Elohim Bijbel

2 Samuël 6

123456789101112131415161718192021222324

De ark komt naar de stad van David

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De ark wordt opgehaald

1David verzamelde opnieuw alle uitgelezen mannen van Israël, 30.000 man.
וַיֹּ֨סֶף
(vayosef)
en voegde toe
ע֥וֹד
(od)
opnieuw
דָּוִ֛ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
בָּח֥וּר
(bachur)
uitgelezen
בְּיִשְׂרָאֵ֖ל
(beyisrael)
in Israël
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2David stond op en ging met heel het volk dat bij hem was uit Baäle-Juda, om vandaar de ark van Elohim op te halen. Over haar wordt de Naam uitgeroepen, de Naam van Yahweh van de legermachten. Hij troont op de cherubs, boven op haar.
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
דָּוִ֗ד
(david)
David
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
מִֽבַּעֲלֵ֖י
(mibaalei)
uit Baäle
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
לְהַעֲל֣וֹת
(lehaalot)
om op te halen
מִשָּׁ֗ם
(misham)
vandaar
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
אֲשֶׁר
(asher)
die
נִקְרָ֣א
(niqra)
wordt uitgeroepen
שֵׁ֗ם
(shem)
de Naam
שֵׁ֣ם
(shem)
de Naam van
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֛וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
יֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
zittend
הַכְּרֻבִ֖ים
(hakeruvim)
de cherubs
עָלָֽיו
(alav)
op hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Baäle-Juda (בַּעֲלֵי יְהוּדָה) is een andere naam voor Kirjat-Jearim, ten westen van Jeruzalem.

Het ligt waarschijnlijk bij het huidige Deir el-Azhar, bij Abu Gosh (Israël).

De ark stond daar sinds 1 Sam. 7:1–2.

Zie ook Joz. 15:9.

Uitleg

שֵׁם (shem), ‘de Naam’: over de ark wordt de Naam van Yahweh uitgeroepen.

Dat betekent dat de ark van Hem is.

De cherubs staan op het verzoendeksel van de ark (Exod. 25:18–22).

Lezing

Het Hebreeuwse woord בַּעֲלֵי (baale) kan ook ‘de heren van’ betekenen.

Wij lezen het als plaatsnaam, zoals Joz. 15:9 en 1 Kron. 13:6.

3Zij zetten de ark van Elohim op een nieuwe wagen. Zij namen haar mee uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel stond. Uzza en Achjo, de zonen van Abinadab, bestuurden de nieuwe wagen.
וַיַּרְכִּ֜בוּ
(vayarkivu)
en zij lieten rijden
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֤וֹן
(aron)
de ark van
הָֽאֱלֹהִים֙
(haElohim)
de Elohim
אֶל
(el)
op
עֲגָלָ֣ה
(agala)
een wagen
חֲדָשָׁ֔ה
(chadasha)
nieuwe
וַיִּשָּׂאֻ֔הוּ
(vayisauhu)
en namen haar mee
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit het huis van
אֲבִינָדָ֖ב
(avinadav)
Abinadab
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בַּגִּבְעָ֑ה
(bagiva)
op de heuvel
וְעֻזָּ֣א
(veuza)
en Uzza
וְאַחְי֗וֹ
(veachyo)
en Achjo
בְּנֵי֙
(benei)
de zonen van
אֲבִ֣ינָדָ֔ב
(avinadav)
Abinadab
נֹהֲגִ֖ים
(nohagim)
bestuurden
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֲגָלָ֥ה
(haagala)
de wagen
חֲדָשָֽׁה
(chadasha)
nieuwe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲגָלָה חֲדָשָׁה (agalah chadashah), ‘een nieuwe wagen’: de Filistijnen hadden de ark ook op een nieuwe wagen gezet (1 Sam. 6:7).

Maar de wet zegt dat de Kehatieten de ark moeten dragen, op draagstokken (Exod. 25:14; Num. 4:15; 7:9).

וְאַחְיוֹ (veachyo), ‘en Achjo’: de medeklinkers kunnen ook ‘en zijn broer’ betekenen. De Masoretische klinkers geven hier een eigennaam, zoals ook 1 Kron. 13:7. Wij volgen dat.

4Zij namen haar mee uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel stond, met de ark van Elohim. Achjo ging voor de ark uit.
וַיִּשָּׂאֻ֗הוּ
(vayisauhu)
en namen haar mee
מִבֵּ֤ית
(mibeit)
uit het huis van
אֲבִֽינָדָב֙
(avinadav)
Abinadab
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בַּגִּבְעָ֔ה
(bagiva)
op de heuvel
עִ֖ם
(im)
met
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
de Elohim
וְאַחְי֕וֹ
(veachyo)
en Achjo
הֹלֵ֖ךְ
(holekh)
ging
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
הָאָרֽוֹן
(haaron)
de ark
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Vers 4 herhaalt grotendeels vers 3: het huis van Abinadab ‘op de heuvel’.

Wij vertalen beide verzen zoals de Masoretische tekst ze geeft en laten niets weg.

5David en heel het huis van Israël speelden voor het aangezicht van Yahweh met allerlei cipressenhout, met lieren, harpen, tamboerijnen, rammelaars en bekkens.
וְדָוִ֣ד
(vedavid)
en David
וְכָל
(vekhal)
en heel
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
מְשַֽׂחֲקִים֙
(mesachaqim)
spelend
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
met allerlei
עֲצֵ֣י
(atsei)
hout van
בְרוֹשִׁ֑ים
(beroshim)
cipressen
וּבְכִנֹּר֤וֹת
(uvekhinorot)
en met lieren
וּבִנְבָלִים֙
(uvinvalim)
en met harpen
וּבְתֻפִּ֔ים
(uvetupim)
en met tamboerijnen
וּבִמְנַֽעַנְעִ֖ים
(uvimnaanim)
en met rammelaars
וּֽבְצֶלְצֶלִֽים
(uvetseltselim)
en met bekkens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְשַׂחֲקִים (mesachaqim), ‘spelen’: spelen, zingen en dansen bij een feest.

Dit is hetzelfde werkwoord als in vers 21.

כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’; נֶבֶל (nevel), ‘harp’; תֹּף (tof), ‘tamboerijn’ (Exod. 15:20); מְנַעַנְעִים (menaanim), ‘rammelaars’: dit woord komt maar één keer voor; צֶלְצְלִים (tseltselim), ‘bekkens’.

Lezing

בְּכָל עֲצֵי בְרוֹשִׁים (bechol atse berushim), ‘met allerlei cipressenhout’: instrumenten van cipressenhout.

In 1 Kron. 13:8 staat een andere lezing: ‘met alle kracht en met gezangen’.

Uzza sterft

6Zij kwamen bij de dorsvloer van Nachon. Daar strekte Uzza zich uit naar de ark van Elohim en greep haar vast, want de runderen struikelden.
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en kwamen
עַד
(ad)
tot
גֹּ֣רֶן
(goren)
de dorsvloer van
נָכ֑וֹן
(nakhon)
Nachon
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en strekte uit
עֻזָּ֜א
(uza)
Uzza
אֶל
(el)
naar
אֲר֤וֹן
(aron)
de ark van
הָֽאֱלֹהִים֙
(haElohim)
de Elohim
וַיֹּ֣אחֶז
(vayochez)
en greep
בּ֔וֹ
(bo)
haar
כִּ֥י
(ki)
want
שָׁמְט֖וּ
(shametu)
struikelden
הַבָּקָֽר
(habaqar)
de runderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

גֹּרֶן נָכוֹן (goren nachon), ‘de dorsvloer van Nachon’: de ligging is onzeker; zij lag onderweg van Kirjat-Jearim naar Jeruzalem.

In 1 Kron. 13:9 heet de plek ‘de dorsvloer van Kidon’.

Zie Dorsvloer van Nachon (ligging onzeker): De dorsvloer van Nachon (Peres-Uzza) lag onderweg van Kirjat-Jearim naar Jeruzalem.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

Het woord ‘hand’ staat hier niet; letterlijk: ‘Uzza zond naar de ark’.

Wij vertalen ‘strekte zich uit’. 1 Kron. 13:9 heeft ‘zijn hand’.

שָׁמְטוּ (shamatu), ‘struikelden’: het werkwoord betekent ‘laten schieten’ of ‘laten vallen’. Het gaat om de runderen die uitgleden of schopten. De betekenis is niet helemaal zeker.

7Toen ontbrandde de toorn van Yahweh tegen Uzza. Elohim sloeg hem daar wegens zijn misstap. Hij stierf daar, bij de ark van Elohim.
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֤ף
(af)
de toorn van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּעֻזָּ֔ה
(beuza)
tegen Uzza
וַיַּכֵּ֥הוּ
(vayakehu)
en sloeg hem
שָׁ֛ם
(sham)
daar
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
עַל
(al)
wegens
הַשַּׁ֑ל
(hashal)
de misstap
וַיָּ֣מָת
(vayamat)
en hij stierf
שָׁ֔ם
(sham)
daar
עִ֖ם
(im)
bij
אֲר֥וֹן
(aron)
de ark van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
de Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַל הַשַּׁל (al hashal), ‘wegens zijn misstap’: het woord הַשַּׁל komt maar één keer voor.

De betekenis is onzeker; waarschijnlijk is het ‘fout’ of ‘gebrek aan eerbied’.

In 1 Kron. 13:10 staat: ‘omdat hij zijn hand naar de ark uitstrekte’.

De ark is heilig en mocht niet worden aangeraakt (Num. 4:15). Vergelijk Lev. 10:1–2.

8David werd kwaad, omdat Yahweh een doorbraak had gemaakt tegen Uzza. Men noemde die plaats Peres-Uzza, tot op deze dag.
וַיִּ֣חַר
(vayichar)
en ontbrandde
לְדָוִ֔ד
(ledavid)
voor David
עַל֩
(al)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
פָּרַ֧ץ
(parats)
had doorbroken
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
פֶּ֖רֶץ
(perets)
een doorbraak
בְּעֻזָּ֑ה
(beuza)
tegen Uzza
וַיִּקְרָ֞א
(vayiqra)
en men noemde
לַמָּק֤וֹם
(lamaqom)
de plaats
הַהוּא֙
(hahu)
die
פֶּ֣רֶץ
(perets)
Peres
עֻזָּ֔ה
(uza)
Uzza
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Peres-Uzza (פֶּרֶץ עֻזָּה) betekent ‘doorbraak van Uzza’.

De plek lag bij de dorsvloer van Nachon; de ligging is onzeker.

Zie Dorsvloer van Nachon (ligging onzeker): De dorsvloer van Nachon (Peres-Uzza) lag onderweg van Kirjat-Jearim naar Jeruzalem.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

פָּרַץ פֶּרֶץ (parats perets), ‘een doorbraak maken’: Yahweh breekt door tegen Uzza.

Vergelijk 2 Sam. 5:20.

De ark bij Obed-Edom

9David vreesde Yahweh op die dag. Hij zei: „Hoe kan de ark van Yahweh bij mij komen?”
וַיִּרָ֥א
(vayira)
en vreesde
דָוִ֛ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֑וּא
(hahu)
die
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵ֛יךְ
(eikh)
hoe
יָב֥וֹא
(yavo)
kan komen
אֵלַ֖י
(elay)
tot mij
אֲר֥וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּרָא (vayira), ‘vreesde’: David kreeg ontzag en angst voor Yahweh.

Dit is hetzelfde werkwoord als ‘vrezen’ in Deut. 6:13.

10David wilde de ark van Yahweh niet naar zich toe laten brengen, naar de stad van David. David liet haar afbuigen naar het huis van Obed-Edom, de Gattiet.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אָבָ֣ה
(ava)
wilde
דָוִ֗ד
(david)
David
לְהָסִ֥יר
(lehasir)
om te laten brengen
אֵלָ֛יו
(elav)
naar zich
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֥וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
naar
עִ֣יר
(ir)
de stad van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיַּטֵּ֣הוּ
(vayatehu)
en liet afbuigen haar
דָוִ֔ד
(david)
David
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
עֹבֵֽד
(oved)
Obed
אֱד֖וֹם
(edom)
Edom
הַגִּתִּֽי
(hagiti)
de Gattiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gat (גַּת) was een stad van de Filistijnen.

Obed-Edom (עֹבֵד אֱדוֹם) wordt ‘de Gattiet’ genoemd.

Dat kan een man uit Gat zijn, of uit Gat-Rimmon, een stad van de Levieten (Joz. 21:24).

De tekst zegt dat niet.

In 1 Kron. 15:18,21,24 en 26:4–8 komt een Obed-Edom voor onder de Levieten; of dat dezelfde man is, zegt de tekst niet.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

11De ark van Yahweh bleef drie maanden in het huis van Obed-Edom, de Gattiet. Yahweh zegende Obed-Edom en heel zijn huis.
וַיֵּשֶׁב֩
(vayeshev)
en bleef
אֲר֨וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
עֹבֵ֥ד
(oved)
Obed
אֱדֹ֛ם
(edom)
Edom
הַגִּתִּ֖י
(hagiti)
de Gattiet
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
חֳדָשִׁ֑ים
(chodashim)
maanden
וַיְבָ֧רֶךְ
(vayvarekh)
en zegende
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
עֹבֵ֥ד
(oved)
Obed
אֱדֹ֖ם
(edom)
Edom
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
בֵּיתֽוֹ
(beito)
zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Drie maanden: de zegen over het huis van Obed-Edom laat zien dat Yahweh de ark niet afwijst.

Zie ook 1 Kron. 13:14.

De ark komt in de stad van David

12Men vertelde koning David: „Yahweh heeft het huis van Obed-Edom en alles wat van hem is gezegend, vanwege de ark van Elohim.” Toen ging David. Hij haalde de ark van Elohim met vreugde uit het huis van Obed-Edom omhoog, naar de stad van David.
וַיֻּגַּ֗ד
(vayugad)
en men vertelde
לַמֶּ֣לֶךְ
(lamelekh)
aan de koning
דָּוִד֮
(david)
David
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
בֵּרַ֣ךְ
(berakh)
heeft gezegend
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֨ית
(beit)
het huis van
עֹבֵ֤ד
(oved)
Obed
אֱדֹם֙
(edom)
Edom
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
ל֔וֹ
(lo)
van hem
בַּעֲב֖וּר
(baavur)
vanwege
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
de Elohim
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
דָּוִ֗ד
(david)
David
וַיַּעַל֩
(vayaal)
en bracht omhoog
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֨וֹן
(aron)
de ark van
הָאֱלֹהִ֜ים
(haElohim)
de Elohim
מִבֵּ֨ית
(mibeit)
uit het huis van
עֹבֵ֥ד
(oved)
Obed
אֱדֹ֛ם
(edom)
Edom
עִ֥יר
(ir)
naar de stad van
דָּוִ֖ד
(david)
David
בְּשִׂמְחָֽה
(besimcha)
met vreugde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

13Toen de dragers van de ark van Yahweh zes stappen hadden gezet, offerde hij een rund en een gemest dier.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כִּ֧י
(ki)
toen
צָעֲד֛וּ
(tsaadu)
zetten stappen
נֹשְׂאֵ֥י
(noseei)
de dragers van
אֲרוֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
שִׁשָּׁ֣ה
(shisha)
zes
צְעָדִ֑ים
(tseadim)
stappen
וַיִּזְבַּ֥ח
(vayizbach)
en offerde
שׁ֖וֹר
(shor)
een rund
וּמְרִֽיא
(umeri)
en een gemest dier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְעָדִים (tseadim), ‘stappen’: nu dragen mensen de ark op hun schouders (vergelijk Num. 4:15; 7:9).

Na zes stappen brengt David een offer.

In 1 Kron. 15:26 worden zeven stieren en zeven rammen genoemd.

מְרִיא (meri), ‘gemest dier’: een vet gemaakt dier, hier naast een rund.

14David draaide rond met al zijn kracht voor het aangezicht van Yahweh. David was omgord met een linnen efod.
וְדָוִ֛ד
(vedavid)
en David
מְכַרְכֵּ֥ר
(mekharker)
ronddraaiend
בְּכָל
(bekhal)
met al
עֹ֖ז
(oz)
kracht
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְדָוִ֕ד
(vedavid)
en David
חָג֖וּר
(chagur)
omgord
אֵפ֥וֹד
(efod)
een efod
בָּֽד
(bad)
linnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כָּרַר (karar), ‘ronddraaien’: de dans is een draaiende dans.

Het woord komt alleen in dit hoofdstuk voor (vers 14 en 16).

אֵפוֹד בָּד (efod bad), ‘linnen efod’: een eenvoudig linnen kleed, niet de priesterlijke efod met borstplaat (Exod. 28). Vergelijk 1 Sam. 2:18.

15David en heel het huis van Israël brachten de ark van Yahweh omhoog met gejuich en geluid van de ramshoorn.
וְדָוִד֙
(vedavid)
en David
וְכָל
(vekhal)
en heel
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מַעֲלִ֖ים
(maalim)
omhoogbrengend
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּתְרוּעָ֖ה
(bitrua)
met gejuich
וּבְק֥וֹל
(uveqol)
en met geluid van
שׁוֹפָֽר
(shofar)
ramshoorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּרוּעָה (teruah), ‘gejuich’: een luide kreet of een luid geluid.

שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: zoals in Joz. 6:4.

Michal veracht David

16Toen de ark van Yahweh de stad van David binnenkwam, keek Michal, de dochter van Saul, door het raam naar buiten. Zij zag koning David springen en ronddraaien voor het aangezicht van Yahweh. Zij verachtte hem in haar hart.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het was
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּ֖א
(ba)
binnenkomend
עִ֣יר
(ir)
de stad van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וּמִיכַ֨ל
(umikhal)
en Michal
בַּת
(bat)
de dochter van
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
נִשְׁקְפָ֣ה
(nishqefa)
keek uit
בְּעַ֣ד
(bead)
door
הַחַלּ֗וֹן
(hachalon)
het raam
וַתֵּ֨רֶא
(vatere)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִד֙
(david)
David
מְפַזֵּ֤ז
(mefazez)
springend
וּמְכַרְכֵּר֙
(umekharker)
en ronddraaiend
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתִּ֥בֶז
(vativez)
en verachtte
ל֖וֹ
(lo)
hem
בְּלִבָּֽהּ
(belibah)
in haar hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מְפַזֵּז (mefazzez), ‘springend’: een zeldzaam woord, in de Bijbel alleen hier.

Het gaat om springen en dansen van vreugde.

17Zij brachten de ark van Yahweh naar binnen. Zij zetten haar op haar plaats, in de tent die David voor haar had opgezet. David bracht brandoffers en vredeoffers voor het aangezicht van Yahweh.
וַיָּבִ֜אוּ
(vayaviu)
en zij brachten
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּצִּ֤גוּ
(vayatsigu)
en zetten
אֹתוֹ֙
(oto)
haar
בִּמְקוֹמ֔וֹ
(bimqomo)
op haar plaats
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
binnen
הָאֹ֔הֶל
(haohel)
de tent
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָטָה
(nata)
had opgezet
ל֖וֹ
(lo)
voor haar
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיַּ֨עַל
(vayaal)
en bracht omhoog
דָּוִ֥ד
(david)
David
עֹל֛וֹת
(olot)
brandoffers
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וּשְׁלָמִֽים
(ushelamim)
en vredeoffers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David zet de ark in een tent die hij zelf heeft opgezet.

De tent van samenkomst van Mozes stond toen in Gibeon (1 Kron. 16:39).

Zie ook 1 Kron. 15:1 en 16:1.

עֹלוֹת וּשְׁלָמִים (olot ushelamim), ‘brandoffers en vredeoffers’: zie Lev. 1 en 3.

18Toen David klaar was met het brengen van het brandoffer en de vredeoffers, zegende hij het volk in de naam van Yahweh van de legermachten.
וַיְכַ֣ל
(vaykhal)
en was klaar
דָּוִ֔ד
(david)
David
מֵהַעֲל֥וֹת
(mehaalot)
met het opbrengen van
הָעוֹלָ֖ה
(haola)
het brandoffer
וְהַשְּׁלָמִ֑ים
(vehashelamim)
en de vredeoffers
וַיְבָ֣רֶךְ
(vayvarekh)
en zegende
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
בְּשֵׁ֖ם
(beshem)
in de naam van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David zegent het volk ‘in de naam van Yahweh van de legermachten’.

Vergelijk de zegen van de priesters in Num. 6:22–27.

19Hij verdeelde onder heel het volk, onder heel de menigte van Israël, van man tot vrouw, aan ieder één broodkoek, één portie en één rozijnenkoek. Toen ging heel het volk naar huis, ieder naar zijn eigen huis.
וַיְחַלֵּ֨ק
(vaychaleq)
en verdeelde
לְכָל
(lekhal)
aan heel
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
לְכָל
(lekhal)
aan heel
הֲמ֣וֹן
(hamon)
de menigte van
יִשְׂרָאֵל֮
(yisrael)
Israël
לְמֵאִ֣ישׁ
(lemeish)
van man
וְעַד
(vead)
tot
אִשָּׁה֒
(isha)
vrouw
לְאִ֗ישׁ
(leish)
aan ieder
חַלַּ֥ת
(chalat)
broodkoek van
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
brood
אַחַ֔ת
(achat)
één
וְאֶשְׁפָּ֣ר
(veeshpar)
en portie
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וַאֲשִׁישָׁ֖ה
(vaashisha)
en rozijnenkoek
אֶחָ֑ת
(echat)
één
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
לְבֵיתֽוֹ
(leveito)
naar zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַלַּת לֶחֶם (challat lechem), ‘broodkoek’: een rond brood.

אֶשְׁפָּר (eshpar), ‘portie’: dit woord komt maar één keer voor; het kan een stuk vlees, een portie of een dadelkoek zijn.

אֲשִׁישָׁה (ashishah), ‘rozijnenkoek’: een koek van gedroogde druiven (vergelijk Hos. 3:1 en Hoogl. 2:5).

David en Michal

20David keerde terug om zijn huis te zegenen. Michal, de dochter van Saul, kwam David tegemoet. Zij zei: „Hoe geëerd was de koning van Israël vandaag! Hij ontblootte zich vandaag voor de ogen van de dienaressen van zijn dienaren, zoals een van de nietsnutten zich ontbloot.”
וַיָּ֥שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
דָּוִ֖ד
(david)
David
לְבָרֵ֣ךְ
(levarekh)
om te zegenen
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
וַתֵּצֵ֞א
(vatetse)
en kwam uit
מִיכַ֤ל
(mikhal)
Michal
בַּת
(bat)
de dochter van
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
לִקְרַ֣את
(liqrat)
tegemoet
דָּוִ֔ד
(david)
David
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en zei
מַה
(ma)
hoe
נִּכְבַּ֨ד
(nikhbad)
geëerd was
הַיּ֜וֹם
(hayom)
vandaag
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
נִגְלָ֤ה
(nigla)
zich ontblootte
הַיּוֹם֙
(hayom)
vandaag
לְעֵינֵ֨י
(leeinei)
voor de ogen van
אַמְה֣וֹת
(amhot)
dienaressen van
עֲבָדָ֔יו
(avadav)
zijn dienaren
כְּהִגָּל֥וֹת
(kehigalot)
zoals ontblooten
נִגְל֖וֹת
(niglot)
zich ontbloot
אַחַ֥ד
(achad)
één
הָרֵקִֽים
(hareqim)
de nietsnutten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָרֵקִים (hareqim), ‘de nietsnutten’: letterlijk ‘de lege mannen’.

Vergelijk Richt. 9:4.

נִכְבַּד (nikbad), ‘geëerd’: Michal spot. In vers 22 gebruikt David hetzelfde werkwoord: ‘zal ik geëerd worden’.

נִגְלָה (nigla), ‘zich ontblootte’: David droeg een linnen efod (vers 14). Michal zegt dat hij zich blootgaf voor de dienaressen van zijn dienaren.

21David zei tegen Michal: „Het was voor het aangezicht van Yahweh. Hij heeft mij gekozen boven je vader en boven heel zijn huis. Hij heeft mij aangesteld als leider over het volk van Yahweh, over Israël. En ik zal spelen voor het aangezicht van Yahweh.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִד֮
(david)
David
אֶל
(el)
tegen
מִיכַל֒
(mikhal)
Michal
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
בָּֽחַר
(bachar)
koos
בִּ֤י
(bi)
mij
מֵֽאָבִיךְ֙
(meavikh)
boven je vader
וּמִכָּל
(umikal)
en boven heel
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
לְצַוֺּ֨ת
(letsavot)
om te bevelen
אֹתִ֥י
(oti)
mij
נָגִ֛יד
(nagid)
leider
עַל
(al)
over
עַ֥ם
(am)
het volk van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְשִׂחַקְתִּ֖י
(vesichaqti)
en ik zal spelen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zin begint zonder werkwoord: ‘Voor het aangezicht van Yahweh’.

Wij vullen ‘Het was’ aan.

נָגִיד (nagid), ‘leider’: zoals in 1 Sam. 13:14 en 2 Sam. 5:2.

22Ik zal nog minder geacht worden dan nu en ik zal gering zijn in mijn eigen ogen. Maar bij de dienaressen over wie je sprak, bij hen zal ik geëerd worden.”
וּנְקַלֹּ֤תִי
(uneqaloti)
en ik zal gering geacht worden
עוֹד֙
(od)
nog
מִזֹּ֔את
(mizot)
dan dit
וְהָיִ֥יתִי
(vehayiti)
en ik zal zijn
שָׁפָ֖ל
(shafal)
gering
בְּעֵינָ֑י
(beeinay)
in mijn ogen
וְעִם
(veim)
en bij
הָֽאֲמָהוֹת֙
(haamahot)
de dienaressen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
over wie
אָמַ֔רְתְּ
(amart)
je sprak
עִמָּ֖ם
(imam)
bij hen
אִכָּבֵֽדָה
(ikaveda)
zal ik geëerd worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Michal, de dochter van Saul, kreeg geen kind tot de dag van haar dood.
וּלְמִיכַל֙
(ulemikhal)
en aan Michal
בַּת
(bat)
de dochter van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
לֹֽא
(lo)
niet
הָ֥יָה
(haya)
was
לָ֖הּ
(lah)
haar
יָ֑לֶד
(yaled)
kind
עַ֖ד
(ad)
tot
י֥וֹם
(yom)
de dag van
מוֹתָֽהּ
(motah)
haar dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Michal heeft geen kind tot haar dood.

Vergelijk 2 Sam. 21:8, waar de Masoretische tekst ‘de zonen van Michal’ noemt.