Elohim Bijbel

Exodus 32

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

Het gouden kalf

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het volk maakt een gouden kalf

1Toen het volk zag dat Mozes talmde om van de berg af te dalen, verzamelde het zich rond Aäron en zij zeiden tot hem: „Kom, maak ons goden die voor ons uit gaan, want we weten niet wat er met Mozes, die man die ons uit het land Egypte heeft geleid, is gebeurd.”
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en zag
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
כִּֽי
(ki)
dat
בֹשֵׁ֥שׁ
(boshesh)
talmde
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
לָרֶ֣דֶת
(laredet)
om af te dalen
מִן
(min)
van
הָהָ֑ר
(hahar)
de berg
וַיִּקָּהֵ֨ל
(vayiqahel)
en verzamelde zich
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
עַֽל
(al)
bij
אַהֲרֹ֗ן
(aharon)
Aäron
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
ק֣וּם
(qum)
sta op
עֲשֵׂה
(ase)
maak
לָ֣נוּ
(lanu)
voor ons
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
goden
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
יֵֽלְכוּ֙
(yelekhu)
zullen gaan
לְפָנֵ֔ינוּ
(lefaneinu)
voor ons uit
כִּי
(ki)
want
זֶ֣ה
(ze)
deze
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
הָאִ֗ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הֶֽעֱלָ֨נוּ֙
(heelanu)
ons liet opgaan
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדַ֖עְנוּ
(yadanu)
we weten
מֶה
(me)
wat
הָ֥יָה
(haya)
geworden is
לֽוֹ
(lo)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אֱלֹהִים (elohim) staat hier in het meervoud met een meervoudig werkwoord (‘die voor ons uit gaan’): het volk vraagt om goden, niet om een afbeelding van Yahweh.

In vers 4 staat ‘Dit zijn jullie goden’ in het meervoud, naar de vorm van de tekst.

Vergelijk 1 Kon. 12:28.

Zie ook Deut. 9:7–21; Neh. 9:18; Ps. 106:19–23; Hand. 7:39–41 en 1 Kor. 10:7.

2Aäron zei tot hen: „Haal de gouden oorringen af die in de oren van jullie vrouwen, jullie zonen en jullie dochters zitten, en breng ze bij mij.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶם֙
(alehem)
tot hen
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
פָּֽרְקוּ֙
(parequ)
haal af
נִזְמֵ֣י
(nizmei)
ringen van
הַזָּהָ֔ב
(hazahav)
het goud
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
נְשֵׁיכֶ֔ם
(nesheikhem)
jullie vrouwen
בְּנֵיכֶ֖ם
(beneikhem)
jullie zonen
וּבְנֹתֵיכֶ֑ם
(uvenoteikhem)
en jullie dochters
וְהָבִ֖יאוּ
(vehaviu)
en breng
אֵלָֽי
(elay)
bij mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Heel het volk haalde de gouden oorringen af die in hun oren zaten en bracht ze bij Aäron.
וַיִּתְפָּֽרְקוּ֙
(vayitparequ)
en haalden af
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אֶת
(et)
(obj.)
נִזְמֵ֥י
(nizmei)
ringen van
הַזָּהָ֖ב
(hazahav)
het goud
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּאָזְנֵיהֶ֑ם
(beazeneihem)
in hun oren
וַיָּבִ֖יאוּ
(vayaviu)
en brachten
אֶֽל
(el)
naar
אַהֲרֹֽן
(aharon)
Aäron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Hij nam het van hun hand, vormde het met een graveerstift en maakte er een gegoten kalf van. Zij zeiden: „Dit zijn jullie goden, Israël, die jou uit het land Egypte hebben geleid.”
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
מִיָּדָ֗ם
(miyadam)
van hun hand
וַיָּ֤צַר
(vayatsar)
en vormde
אֹתוֹ֙
(oto)
het
בַּחֶ֔רֶט
(bacheret)
met een stift
וַֽיַּעֲשֵׂ֖הוּ
(vayaasehu)
en maakte het
עֵ֣גֶל
(egel)
een kalf
מַסֵּכָ֑ה
(masekha)
gegoten
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵ֤לֶּה
(ele)
dit zijn
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je goden
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֶעֱל֖וּךָ
(heelukha)
je lieten opgaan
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

חֶרֶט (cheret) is een graveerstift of een zak; de zin is moeilijk.

Wij kiezen ‘graveerstift’, waarmee Aäron het goud in vorm bracht.

Het gouden kalf (עֵגֶל, ‘egel) is een stierbeeld.

In Egypte en Kanaän stond de stier voor kracht en vruchtbaarheid.

5Toen Aäron dat zag, bouwde hij er een altaar voor en riep uit: „Morgen is er een feest voor Yahweh.”
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en zag
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
וַיִּ֥בֶן
(vayiven)
en bouwde
מִזְבֵּ֖חַ
(mizbeach)
een altaar
לְפָנָ֑יו
(lefanav)
voor het
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en riep
אַֽהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
וַיֹּאמַ֔ר
(vayomar)
en zei
חַ֥ג
(chag)
feest
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
מָחָֽר
(machar)
morgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Aäron noemt het feest ‘voor Yahweh’: het volk wil Yahweh dienen via het beeld, wat Yahweh verbood (Exod. 20:4–5).

6De volgende dag stonden zij vroeg op, offerden brandoffers en brachten vredeoffers. Het volk ging zitten om te eten en te drinken, en zij stonden op om zich te vermaken.
וַיַּשְׁכִּ֨ימוּ֙
(vayashkimu)
en stonden vroeg op
מִֽמָּחֳרָ֔ת
(mimachorat)
de volgende dag
וַיַּעֲל֣וּ
(vayaalu)
en offerden
עֹלֹ֔ת
(olot)
brandoffers
וַיַּגִּ֖שׁוּ
(vayagishu)
en brachten
שְׁלָמִ֑ים
(shelamim)
vredeoffers
וַיֵּ֤שֶׁב
(vayeshev)
en ging zitten
הָעָם֙
(haam)
het volk
לֶֽאֱכֹ֣ל
(leekhol)
om te eten
וְשָׁת֔וֹ
(veshato)
en dronken
וַיָּקֻ֖מוּ
(vayaqumu)
en stonden op
לְצַחֵֽק
(letsacheq)
om te spelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְצַחֵק (letsacheq), ‘om te spelen’, kan ook ‘uitgelaten feestvieren’ betekenen, soms met een seksuele ondertoon (vergelijk Gen. 26:8; 1 Kor. 10:7).

Yahweh wil het volk verdelgen

7Yahweh sprak tot Mozes: „Ga, daal af, want je volk, dat je uit het land Egypte hebt geleid, heeft zich bedorven.
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
לֶךְ
(lekh)
ga
רֵ֕ד
(red)
daal af
כִּ֚י
(ki)
want
שִׁחֵ֣ת
(shichet)
heeft bedorven
עַמְּךָ֔
(amekha)
je volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
הֶעֱלֵ֖יתָ
(heeleita)
je liet opgaan
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

8Snel zijn zij afgeweken van de weg die Ik hun geboden heb: zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt, zij hebben zich ervoor neergebogen, hebben er offers aan gebracht en gezegd: ‘Dit zijn jullie goden, Israël, die jou uit het land Egypte hebben geleid.’”
סָ֣רוּ
(saru)
zij zijn afgeweken
מַהֵ֗ר
(maher)
snel
מִן
(min)
van
הַדֶּ֨רֶךְ֙
(haderekh)
de weg
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
צִוִּיתִ֔ם
(tsivitim)
Ik gebood hen
עָשׂ֣וּ
(asu)
zij maakten
לָהֶ֔ם
(lahem)
zich
עֵ֖גֶל
(egel)
een kalf
מַסֵּכָ֑ה
(masekha)
gegoten
וַיִּשְׁתַּֽחֲווּ
(vayishtachavu)
en bogen zich neer
לוֹ֙
(lo)
voor het
וַיִּזְבְּחוּ
(vayizbechu)
en offerden
ל֔וֹ
(lo)
aan het
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵ֤לֶּה
(ele)
dit zijn
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je goden
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֶֽעֱל֖וּךָ
(heelukha)
je lieten opgaan
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

9Yahweh zei tot Mozes: „Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een halsstarrig volk.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
רָאִ֨יתִי֙
(raiti)
Ik heb gezien
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
עַם
(am)
een volk
קְשֵׁה
(qeshe)
hard van
עֹ֖רֶף
(oref)
nek
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Halsstarrig’ is letterlijk ‘hard van nek’: een volk dat zijn nek niet buigt.

Zie ook Exod. 33:3, 5; 34:9.

10Laat Mij nu begaan, opdat Mijn toorn tegen hen ontbrandt en Ik hen verteer; dan maak Ik jou tot een groot volk.”
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
הַנִּ֣יחָה
(hanicha)
laat rusten
לִּ֔י
(li)
Mij
וְיִֽחַר
(veyichar)
en ontbrande
אַפִּ֥י
(api)
Mijn toorn
בָהֶ֖ם
(bahem)
tegen hen
וַאֲכַלֵּ֑ם
(vaakhalem)
en Ik verteer hen
וְאֶֽעֱשֶׂ֥ה
(veeese)
en Ik maak
אוֹתְךָ֖
(otekha)
jou
לְג֥וֹי
(legoy)
tot een volk
גָּדֽוֹל
(gadol)
groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Laat Mij begaan’: Yahweh nodigt Mozes uit om te pleiten; Mozes grijpt die kans aan (vers 11–13).

Mozes pleit voor het volk

11Mozes smeekte Yahweh, zijn Elohim, en zei: „Waarom, Yahweh, ontbrandt Uw toorn tegen Uw volk, dat U met grote kracht en sterke hand uit het land Egypte hebt geleid?
וַיְחַ֣ל
(vaychal)
en smeekte
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֖י
(penei)
het aangezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֑יו
(elohav)
zijn Elohim
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
לָמָ֤ה
(lama)
waarom
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
יֶחֱרֶ֤ה
(yechere)
ontbrandt
אַפְּךָ֙
(apekha)
Uw toorn
בְּעַמֶּ֔ךָ
(beamekha)
tegen Uw volk
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
הוֹצֵ֨אתָ֙
(hotseta)
U uitleidde
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
בְּכֹ֥חַ
(bekhoach)
met kracht
גָּד֖וֹל
(gadol)
grote
וּבְיָ֥ד
(uveyad)
en met hand
חֲזָקָֽה
(chazaqa)
sterke
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

וַיְחַל (wayechal), ‘hij smeekte’, is letterlijk ‘hij maakte het aangezicht van Yahweh zacht’.

12Waarom zouden de Egyptenaren zeggen: ‘Met kwade bedoeling heeft Hij hen uitgeleid, om hen in de bergen te doden en hen van het oppervlak van de grond te vernietigen’? Keer terug van Uw hevige toorn en laat U het kwaad rouwen dat U Uw volk wilt aandoen.
לָמָּה֩
(lama)
waarom
יֹאמְר֨וּ
(yomru)
zouden zeggen
מִצְרַ֜יִם
(mitsrayim)
de Egyptenaren
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
om te zeggen
בְּרָעָ֤ה
(beraa)
met kwaad
הֽוֹצִיאָם֙
(hotsiam)
leidde Hij hen uit
לַהֲרֹ֤ג
(laharog)
om te doden
אֹתָם֙
(otam)
hen
בֶּֽהָרִ֔ים
(beharim)
in de bergen
וּ֨לְכַלֹּתָ֔ם
(ulekhalotam)
en om hen te vernietigen
מֵעַ֖ל
(meal)
van op
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
הָֽאֲדָמָ֑ה
(haadama)
de grond
שׁ֚וּב
(shuv)
keer terug
מֵחֲר֣וֹן
(mecharon)
van de hitte van
אַפֶּ֔ךָ
(apekha)
Uw toorn
וְהִנָּחֵ֥ם
(vehinachem)
en laat U rouwen
עַל
(al)
over
הָרָעָ֖ה
(haraa)
het kwaad
לְעַמֶּֽךָ
(leamekha)
tegen Uw volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Gedenk Abraham, Isaak en Israël, Uw dienaren, aan wie U bij Uzelf gezworen hebt en tot wie U gezegd hebt: ‘Ik zal jullie nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en dit hele land waarover Ik gesproken heb, zal Ik aan jullie nageslacht geven, en zij zullen het voor altijd bezitten.’”
זְכֹ֡ר
(zekhor)
gedenk
לְאַבְרָהָם֩
(leavraham)
Abraham
לְיִצְחָ֨ק
(leyitschaq)
Isaak
וּלְיִשְׂרָאֵ֜ל
(uleyisrael)
en Israël
עֲבָדֶ֗יךָ
(avadeikha)
Uw dienaren
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
aan wie
נִשְׁבַּ֣עְתָּ
(nishbata)
U zwoer
לָהֶם֮
(lahem)
hen
בָּךְ֒
(bakh)
bij Uzelf
וַתְּדַבֵּ֣ר
(vatedaber)
en U sprak
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
אַרְבֶּה֙
(arbe)
Ik zal talrijk maken
אֶֽת
(et)
(obj.)
זַרְעֲכֶ֔ם
(zarakhem)
jullie nageslacht
כְּכוֹכְבֵ֖י
(kekhokhevei)
als de sterren van
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָאָ֨רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֜את
(hazot)
dit
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אָמַ֗רְתִּי
(amarti)
Ik gesproken heb
אֶתֵּן֙
(eten)
zal Ik geven
לְזַרְעֲכֶ֔ם
(lezarakhem)
aan jullie nageslacht
וְנָחֲל֖וּ
(venachalu)
en zij zullen bezitten
לְעֹלָֽם
(leolam)
voor altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes beroept zich op wat Yahweh Zelf aan de aartsvaders heeft gezworen (Gen. 12:2; 15:5; 22:16–17; 26:4; 35:11).

14Toen liet Yahweh Zich het kwaad rouwen dat Hij had gezegd Zijn volk te zullen aandoen.
וַיִּנָּ֖חֶם
(vayinachem)
en liet Zich rouwen
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
הָ֣רָעָ֔ה
(haraa)
het kwaad
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֖ר
(diber)
Hij sprak
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
לְעַמּֽוֹ
(leamo)
aan Zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּנָּחֶם (wayyinnachem) betekent ‘Hij liet Zich het kwaad rouwen’, een bewogenheid over wat Hij had aangekondigd.

Zie ook Jona 3:10.

Mozes daalt af en breekt de tafelen

15Mozes keerde zich om en daalde van de berg af, met de twee tafelen van het getuigenis in zijn hand, tafelen die aan twee kanten beschreven waren: aan beide zijden waren ze beschreven.
וַיִּ֜פֶן
(vayifen)
en keerde zich om
וַיֵּ֤רֶד
(vayered)
en daalde af
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
מִן
(min)
van
הָהָ֔ר
(hahar)
de berg
וּשְׁנֵ֛י
(ushenei)
en twee
לֻחֹ֥ת
(luchot)
tafelen van
הָעֵדֻ֖ת
(haedut)
het getuigenis
בְּיָד֑וֹ
(beyado)
in zijn hand
לֻחֹ֗ת
(luchot)
tafelen
כְּתֻבִים֙
(ketuvim)
beschreven
מִשְּׁנֵ֣י
(mishenei)
aan hun twee
עֶבְרֵיהֶ֔ם
(evreihem)
kanten
מִזֶּ֥ה
(mize)
aan deze kant
וּמִזֶּ֖ה
(umize)
en aan die kant
הֵ֥ם
(hem)
zij
כְּתֻבִֽים
(ketuvim)
beschreven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tafelen waren aan beide zijden beschreven (zie Exod. 31:18; Deut. 9:10).

16De tafelen waren het werk van Elohim, en het schrift was het schrift van Elohim, gegraveerd op de tafelen.
וְהַ֨לֻּחֹ֔ת
(vehaluchot)
en de tafelen
מַעֲשֵׂ֥ה
(maase)
werk van
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
הֵ֑מָּה
(hema)
zij
וְהַמִּכְתָּ֗ב
(vehamikhtav)
en het schrift
מִכְתַּ֤ב
(mikhtav)
schrift van
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
ה֔וּא
(hu)
het
חָר֖וּת
(charut)
gegraveerd
עַל
(al)
op
הַלֻּחֹֽת
(haluchot)
de tafelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Toen Jozua het geluid van het volk hoorde, terwijl het juichte, zei hij tot Mozes: „Er is oorlogsgeschreeuw in het kamp.”
וַיִּשְׁמַ֧ע
(vayishma)
en hoorde
יְהוֹשֻׁ֛עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶת
(et)
(obj.)
ק֥וֹל
(qol)
geluid van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
בְּרֵעֹ֑ה
(bereo)
in zijn gejuich
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
ק֥וֹל
(qol)
geluid van
מִלְחָמָ֖ה
(milchama)
oorlog
בַּֽמַּחֲנֶה
(bamachane)
in het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jozua was bij Mozes op de berg (Exod. 24:13) en hoort hier het lawaai uit het kamp.

18Hij zei: „Dit is geen geluid van een zegezang en geen geluid van een nederlaagzang; het geluid van zingen hoor ik.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵ֥ין
(ein)
niet
קוֹל֙
(qol)
geluid van
עֲנ֣וֹת
(anot)
antwoord van
גְּבוּרָ֔ה
(gevura)
overwinning
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet
ק֖וֹל
(qol)
geluid van
עֲנ֣וֹת
(anot)
antwoord van
חֲלוּשָׁ֑ה
(chalusha)
nederlaag
ק֣וֹל
(qol)
geluid van
עַנּ֔וֹת
(anot)
zingen
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
שֹׁמֵֽעַ
(shomea)
hoor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Hebreeuwse zin gebruikt hier de uitdrukking ‘antwoord geven’ (עֲנוֹת, ‘anot) voor zingen of roepen.

De tekst speelt met de klank van het woord.

19Toen hij het kamp naderde en het kalf en de dansende mensen zag, ontbrandde Mozes' toorn; hij wierp de tafelen uit zijn handen en brak ze in stukken onder aan de berg.
וַֽיְהִ֗י
(vayhi)
en het geschiedde
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
toen
קָרַב֙
(qarav)
hij naderde
אֶל
(el)
naar
הַֽמַּחֲנֶ֔ה
(hamachane)
het kamp
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֵ֖גֶל
(haegel)
het kalf
וּמְחֹלֹ֑ת
(umecholot)
en dansen
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֣ף
(af)
toorn van
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
וַיַּשְׁלֵ֤ךְ
(vayashlekh)
en wierp
מִיָּדָיו֙
(miyadav)
uit zijn handen
אֶת
(et)
(obj.)
הַלֻּחֹ֔ת
(haluchot)
de tafelen
וַיְשַׁבֵּ֥ר
(vayshaber)
en brak
אֹתָ֖ם
(otam)
ze
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
הָהָֽר
(hahar)
de berg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes breekt de tafelen: het verbond is door het volk verbroken.

Zie Deut. 9:17.

20Hij nam het kalf dat zij gemaakt hadden, verbrandde het met vuur, maalde het tot het fijn was, strooide het op het water en liet de zonen van Israël ervan drinken.
וַיִּקַּ֞ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֵ֨גֶל
(haegel)
het kalf
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
עָשׂוּ֙
(asu)
zij maakten
וַיִּשְׂרֹ֣ף
(vayisrof)
en verbrandde
בָּאֵ֔שׁ
(baesh)
met vuur
וַיִּטְחַ֖ן
(vayitchan)
en maalde
עַ֣ד
(ad)
totdat
אֲשֶׁר
(asher)
dat
דָּ֑ק
(daq)
fijn
וַיִּ֨זֶר֙
(vayizer)
en strooide
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
het water
וַיַּ֖שְׁקְ
(vayashq)
en liet drinken
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het volk moet van het water drinken: de afgod wordt letterlijk in hen opgenomen en onschadelijk gemaakt.

Vergelijk Num. 5:11–31.

Aäron legt rekenschap af

21Mozes zei tot Aäron: „Wat heeft dit volk je aangedaan, dat je een grote zonde over hen hebt gebracht?”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
מֶֽה
(me)
wat
עָשָׂ֥ה
(asa)
heeft gedaan
לְךָ֖
(lekha)
aan jou
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
כִּֽי
(ki)
dat
הֵבֵ֥אתָ
(heveta)
je hebt gebracht
עָלָ֖יו
(alav)
over hen
חֲטָאָ֥ה
(chataa)
zonde
גְדֹלָֽה
(gedola)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Aäron zei: „Laat de toorn van mijn heer niet ontbranden; u kent het volk, dat het tot het kwade geneigd is.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
אַל
(al)
niet
יִ֥חַר
(yichar)
laat ontbranden
אַ֖ף
(af)
toorn van
אֲדֹנִ֑י
(adoni)
mijn heer
אַתָּה֙
(ata)
u
יָדַ֣עְתָּ
(yadata)
kent
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
כִּ֥י
(ki)
dat
בְרָ֖ע
(bera)
tot het kwaad
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Zij zeiden tot mij: ‘Maak ons goden die voor ons uit gaan, want we weten niet wat er met Mozes, die man die ons uit het land Egypte heeft geleid, is gebeurd.’
וַיֹּ֣אמְרוּ
(vayomru)
en zij zeiden
לִ֔י
(li)
tegen mij
עֲשֵׂה
(ase)
maak
לָ֣נוּ
(lanu)
voor ons
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
goden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יֵלְכ֖וּ
(yelekhu)
zullen gaan
לְפָנֵ֑ינוּ
(lefaneinu)
voor ons uit
כִּי
(ki)
want
זֶ֣ה
(ze)
deze
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
הָאִ֗ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הֶֽעֱלָ֨נוּ֙
(heelanu)
ons liet opgaan
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדַ֖עְנוּ
(yadanu)
we weten
מֶה
(me)
wat
הָ֥יָה
(haya)
geworden is
לֽוֹ
(lo)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

24Ik zei tot hen: ‘Wie goud heeft, haal het af.’ Zij gaven het mij, ik wierp het in het vuur, en dit kalf kwam eruit.”
וָאֹמַ֤ר
(vaomar)
en ik zei
לָהֶם֙
(lahem)
tot hen
לְמִ֣י
(lemi)
wie
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
הִתְפָּרָ֖קוּ
(hitparaqu)
haal af
וַיִּתְּנוּ
(vayitenu)
en zij gaven
לִ֑י
(li)
mij
וָאַשְׁלִכֵ֣הוּ
(vaashlikhehu)
en ik wierp het
בָאֵ֔שׁ
(baesh)
in het vuur
וַיֵּצֵ֖א
(vayetse)
en kwam uit
הָעֵ֥גֶל
(haegel)
het kalf
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De Levieten kiezen de zijde van Yahweh

25Mozes zag dat het volk ontketend was, want Aäron had hen ontketend, tot schande onder hun tegenstanders.
וַיַּ֤רְא
(vayar)
en zag
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
כִּ֥י
(ki)
dat
פָרֻ֖עַ
(parua)
ontketend
ה֑וּא
(hu)
het was
כִּֽי
(ki)
want
פְרָעֹ֣ה
(perao)
had ontketend
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
לְשִׁמְצָ֖ה
(leshimtsa)
tot schande
בְּקָמֵיהֶֽם
(beqameihem)
onder hun tegenstanders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּרֻעַ (para‘) is ‘ontketend’ of ‘losgeslagen’, letterlijk ‘met ongekamd haar’.

De zin houdt in dat het volk zijn tucht had verloren.

26Mozes ging in de poort van het kamp staan en zei: „Wie voor Yahweh is, kom hier bij mij!” Alle Levieten verzamelden zich bij hem.
וַיַּעֲמֹ֤ד
(vayaamod)
en stond
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
בְּשַׁ֣עַר
(beshaar)
in de poort van
הַֽמַּחֲנֶ֔ה
(hamachane)
het kamp
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
מִ֥י
(mi)
wie
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
וַיֵּאָסְפ֥וּ
(vayeasefu)
en verzamelden zich
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
לֵוִֽי
(levi)
Levi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Over de trouw van de Levieten, zie ook Deut. 33:8–11.

27Hij zei tot hen: „Zo zegt Yahweh, Elohim van Israël: ‘Ieder moet zijn zwaard aan zijn heup gorden. Ga van poort naar poort door het kamp heen en weer, en dood ieder zijn broer, ieder zijn vriend en ieder zijn verwant.’”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהֶ֗ם
(lahem)
tot hen
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
שִׂ֥ימוּ
(simu)
leg
אִישׁ
(ish)
ieder
חַרְבּ֖וֹ
(charbo)
zijn zwaard
עַל
(al)
aan
יְרֵכ֑וֹ
(yerekho)
zijn heup
עִבְר֨וּ
(ivru)
ga heen
וָשׁ֜וּבוּ
(vashuvu)
en keer terug
מִשַּׁ֤עַר
(mishaar)
van poort
לָשַׁ֨עַר֙
(lashaar)
naar poort
בַּֽמַּחֲנֶ֔ה
(bamachane)
in het kamp
וְהִרְג֧וּ
(vehirgu)
en dood
אִֽישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
אָחִ֛יו
(achiv)
zijn broer
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en ieder
אֶת
(et)
(obj.)
רֵעֵ֖הוּ
(reehu)
zijn vriend
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en ieder
אֶת
(et)
(obj.)
קְרֹבֽוֹ
(qerovo)
zijn verwant
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Levieten krijgen hun taak omdat zij als eersten aan de zijde van Yahweh staan.

Het doden gaat om de schuldigen, niet om de familieband.

28De Levieten deden wat Mozes gezegd had; op die dag vielen er ongeveer drieduizend man van het volk.
וַיַּֽעֲשׂ֥וּ
(vayaasu)
en deden
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
לֵוִ֖י
(levi)
Levi
כִּדְבַ֣ר
(kidvar)
naar het woord van
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
וַיִּפֹּ֤ל
(vayipol)
en vielen
מִן
(min)
van
הָעָם֙
(haam)
het volk
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
כִּשְׁלֹ֥שֶׁת
(kishloshet)
ongeveer drie
אַלְפֵ֖י
(alfei)
duizend van
אִֽישׁ
(ish)
man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het aantal van ongeveer drieduizend gaat over de mensen die op die dag vielen.

29Mozes zei: „Wijd jullie vandaag aan Yahweh, ieder ten koste van zijn zoon en zijn broer, zodat Hij jullie vandaag een zegen schenkt.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
מִלְא֨וּ
(milu)
vul
יֶדְכֶ֤ם
(yedkhem)
jullie hand
הַיּוֹם֙
(hayom)
vandaag
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
כִּ֛י
(ki)
want
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
בִּבְנ֖וֹ
(bivno)
tegen zijn zoon
וּבְאָחִ֑יו
(uveachiv)
en tegen zijn broer
וְלָתֵ֧ת
(velatet)
en om te geven
עֲלֵיכֶ֛ם
(aleikhem)
aan jullie
הַיּ֖וֹם
(hayom)
vandaag
בְּרָכָֽה
(berakha)
een zegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Mozes pleit opnieuw

30De volgende dag zei Mozes tot het volk: „Jullie hebben een grote zonde begaan. Nu ga ik op naar Yahweh; misschien kan ik verzoening doen voor jullie zonde.”
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het geschiedde
מִֽמָּחֳרָ֔ת
(mimachorat)
de volgende dag
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
חֲטָאתֶ֖ם
(chatatem)
hebben gezondigd
חֲטָאָ֣ה
(chataa)
zonde
גְדֹלָ֑ה
(gedola)
grote
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
אֶֽעֱלֶ֣ה
(eele)
ik ga op
אֶל
(el)
naar
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אוּלַ֥י
(ulay)
misschien
אֲכַפְּרָ֖ה
(akhapera)
kan ik verzoenen
בְּעַ֥ד
(bead)
voor
חַטַּאתְכֶֽם
(chatatkhem)
jullie zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Mozes keerde terug naar Yahweh en zei: „Ach, dit volk heeft een grote zonde begaan: zij hebben zich goden van goud gemaakt.
וַיָּ֧שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
naar
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
אָ֣נָּ֗א
(ana)
ach
חָטָ֞א
(chata)
heeft gezondigd
הָעָ֤ם
(haam)
het volk
הַזֶּה֙
(haze)
dit
חֲטָאָ֣ה
(chataa)
zonde
גְדֹלָ֔ה
(gedola)
grote
וַיַּֽעֲשׂ֥וּ
(vayaasu)
en zij maakten
לָהֶ֖ם
(lahem)
zich
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
goden van
זָהָֽב
(zahav)
goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Vergeef hun nu hun zonde — en zo niet, wis mij dan uit het boek dat U geschreven hebt.”
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
אִם
(im)
als
תִּשָּׂ֣א
(tisa)
U vergeeft
חַטָּאתָ֑ם
(chatatam)
hun zonde
וְאִם
(veim)
en als
אַ֕יִן
(ayin)
niet
מְחֵ֣נִי
(mecheni)
wis mij uit
נָ֔א
(na)
toch
מִֽסִּפְרְךָ֖
(misifrekha)
uit Uw boek
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
כָּתָֽבְתָּ
(katavta)
U geschreven hebt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zin breekt in het Hebreeuws af: ‘als U hun zonde vergeeft — ’.

De rest van de zin ontbreekt, en dan volgt ‘en zo niet, wis mij toch uit’.

De vorm תִּשָּׂא (tissa) betekent letterlijk ‘dragen’; bij schuld vertalen wij ‘vergeven’.

Uitleg

‘Het boek dat U geschreven hebt’ is het boek van het leven; zie ook Ps. 69:29; Fil. 4:3; Openb. 3:5 en Rom. 9:3.

33Yahweh zei tot Mozes: „Wie tegen Mij gezondigd heeft, hem zal Ik uit Mijn boek wissen.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
מִ֚י
(mi)
wie
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָֽטָא
(chata)
gezondigd heeft
לִ֔י
(li)
tegen Mij
אֶמְחֶ֖נּוּ
(emchenu)
zal Ik hem uitwissen
מִסִּפְרִֽי
(misifri)
uit Mijn boek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Ga nu, leid het volk naar de plaats waarover Ik tot je gesproken heb. Zie, Mijn engel zal voor je uit gaan; maar op de dag dat Ik straf, zal Ik hun zonde over hen brengen.”
וְעַתָּ֞ה
(veata)
en nu
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
נְחֵ֣ה
(neche)
leid
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
אֶ֤ל
(el)
naar
אֲשֶׁר
(asher)
waar
דִּבַּ֨רְתִּי֙
(dibarti)
Ik sprak
לָ֔ךְ
(lakh)
tot jou
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
מַלְאָכִ֖י
(malakhi)
Mijn engel
יֵלֵ֣ךְ
(yelekh)
zal gaan
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor je uit
וּבְי֣וֹם
(uveyom)
en op de dag van
פָּקְדִ֔י
(paqedi)
Mijn bezoeking
וּפָקַדְתִּ֥י
(ufaqadti)
zal Ik bezoeken
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
over hen
חַטָּאתָֽם
(chatatam)
hun zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh stelt Zijn engel aan voor de reis; in Exod. 33:2–3 zegt Hij dat Hij Zelf niet mee zal gaan.

35Yahweh trof het volk met een plaag, omdat zij het kalf gemaakt hadden dat Aäron gemaakt had.
וַיִּגֹּ֥ף
(vayigof)
en trof
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
עַ֚ל
(al)
omdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשׂ֣וּ
(asu)
zij maakten
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֵ֔גֶל
(haegel)
het kalf
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עָשָׂ֖ה
(asa)
maakte
אַהֲרֹֽן
(aharon)
Aäron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De plaag onder het volk wordt hier kort genoemd; wat precies gebeurde, wordt niet verteld.