Elohim Bijbel

Klaagliederen 2

12345

Klaaglied over Yahweh's toorn over Sion

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De Heer is als een vijand geworden

1Hoe heeft de Heer in Zijn toorn Dochter Sion met een wolk bedekt! Hij heeft de pracht van Israël uit de hemel op de aarde geworpen. Op de dag van Zijn toorn heeft Hij niet gedacht aan Zijn voetbank.
אֵיכָה֩
(eikha)
hoe
יָעִ֨יב
(yaiv)
heeft met een wolk bedekt
בְּאַפּ֤וֹ
(beapo)
in Zijn toorn
אֲדֹנָי֙
(adonay)
de Heer
אֶת
(et)
(obj.)
בַּת
(bat)
dochter van
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
הִשְׁלִ֤יךְ
(hishlikh)
Hij heeft neergeworpen
מִשָּׁמַ֨יִם֙
(mishamayim)
uit de hemel
אֶ֔רֶץ
(erets)
op de aarde
תִּפְאֶ֖רֶת
(tiferet)
pracht van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְלֹא
(velo)
en niet
זָכַ֥ר
(zakhar)
Hij heeft gedacht aan
הֲדֹם
(hadom)
de voetbank van
רַגְלָ֖יו
(raglav)
Zijn voeten
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
אַפּֽוֹ
(apo)
Zijn toorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Dit hoofdstuk is een alfabetgedicht (acrostichon): elk vers begint met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet.

Dit vers begint met א (alef), net als Klaagl. 1:1.

Wij vervormen het Nederlands niet om die opbouw na te bootsen.

Zie ook de uitleg bij 1:1 en bij vers 16.

אֵיכָה (eikhah), ‘hoe’: dezelfde klaagkreet als in 1:1.

יָעִיב (ya’iv), ‘met een wolk bedekt’: dit werkwoord komt alleen hier voor. Het hoort bij עָב (av), ‘wolk’. Het beeld is een donkere wolk van toorn boven Sion.

הֲדֹם רַגְלָיו (hadom raglav), ‘de voetbank van Zijn voeten’: de ark of de tempel; zie Ps. 99:5, Ps. 132:7 en 1 Kron. 28:2. תִּפְאֶרֶת יִשְׂרָאֵל (tif’eret Yisra’el), ‘de pracht van Israël’, is waarschijnlijk dezelfde plaats of de stad.

2De Heer heeft alle woningen van Jakob verslonden, zonder medelijden. In Zijn woede heeft Hij de vestingen van Dochter Juda neergehaald. Hij heeft ze tot de grond gebracht. Hij heeft het koninkrijk en zijn oversten ontwijd.
בִּלַּ֨ע
(bila)
Hij heeft verslonden
אֲדֹנָ֜י
(adonay)
de Heer
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
חָמַ֗ל
(chamal)
Hij heeft medelijden gehad
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
נְא֣וֹת
(neot)
woningen van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
הָרַ֧ס
(haras)
Hij heeft neergehaald
בְּעֶבְרָת֛וֹ
(beevrato)
in Zijn woede
מִבְצְרֵ֥י
(mivtserei)
vestingen van
בַת
(bat)
dochter van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
הִגִּ֣יעַ
(higia)
Hij heeft gebracht
לָאָ֑רֶץ
(laarets)
tot de aarde
חִלֵּ֥ל
(chilel)
Hij heeft ontwijd
מַמְלָכָ֖ה
(mamlakha)
koninkrijk
וְשָׂרֶֽיהָ
(vesareiha)
en zijn oversten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאוֹת (ne’ot), ‘woningen’: weidegronden en verblijfplaatsen.

Het woord kan ook ‘weiden’ betekenen.

חָמַל (chamal), ‘medelijden hebben’: het werkwoord keert terug in vers 17 en 21 en in 3:43. Telkens is het ‘geen medelijden’.

3In brandende toorn heeft Hij heel de hoorn van Israël afgehakt. Hij heeft Zijn rechterhand achterwaarts laten keren voor de vijand. In Jakob heeft Hij gebrand als een vlammend vuur dat rondom verslindt.
גָּדַ֣ע
(gada)
Hij heeft afgehakt
בָּֽחֳרִי
(bachori)
in gloed van
אַ֗ף
(af)
toorn
כֹּ֚ל
(kol)
al
קֶ֣רֶן
(qeren)
hoorn van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הֵשִׁ֥יב
(heshiv)
Hij heeft laten keren
אָח֛וֹר
(achor)
achterwaarts
יְמִינ֖וֹ
(yemino)
Zijn rechterhand
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor het gezicht van
אוֹיֵ֑ב
(oyev)
de vijand
וַיִּבְעַ֤ר
(vayivar)
en Hij heeft gebrand
בְּיַעֲקֹב֙
(beyaaqov)
in Jakob
כְּאֵ֣שׁ
(keesh)
als vuur
לֶֽהָבָ֔ה
(lehava)
vlam
אָכְלָ֖ה
(akhela)
verslindend
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֶרֶן (qeren), ‘hoorn’: het beeld van kracht en eer, zoals bij een stier.

Zie ook vers 17 en Ps. 75:11 (NL 75:10).

יְמִינוֹ (yemino), ‘Zijn rechterhand’: de hand van hulp. Yahweh trekt haar terug, zodat Hij het volk niet meer helpt tegen de vijand.

4Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand. Zijn rechterhand stond gereed als die van een tegenstander. Hij heeft gedood alles wat het oog begeerde. In de tent van Dochter Sion heeft Hij Zijn gramschap als vuur uitgegoten.
דָּרַ֨ךְ
(darakh)
Hij heeft gespannen
קַשְׁתּ֜וֹ
(qashto)
Zijn boog
כְּאוֹיֵ֗ב
(keoyev)
als een vijand
נִצָּ֤ב
(nitsav)
staande
יְמִינוֹ֙
(yemino)
Zijn rechterhand
כְּצָ֔ר
(ketsar)
als een tegenstander
וַֽיַּהֲרֹ֔ג
(vayaharog)
en Hij heeft gedood
כֹּ֖ל
(kol)
al
מַחֲמַדֵּי
(machamadei)
wat kostbaar was voor
עָ֑יִן
(ayin)
het oog
בְּאֹ֨הֶל֙
(beohel)
in de tent van
בַּת
(bat)
dochter van
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
שָׁפַ֥ךְ
(shafakh)
Hij heeft uitgegoten
כָּאֵ֖שׁ
(kaesh)
als vuur
חֲמָתֽוֹ
(chamato)
Zijn gramschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Yahweh treedt op als een vijand die met boog en rechterhand aanvalt.

Het beeld loopt door in vers 5.

בָּאֹהֶל (be’ohel), ‘in de tent’: de woning van Dochter Sion, ook als beeld voor de stad.

5De Heer is als een vijand geworden. Hij heeft Israël verslonden. Hij heeft al haar paleizen verslonden en zijn vestingen vernield. In Dochter Juda heeft Hij klacht en jammer vermenigvuldigd.
הָיָ֨ה
(haya)
Hij is geworden
אֲדֹנָ֤י
(adonay)
de Heer
כְּאוֹיֵב֙
(keoyev)
als een vijand
בִּלַּ֣ע
(bila)
Hij heeft verslonden
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בִּלַּע֙
(bila)
Hij heeft verslonden
כָּל
(kal)
al
אַרְמְנוֹתֶ֔יהָ
(armenoteiha)
haar paleizen
שִׁחֵ֖ת
(shichet)
Hij heeft vernield
מִבְצָרָ֑יו
(mivtsarav)
zijn vestingen
וַיֶּ֨רֶב֙
(vayerev)
en Hij heeft vermenigvuldigd
בְּבַת
(bevat)
in de dochter van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
תַּאֲנִיָּ֖ה
(taaniya)
klacht
וַאֲנִיָּֽה
(vaaniya)
en jammer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּאֲנִיָּה וַאֲנִיָּה (ta’aniyyah va’aniyyah), ‘klacht en jammer’: een woordspel.

Het eerste woord komt alleen hier voor; beide klinken als het werkwoord אנה (anah), ‘klagen’.

In de tekst staat ‘haar paleizen’ (Sion) en ‘zijn vestingen’ (Israël). Wij laten het wisselen van het voornaamwoord staan.

6Hij heeft Zijn hut afgebroken als een tuinhut. Hij heeft Zijn plaats van samenkomst vernield. Yahweh heeft in Sion feesttijd en sabbat doen vergeten. In de verontwaardiging van Zijn toorn heeft Hij koning en priester versmaad.
וַיַּחְמֹ֤ס
(vayachmos)
en Hij heeft weggerukt
כַּגַּן֙
(kagan)
als een tuin
שֻׂכּ֔וֹ
(suko)
Zijn hut
שִׁחֵ֖ת
(shichet)
Hij heeft vernield
מוֹעֲד֑וֹ
(moado)
Zijn plaats van samenkomst
שִׁכַּ֨ח
(shikach)
Hij heeft laten vergeten
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּצִיּוֹן֙
(betsiyon)
in Sion
מוֹעֵ֣ד
(moed)
feesttijd
וְשַׁבָּ֔ת
(veshabat)
en sabbat
וַיִּנְאַ֥ץ
(vayinats)
en Hij heeft versmaad
בְּזַֽעַם
(bezaam)
in de verontwaardiging van
אַפּ֖וֹ
(apo)
Zijn toorn
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning
וְכֹהֵֽן
(vekhohen)
en priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

שֻׂכּוֹ (sukko), ‘Zijn hut’: de tempel als hut of tent.

De betekenis van het geheel is onzeker; het kan ook ‘als een tuin’ betekenen.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

מוֹעֲדוֹ (mo’ado), ‘Zijn plaats van samenkomst’: de tempel; het kan ook ‘Zijn vaste tijd’ betekenen. Het volgende woord מוֹעֵד (mo’ed) is ‘feesttijd’. Zie 1:4.

שַׁבָּת (shabbat), ‘sabbat’.

7De Heer heeft Zijn altaar verstoten en Zijn heiligdom verafschuwd. Hij heeft de muren van haar paleizen in de hand van de vijand overgeleverd. In het huis van Yahweh hebben zij hun stem laten horen, als op de dag van een feesttijd.
זָנַ֨ח
(zanach)
Hij heeft verstoten
אֲדֹנָ֤י
(adonay)
de Heer
מִזְבְּחוֹ֙
(mizbecho)
Zijn altaar
נִאֵ֣ר
(nier)
Hij heeft verafschuwd
מִקְדָּשׁ֔וֹ
(miqdasho)
Zijn heiligdom
הִסְגִּיר֙
(hisgir)
Hij heeft overgeleverd
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
אוֹיֵ֔ב
(oyev)
de vijand
חוֹמֹ֖ת
(chomot)
muur van
אַרְמְנוֹתֶ֑יהָ
(armenoteiha)
haar paleizen
ק֛וֹל
(qol)
stem
נָתְנ֥וּ
(natenu)
zij hebben gegeven
בְּבֵית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּי֥וֹם
(keyom)
als op de dag van
מוֹעֵֽד
(moed)
feesttijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קוֹל נָתְנוּ (qol natenu), ‘zij hebben hun stem laten horen’: de vijanden juichten in het huis van Yahweh, zoals men vroeger op de feesttijden zong.

8Yahweh heeft besloten de muur van Dochter Sion te verwoesten. Hij heeft het meetsnoer gespannen. Hij heeft Zijn hand niet teruggetrokken van het verslinden. Voorwal en muur liet Hij treuren; samen kwijnen ze weg.
חָשַׁ֨ב
(chashav)
Hij heeft besloten
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהַשְׁחִית֙
(lehashchit)
om te verwoesten
חוֹמַ֣ת
(chomat)
muur van
בַּת
(bat)
dochter van
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
נָ֣טָה
(nata)
Hij heeft gespannen
קָ֔ו
(qav)
een meetsnoer
לֹא
(lo)
niet
הֵשִׁ֥יב
(heshiv)
Hij heeft teruggetrokken
יָד֖וֹ
(yado)
Zijn hand
מִבַּלֵּ֑עַ
(mibalea)
van het verslinden
וַיַּֽאֲבֶל
(vayaavel)
en Hij heeft doen treuren
חֵ֥ל
(chel)
voorwal
וְחוֹמָ֖ה
(vechoma)
en muur
יַחְדָּ֥ו
(yachdav)
samen
אֻמְלָֽלוּ
(umlalu)
zij kwijnen weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

קָו (qav), ‘meetsnoer’: een koord waarmee men afmeet wat men gaat afbreken, zoals in 2 Kon. 21:13 en Jes. 34:11.

חֵל (chel), ‘voorwal’: de lage buitenmuur voor de hoofdmuur.

9Haar poorten zijn in de aarde gezonken. Hij heeft haar grendels vernietigd en gebroken. Haar koning en haar oversten zijn onder de volken. Er is geen wet meer. Ook haar profeten vinden geen visioen van Yahweh.
טָבְע֤וּ
(taveu)
zij zijn gezonken
בָאָ֨רֶץ֙
(baarets)
in de aarde
שְׁעָרֶ֔יהָ
(sheareiha)
haar poorten
אִבַּ֥ד
(ibad)
Hij heeft vernietigd
וְשִׁבַּ֖ר
(veshibar)
en gebroken
בְּרִיחֶ֑יהָ
(bericheiha)
haar grendels
מַלְכָּ֨הּ
(malkah)
haar koning
וְשָׂרֶ֤יהָ
(vesareiha)
en haar oversten
בַגּוֹיִם֙
(bagoyim)
onder de volken
אֵ֣ין
(ein)
niet is
תּוֹרָ֔ה
(tora)
wet
גַּם
(gam)
ook
נְבִיאֶ֕יהָ
(nevieiha)
haar profeten
לֹא
(lo)
niet
מָצְא֥וּ
(matseu)
zij hebben gevonden
חָז֖וֹן
(chazon)
visioen
מֵיְהוָֽה
(meYahweh)
van Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’.

Zonder tempel en priesters wordt de Torah niet meer onderwezen.

חָזוֹן (chazon), ‘visioen’: zoals in Jes. 1:1.

10De oudsten van Dochter Sion zitten op de grond en zijn stil. Zij hebben stof op hun hoofd gegooid en rouwkleden omgegord. De maagden van Jeruzalem hebben hun hoofd naar de grond gebogen.
יֵשְׁב֨וּ
(yeshevu)
zij zitten
לָאָ֤רֶץ
(laarets)
op de grond
יִדְּמוּ֙
(yidemu)
zij zijn stil
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
oudsten van
בַת
(bat)
dochter van
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
הֶֽעֱל֤וּ
(heelu)
zij hebben laten opgaan
עָפָר֙
(afar)
stof
עַל
(al)
op
רֹאשָׁ֔ם
(rosham)
hun hoofd
חָגְר֖וּ
(chageru)
zij hebben omgegord
שַׂקִּ֑ים
(saqim)
rouwkleden
הוֹרִ֤ידוּ
(horidu)
zij hebben laten zakken
לָאָ֨רֶץ֙
(laarets)
naar de grond
רֹאשָׁ֔ן
(roshan)
hun hoofd
בְּתוּלֹ֖ת
(betulot)
maagden van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushalaim)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Stil zitten op de grond, stof op het hoofd en rouwkleden omgord zijn de tekenen van rouw, zoals in Job 2:12 en Ezech. 27:30–31.

Mijn ogen zijn op van de tranen

11Mijn ogen zijn op van de tranen. Mijn ingewanden koken. Mijn lever is op de grond uitgegoten om de breuk van de Dochter van mijn volk. Kind en zuigeling bezwijken op de pleinen van de stad.
כָּל֨וּ
(kalu)
zij zijn op
בַדְּמָע֤וֹת
(bademaot)
door tranen
עֵינַי֙
(einay)
mijn ogen
חֳמַרְמְר֣וּ
(chomarmeru)
koken
מֵעַ֔י
(meay)
mijn ingewanden
נִשְׁפַּ֤ךְ
(nishpakh)
is uitgegoten
לָאָ֨רֶץ֙
(laarets)
op de grond
כְּבֵדִ֔י
(kevedi)
mijn lever
עַל
(al)
over
שֶׁ֖בֶר
(shever)
breuk van
בַּת
(bat)
dochter van
עַמִּ֑י
(ami)
mijn volk
בֵּֽעָטֵ֤ף
(beatef)
als zwak worden
עוֹלֵל֙
(olel)
kind
וְיוֹנֵ֔ק
(veyoneq)
en zuigeling
בִּרְחֹב֖וֹת
(birchovot)
op de pleinen van
קִרְיָֽה
(qirya)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier spreekt de dichter in de eerste persoon (‘mijn ogen’).

כָּבֵד (kaved), ‘lever’: het uitgieten van het binnenste is een beeld van diepe rouw; vergelijk Job 16:13.

שֶׁבֶר בַּת־עַמִּי (sheber bat ammi), ‘de breuk van de Dochter van mijn volk’: zoals in Jer. 8:21. Het volk is als een jonge vrouw voorgesteld.

עֹלֵל (olel), ‘kind’, en יוֹנֵק (yoneq), ‘zuigeling’: de kleinsten lijden het eerst.

12Tegen hun moeders zeggen zij: „Waar zijn graan en wijn?” Zij bezwijken als een gesneuvelde op de pleinen van de stad. Hun leven vloeit weg in de schoot van hun moeders.
לְאִמֹּתָם֙
(leimotam)
tegen hun moeders
יֹֽאמְר֔וּ
(yomru)
zij zeggen
אַיֵּ֖ה
(aye)
waar
דָּגָ֣ן
(dagan)
graan
וָיָ֑יִן
(vayayin)
en wijn
בְּהִֽתְעַטְּפָ֤ם
(behitatefam)
terwijl zij zwak worden
כֶּֽחָלָל֙
(kechalal)
als een gesneuvelde
בִּרְחֹב֣וֹת
(birchovot)
op de pleinen van
עִ֔יר
(ir)
de stad
בְּהִשְׁתַּפֵּ֣ךְ
(behishtapekh)
terwijl wordt uitgegoten
נַפְשָׁ֔ם
(nafsham)
hun ziel
אֶל
(el)
in
חֵ֖יק
(cheiq)
de schoot van
אִמֹּתָֽם
(imotam)
hun moeders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָלָל (chalal), ‘gesneuvelde’: letterlijk ‘doorboorde’, iemand die in de strijd is gevallen.

Het woord is hier een beeld van een uitgehongerd kind.

Het staat ook in 4:9.

Wie kan je genezen?

13Wat kan ik voor je getuigen? Waarmee kan ik je vergelijken, Dochter Jeruzalem? Waaraan kan ik je gelijkstellen om je te troosten, maagd, Dochter Sion? Want je breuk is zo groot als de zee. Wie kan je genezen?
מָֽה
(ma)
wat
אֲעִידֵ֞ךְ
(aidekh)
kan ik voor je getuigen
מָ֣ה
(ma)
wat
אֲדַמֶּה
(adame)
kan ik vergelijken
לָּ֗ךְ
(lakh)
met je
הַבַּת֙
(habat)
de dochter
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
מָ֤ה
(ma)
wat
אַשְׁוֶה
(ashve)
kan ik gelijkstellen
לָּךְ֙
(lakh)
met je
וַאֲנַֽחֲמֵ֔ךְ
(vaanachamekh)
en ik zal je troosten
בְּתוּלַ֖ת
(betulat)
maagd
בַּת
(bat)
dochter van
צִיּ֑וֹן
(tsiyon)
Sion
כִּֽי
(ki)
want
גָד֥וֹל
(gadol)
groot
כַּיָּ֛ם
(kayam)
als de zee
שִׁבְרֵ֖ךְ
(shivrekh)
je breuk
מִ֥י
(mi)
wie
יִרְפָּא
(yirpa)
zal genezen
לָֽךְ
(lakh)
je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מָה אֲעִידֵךְ (mah a’idekh), ‘wat kan ik voor je getuigen’: de betekenis is onzeker.

Het kan ook ‘waarmee kan ik je waarschuwen’ betekenen.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

שִׁבְרֵךְ (shivrekh), ‘je breuk’: zie vers 11. De breuk is zo groot als de zee.

14Je profeten hebben voor je uitspraken gezien van leegte en onzin. Zij hebben je schuld niet onthuld om je lot te keren. Zij hebben voor je lege uitspraken gezien, uitspraken die je verdreven.
נְבִיאַ֗יִךְ
(neviayikh)
je profeten
חָ֤זוּ
(chazu)
hebben gezien
לָךְ֙
(lakh)
voor je
שָׁ֣וְא
(shave)
leegte
וְתָפֵ֔ל
(vetafel)
en onzin
וְלֹֽא
(velo)
en niet
גִלּ֥וּ
(gilu)
zij hebben onthuld
עַל
(al)
over
עֲוֺנֵ֖ךְ
(avonekh)
je schuld
לְהָשִׁ֣יב
(lehashiv)
om terug te brengen
שְׁבוּתֵ֑ךְ
(shevutekh)
je lot
וַיֶּ֣חֱזוּ
(vayechezu)
en zij hebben gezien
לָ֔ךְ
(lakh)
voor je
מַשְׂא֥וֹת
(masot)
uitspraken van
שָׁ֖וְא
(shave)
leegte
וּמַדּוּחִֽים
(umaduchim)
en verdrijvingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוּב שְׁבוּת (shuv shevut), ‘het lot keren’: een vaste uitdrukking voor herstel, zoals in Jer. 29:14 en Jer. 30:3.

מַשָּׂאוֹת (massa’ot), ‘uitspraken’: het meervoud van מַשָּׂא (massa). Dat woord betekent letterlijk ‘last’, iets wat wordt gedragen. Het kan ook een uitspraak van een profeet aanduiden, die hij als last ‘opheft’ en uitspreekt (zoals in Jes. 13:1). Wij vertalen het hier als ‘uitspraken’, omdat er ‘leegte en onzin’ bij staat.

מַדּוּחִים (madduchim), ‘verdrijvingen’: van נָדַח (nadach), ‘verdrijven’. Het zijn uitspraken die tot verbanning leidden. Het woord kan ook ‘misleidingen’ betekenen.

De profeten hadden Juda niet gewaarschuwd voor haar schuld.

15Allen die voorbijgaan, klappen over je in hun handen. Zij fluiten en schudden hun hoofd over Dochter Jeruzalem. „Is dit de stad waarvan men zei: ‘Volmaakt van schoonheid, vreugde van heel de aarde’?”
סָֽפְק֨וּ
(safequ)
zij klappen
עָלַ֤יִךְ
(alayikh)
over je
כַּפַּ֨יִם֙
(kapayim)
handen
כָּל
(kal)
al
עֹ֣בְרֵי
(overei)
voorbijgangers van
דֶ֔רֶךְ
(derekh)
de weg
שָֽׁרְקוּ֙
(sharequ)
zij fluiten
וַיָּנִ֣עוּ
(vayaniu)
en zij schudden
רֹאשָׁ֔ם
(rosham)
hun hoofd
עַל
(al)
over
בַּ֖ת
(bat)
dochter van
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
הֲזֹ֣את
(hazot)
deze
הָעִ֗יר
(hair)
de stad
שֶׁיֹּֽאמְרוּ֙
(sheyomru)
die zij zeiden
כְּלִ֣ילַת
(kelilat)
volmaaktheid van
יֹ֔פִי
(yofi)
schoonheid
מָשׂ֖וֹשׂ
(masos)
vreugde van
לְכָל
(lekhal)
voor heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

סָפַק כַּפַּיִם (safaq kappayim), ‘in de handen klappen’: een gebaar van spot, zoals in Job 27:23.

שָׁרַק (sharaq), ‘fluiten’, en הֵנִיעַ רֹאשׁ (henia rosh), ‘het hoofd schudden’, zijn ook gebaren van spot (Jer. 19:8; Ps. 22:8, NL 22:7).

כְּלִילַת יֹפִי (kelilat yofi), ‘volmaakt van schoonheid’: zo noemt Ps. 50:2 Sion. מְשׂוֹשׂ כָּל־הָאָרֶץ (mesos kol ha’arets), ‘vreugde van heel de aarde’: zo staat het ook in Ps. 48:3 (NL 48:2).

16Al je vijanden sperren hun mond tegen je open. Zij fluiten en knarsen met hun tanden. Zij zeggen: „Wij hebben haar verslonden! Zeker, dit is de dag waarop wij hoopten. Wij hebben hem bereikt, wij hebben hem gezien.”
פָּצ֨וּ
(patsu)
zij hebben opengesperd
עָלַ֤יִךְ
(alayikh)
tegen je
פִּיהֶם֙
(pihem)
hun mond
כָּל
(kal)
al
א֣וֹיְבַ֔יִךְ
(oyevayikh)
je vijanden
שָֽׁרְקוּ֙
(sharequ)
zij fluiten
וַיַּֽחַרְקוּ
(vayacharqu)
en zij knarsen
שֵׁ֔ן
(shen)
tand
אָמְר֖וּ
(ameru)
zij zeggen
בִּלָּ֑עְנוּ
(bilaenu)
wij hebben verslonden
אַ֣ךְ
(akh)
zeker
זֶ֥ה
(ze)
dit
הַיּ֛וֹם
(hayom)
de dag
שֶׁקִּוִּינֻ֖הוּ
(sheqivinuhu)
waarop wij hoopten
מָצָ֥אנוּ
(matsanu)
wij hebben bereikt
רָאִֽינוּ
(rainu)
wij hebben gezien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers begint met פ (pe); vers 17 begint met ע (ayin).

In Klaagl. 1:16–17 is de volgorde omgekeerd: daar staat de ayin vóór de pe.

In hoofdstuk 3 en 4 staat de pe, net als hier, vóór de ayin.

De volgorde van het alfabet was dus niet overal gelijk.

פָּצוּ פִיהֶם (patsu fihem), ‘zij sperren hun mond open’: zoals in Job 16:10 en Ps. 22:14 (NL 22:13).

17Yahweh heeft gedaan wat Hij van plan was. Hij heeft Zijn woord vervuld, dat Hij vanouds had bevolen. Hij heeft neergehaald zonder medelijden. Hij heeft de vijand over je laten juichen. Hij heeft de hoorn van je tegenstanders omhooggebracht.
עָשָׂ֨ה
(asa)
Hij heeft gedaan
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
זָמָ֗ם
(zamam)
Hij had gepland
בִּצַּ֤ע
(bitsa)
Hij heeft vervuld
אֶמְרָתוֹ֙
(emrato)
Zijn woord
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
צִוָּ֣ה
(tsiva)
Hij had bevolen
מִֽימֵי
(mimei)
van de dagen van
קֶ֔דֶם
(qedem)
vroeger
הָרַ֖ס
(haras)
Hij heeft neergehaald
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
חָמָ֑ל
(chamal)
Hij had medelijden
וַיְשַׂמַּ֤ח
(vaysamach)
en Hij heeft laten verblijden
עָלַ֨יִךְ֙
(alayikh)
over je
אוֹיֵ֔ב
(oyev)
de vijand
הֵרִ֖ים
(herim)
Hij heeft verhoogd
קֶ֥רֶן
(qeren)
hoorn van
צָרָֽיִךְ
(tsarayikh)
je tegenstanders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בִּצַּע אֶמְרָתוֹ (bitsa emrato), ‘Hij heeft Zijn woord vervuld’: het woord van de vloeken van het verbond (Lev. 26; Deut. 28), dat Hij vanouds had gesproken.

קֶרֶן (qeren), ‘hoorn’: zie vers 3. De hoorn van Israël is afgehakt; de hoorn van de tegenstanders is verhoogd.

Roep tot de Heer

18Hun hart riep tot de Heer. Muur van Dochter Sion, laat dag en nacht tranen als een beek neerstromen. Gun jezelf geen rust. Laat de dochter van je oog niet stilstaan.
צָעַ֥ק
(tsaaq)
het heeft geroepen
לִבָּ֖ם
(libam)
hun hart
אֶל
(el)
tot
אֲדֹנָ֑י
(adonay)
de Heer
חוֹמַ֣ת
(chomat)
muur van
בַּת
(bat)
dochter van
צִ֠יּוֹן
(tsiyon)
Sion
הוֹרִ֨ידִי
(horidi)
laat neerstromen
כַנַּ֤חַל
(kanachal)
als een beek
דִּמְעָה֙
(dima)
tranen
יוֹמָ֣ם
(yomam)
overdag
וָלַ֔יְלָה
(valayla)
en 's nachts
אַֽל
(al)
niet
תִּתְּנִ֤י
(titeni)
geef
פוּגַת֙
(pugat)
rust
לָ֔ךְ
(lakh)
aan jezelf
אַל
(al)
niet
תִּדֹּ֖ם
(tidom)
laat stilstaan
בַּת
(bat)
dochter van
עֵינֵֽךְ
(einekh)
je oog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

חוֹמַת בַּת־צִיּוֹן (chomat bat Tsiyyon), ‘muur van Dochter Sion’: de muur wordt als persoon aangesproken.

De woorden komen van het hart van het volk.

בַּת־עֵינֵךְ (bat einekh), ‘de dochter van je oog’: de oogappel, zoals in Ps. 17:8. Zij mag niet ophouden met tranen.

פּוּגָה (pugah), ‘rust’: dit woord komt alleen hier voor. Het betekent ‘verlamming, stilstand’.

19Sta op, roep het uit in de nacht, bij het begin van de nachtwaken. Giet je hart uit als water voor het aangezicht van de Heer. Til je handen naar Hem op voor het leven van je kleine kinderen, die van honger bezwijken aan het begin van alle straten.
ק֣וּמִי
(qumi)
sta op
רֹ֣נִּי
(roni)
roep het uit
בַלַּ֗יְלָה
(balayla)
in de nacht
לְרֹאשׁ֙
(lerosh)
bij het begin van
אַשְׁמֻר֔וֹת
(ashmurot)
de nachtwaken
שִׁפְכִ֤י
(shifkhi)
giet uit
כַמַּ֨יִם֙
(kamayim)
als water
לִבֵּ֔ךְ
(libekh)
je hart
נֹ֖כַח
(nokhach)
tegenover
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
אֲדֹנָ֑י
(adonay)
de Heer
שְׂאִ֧י
(sei)
til op
אֵלָ֣יו
(elav)
naar Hem
כַּפַּ֗יִךְ
(kapayikh)
je handen
עַל
(al)
voor
נֶ֨פֶשׁ֙
(nefesh)
het leven van
עֽוֹלָלַ֔יִךְ
(olalayikh)
je kleine kinderen
הָעֲטוּפִ֥ים
(haatufim)
die bezwijken
בְּרָעָ֖ב
(beraav)
van honger
בְּרֹ֥אשׁ
(berosh)
aan het hoofd van
כָּל
(kal)
alle
חוּצֽוֹת
(chutsot)
straten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָנִּי (ronni), ‘roep het uit’: het werkwoord betekent ‘jubelen’, maar ook ‘luid roepen’.

Hier is het een luide klacht.

אַשְׁמֻרוֹת (ashmurot), ‘nachtwaken’: de nacht werd verdeeld in drie wakes. Zie Richt. 7:19.

עֹלָלַיִךְ (olalayikh), ‘je kleine kinderen’: zie 1:5.

Zie, Yahweh, en kijk

20Zie, Yahweh, en kijk: aan wie hebt U dit ooit aangedaan? Moeten vrouwen hun vrucht eten, de kinderen die zij op handen droegen? Moeten in het heiligdom van de Heer priester en profeet gedood worden?
רְאֵ֤ה
(ree)
zie
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְֽהַבִּ֔יטָה
(vehabita)
en kijk
לְמִ֖י
(lemi)
aan wie
עוֹלַ֣לְתָּ
(olalta)
U hebt aangedaan
כֹּ֑ה
(ko)
zo
אִם
(im)
of
תֹּאכַ֨לְנָה
(tokhalna)
zullen eten
נָשִׁ֤ים
(nashim)
vrouwen
פִּרְיָם֙
(piryam)
hun vrucht
עֹלֲלֵ֣י
(olalei)
kinderen van
טִפֻּחִ֔ים
(tipuchim)
die zij op handen droegen
אִם
(im)
of
יֵהָרֵ֛ג
(yehareg)
zal gedood worden
בְּמִקְדַּ֥שׁ
(bemiqdash)
in het heiligdom van
אֲדֹנָ֖י
(adonay)
de Heer
כֹּהֵ֥ן
(kohen)
priester
וְנָבִֽיא
(venavi)
en profeet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier is Sion zelf weer de spreker.

Zij bidt tot Yahweh.

טִפֻּחִים (tippuchim), ‘die zij op handen droegen’: het woord komt alleen hier voor. Het kan ‘gekoesterd’ of ‘handbreedte groot’ betekenen. Wij volgen ‘op handen gedragen’.

Dat vrouwen hun kinderen aten, is de vervulling van de vloek in Lev. 26:29 en Deut. 28:53–57.

21Op de grond in de straten liggen jongen en oude man. Mijn maagden en mijn jongemannen zijn door het zwaard gevallen. U hebt gedood op de dag van Uw toorn. U hebt geslacht, zonder medelijden.
שָׁכְב֨וּ
(shakhevu)
zij liggen
לָאָ֤רֶץ
(laarets)
op de grond
חוּצוֹת֙
(chutsot)
straten
נַ֣עַר
(naar)
jongen
וְזָקֵ֔ן
(vezaqen)
en oude man
בְּתוּלֹתַ֥י
(betulotay)
mijn maagden
וּבַחוּרַ֖י
(uvachuray)
en mijn jongemannen
נָפְל֣וּ
(nafelu)
zij zijn gevallen
בֶחָ֑רֶב
(becharev)
door het zwaard
הָרַ֨גְתָּ֙
(haragta)
U hebt gedood
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
אַפֶּ֔ךָ
(apekha)
Uw toorn
טָבַ֖חְתָּ
(tavachta)
U hebt geslacht
לֹ֥א
(lo)
niet
חָמָֽלְתָּ
(chamalta)
U had medelijden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22U hebt mijn verschrikkingen van rondom uitgeroepen, als voor een feesttijd. Op de dag van de toorn van Yahweh was er niemand die ontkwam of overbleef. Wie ik op handen heb gedragen en heb grootgebracht, mijn vijand heeft hen allen vernietigd.
תִּקְרָא֩
(tiqra)
U hebt uitgeroepen
כְי֨וֹם
(keyom)
als op de dag van
מוֹעֵ֤ד
(moed)
feesttijd
מְגוּרַי֙
(meguray)
mijn verschrikkingen
מִסָּבִ֔יב
(misaviv)
van rondom
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הָיָ֛ה
(haya)
was
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
אַף
(af)
toorn van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
פָּלִ֣יט
(palit)
ontkomene
וְשָׂרִ֑יד
(vesarid)
en overlevende
אֲשֶׁר
(asher)
die
טִפַּ֥חְתִּי
(tipachti)
ik op handen droeg
וְרִבִּ֖יתִי
(veribiti)
en ik heb groot gemaakt
אֹיְבִ֥י
(oyevi)
mijn vijand
כִלָּֽם
(kilam)
heeft hen vernietigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְגוּרַי מִסָּבִיב (megurai missaviv), ‘mijn verschrikkingen van rondom’: ‘schrik rondom’ (magor missaviv) is een vaste uitdrukking in Jer. 6:25, Jer. 20:10 en Ps. 31:14 (NL 31:13).

כְּיוֹם מוֹעֵד (keyom mo’ed), ‘als op de dag van een feesttijd’: Yahweh heeft de verschrikkingen uitgenodigd zoals men gasten voor een feest uitnodigt.

כִּלָּם (killam), ‘heeft hen vernietigd’: zij zijn tot het einde gekomen. De dichter noemt de kinderen van vers 20.