
אַפָּֽם
(apam)
hun neus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַזְּמוֹרָה (hazzemorah), ‘de tak’: het zeldzame woord betekent ‘rank, snoeitak’.

Het gebaar ‘de tak aan de neus houden’ is nergens anders bekend.

De betekenis is onzeker, mogelijk een gebaar van spot of een gebruik bij de eredienst voor de zon.

Wij laten het letterlijk staan.

חָמָס (chamas), ‘geweld’: het onrecht tegen mensen. Het woord staat hier naast de gruwelen tegen Yahweh.

18En ook Ik zal in grimmigheid handelen. Mijn oog zal niet sparen en Ik zal geen medelijden hebben. Al roepen zij met luide stem in Mijn oren, Ik zal hen niet horen.”
וְגַם
(vegam)
en ook
אֲנִי֙
(ani)
Ik
אֶעֱשֶׂ֣ה
(eese)
zal doen
בְחֵמָ֔ה
(bechema)
in grimmigheid
לֹֽא
(lo)
niet
תָח֥וֹס
(tachos)
zal sparen
עֵינִ֖י
(eini)
Mijn oog
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֶחְמֹ֑ל
(echmol)
zal medelijden hebben
וְקָרְא֤וּ
(veqareu)
en zij zullen roepen
בְאָזְנַי֙
(beazenay)
in Mijn oren
ק֣וֹל
(qol)
stem
גָּד֔וֹל
(gadol)
groot
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אֶשְׁמַ֖ע
(eshma)
zal Ik horen
אוֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers herhaalt de formule uit Ezech. 5:11 en 7:4, 7:9: ‘Mijn oog zal niet sparen en Ik zal geen medelijden hebben’.

Zij zullen roepen, maar Yahweh luistert niet; vergelijk Jes. 1:15.