Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het volk maakt een gouden kalf
1Toen het volk zag dat Mozes talmde om van de berg af te dalen, verzamelde het zich rond Aäron en zij zeiden tot hem: „Kom, maak ons goden die voor ons uit gaan, want we weten niet wat er met Mozes, die man die ons uit het land Egypte heeft geleid, is gebeurd.”
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en zag
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
כִּֽי
(ki)
dat
בֹשֵׁ֥שׁ
(boshesh)
talmde
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
לָרֶ֣דֶת
(laredet)
om af te dalen
מִן
(min)
van
הָהָ֑ר
(hahar)
de berg
וַיִּקָּהֵ֨ל
(vayiqahel)
en verzamelde zich
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
עַֽל
(al)
bij
אַהֲרֹ֗ן
(aharon)
Aäron
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
ק֣וּם
(qum)
sta op
עֲשֵׂה
(ase)
maak
לָ֣נוּ
(lanu)
voor ons
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
goden
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
יֵֽלְכוּ֙
(yelekhu)
zullen gaan
לְפָנֵ֔ינוּ
(lefaneinu)
voor ons uit
כִּי
(ki)
want
זֶ֣ה
(ze)
deze
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
הָאִ֗ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הֶֽעֱלָ֨נוּ֙
(heelanu)
ons liet opgaan
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדַ֖עְנוּ
(yadanu)
we weten
מֶה
(me)
wat
הָ֥יָה
(haya)
geworden is
לֽוֹ
(lo)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
אֱלֹהִים (elohim) staat hier in het meervoud met een meervoudig werkwoord (‘die voor ons uit gaan’): het volk vraagt om goden, niet om een afbeelding van Yahweh.
In vers 4 staat ‘Dit zijn jullie goden’ in het meervoud, naar de vorm van de tekst.
Vergelijk 1 Kon. 12:28.
Zie ook Deut. 9:7–21; Neh. 9:18; Ps. 106:19–23; Hand. 7:39–41 en 1 Kor. 10:7.
4Hij nam het van hun hand, vormde het met een graveerstift en maakte er een gegoten kalf van. Zij zeiden: „Dit zijn jullie goden, Israël, die jou uit het land Egypte hebben geleid.”
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
מִיָּדָ֗ם
(miyadam)
van hun hand
וַיָּ֤צַר
(vayatsar)
en vormde
אֹתוֹ֙
(oto)
het
בַּחֶ֔רֶט
(bacheret)
met een stift
וַֽיַּעֲשֵׂ֖הוּ
(vayaasehu)
en maakte het
עֵ֣גֶל
(egel)
een kalf
מַסֵּכָ֑ה
(masekha)
gegoten
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵ֤לֶּה
(ele)
dit zijn
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je goden
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֶעֱל֖וּךָ
(heelukha)
je lieten opgaan
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
חֶרֶט (cheret) is een graveerstift of een zak; de zin is moeilijk.
Wij kiezen ‘graveerstift’, waarmee Aäron het goud in vorm bracht.
Het gouden kalf (עֵגֶל, ‘egel) is een stierbeeld.
In Egypte en Kanaän stond de stier voor kracht en vruchtbaarheid.
6De volgende dag stonden zij vroeg op, offerden brandoffers en brachten vredeoffers. Het volk ging zitten om te eten en te drinken, en zij stonden op om zich te vermaken.
וַיַּשְׁכִּ֨ימוּ֙
(vayashkimu)
en stonden vroeg op
מִֽמָּחֳרָ֔ת
(mimachorat)
de volgende dag
וַיַּעֲל֣וּ
(vayaalu)
en offerden
עֹלֹ֔ת
(olot)
brandoffers
וַיַּגִּ֖שׁוּ
(vayagishu)
en brachten
שְׁלָמִ֑ים
(shelamim)
vredeoffers
וַיֵּ֤שֶׁב
(vayeshev)
en ging zitten
הָעָם֙
(haam)
het volk
לֶֽאֱכֹ֣ל
(leekhol)
om te eten
וְשָׁת֔וֹ
(veshato)
en dronken
וַיָּקֻ֖מוּ
(vayaqumu)
en stonden op
לְצַחֵֽק
(letsacheq)
om te spelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְצַחֵק (letsacheq), ‘om te spelen’, kan ook ‘uitgelaten feestvieren’ betekenen, soms met een seksuele ondertoon (vergelijk Gen. 26:8; 1 Kor. 10:7).
8Snel zijn zij afgeweken van de weg die Ik hun geboden heb: zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt, zij hebben zich ervoor neergebogen, hebben er offers aan gebracht en gezegd: ‘Dit zijn jullie goden, Israël, die jou uit het land Egypte hebben geleid.’”
סָ֣רוּ
(saru)
zij zijn afgeweken
מַהֵ֗ר
(maher)
snel
מִן
(min)
van
הַדֶּ֨רֶךְ֙
(haderekh)
de weg
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
צִוִּיתִ֔ם
(tsivitim)
Ik gebood hen
עָשׂ֣וּ
(asu)
zij maakten
לָהֶ֔ם
(lahem)
zich
עֵ֖גֶל
(egel)
een kalf
מַסֵּכָ֑ה
(masekha)
gegoten
וַיִּשְׁתַּֽחֲווּ
(vayishtachavu)
en bogen zich neer
לוֹ֙
(lo)
voor het
וַיִּזְבְּחוּ
(vayizbechu)
en offerden
ל֔וֹ
(lo)
aan het
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵ֤לֶּה
(ele)
dit zijn
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je goden
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֶֽעֱל֖וּךָ
(heelukha)
je lieten opgaan
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
11Mozes smeekte Yahweh, zijn Elohim, en zei: „Waarom, Yahweh, ontbrandt Uw toorn tegen Uw volk, dat U met grote kracht en sterke hand uit het land Egypte hebt geleid?
וַיְחַ֣ל
(vaychal)
en smeekte
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֖י
(penei)
het aangezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֑יו
(elohav)
zijn Elohim
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
לָמָ֤ה
(lama)
waarom
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
יֶחֱרֶ֤ה
(yechere)
ontbrandt
אַפְּךָ֙
(apekha)
Uw toorn
בְּעַמֶּ֔ךָ
(beamekha)
tegen Uw volk
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
הוֹצֵ֨אתָ֙
(hotseta)
U uitleidde
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
בְּכֹ֥חַ
(bekhoach)
met kracht
גָּד֖וֹל
(gadol)
grote
וּבְיָ֥ד
(uveyad)
en met hand
חֲזָקָֽה
(chazaqa)
sterke
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
וַיְחַל (wayechal), ‘hij smeekte’, is letterlijk ‘hij maakte het aangezicht van Yahweh zacht’.
12Waarom zouden de Egyptenaren zeggen: ‘Met kwade bedoeling heeft Hij hen uitgeleid, om hen in de bergen te doden en hen van het oppervlak van de grond te vernietigen’? Keer terug van Uw hevige toorn en laat U het kwaad rouwen dat U Uw volk wilt aandoen.
לָמָּה֩
(lama)
waarom
יֹאמְר֨וּ
(yomru)
zouden zeggen
מִצְרַ֜יִם
(mitsrayim)
de Egyptenaren
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
om te zeggen
בְּרָעָ֤ה
(beraa)
met kwaad
הֽוֹצִיאָם֙
(hotsiam)
leidde Hij hen uit
לַהֲרֹ֤ג
(laharog)
om te doden
אֹתָם֙
(otam)
hen
בֶּֽהָרִ֔ים
(beharim)
in de bergen
וּ֨לְכַלֹּתָ֔ם
(ulekhalotam)
en om hen te vernietigen
מֵעַ֖ל
(meal)
van op
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
הָֽאֲדָמָ֑ה
(haadama)
de grond
שׁ֚וּב
(shuv)
keer terug
מֵחֲר֣וֹן
(mecharon)
van de hitte van
אַפֶּ֔ךָ
(apekha)
Uw toorn
וְהִנָּחֵ֥ם
(vehinachem)
en laat U rouwen
עַל
(al)
over
הָרָעָ֖ה
(haraa)
het kwaad
לְעַמֶּֽךָ
(leamekha)
tegen Uw volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Gedenk Abraham, Isaak en Israël, Uw dienaren, aan wie U bij Uzelf gezworen hebt en tot wie U gezegd hebt: ‘Ik zal jullie nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en dit hele land waarover Ik gesproken heb, zal Ik aan jullie nageslacht geven, en zij zullen het voor altijd bezitten.’”
זְכֹ֡ר
(zekhor)
gedenk
לְאַבְרָהָם֩
(leavraham)
Abraham
לְיִצְחָ֨ק
(leyitschaq)
Isaak
וּלְיִשְׂרָאֵ֜ל
(uleyisrael)
en Israël
עֲבָדֶ֗יךָ
(avadeikha)
Uw dienaren
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
aan wie
נִשְׁבַּ֣עְתָּ
(nishbata)
U zwoer
לָהֶם֮
(lahem)
hen
בָּךְ֒
(bakh)
bij Uzelf
וַתְּדַבֵּ֣ר
(vatedaber)
en U sprak
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
אַרְבֶּה֙
(arbe)
Ik zal talrijk maken
אֶֽת
(et)
(obj.)
זַרְעֲכֶ֔ם
(zarakhem)
jullie nageslacht
כְּכוֹכְבֵ֖י
(kekhokhevei)
als de sterren van
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָאָ֨רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֜את
(hazot)
dit
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אָמַ֗רְתִּי
(amarti)
Ik gesproken heb
אֶתֵּן֙
(eten)
zal Ik geven
לְזַרְעֲכֶ֔ם
(lezarakhem)
aan jullie nageslacht
וְנָחֲל֖וּ
(venachalu)
en zij zullen bezitten
לְעֹלָֽם
(leolam)
voor altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Mozes beroept zich op wat Yahweh Zelf aan de aartsvaders heeft gezworen (Gen. 12:2; 15:5; 22:16–17; 26:4; 35:11).
15Mozes keerde zich om en daalde van de berg af, met de twee tafelen van het getuigenis in zijn hand, tafelen die aan twee kanten beschreven waren: aan beide zijden waren ze beschreven.
וַיִּ֜פֶן
(vayifen)
en keerde zich om
וַיֵּ֤רֶד
(vayered)
en daalde af
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
מִן
(min)
van
הָהָ֔ר
(hahar)
de berg
וּשְׁנֵ֛י
(ushenei)
en twee
לֻחֹ֥ת
(luchot)
tafelen van
הָעֵדֻ֖ת
(haedut)
het getuigenis
בְּיָד֑וֹ
(beyado)
in zijn hand
לֻחֹ֗ת
(luchot)
tafelen
כְּתֻבִים֙
(ketuvim)
beschreven
מִשְּׁנֵ֣י
(mishenei)
aan hun twee
עֶבְרֵיהֶ֔ם
(evreihem)
kanten
מִזֶּ֥ה
(mize)
aan deze kant
וּמִזֶּ֖ה
(umize)
en aan die kant
הֵ֥ם
(hem)
zij
כְּתֻבִֽים
(ketuvim)
beschreven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De tafelen waren aan beide zijden beschreven (zie Exod. 31:18; Deut. 9:10).
19Toen hij het kamp naderde en het kalf en de dansende mensen zag, ontbrandde Mozes' toorn; hij wierp de tafelen uit zijn handen en brak ze in stukken onder aan de berg.
וַֽיְהִ֗י
(vayhi)
en het geschiedde
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
toen
קָרַב֙
(qarav)
hij naderde
אֶל
(el)
naar
הַֽמַּחֲנֶ֔ה
(hamachane)
het kamp
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֵ֖גֶל
(haegel)
het kalf
וּמְחֹלֹ֑ת
(umecholot)
en dansen
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֣ף
(af)
toorn van
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
וַיַּשְׁלֵ֤ךְ
(vayashlekh)
en wierp
מִיָּדָיו֙
(miyadav)
uit zijn handen
אֶת
(et)
(obj.)
הַלֻּחֹ֔ת
(haluchot)
de tafelen
וַיְשַׁבֵּ֥ר
(vayshaber)
en brak
אֹתָ֖ם
(otam)
ze
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
הָהָֽר
(hahar)
de berg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Mozes breekt de tafelen: het verbond is door het volk verbroken.
20Hij nam het kalf dat zij gemaakt hadden, verbrandde het met vuur, maalde het tot het fijn was, strooide het op het water en liet de zonen van Israël ervan drinken.
וַיִּקַּ֞ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֵ֨גֶל
(haegel)
het kalf
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
עָשׂוּ֙
(asu)
zij maakten
וַיִּשְׂרֹ֣ף
(vayisrof)
en verbrandde
בָּאֵ֔שׁ
(baesh)
met vuur
וַיִּטְחַ֖ן
(vayitchan)
en maalde
עַ֣ד
(ad)
totdat
אֲשֶׁר
(asher)
dat
דָּ֑ק
(daq)
fijn
וַיִּ֨זֶר֙
(vayizer)
en strooide
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
het water
וַיַּ֖שְׁקְ
(vayashq)
en liet drinken
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het volk moet van het water drinken: de afgod wordt letterlijk in hen opgenomen en onschadelijk gemaakt.
23Zij zeiden tot mij: ‘Maak ons goden die voor ons uit gaan, want we weten niet wat er met Mozes, die man die ons uit het land Egypte heeft geleid, is gebeurd.’
וַיֹּ֣אמְרוּ
(vayomru)
en zij zeiden
לִ֔י
(li)
tegen mij
עֲשֵׂה
(ase)
maak
לָ֣נוּ
(lanu)
voor ons
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
goden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יֵלְכ֖וּ
(yelekhu)
zullen gaan
לְפָנֵ֑ינוּ
(lefaneinu)
voor ons uit
כִּי
(ki)
want
זֶ֣ה
(ze)
deze
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
הָאִ֗ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הֶֽעֱלָ֨נוּ֙
(heelanu)
ons liet opgaan
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדַ֖עְנוּ
(yadanu)
we weten
מֶה
(me)
wat
הָ֥יָה
(haya)
geworden is
לֽוֹ
(lo)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
27Hij zei tot hen: „Zo zegt Yahweh, Elohim van Israël: ‘Ieder moet zijn zwaard aan zijn heup gorden. Ga van poort naar poort door het kamp heen en weer, en dood ieder zijn broer, ieder zijn vriend en ieder zijn verwant.’”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהֶ֗ם
(lahem)
tot hen
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
שִׂ֥ימוּ
(simu)
leg
אִישׁ
(ish)
ieder
חַרְבּ֖וֹ
(charbo)
zijn zwaard
עַל
(al)
aan
יְרֵכ֑וֹ
(yerekho)
zijn heup
עִבְר֨וּ
(ivru)
ga heen
וָשׁ֜וּבוּ
(vashuvu)
en keer terug
מִשַּׁ֤עַר
(mishaar)
van poort
לָשַׁ֨עַר֙
(lashaar)
naar poort
בַּֽמַּחֲנֶ֔ה
(bamachane)
in het kamp
וְהִרְג֧וּ
(vehirgu)
en dood
אִֽישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
אָחִ֛יו
(achiv)
zijn broer
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en ieder
אֶת
(et)
(obj.)
רֵעֵ֖הוּ
(reehu)
zijn vriend
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en ieder
אֶת
(et)
(obj.)
קְרֹבֽוֹ
(qerovo)
zijn verwant
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De Levieten krijgen hun taak omdat zij als eersten aan de zijde van Yahweh staan.
Het doden gaat om de schuldigen, niet om de familieband.
30De volgende dag zei Mozes tot het volk: „Jullie hebben een grote zonde begaan. Nu ga ik op naar Yahweh; misschien kan ik verzoening doen voor jullie zonde.”
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het geschiedde
מִֽמָּחֳרָ֔ת
(mimachorat)
de volgende dag
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
חֲטָאתֶ֖ם
(chatatem)
hebben gezondigd
חֲטָאָ֣ה
(chataa)
zonde
גְדֹלָ֑ה
(gedola)
grote
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
אֶֽעֱלֶ֣ה
(eele)
ik ga op
אֶל
(el)
naar
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אוּלַ֥י
(ulay)
misschien
אֲכַפְּרָ֖ה
(akhapera)
kan ik verzoenen
בְּעַ֥ד
(bead)
voor
חַטַּאתְכֶֽם
(chatatkhem)
jullie zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Ga nu, leid het volk naar de plaats waarover Ik tot je gesproken heb. Zie, Mijn engel zal voor je uit gaan; maar op de dag dat Ik straf, zal Ik hun zonde over hen brengen.”
וְעַתָּ֞ה
(veata)
en nu
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
נְחֵ֣ה
(neche)
leid
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
אֶ֤ל
(el)
naar
אֲשֶׁר
(asher)
waar
דִּבַּ֨רְתִּי֙
(dibarti)
Ik sprak
לָ֔ךְ
(lakh)
tot jou
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
מַלְאָכִ֖י
(malakhi)
Mijn engel
יֵלֵ֣ךְ
(yelekh)
zal gaan
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor je uit
וּבְי֣וֹם
(uveyom)
en op de dag van
פָּקְדִ֔י
(paqedi)
Mijn bezoeking
וּפָקַדְתִּ֥י
(ufaqadti)
zal Ik bezoeken
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
over hen
חַטָּאתָֽם
(chatatam)
hun zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Yahweh stelt Zijn engel aan voor de reis; in Exod. 33:2–3 zegt Hij dat Hij Zelf niet mee zal gaan.