Elohim Bijbel

Ruth 4

1234

De losser in de poort: Boaz neemt Ruth, en Obed wordt geboren

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Boaz en de losser bij de poort

1Boaz ging naar de poort en ging daar zitten. En zie, de losser over wie Boaz had gesproken, kwam voorbij. Boaz zei: „Kom hier, ga zitten, Zus-en-Zo.” Hij kwam erheen en ging zitten.
וּבֹ֨עַז
(uvoaz)
en Boaz
עָלָ֣ה
(ala)
ging omhoog
הַשַּׁעַר֮
(hashaar)
naar de poort
וַיֵּ֣שֶׁב
(vayeshev)
en ging zitten
שָׁם֒
(sham)
daar
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
הַגֹּאֵ֤ל
(hagoel)
de losser
עֹבֵר֙
(over)
kwam voorbij
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
over wie
דִּבֶּר
(diber)
had gesproken
בֹּ֔עַז
(boaz)
Boaz
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ס֥וּרָה
(sura)
kom
שְׁבָה
(sheva)
ga zitten
פֹּ֖ה
(po)
hier
פְּלֹנִ֣י
(peloni)
Zus
אַלְמֹנִ֑י
(almoni)
en Zo
וַיָּ֖סַר
(vayasar)
en hij kwam erheen
וַיֵּשֵֽׁב
(vayeshev)
en ging zitten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁעַר (sha’ar), ‘poort’: de stadspoort was de plaats waar de oudsten recht spraken en zaken vastlegden.

Zie ook 3:11 en Deut. 21:19.

פְּלֹנִי אַלְמֹנִי (peloni almoni), ‘Zus-en-Zo’: een uitdrukking voor iemand wiens naam niet genoemd wordt. De losser blijft zonder naam, terwijl Boaz, Ruth en Naomi hun naam in Israël houden.

גֹּאֵל (go’el), ‘losser’: de naaste verwant die voor een familielid opkomt. Hij koopt verkocht land terug (Lev. 25:25) en lost een verkochte verwant (Lev. 25:47–49). Zie ook 2:20 en 3:9.

2Boaz nam 10 mannen van de oudsten van de stad en zei: „Ga hier zitten.” Zij gingen zitten.
וַיִּקַּ֞ח
(vayiqach)
en hij nam
עֲשָׂרָ֧ה
(asara)
tien
אֲנָשִׁ֛ים
(anashim)
mannen
מִזִּקְנֵ֥י
(miziqnei)
van de oudsten van
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שְׁבוּ
(shevu)
ga zitten
פֹ֑ה
(po)
hier
וַיֵּשֵֽׁבוּ
(vayeshevu)
en zij gingen zitten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Hij zei tegen de losser: „Het stuk veld dat van onze broer Elimelech was, verkoopt Naomi. Zij is teruggekeerd uit de velden van Moab.
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
לַגֹּאֵ֔ל
(lagoel)
tegen de losser
חֶלְקַת֙
(chelqat)
het stuk van
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לְאָחִ֖ינוּ
(leachinu)
van onze broer
לֶאֱלִימֶ֑לֶךְ
(leelimelekh)
van Elimelech
מָכְרָ֣ה
(makhera)
heeft verkocht
נָעֳמִ֔י
(naomi)
Naomi
הַשָּׁ֖בָה
(hashava)
die teruggekeerd is
מִשְּׂדֵ֥ה
(misede)
uit de velden van
מוֹאָֽב
(moav)
Moab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָח (ach), ‘broer’: hier ‘verwant’.

Elimelech was een verwant van Boaz en van de losser.

Lev. 25:25 regelt dat de naaste verwant verkocht land terugkoopt.

Lezing

Het Hebreeuws heeft hier een voltooide tijd (‘heeft verkocht’).

Omdat Boaz in vers 5 vraagt om het veld van Naomi te kopen, vertalen wij ‘verkoopt’: zij staat op het punt het te verkopen.

4Daarom dacht ik: ik zal het je laten horen. Ik zal zeggen: ‘Koop het in aanwezigheid van de mannen die hier zitten en in aanwezigheid van de oudsten van mijn volk.’ Als je wilt lossen, los dan. Maar als hij niet wil lossen, zeg het mij dan, zodat ik het weet. Want er is niemand om te lossen behalve jij, en ik kom na jou.” De losser zei: „Ik zal lossen.”
וַאֲנִ֨י
(vaani)
en ik
אָמַ֜רְתִּי
(amarti)
ik zei
אֶגְלֶ֧ה
(egle)
ik zal ontbloten
אָזְנְךָ֣
(azenekha)
je oor
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
קְ֠נֵה
(qene)
koop
נֶ֥גֶד
(neged)
in aanwezigheid van
הַֽיֹּשְׁבִים֮
(hayoshevim)
de zittenden
וְנֶ֣גֶד
(veneged)
en in aanwezigheid van
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
de oudsten van
עַמִּי֒
(ami)
mijn volk
אִם
(im)
als
תִּגְאַל֙
(tigal)
je wilt lossen
גְּאָ֔ל
(geal)
los
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֨א
(lo)
niet
יִגְאַ֜ל
(yigal)
hij wil lossen
הַגִּ֣ידָה
(hagida)
zeg het
לִּ֗י
(li)
mij
וְאֵֽדְעָה֙
(veedea)
en ik zal weten
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֤ין
(ein)
er is niet
זוּלָֽתְךָ֙
(zulatekha)
behalve jij
לִגְא֔וֹל
(ligol)
om te lossen
וְאָנֹכִ֖י
(veanokhi)
en ik
אַחֲרֶ֑יךָ
(achareikha)
na jou
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
ik
אֶגְאָֽל
(egal)
ik zal lossen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶגְלֶה אָזְנְךָ (egleh oznecha), ‘ik zal je oor ontbloten’: ik zal het je vertellen.

Zie ook 1 Sam. 20:2.

Lezing

Hier gaat het Hebreeuws over van ‘jij’ (‘als je wilt lossen’) naar ‘hij’ (‘als hij niet wil lossen’).

Wij vertalen letterlijk; de bedoeling blijft dezelfde.

De woorden ‘De losser zei’ aan het eind van het vers staan er in het Hebreeuws niet; daar staat alleen ‘hij zei’.

Wij noemen de losser, omdat anders niet te zien is wie spreekt.

5Boaz zei: „Op de dag dat je het veld koopt van de hand van Naomi, koop je ook Ruth de Moabitische. Zij is de vrouw van de gestorvene. Zo richt je de naam van de gestorvene op, op zijn erfdeel.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
בֹּ֔עַז
(boaz)
Boaz
בְּיוֹם
(beyom)
op de dag
קְנוֹתְךָ֥
(qenotekha)
van je kopen
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
מִיַּ֣ד
(miyad)
van de hand van
נָעֳמִ֑י
(naomi)
Naomi
וּ֠מֵאֵת
(umeet)
en van
ר֣וּת
(rut)
Ruth
הַמּוֹאֲבִיָּ֤ה
(hamoaviya)
de Moabitische
אֵֽשֶׁת
(eshet)
de vrouw van
הַמֵּת֙
(hamet)
de gestorvene
קָנִ֔יתָה
(qanita)
koop je
לְהָקִ֥ים
(lehaqim)
om op te richten
שֵׁם
(shem)
de naam van
הַמֵּ֖ת
(hamet)
de gestorvene
עַל
(al)
op
נַחֲלָתֽוֹ
(nachalato)
zijn erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De naam van de gestorvene ‘oprichten’ op zijn erfdeel: de zoon van Ruth zou als erfgenaam van Machlon gelden.

Dat lijkt op de gedachte van het zwagerhuwelijk in Deut. 25:5–6.

Het is er geen in strikte zin: Boaz is geen broer van Machlon maar een verwant (vers 3), en Ruth was de weduwe van Machlon (vers 10).

Lezing

De geschreven tekst heeft קניתי (qaniti), ‘ik koop’.

De overlevering leest קָנִיתָ (qanita), ‘jij koopt’.

Wij volgen de overlevering: wie het veld koopt, koopt ook Ruth.

Vergelijk vers 10, waar Boaz zegt dat hij Ruth koopt.

6De losser zei: „Ik kan niet voor mezelf lossen, anders breng ik mijn erfdeel te gronde. Los jij wat ik te lossen heb, want ik kan niet lossen.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הַגֹּאֵ֗ל
(hagoel)
de losser
לֹ֤א
(lo)
niet
אוּכַל֙
(ukhal)
kan ik
לִגְאָל
(ligal)
te lossen
לִ֔י
(li)
voor mij
פֶּן
(pen)
anders
אַשְׁחִ֖ית
(ashchit)
ik zal te gronde richten
אֶת
(et)
(obj.)
נַחֲלָתִ֑י
(nachalati)
mijn erfdeel
גְּאַל
(geal)
los
לְךָ֤
(lekha)
voor jou
אַתָּה֙
(ata)
jij
אֶת
(et)
(obj.)
גְּאֻלָּתִ֔י
(geulati)
mijn lossing
כִּ֥י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
אוּכַ֖ל
(ukhal)
kan ik
לִגְאֹֽל
(ligol)
te lossen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tekst zegt niet waarom de losser zijn erfdeel zou bederven.

Waarschijnlijk zou zijn eigen erfdeel kleiner worden: hij betaalt voor het veld, en de zoon van Ruth zou het land als erfdeel van Machlon krijgen, niet als zijn eigen erfdeel (onzeker).

De gewoonte van de sandaal

7Zo ging het vroeger in Israël bij lossing en ruil, om elke zaak te bevestigen. De ene man trok zijn sandaal uit en gaf die aan de ander. Dit was het getuigenis in Israël.
וְזֹאת֩
(vezot)
en dit
לְפָנִ֨ים
(lefanim)
vroeger
בְּיִשְׂרָאֵ֜ל
(beyisrael)
in Israël
עַל
(al)
bij
הַגְּאוּלָּ֤ה
(hageula)
de lossing
וְעַל
(veal)
en bij
הַתְּמוּרָה֙
(hatemura)
de ruil
לְקַיֵּ֣ם
(leqayem)
om te bevestigen
כָּל
(kal)
elke
דָּבָ֔ר
(davar)
zaak
שָׁלַ֥ף
(shalaf)
trok uit
אִ֛ישׁ
(ish)
een man
נַעֲל֖וֹ
(naalo)
zijn sandaal
וְנָתַ֣ן
(venatan)
en gaf
לְרֵעֵ֑הוּ
(lereehu)
aan zijn naaste
וְזֹ֥את
(vezot)
en dit
הַתְּעוּדָ֖ה
(hateuda)
het getuigenis
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַעַל (na’al), ‘sandaal’: wij vertalen zo, zoals in Deut. 25:9–10.

Het uittrekken van de sandaal betekent dat een zaak wordt overgedragen.

Het verschilt van Deut. 25:7–10: daar trekt de weduwe de sandaal van de schoonbroer uit als hij weigert haar te nemen.

Hier geeft de losser zijn eigen sandaal aan Boaz.

תְּמוּרָה (temurah), ‘ruil’: ook in Lev. 27:10 en 27:33.

תְּעוּדָה (te’udah), ‘getuigenis’: vergelijk עֵדוּת (edut), ‘getuigenis’. De schrijver legt dit uit voor lezers die de gewoonte niet meer kennen.

8De losser zei tegen Boaz: „Koop het voor jezelf.” Hij trok zijn sandaal uit.
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
הַגֹּאֵ֛ל
(hagoel)
de losser
לְבֹ֖עַז
(levoaz)
tegen Boaz
קְנֵה
(qene)
koop
לָ֑ךְ
(lakh)
voor jezelf
וַיִּשְׁלֹ֖ף
(vayishlof)
en hij trok uit
נַעֲלֽוֹ
(naalo)
zijn sandaal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Boaz koopt het erfdeel en neemt Ruth

9Boaz zei tegen de oudsten en heel het volk: „Jullie zijn vandaag getuigen. Ik heb van de hand van Naomi alles gekocht wat van Elimelech was, en alles wat van Kiljon en Machlon was.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
בֹּ֨עַז
(boaz)
Boaz
לַזְּקֵנִ֜ים
(lazeqenim)
tegen de oudsten
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
עֵדִ֤ים
(edim)
getuigen
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
כִּ֤י
(ki)
dat
קָנִ֨יתִי֙
(qaniti)
ik heb gekocht
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
לֶֽאֱלִימֶ֔לֶךְ
(leelimelekh)
van Elimelech
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
לְכִלְי֖וֹן
(lekhilyon)
van Kiljon
וּמַחְל֑וֹן
(umachlon)
en Machlon
מִיַּ֖ד
(miyad)
van de hand van
נָעֳמִֽי
(naomi)
Naomi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Ook Ruth de Moabitische, de vrouw van Machlon, heb ik voor mij gekocht tot vrouw. Zo richt ik de naam van de gestorvene op, op zijn erfdeel. De naam van de gestorvene wordt niet afgesneden van zijn broeders en van de poort van zijn plaats. Jullie zijn vandaag getuigen.”
וְגַ֣ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
ר֣וּת
(rut)
Ruth
הַמֹּאֲבִיָּה֩
(hamoaviya)
de Moabitische
אֵ֨שֶׁת
(eshet)
de vrouw van
מַחְל֜וֹן
(machlon)
Machlon
קָנִ֧יתִי
(qaniti)
heb ik gekocht
לִ֣י
(li)
voor mij
לְאִשָּׁ֗ה
(leisha)
tot vrouw
לְהָקִ֤ים
(lehaqim)
om op te richten
שֵׁם
(shem)
de naam van
הַמֵּת֙
(hamet)
de gestorvene
עַל
(al)
op
נַ֣חֲלָת֔וֹ
(nachalato)
zijn erfdeel
וְלֹא
(velo)
en niet
יִכָּרֵ֧ת
(yikaret)
wordt afgesneden
שֵׁם
(shem)
de naam van
הַמֵּ֛ת
(hamet)
de gestorvene
מֵעִ֥ם
(meim)
van bij
אֶחָ֖יו
(echav)
zijn broeders
וּמִשַּׁ֣עַר
(umishaar)
en van de poort van
מְקוֹמ֑וֹ
(meqomo)
zijn plaats
עֵדִ֥ים
(edim)
getuigen
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
הַיּֽוֹם
(hayom)
vandaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Boaz koopt het veld en neemt Ruth, de weduwe van Machlon, tot vrouw.

Zo blijft de naam van Machlon en van het geslacht van Elimelech in Israël bestaan (vergelijk Deut. 25:6).

11Heel het volk dat in de poort was en de oudsten zeiden: „Getuigen zijn wij! Moge Yahweh de vrouw die in je huis komt, maken als Rachel en Lea, die samen het huis van Israël hebben gebouwd. Handel bekwaam in Efrata en maak een naam in Betlehem.
וַיֹּ֨אמְר֜וּ
(vayomru)
en zeiden
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֧ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בַּשַּׁ֛עַר
(bashaar)
in de poort
וְהַזְּקֵנִ֖ים
(vehazeqenim)
en de oudsten
עֵדִ֑ים
(edim)
getuigen
יִתֵּן֩
(yiten)
moge geven
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽת
(et)
(obj.)
הָאִשָּׁ֜ה
(haisha)
de vrouw
הַבָּאָ֣ה
(habaa)
die komt
אֶל
(el)
naar
בֵּיתֶ֗ךָ
(beitekha)
je huis
כְּרָחֵ֤ל
(kerachel)
als Rachel
וּכְלֵאָה֙
(ukhelea)
en als Lea
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
בָּנ֤וּ
(banu)
hebben gebouwd
שְׁתֵּיהֶם֙
(sheteihem)
beiden
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַעֲשֵׂה
(vaase)
en handel
חַ֣יִל
(chayil)
bekwaam
בְּאֶפְרָ֔תָה
(beefrata)
in Efrata
וּקְרָא
(uqera)
en roep
שֵׁ֖ם
(shem)
een naam
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in huis van
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Efrata is de streek rond Betlehem (Gen. 35:19; Micha 5:1).

Betlehem ligt ongeveer 9 kilometer ten zuiden van Jeruzalem, in het huidige Palestijnse gebied (Westelijke Jordaanoever).

Uitleg

De zegen noemt Rachel en Lea, de twee vrouwen van Jakob die samen het huis van Israël hebben gebouwd (Gen. 29–30).

Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘moge Yahweh de vrouw geven’ en vervolgt met ‘als Rachel en Lea’; wij vertalen ‘maken’.

עֲשֵׂה חַיִל (aseh chayil), ‘handel bekwaam’: laat zien dat je bekwaam bent. Hetzelfde woord חַיִל (chayil) staat bij Boaz in 2:1 en bij Ruth in 3:11.

12Moge je huis worden als het huis van Peres, die Tamar aan Juda baarde. Moge het zo zijn door het nageslacht dat Yahweh je uit dit meisje zal geven.”
וִיהִ֤י
(vihi)
en moge worden
בֵֽיתְךָ֙
(beitekha)
je huis
כְּבֵ֣ית
(keveit)
als het huis van
פֶּ֔רֶץ
(perets)
Peres
אֲשֶׁר
(asher)
die
יָלְדָ֥ה
(yaleda)
baarde
תָמָ֖ר
(tamar)
Tamar
לִֽיהוּדָ֑ה
(lihuda)
aan Juda
מִן
(min)
uit
הַזֶּ֗רַע
(hazera)
het nageslacht
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יִתֵּ֤ן
(yiten)
zal geven
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְךָ֔
(lekha)
aan jou
מִן
(min)
uit
הַֽנַּעֲרָ֖ה
(hanaara)
het meisje
הַזֹּֽאת
(hazot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Peres was de zoon van Tamar en Juda (Gen. 38:27–30).

Gen. 38 vertelt hoe Tamar, de weduwe van Er, zoon van Juda, via Juda zonen kreeg (vergelijk Gen. 38:8 en het zwagerhuwelijk in Deut. 25:5–10).

נַעֲרָה (na’arah), ‘meisje’: zie 2:5.

Obed wordt geboren

13Boaz nam Ruth, en zij werd zijn vrouw. Hij ging tot haar in, en Yahweh gaf haar zwangerschap. Zij beviel van een zoon.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
בֹּ֤עַז
(boaz)
Boaz
אֶת
(et)
(obj.)
רוּת֙
(rut)
Ruth
וַתְּהִי
(vatehi)
en zij werd
ל֣וֹ
(lo)
voor hem
לְאִשָּׁ֔ה
(leisha)
tot vrouw
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en hij ging in
אֵלֶ֑יהָ
(eleiha)
tot haar
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en gaf
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
לָ֛הּ
(lah)
aan haar
הֵרָי֖וֹן
(herayon)
zwangerschap
וַתֵּ֥לֶד
(vateled)
en zij baarde
בֵּֽן
(ben)
een zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵרָיוֹן (herayon), ‘zwangerschap’: een zeldzaam woord (vergelijk Hos. 9:11).

Hier zegt de verteller zelf dat Yahweh haar de zwangerschap geeft.

14De vrouwen zeiden tegen Naomi: „Gezegend zij Yahweh, die het je vandaag niet aan een losser heeft laten ontbreken. Moge zijn naam in Israël worden uitgeroepen.
וַתֹּאמַ֤רְנָה
(vatomarna)
en zeiden
הַנָּשִׁים֙
(hanashim)
de vrouwen
אֶֽל
(el)
tot
נָעֳמִ֔י
(naomi)
Naomi
בָּר֣וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲ֠שֶׁר
(asher)
die
לֹ֣א
(lo)
niet
הִשְׁבִּ֥ית
(hishbit)
heeft laten ontbreken
לָ֛ךְ
(lakh)
voor jou
גֹּאֵ֖ל
(goel)
een losser
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
וְיִקָּרֵ֥א
(veyiqare)
en moge worden uitgeroepen
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

‘Zijn naam’ kan slaan op de naam van Yahweh, van de losser of van het kind.

Wij laten het open en vertalen ‘zijn naam’; uit het vervolg blijkt dat het kind bedoeld is.

15Hij zal voor je zijn tot herstel van je ziel en tot verzorger van je grijze haren. Want je schoondochter, die van je houdt, heeft hem gebaard. Zij is beter voor je dan 7 zonen.”
וְהָ֤יָה
(vehaya)
en hij zal zijn
לָךְ֙
(lakh)
voor jou
לְמֵשִׁ֣יב
(lemeshiv)
tot herstel van
נֶ֔פֶשׁ
(nefesh)
ziel
וּלְכַלְכֵּ֖ל
(ulekhalkel)
en tot verzorger van
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׂיבָתֵ֑ךְ
(seivatekh)
je grijze haren
כִּ֣י
(ki)
want
כַלָּתֵ֤ךְ
(kalatekh)
je schoondochter
אֲֽשֶׁר
(asher)
die
אֲהֵבַ֨תֶךְ֙
(ahevatekh)
van je houdt
יְלָדַ֔תּוּ
(yeladatu)
heeft hem gebaard
אֲשֶׁר
(asher)
die
הִיא֙
(hi)
zij
ט֣וֹבָה
(tova)
beter
לָ֔ךְ
(lakh)
voor jou
מִשִּׁבְעָ֖ה
(mishiva)
dan zeven
בָּנִֽים
(banim)
zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֵשִׁיב נֶפֶשׁ (meshiv nefesh), ‘herstel van je ziel’: iemand die je levenskracht terugbrengt.

Zie ook Ps. 23:3.

שֵׂיבָה (sevah), ‘grijze haren’: een uitdrukking voor ouderdom.

De vrouwen noemen Ruth ‘beter dan 7 zonen’. Zeven is het getal van volheid; een vrouw met zeven zonen was in Israël volop gezegend (vergelijk 1 Sam. 2:5).

16Naomi nam het kind en legde het op haar schoot. Zij werd zijn verzorgster.
וַתִּקַּ֨ח
(vatiqach)
en nam
נָעֳמִ֤י
(naomi)
Naomi
אֶת
(et)
(obj.)
הַיֶּ֨לֶד֙
(hayeled)
het kind
וַתְּשִׁתֵ֣הוּ
(vateshitehu)
en legde hem
בְחֵיקָ֔הּ
(becheiqah)
op haar schoot
וַתְּהִי
(vatehi)
en zij werd
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
לְאֹמֶֽנֶת
(leomenet)
tot verzorgster
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֹמֶנֶת (omenet), ‘verzorgster’: een vrouw die voor een kind zorgt, zoals een voedster of pleegmoeder.

17De buurvrouwen gaven hem een naam. Zij zeiden: „Aan Naomi is een zoon geboren.” Zij noemden hem Obed. Hij is de vader van Isaï, de vader van David.
וַתִּקְרֶאנָה֩
(vatiqrena)
en noemden
ל֨וֹ
(lo)
hem
הַשְּׁכֵנ֥וֹת
(hashekhenot)
de buurvrouwen
שֵׁם֙
(shem)
een naam
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
יֻלַּד
(yulad)
is geboren
בֵּ֖ן
(ben)
een zoon
לְנָעֳמִ֑י
(lenaomi)
aan Naomi
וַתִּקְרֶ֤אנָֽה
(vatiqrena)
en zij noemden
שְׁמוֹ֙
(shemo)
zijn naam
עוֹבֵ֔ד
(oved)
Obed
ה֥וּא
(hu)
hij
אֲבִי
(avi)
de vader van
יִשַׁ֖י
(yishay)
Isaï
אֲבִ֥י
(avi)
de vader van
דָוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עוֹבֵד (Oved), ‘Obed’: ‘dienaar’ of ‘iemand die dient’.

De vrouwen geven de naam, wat ongewoon is; meestal doen de ouders dat.

יִשַׁי (Yishai), ‘Isaï’: de vader van David (1 Sam. 16:1; 17:12).

De geslachtslijst van Peres tot David

18Dit is de geschiedenis van Peres: Peres werd de vader van Chezron.
וְאֵ֨לֶּה֙
(veele)
en dit
תּוֹלְד֣וֹת
(toledot)
de geschiedenis van
פָּ֔רֶץ
(parets)
Peres
פֶּ֖רֶץ
(perets)
Peres
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
חֶצְרֽוֹן
(chetsron)
Chezron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹלְדוֹת (toledot), ‘geschiedenis’: de verhalen en de afstammelingen van iemand.

Zo ook in Gen. 2:4 en 37:2; hier is het een geslachtslijst.

Tien namen van Peres tot David.

הוֹלִיד (holid), ‘werd de vader van’: in Hebreeuwse geslachtslijsten kan dit ook ‘werd de voorvader van’ betekenen.

Zie voor dezelfde lijst Matt. 1:3–6 en 1 Kron. 2:5–15; Peres is de zoon van Juda en Tamar (Gen. 38:29).

19Chezron werd de vader van Ram, en Ram werd de vader van Amminadab.
וְחֶצְרוֹן֙
(vechetsron)
en Chezron
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
רָ֔ם
(ram)
Ram
וְרָ֖ם
(veram)
en Ram
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּֽינָדָֽב
(aminadav)
Amminadab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Amminadab werd de vader van Nachsjon, en Nachsjon werd de vader van Salmon.
וְעַמִּֽינָדָב֙
(veaminadav)
en Amminadab
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
נַחְשׁ֔וֹן
(nachshon)
Nachsjon
וְנַחְשׁ֖וֹן
(venachshon)
en Nachsjon
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
שַׂלְמָֽה
(salma)
Salmon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Hebreeuwse tekst heeft hier שַׂלְמָה (Salma), in vers 21 שַׂלְמוֹן (Salmon); het gaat om dezelfde man.

Wij schrijven beide keren Salmon, zoals in Matt. 1:5.

21Salmon werd de vader van Boaz, en Boaz werd de vader van Obed.
וְשַׂלְמוֹן֙
(vesalmon)
en Salmon
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
בֹּ֔עַז
(boaz)
Boaz
וּבֹ֖עַז
(uvoaz)
en Boaz
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
עוֹבֵֽד
(oved)
Obed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De geslachtslijst noemt de moeder van Boaz niet.

Matt. 1:5 noemt Rachab als moeder van Boaz en Ruth als moeder van Obed.

22Obed werd de vader van Isaï, en Isaï werd de vader van David.
וְעֹבֵד֙
(veoved)
en Obed
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
יִשָׁ֔י
(yishay)
Isaï
וְיִשַׁ֖י
(veyishay)
en Isaï
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David werd door Samuël tot koning gezalfd (1 Sam. 16:13).

Het boek Ruth eindigt met zijn naam: de vrouw uit Moab is de overgrootmoeder van David.

Matt. 1:5–6 neemt deze lijn over: Boaz, Obed, Isaï, David.