Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De gelijkenis van de zaaier
1Op diezelfde dag verliet Yeshua het huis en ging bij de zee zitten.
Ἐν
(En)
in
τῇ
(te)
de
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
ἐκείνῃ
(ekeine)
die
ἐξελθὼν
(exelthon)
uitgaande
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τῆς
(tes)
uit het
οἰκίας
(oikias)
huis
ἐκάθητο
(ekatheto)
zat
παρὰ
(para)
bij
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.
Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld.
Uitleg
θάλασσα (thalassa), ‘zee’: het meer van Galilea; zie Matt. 4:18.
2Veel menigten kwamen bij Hem samen, zodat Hij in een boot stapte en ging zitten. De hele menigte stond op het strand.
καὶ
(kai)
en
συνήχθησαν
(synechthesan)
werden verzameld
πρὸς
(pros)
tot
αὐτὸν
(auton)
Hem
ὄχλοι
(ochloi)
menigten
πολλοί
(polloi)
vele
ὥστε
(hoste)
zodat
αὐτὸν
(auton)
Hem
εἰς
(eis)
in
πλοῖον
(ploion)
boot
ἐμβάντα
(embanta)
instappend
καθῆσθαι
(kathesthai)
te zitten
καὶ
(kai)
en
πᾶς
(pas)
heel
ὁ
(ho)
de
ὄχλος
(ochlos)
menigte
ἐπὶ
(epi)
op
τὸν
(ton)
het
αἰγιαλὸν
(aigialon)
strand
εἱστήκει
(heistekei)
stond
Bron: SBLGNT
3Hij sprak veel tot hen in gelijkenissen en zei: „Zie, de zaaier ging uit om te zaaien.
καὶ
(kai)
en
ἐλάλησεν
(elalesen)
sprak
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
πολλὰ
(polla)
veel
ἐν
(en)
in
παραβολαῖς
(parabolais)
gelijkenissen
λέγων
(legon)
zeggend
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
ὁ
(ho)
de
σπείρων
(speiron)
zaaiende
τοῦ
(tou)
om
σπείρειν
(speirein)
te zaaien
Bron: SBLGNT
Uitleg
παραβολή (parabole), ‘gelijkenis’: een verhaal of vergelijking waarmee iets over het koninkrijk duidelijk wordt gemaakt; het is verwant aan het Hebreeuwse מָשָׁל (mashal).
13Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen: omdat zij kijken en toch niet zien, en horen en toch niet horen en niet begrijpen.
διὰ
(dia)
door
τοῦτο
(touto)
dit
ἐν
(en)
in
παραβολαῖς
(parabolais)
gelijkenissen
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
λαλῶ
(lalo)
spreek Ik
ὅτι
(hoti)
omdat
βλέποντες
(blepontes)
ziende
οὐ
(ou)
niet
βλέπουσιν
(blepousin)
zien zij
καὶ
(kai)
en
ἀκούοντες
(akouontes)
horende
οὐκ
(ouk)
niet
ἀκούουσιν
(akouousin)
horen zij
οὐδὲ
(oude)
noch
συνίουσιν
(syniousin)
begrijpen zij
Bron: SBLGNT
14In hen wordt de profetie van Jesaja vervuld. Die zegt: ‘Met het gehoor zullen jullie horen en toch beslist niet begrijpen, en kijkend zullen jullie kijken en toch beslist niet zien.
καὶ
(kai)
en
ἀναπληροῦται
(anapleroutai)
wordt vervuld
αὐτοῖς
(autois)
in hen
ἡ
(he)
de
προφητεία
(propheteia)
profetie
Ἠσαΐου
(Esaiou)
van Jesaja
ἡ
(he)
die
λέγουσα
(legousa)
zegt
Ἀκοῇ
(Akoe)
met het gehoor
ἀκούσετε
(akousete)
zullen jullie horen
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
συνῆτε
(synete)
begrijpen jullie
καὶ
(kai)
en
βλέποντες
(blepontes)
ziend
βλέψετε
(blepsete)
zullen jullie kijken
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
ἴδητε
(idete)
zien jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het citaat is Jes. 6:9–10.
Het Hebreeuws is een opdracht aan de profeet: ‘Luister en luister, maar begrijp niet’, en: ‘Maak het hart van dit volk vet’.
De Griekse tekst heeft: ‘Met het gehoor zullen jullie horen’ en: ‘Het hart van dit volk is vet geworden’.
15Want het hart van dit volk is vet geworden. Met hun oren horen zij zwaar, en hun ogen hebben zij gesloten, opdat zij niet met hun ogen zien, met hun oren horen en met hun hart begrijpen, en niet terugkeren en Ik hen niet genees.’
ἐπαχύνθη
(epachynthe)
werd vet
γὰρ
(gar)
want
ἡ
(he)
het
καρδία
(kardia)
hart
τοῦ
(tou)
van het
λαοῦ
(laou)
volk
τούτου
(toutou)
dit
καὶ
(kai)
en
τοῖς
(tois)
met de
ὠσὶν
(osin)
oren
βαρέως
(bareos)
zwaar
ἤκουσαν
(ekousan)
hoorden zij
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
ὀφθαλμοὺς
(ophthalmous)
ogen
αὐτῶν
(auton)
hun
ἐκάμμυσαν
(ekammysan)
sloten zij
μήποτε
(mepote)
opdat niet
ἴδωσιν
(idosin)
zien zij
τοῖς
(tois)
met de
ὀφθαλμοῖς
(ophthalmois)
ogen
καὶ
(kai)
en
τοῖς
(tois)
met de
ὠσὶν
(osin)
oren
ἀκούσωσιν
(akousosin)
horen zij
καὶ
(kai)
en
τῇ
(te)
met het
καρδίᾳ
(kardia)
hart
συνῶσιν
(synosin)
begrijpen zij
καὶ
(kai)
en
ἐπιστρέψωσιν
(epistrepsosin)
terugkeren zij
καὶ
(kai)
en
ἰάσομαι
(iasomai)
zal Ik genezen
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἐπιστρέψωσιν (epistrepsosin), ‘terugkeren’: zich omkeren naar Elohim, het Hebreeuwse שׁוּב (shuv).
Het woord voor ‘zich bekeren’, μετανοέω, staat hier niet.
De woorden ‘Ik hen niet genees’ spreekt Yahweh; daarom schrijven wij ‘Ik’ met hoofdletter.
16Maar gelukkig zijn jullie ogen, omdat zij zien, en jullie oren, omdat zij horen.
17Want voorwaar, Ik zeg jullie: veel profeten en rechtvaardigen verlangden te zien wat jullie zien, maar zagen het niet. Zij verlangden te horen wat jullie horen, maar hoorden het niet.
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
γὰρ
(gar)
want
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
ὅτι
(hoti)
dat
πολλοὶ
(polloi)
velen
προφῆται
(prophetai)
profeten
καὶ
(kai)
en
δίκαιοι
(dikaioi)
rechtvaardigen
ἐπεθύμησαν
(epethymesan)
verlangden
ἰδεῖν
(idein)
te zien
ἃ
(ha)
wat
βλέπετε
(blepete)
jullie zien
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
εἶδαν
(eidan)
zagen zij
καὶ
(kai)
en
ἀκοῦσαι
(akousai)
te horen
ἃ
(ha)
wat
ἀκούετε
(akouete)
jullie horen
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἤκουσαν
(ekousan)
hoorden zij
Bron: SBLGNT
Uitleg van de gelijkenis van de zaaier
18Luister dan naar de gelijkenis van de zaaier.
Ὑμεῖς
(Hymeis)
jullie
οὖν
(oun)
dan
ἀκούσατε
(akousate)
luister
τὴν
(ten)
de
παραβολὴν
(parabolen)
gelijkenis
τοῦ
(tou)
van de
σπείραντος
(speirantos)
zaaier
Bron: SBLGNT
19Bij ieder die het woord van het koninkrijk hoort en het niet begrijpt, komt de boze en rukt weg wat in zijn hart gezaaid is. Dit is degene die langs de weg gezaaid is.
παντὸς
(pantos)
van ieder
ἀκούοντος
(akouontos)
horend
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
τῆς
(tes)
van het
βασιλείας
(basileias)
koninkrijk
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
συνιέντος
(synientos)
begrijpend
ἔρχεται
(erchetai)
komt
ὁ
(ho)
de
πονηρὸς
(poneros)
boze
καὶ
(kai)
en
ἁρπάζει
(harpazei)
rukt weg
τὸ
(to)
het
ἐσπαρμένον
(esparmenon)
gezaaide
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
καρδίᾳ
(kardia)
hart
αὐτοῦ
(autou)
zijn
οὗτός
(houtos)
dit
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
degene
παρὰ
(para)
langs
τὴν
(ten)
de
ὁδὸν
(hodon)
weg
σπαρείς
(spareis)
gezaaid
Bron: SBLGNT
Uitleg
πονηρός (poneros), ‘de boze’: letterlijk ‘de slechte’; hier de tegenstander van Elohim.
20Degene die op de rotsgrond gezaaid is, dit is wie het woord hoort en het meteen met vreugde aanneemt.
ὁ
(ho)
degene
δὲ
(de)
maar
ἐπὶ
(epi)
op
τὰ
(ta)
de
πετρώδη
(petrode)
rotsgrond
σπαρείς
(spareis)
gezaaid
οὗτός
(houtos)
dit
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
degene
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
ἀκούων
(akouon)
horend
καὶ
(kai)
en
εὐθὺς
(euthys)
meteen
μετὰ
(meta)
met
χαρᾶς
(charas)
vreugde
λαμβάνων
(lambanon)
aannemend
αὐτόν
(auton)
het
Bron: SBLGNT
21Hij heeft echter geen wortel in zichzelf, maar houdt het maar kort vol. Zodra verdrukking of vervolging komt vanwege het woord, struikelt hij meteen.
οὐκ
(ouk)
niet
ἔχει
(echei)
heeft
δὲ
(de)
maar
ῥίζαν
(rhizan)
wortel
ἐν
(en)
in
ἑαυτῷ
(heauto)
zichzelf
ἀλλὰ
(alla)
maar
πρόσκαιρός
(proskairos)
tijdelijk
ἐστιν
(estin)
is
γενομένης
(genomenes)
gekomen zijnde
δὲ
(de)
maar
θλίψεως
(thlipseos)
verdrukking
ἢ
(e)
of
διωγμοῦ
(diogmou)
vervolging
διὰ
(dia)
vanwege
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
εὐθὺς
(euthys)
meteen
σκανδαλίζεται
(skandalizetai)
struikelt
Bron: SBLGNT
22Degene die tussen de doornen gezaaid is, dit is wie het woord hoort. Maar de zorg van deze eeuw en de verleiding van de rijkdom verstikt het woord, en het wordt vruchteloos.
ὁ
(ho)
degene
δὲ
(de)
maar
εἰς
(eis)
in
τὰς
(tas)
de
ἀκάνθας
(akanthas)
doornen
σπαρείς
(spareis)
gezaaid
οὗτός
(houtos)
dit
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
degene
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
ἀκούων
(akouon)
horend
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
μέριμνα
(merimna)
zorg
τοῦ
(tou)
van de
αἰῶνος
(aionos)
eeuw
τούτου
(toutou)
deze
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
ἀπάτη
(apate)
verleiding
τοῦ
(tou)
van de
πλούτου
(ploutou)
rijkdom
συμπνίγει
(sympnigei)
verstikt
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
καὶ
(kai)
en
ἄκαρπος
(akarpos)
vruchteloos
γίνεται
(ginetai)
wordt
Bron: SBLGNT
Uitleg
αἰών (aion), ‘eeuw’: een tijdperk; zie ook Matt. 12:32.
23Degene die op de goede grond gezaaid is, dit is wie het woord hoort en begrijpt. Die draagt dan ook vrucht en brengt voort: het ene 100, het andere 60, het andere 30.”
ὁ
(ho)
degene
δὲ
(de)
maar
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
de
καλὴν
(kalen)
goede
γῆν
(gen)
grond
σπαρείς
(spareis)
gezaaid
οὗτός
(houtos)
dit
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
degene
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
ἀκούων
(akouon)
horend
καὶ
(kai)
en
συνιείς
(synieis)
begrijpend
ὃς
(hos)
die
δὴ
(de)
waarlijk
καρποφορεῖ
(karpophorei)
draagt vrucht
καὶ
(kai)
en
ποιεῖ
(poiei)
brengt voort
ὃ
(ho)
wat
μὲν
(men)
wel
ἑκατὸν
(hekaton)
100
ὃ
(ho)
wat
δὲ
(de)
maar
ἑξήκοντα
(hexekonta)
60
ὃ
(ho)
wat
δὲ
(de)
maar
τριάκοντα
(triakonta)
30
Bron: SBLGNT
Het onkruid tussen het graan
24Hij legde hun een andere gelijkenis voor. Hij zei: „Het koninkrijk van de hemelen is te vergelijken met een man die goed zaad in zijn akker zaaide.
Ἄλλην
(Allen)
andere
παραβολὴν
(parabolen)
gelijkenis
παρέθηκεν
(paretheken)
legde voor
αὐτοῖς
(autois)
hun
λέγων
(legon)
zeggend
Ὡμοιώθη
(Homoiothe)
is vergeleken
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τῶν
(ton)
van de
οὐρανῶν
(ouranon)
hemelen
ἀνθρώπῳ
(anthropo)
met een mens
σπείραντι
(speiranti)
zaaiend
καλὸν
(kalon)
goed
σπέρμα
(sperma)
zaad
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἀγρῷ
(agro)
akker
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
ζιζάνια (zizania), ‘onkruid’: waarschijnlijk een onkruid dat in het groen op graan lijkt.
25Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand, zaaide onkruid tussen het graan en ging weg.
ἐν
(en)
in
δὲ
(de)
maar
τῷ
(to)
het
καθεύδειν
(katheudein)
slapen
τοὺς
(tous)
de
ἀνθρώπους
(anthropous)
mensen
ἦλθεν
(elthen)
kwam
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ὁ
(ho)
de
ἐχθρὸς
(echthros)
vijand
καὶ
(kai)
en
ἐπέσπειρεν
(epespeiren)
zaaide erbij
ζιζάνια
(zizania)
onkruid
ἀνὰ
(ana)
te
μέσον
(meson)
midden
τοῦ
(tou)
van het
σίτου
(sitou)
graan
καὶ
(kai)
en
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging weg
Bron: SBLGNT
26Toen het gewas opkwam en vrucht droeg, verscheen ook het onkruid.
ὅτε
(hote)
toen
δὲ
(de)
maar
ἐβλάστησεν
(eblastesen)
spruitte
ὁ
(ho)
het
χόρτος
(chortos)
gewas
καὶ
(kai)
en
καρπὸν
(karpon)
vrucht
ἐποίησεν
(epoiesen)
maakte
τότε
(tote)
toen
ἐφάνη
(ephane)
verscheen
καὶ
(kai)
ook
τὰ
(ta)
het
ζιζάνια
(zizania)
onkruid
Bron: SBLGNT
27De knechten van de heer van het huis kwamen naar hem toe en zeiden: ‘Heer, hebt u geen goed zaad gezaaid in uw akker? Waar komt het onkruid dan vandaan?’
προσελθόντες
(proselthontes)
naderend
δὲ
(de)
maar
οἱ
(hoi)
de
δοῦλοι
(douloi)
knechten
τοῦ
(tou)
van de
οἰκοδεσπότου
(oikodespotou)
heer van het huis
εἶπον
(eipon)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tot hem
Κύριε
(Kyrie)
heer
οὐχὶ
(ouchi)
niet
καλὸν
(kalon)
goed
σπέρμα
(sperma)
zaad
ἔσπειρας
(espeiras)
zaaide u
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
σῷ
(so)
uw
ἀγρῷ
(agro)
akker
πόθεν
(pothen)
waar vandaan
οὖν
(oun)
dan
ἔχει
(echei)
heeft het
ζιζάνια
(zizania)
onkruid
Bron: SBLGNT
28Hij zei tegen hen: ‘Een vijand heeft dit gedaan.’ De knechten zeiden tegen hem: ‘Wilt u dan dat wij weggaan en het bijeenrapen?’
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἔφη
(ephe)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Ἐχθρὸς
(Echthros)
vijand
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
τοῦτο
(touto)
dit
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
δοῦλοι
(douloi)
knechten
αὐτῷ
(auto)
tot hem
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
Θέλεις
(Theleis)
wilt u
οὖν
(oun)
dan
ἀπελθόντες
(apelthontes)
weggaand
συλλέξωμεν
(syllexomen)
wij verzamelen
αὐτά
(auta)
het
Bron: SBLGNT
29Hij zei: ‘Nee, anders trekken jullie, terwijl jullie het onkruid bijeenrapen, tegelijk met het onkruid ook het graan uit.
ὁ
(ho)
de
δέ
(de)
maar
φησιν
(phesin)
zegt
Οὔ
(Ou)
nee
μήποτε
(mepote)
anders
συλλέγοντες
(syllegontes)
bijeenrapend
τὰ
(ta)
het
ζιζάνια
(zizania)
onkruid
ἐκριζώσητε
(ekrizosete)
trekken jullie uit
ἅμα
(hama)
tegelijk
αὐτοῖς
(autois)
met hen
τὸν
(ton)
het
σῖτον
(siton)
graan
Bron: SBLGNT
30Laat beide samen opgroeien tot de oogst. In de tijd van de oogst zal ik tegen de maaiers zeggen: „Verzamel eerst het onkruid en bind het in bundels om het te verbranden. Maar verzamel het graan in mijn schuur.”’”
ἄφετε
(aphete)
laat
συναυξάνεσθαι
(synauxanesthai)
laten samen groeien
ἀμφότερα
(amphotera)
beide
μέχρι
(mechri)
tot
τοῦ
(tou)
de
θερισμοῦ
(therismou)
oogst
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
καιρῷ
(kairo)
tijd
τοῦ
(tou)
van de
θερισμοῦ
(therismou)
oogst
ἐρῶ
(ero)
zal ik zeggen
τοῖς
(tois)
aan de
θερισταῖς
(theristais)
maaiers
Συλλέξατε
(Syllexate)
verzamel
πρῶτον
(proton)
eerst
τὰ
(ta)
het
ζιζάνια
(zizania)
onkruid
καὶ
(kai)
en
δήσατε
(desate)
bind
αὐτὰ
(auta)
het
εἰς
(eis)
in
δέσμας
(desmas)
bundels
πρὸς
(pros)
om
τὸ
(to)
te
κατακαῦσαι
(katakausai)
verbranden
αὐτά
(auta)
het
τὸν
(ton)
het
δὲ
(de)
maar
σῖτον
(siton)
graan
συναγάγετε
(synagagete)
verzamel
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
ἀποθήκην
(apotheken)
schuur
μου
(mou)
mijn
Bron: SBLGNT
Het mosterdzaadje en het zuurdesem
31Hij legde hun een andere gelijkenis voor. Hij zei: „Het koninkrijk van de hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje dat een man nam en in zijn akker zaaide.
Ἄλλην
(Allen)
andere
παραβολὴν
(parabolen)
gelijkenis
παρέθηκεν
(paretheken)
legde voor
αὐτοῖς
(autois)
hun
λέγων
(legon)
zeggend
Ὁμοία
(Homoia)
gelijk
ἐστὶν
(estin)
is
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τῶν
(ton)
van de
οὐρανῶν
(ouranon)
hemelen
κόκκῳ
(kokko)
aan een zaadje
σινάπεως
(sinapeos)
van mosterd
ὃν
(hon)
dat
λαβὼν
(labon)
nemend
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
ἔσπειρεν
(espeiren)
zaaide
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἀγρῷ
(agro)
akker
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
Zie ook Mark. 4:30–32; Luc. 13:18–19.
De vogels die nestelen in de takken doen denken aan Ezech. 17:23, Ezech. 31:6 en Dan. 4:9, waar de vogels wonen in een grote boom.
32Het is wel het kleinste van alle zaden. Maar wanneer het gegroeid is, is het groter dan de tuingewassen. En het wordt een boom, zodat de vogels van de hemel komen en in zijn takken nestelen.”
ὃ
(ho)
wat
μικρότερον
(mikroteron)
kleiner
μέν
(men)
wel
ἐστιν
(estin)
is
πάντων
(panton)
van alle
τῶν
(ton)
de
σπερμάτων
(spermaton)
zaden
ὅταν
(hotan)
wanneer
δὲ
(de)
maar
αὐξηθῇ
(auxethe)
gegroeid is
μεῖζον
(meizon)
groter
τῶν
(ton)
dan de
λαχάνων
(lachanon)
tuingewassen
ἐστὶν
(estin)
is
καὶ
(kai)
en
γίνεται
(ginetai)
wordt
δένδρον
(dendron)
boom
ὥστε
(hoste)
zodat
ἐλθεῖν
(elthein)
komen
τὰ
(ta)
de
πετεινὰ
(peteina)
vogels
τοῦ
(tou)
van de
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
καὶ
(kai)
en
κατασκηνοῦν
(kataskenoun)
nestelen
ἐν
(en)
in
τοῖς
(tois)
de
κλάδοις
(kladois)
takken
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
λάχανα (lachana), ‘tuingewassen’: groenten en kruiden.
33Hij vertelde hun een andere gelijkenis: „Het koninkrijk van de hemelen is gelijk aan zuurdesem. Dat nam een vrouw en verborg in 3 maten meel, totdat het geheel doorzuurd was.”
Ἄλλην
(Allen)
andere
παραβολὴν
(parabolen)
gelijkenis
ἐλάλησεν
(elalesen)
sprak
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Ὁμοία
(Homoia)
gelijk
ἐστὶν
(estin)
is
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τῶν
(ton)
van de
οὐρανῶν
(ouranon)
hemelen
ζύμῃ
(zyme)
aan zuurdesem
ἣν
(hen)
dat
λαβοῦσα
(labousa)
nemend
γυνὴ
(gyne)
vrouw
ἐνέκρυψεν
(enekrypsen)
verborg
εἰς
(eis)
in
ἀλεύρου
(aleurou)
meel
σάτα
(sata)
maten
τρία
(tria)
3
ἕως
(heos)
totdat
οὗ
(hou)
dat
ἐζυμώθη
(ezymothe)
doorzuurd werd
ὅλον
(holon)
geheel
Bron: SBLGNT
Uitleg
Zie ook Luc. 13:20–21. σάτον (saton), ‘maat’: de Griekse naam voor de Hebreeuwse se’a, ongeveer 7 liter. 3 maten zijn dus ongeveer 22 liter meel (een efa); vergelijk Gen. 18:6, ‘drie maten meel’.
34Dit alles zei Yeshua in gelijkenissen tot de menigten. Zonder gelijkenis sprak Hij niets tot hen,
Ταῦτα
(Tauta)
deze
πάντα
(panta)
alle
ἐλάλησεν
(elalesen)
sprak
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐν
(en)
in
παραβολαῖς
(parabolais)
gelijkenissen
τοῖς
(tois)
tot de
ὄχλοις
(ochlois)
menigten
καὶ
(kai)
en
χωρὶς
(choris)
zonder
παραβολῆς
(paraboles)
gelijkenis
οὐδὲν
(ouden)
niets
ἐλάλει
(elalei)
sprak
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Bron: SBLGNT
35zodat vervuld werd wat gezegd is door de profeet: „Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen. Ik zal uitspreken wat verborgen was sinds de grondlegging.”
ὅπως
(hopos)
opdat
πληρωθῇ
(plerothe)
vervuld wordt
τὸ
(to)
het
ῥηθὲν
(rhethen)
gesprokene
διὰ
(dia)
door
τοῦ
(tou)
de
προφήτου
(prophetou)
profeet
λέγοντος
(legontos)
zeggend
Ἀνοίξω
(Anoixo)
ik zal openen
ἐν
(en)
in
παραβολαῖς
(parabolais)
gelijkenissen
τὸ
(to)
de
στόμα
(stoma)
mond
μου
(mou)
mijn
ἐρεύξομαι
(ereuxomai)
ik zal uitspreken
κεκρυμμένα
(kekrymmena)
verborgen dingen
ἀπὸ
(apo)
sinds
καταβολῆς
(kataboles)
grondlegging
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het citaat is Ps. 78:2, een psalm van Asaf.
Het Hebreeuws heeft ‘ik open mijn mond met een spreuk; ik laat raadsels uit de oudheid stromen’; de Griekse tekst heeft ‘ik zal mijn mond openen in gelijkenissen’ en ‘ik zal uitspreken wat verborgen was sinds de grondlegging’. καταβολή (katabole), ‘grondlegging’: het leggen van een fundament.
36Toen liet Hij de menigten achter en ging het huis binnen. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en zeiden: „Leg ons de gelijkenis van het onkruid in de akker uit.”
Τότε
(Tote)
toen
ἀφεὶς
(apheis)
latend gaan
τοὺς
(tous)
de
ὄχλους
(ochlous)
menigten
ἦλθεν
(elthen)
kwam
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
οἰκίαν
(oikian)
huis
καὶ
(kai)
en
προσῆλθον
(proselthon)
kwamen tot
αὐτῷ
(auto)
Hem
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Διασάφησον
(Diasapheson)
leg uit
ἡμῖν
(hemin)
aan ons
τὴν
(ten)
de
παραβολὴν
(parabolen)
gelijkenis
τῶν
(ton)
van het
ζιζανίων
(zizanion)
onkruid
τοῦ
(tou)
van de
ἀγροῦ
(agrou)
akker
Bron: SBLGNT
37Hij antwoordde en zei: „Wie het goede zaad zaait, is de Mensenzoon.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
Ὁ
(Ho)
de
σπείρων
(speiron)
zaaiende
τὸ
(to)
het
καλὸν
(kalon)
goede
σπέρμα
(sperma)
zaad
ἐστὶν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
Bron: SBLGNT
38De akker is de wereld. Het goede zaad, dat zijn de zonen van het koninkrijk. Het onkruid, dat zijn de zonen van de boze.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀγρός
(agros)
akker
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
κόσμος
(kosmos)
wereld
τὸ
(to)
het
δὲ
(de)
maar
καλὸν
(kalon)
goede
σπέρμα
(sperma)
zaad
οὗτοί
(houtoi)
deze
εἰσιν
(eisin)
zijn
οἱ
(hoi)
de
υἱοὶ
(huioi)
zonen
τῆς
(tes)
van het
βασιλείας
(basileias)
koninkrijk
τὰ
(ta)
het
δὲ
(de)
maar
ζιζάνιά
(zizania)
onkruid
εἰσιν
(eisin)
zijn
οἱ
(hoi)
de
υἱοὶ
(huioi)
zonen
τοῦ
(tou)
van de
πονηροῦ
(ponerou)
boze
Bron: SBLGNT
Uitleg
κόσμος (kosmos), ‘wereld’: de bewoonde wereld, de mensen. υἱοί (huioi), ‘zonen’: wie bij het koninkrijk of bij de boze hoort.
39De vijand die het gezaaid heeft, is de duivel. De oogst is de voleinding van de eeuw, en de maaiers zijn engelen.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἐχθρὸς
(echthros)
vijand
ὁ
(ho)
die
σπείρας
(speiras)
zaaiende
αὐτά
(auta)
hen
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
διάβολος
(diabolos)
duivel
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
θερισμὸς
(therismos)
oogst
συντέλεια
(synteleia)
voleinding
αἰῶνός
(aionos)
van de eeuw
ἐστιν
(estin)
is
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
θερισταὶ
(theristai)
maaiers
ἄγγελοί
(angeloi)
engelen
εἰσιν
(eisin)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
συντέλεια (synteleia), ‘voleinding’: het einde, de afsluiting; zie ook Matt. 24:3 en 28:20.
44Het koninkrijk van de hemelen is gelijk aan een schat die verborgen ligt in de akker. Een man vond hem en verborg hem. Van vreugde gaat hij heen, verkoopt alles wat hij heeft en koopt die akker.
Ὁμοία
(Homoia)
gelijk
ἐστὶν
(estin)
is
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τῶν
(ton)
van de
οὐρανῶν
(ouranon)
hemelen
θησαυρῷ
(thesauro)
aan een schat
κεκρυμμένῳ
(kekrymmeno)
verborgen
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἀγρῷ
(agro)
akker
ὃν
(hon)
die
εὑρὼν
(heuron)
vindend
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
ἔκρυψεν
(ekrypsen)
verborg
καὶ
(kai)
en
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
de
χαρᾶς
(charas)
vreugde
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ὑπάγει
(hypagei)
gaat heen
καὶ
(kai)
en
πωλεῖ
(polei)
verkoopt
πάντα
(panta)
alles
ὅσα
(hosa)
wat
ἔχει
(echei)
heeft
καὶ
(kai)
en
ἀγοράζει
(agorazei)
koopt
τὸν
(ton)
de
ἀγρὸν
(agron)
akker
ἐκεῖνον
(ekeinon)
die
Bron: SBLGNT
45Weer is het koninkrijk van de hemelen gelijk aan een koopman die mooie parels zoekt.
Πάλιν
(Palin)
weer
ὁμοία
(homoia)
gelijk
ἐστὶν
(estin)
is
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τῶν
(ton)
van de
οὐρανῶν
(ouranon)
hemelen
ἀνθρώπῳ
(anthropo)
aan een mens
ἐμπόρῳ
(emporo)
koopman
ζητοῦντι
(zetounti)
zoekend
καλοὺς
(kalous)
mooie
μαργαρίτας
(margaritas)
parels
Bron: SBLGNT
46Toen hij één kostbare parel vond, ging hij weg, verkocht alles wat hij had en kocht hem.
εὑρὼν
(heuron)
vindend
δὲ
(de)
maar
ἕνα
(hena)
één
πολύτιμον
(polytimon)
kostbare
μαργαρίτην
(margariten)
parel
ἀπελθὼν
(apelthon)
weggaand
πέπρακεν
(pepraken)
verkocht
πάντα
(panta)
alles
ὅσα
(hosa)
wat
εἶχεν
(eichen)
had
καὶ
(kai)
en
ἠγόρασεν
(egorasen)
kocht
αὐτόν
(auton)
hem
Bron: SBLGNT
47Weer is het koninkrijk van de hemelen gelijk aan een sleepnet dat in de zee werd geworpen en allerlei soorten bijeenbracht.
Πάλιν
(Palin)
weer
ὁμοία
(homoia)
gelijk
ἐστὶν
(estin)
is
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τῶν
(ton)
van de
οὐρανῶν
(ouranon)
hemelen
σαγήνῃ
(sagene)
aan een sleepnet
βληθείσῃ
(bletheise)
geworpen
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
καὶ
(kai)
en
ἐκ
(ek)
uit
παντὸς
(pantos)
elk
γένους
(genous)
soort
συναγαγούσῃ
(synagagouse)
verzameld hebbend
Bron: SBLGNT
Uitleg
σαγήνη (sagene), ‘sleepnet’: een groot net dat door het water wordt getrokken en alles vangt.
48Toen het vol was, trokken zij het op het strand, gingen zitten en verzamelden het goede in manden. Het slechte wierpen zij weg.
ἣν
(hen)
dat
ὅτε
(hote)
toen
ἐπληρώθη
(eplerothe)
vol werd
ἀναβιβάσαντες
(anabibasantes)
optrekkend
ἐπὶ
(epi)
op
τὸν
(ton)
het
αἰγιαλὸν
(aigialon)
strand
καὶ
(kai)
en
καθίσαντες
(kathisantes)
zittend
συνέλεξαν
(synelexan)
verzamelden
τὰ
(ta)
het
καλὰ
(kala)
goede
εἰς
(eis)
in
ἄγγη
(ange)
manden
τὰ
(ta)
het
δὲ
(de)
maar
σαπρὰ
(sapra)
slechte
ἔξω
(exo)
buiten
ἔβαλον
(ebalon)
wierpen
Bron: SBLGNT
49Zo zal het zijn bij de voleinding van de eeuw: de engelen zullen uitgaan en de slechten afscheiden uit het midden van de rechtvaardigen.
οὕτως
(houtos)
zo
ἔσται
(estai)
zal zijn
ἐν
(en)
bij
τῇ
(te)
de
συντελείᾳ
(synteleia)
voleinding
τοῦ
(tou)
van de
αἰῶνος
(aionos)
eeuw
ἐξελεύσονται
(exeleusontai)
zullen uitgaan
οἱ
(hoi)
de
ἄγγελοι
(angeloi)
engelen
καὶ
(kai)
en
ἀφοριοῦσιν
(aphoriousin)
zullen afscheiden
τοὺς
(tous)
de
πονηροὺς
(ponerous)
slechten
ἐκ
(ek)
uit
μέσου
(mesou)
midden
τῶν
(ton)
van de
δικαίων
(dikaion)
rechtvaardigen
Bron: SBLGNT
50En zij zullen hen in de vuuroven werpen. Daar zal het geween zijn en het knarsen van de tanden.”
καὶ
(kai)
en
βαλοῦσιν
(balousin)
zullen werpen
αὐτοὺς
(autous)
hen
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
κάμινον
(kaminon)
oven
τοῦ
(tou)
van het
πυρός
(pyros)
vuur
ἐκεῖ
(ekei)
daar
ἔσται
(estai)
zal zijn
ὁ
(ho)
het
κλαυθμὸς
(klauthmos)
geween
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
het
βρυγμὸς
(brygmos)
knarsen
τῶν
(ton)
van de
ὀδόντων
(odonton)
tanden
Bron: SBLGNT
Nieuwe en oude dingen
51„Hebben jullie dit alles begrepen?” Zij zeiden tegen Hem: „Ja.”
Συνήκατε
(Synekate)
hebben begrepen jullie
ταῦτα
(tauta)
dit
πάντα
(panta)
alles
λέγουσιν
(legousin)
zij zeggen
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Ναί
(Nai)
ja
Bron: SBLGNT
52Hij zei tegen hen: „Daarom is elke schriftgeleerde die leerling is geworden voor het koninkrijk van de hemelen gelijk aan een man die heer van een huis is. Die haalt uit zijn schat nieuwe en oude dingen tevoorschijn.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Διὰ
(Dia)
door
τοῦτο
(touto)
dit
πᾶς
(pas)
elke
γραμματεὺς
(grammateus)
schriftgeleerde
μαθητευθεὶς
(matheteutheis)
leerling geworden
τῇ
(te)
voor het
βασιλείᾳ
(basileia)
koninkrijk
τῶν
(ton)
van de
οὐρανῶν
(ouranon)
hemelen
ὅμοιός
(homoios)
gelijk
ἐστιν
(estin)
is
ἀνθρώπῳ
(anthropo)
aan een mens
οἰκοδεσπότῃ
(oikodespote)
heer van het huis
ὅστις
(hostis)
die
ἐκβάλλει
(ekballei)
haalt tevoorschijn
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
θησαυροῦ
(thesaurou)
schat
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καινὰ
(kaina)
nieuwe
καὶ
(kai)
en
παλαιά
(palaia)
oude
Bron: SBLGNT
Uitleg
μαθητευθείς (matheteutheis), ‘leerling geworden’: tot leerling gemaakt, onderwezen; vergelijk het werkwoord in Matt. 28:19.
53Toen Yeshua deze gelijkenissen had beëindigd, vertrok Hij vandaar.
καὶ
(kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
het gebeurde
ὅτε
(hote)
toen
ἐτέλεσεν
(etelesen)
beëindigde
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τὰς
(tas)
de
παραβολὰς
(parabolas)
gelijkenissen
ταύτας
(tautas)
deze
μετῆρεν
(meteren)
vertrok
ἐκεῖθεν
(ekeithen)
vandaar
Bron: SBLGNT
54Hij kwam in Zijn vaderstad en onderwees hen in hun synagoge, zodat zij versteld stonden. Zij zeiden: „Waar heeft deze man deze wijsheid en deze krachten vandaan?
καὶ
(kai)
en
ἐλθὼν
(elthon)
komend
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
πατρίδα
(patrida)
vaderstad
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἐδίδασκεν
(edidasken)
onderwees
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
συναγωγῇ
(synagoge)
synagoge
αὐτῶν
(auton)
hun
ὥστε
(hoste)
zodat
ἐκπλήσσεσθαι
(ekplessesthai)
versteld staan
αὐτοὺς
(autous)
zij
καὶ
(kai)
en
λέγειν
(legein)
zeggen
Πόθεν
(Pothen)
waarvandaan
τούτῳ
(touto)
aan deze
ἡ
(he)
de
σοφία
(sophia)
wijsheid
αὕτη
(haute)
deze
καὶ
(kai)
en
αἱ
(hai)
de
δυνάμεις
(dynameis)
krachten
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Nazaret (Zijn vaderstad): Met ‘Zijn vaderstad’ wordt waarschijnlijk Nazaret bedoeld (zie Matteüs 2:23 en Markus 1:9), in Neder-Galilea.
De naam staat hier niet in de tekst.
Uitleg
πατρίς (patris), ‘vaderstad’: de eigen woonplaats; hier Nazaret (zie Matt. 2:23).