Elohim Bijbel

1 Koningen 15

12345678910111213141516171819202122

Abijam en Asa in Juda, Nadab en Baësa in Israël

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Abijam, koning van Juda

1In het achttiende jaar van koning Jerobeam, de zoon van Nebat, werd Abijam koning over Juda.
וּבִשְׁנַת֙
(uvishnat)
en in het jaar van
שְׁמֹנֶ֣ה
(shemone)
acht
עֶשְׂרֵ֔ה
(esre)
tien
לַמֶּ֖לֶךְ
(lamelekh)
van de koning
יָרָבְעָ֣ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָ֑ט
(nevat)
Nebat
מָלַ֥ךְ
(malakh)
werd koning
אֲבִיָּ֖ם
(aviyam)
Abijam
עַל
(al)
over
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲבִיָּם (Aviyyam), ‘Abijam’: in 2 Kron. 13:1 heet hij Abia (אֲבִיָּה, Aviyyah).

Wij houden de vorm van dit boek aan.

Het jaar is geteld naar de regering van Jerobeam, de koning van Israël (14:20). Zo loopt de geschiedenis van beide rijken in dit hoofdstuk naast elkaar.

2Hij regeerde 3 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Maächa, de dochter van Absalom.
שָׁלֹ֣שׁ
(shalosh)
drie
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaren
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en de naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
מַעֲכָ֖ה
(maakha)
Maächa
בַּת
(bat)
dochter van
אֲבִישָׁלֽוֹם
(avishalom)
Absalom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Maächa is hier ‘de dochter van Absalom’ (אֲבִישָׁלוֹם, Avishalom).

Het kan Davids zoon Absalom zijn (2 Sam. 3:3).

Het Hebreeuws noemt alleen de naam.

‘Dochter’ kan in het Hebreeuws ook ‘kleindochter’ betekenen.

3Hij liep in alle zonden die zijn vader vóór hem had gedaan. Zijn hart was niet volledig bij Yahweh, zijn Elohim, zoals het hart van David, zijn vader.
וַיֵּ֕לֶךְ
(vayelekh)
en liep
בְּכָל
(bekhal)
in alle
חַטֹּ֥אות
(chatovt)
zonden van
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשָׂ֣ה
(asa)
hij had gedaan
לְפָנָ֑יו
(lefanav)
vóór hem
וְלֹא
(velo)
en niet
הָיָ֨ה
(haya)
was
לְבָב֤וֹ
(levavo)
zijn hart
שָׁלֵם֙
(shalem)
volledig
עִם
(im)
met
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֔יו
(elohav)
zijn Elohim
כִּלְבַ֖ב
(kilvav)
zoals het hart van
דָּוִ֥ד
(david)
David
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Maar om Davids wil gaf Yahweh, zijn Elohim, hem een lamp in Jeruzalem. Zo liet Hij zijn zoon na hem opstaan en liet Hij Jeruzalem blijven staan.
כִּ֚י
(ki)
want
לְמַ֣עַן
(lemaan)
omwille van
דָּוִ֔ד
(david)
David
נָתַן֩
(natan)
gaf
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֥יו
(elohav)
zijn Elohim
ל֛וֹ
(lo)
aan hem
נִ֖יר
(nir)
een lamp
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
לְהָקִ֤ים
(lehaqim)
om te doen opstaan
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנוֹ֙
(beno)
zijn zoon
אַחֲרָ֔יו
(acharav)
na hem
וּֽלְהַעֲמִ֖יד
(ulehaamid)
en om te doen standhouden
אֶת
(et)
(obj.)
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

נִיר (nir), ‘lamp’: een beeld voor een nazaat die het huis van David laat voortbestaan.

Zo ook 1 Kon. 11:36.

הֵקִים (heqim), ‘laten opstaan’, en הֶעֱמִיד (he’emid), ‘laten standhouden’: Yahweh zorgt voor een opvolger en voor de stad.

5Want David deed wat juist was in de ogen van Yahweh. Hij week niet af van alles wat Hij hem had geboden, al de dagen van zijn leven. Alleen in de zaak van Uria, de Hethiet, week hij af.
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
omdat
עָשָׂ֥ה
(asa)
had gedaan
דָוִ֛ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
הַיָּשָׁ֖ר
(hayashar)
het juiste
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹֽא
(velo)
en niet
סָ֞ר
(sar)
week af
מִכֹּ֣ל
(mikol)
van alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוָּ֗הוּ
(tsivahu)
Hij had geboden hem
כֹּ֚ל
(kol)
alle
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
חַיָּ֔יו
(chayav)
zijn leven
רַ֕ק
(raq)
alleen
בִּדְבַ֖ר
(bidvar)
in de zaak van
אוּרִיָּ֥ה
(uriya)
Uria
הַחִתִּֽי
(hachiti)
de Hethiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zaak van Uria, de Hethiet, is Davids zonde met Bat-Sjeba (2 Sam. 11).

Vergelijk Deut. 6:18 voor ‘doen wat juist is in de ogen van Yahweh’.

6Er was oorlog tussen Rechabeam en Jerobeam, al de dagen van zijn leven.
וּמִלְחָמָ֨ה
(umilchama)
en oorlog
הָיְתָ֧ה
(hayeta)
was
בֵין
(bein)
tussen
רְחַבְעָ֛ם
(rechavam)
Rechabeam
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
יָרָבְעָ֖ם
(yaraveam)
Jerobeam
כָּל
(kal)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
חַיָּֽיו
(chayav)
zijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws zegt hier ‘Rechabeam’.

Vers 7 noemt oorlog tussen Abijam en Jerobeam.

Sommige oude vertalingen lezen hier ‘Abijam’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

Het woord ‘zijn leven’ wijst dan naar Rechabeam of naar Jerobeam; het Hebreeuws zegt dat niet.

7De rest van de geschiedenis van Abijam en alles wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda? Er was oorlog tussen Abijam en Jerobeam.
וְיֶ֨תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֤י
(divrei)
de geschiedenis van
אֲבִיָּם֙
(aviyam)
Abijam
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֔ה
(asa)
hij deed
הֲלֽוֹא
(halo)
is het niet
הֵ֣ם
(hem)
zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
op
סֵ֛פֶר
(sefer)
het boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֣י
(lemalkhei)
van de koningen van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וּמִלְחָמָ֥ה
(umilchama)
en oorlog
הָיְתָ֛ה
(hayeta)
was
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
אֲבִיָּ֖ם
(aviyam)
Abijam
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
יָרָבְעָֽם
(yaraveam)
Jerobeam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֵפֶר דִּבְרֵי הַיָּמִים (divrei hayamim), ‘dagboek’: zie bij 14:19.

Het gaat om de jaarverslagen van de koningen.

דִּבְרֵי (divrei), ‘geschiedenis van’: letterlijk ‘woorden van’, ook ‘zaken’ en ‘daden’.

8Abijam ging liggen bij zijn vaderen. Zij begroeven hem in de stad van David. Zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֤ב
(vayishkav)
en ging liggen
אֲבִיָּם֙
(aviyam)
Abijam
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּקְבְּר֥וּ
(vayiqberu)
en zij begroeven
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
בְּעִ֣יר
(beir)
in de stad van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
אָסָ֥א
(asa)
Asa
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

‘Bij zijn vaderen gaan liggen’ (וַיִּשְׁכַּב עִם אֲבֹתָיו) is de gewone Hebreeuwse uitdrukking voor sterven.

Asa, koning van Juda

9In het twintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd Asa koning van Juda.
וּבִשְׁנַ֣ת
(uvishnat)
en in het jaar van
עֶשְׂרִ֔ים
(esrim)
twintig
לְיָרָבְעָ֖ם
(leyaraveam)
van Jerobeam
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
מָלַ֥ךְ
(malakh)
werd koning
אָסָ֖א
(asa)
Asa
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Hij regeerde 41 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Maächa, de dochter van Absalom.
וְאַרְבָּעִ֤ים
(vearbaim)
en veertig
וְאַחַת֙
(veachat)
en één
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en de naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
מַעֲכָ֖ה
(maakha)
Maächa
בַּת
(bat)
dochter van
אֲבִישָׁלֽוֹם
(avishalom)
Absalom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Lezing

Maächa heet hier de moeder van Asa.

In vers 2 is zij de moeder van Abijam, de vader van Asa.

‘Moeder’ kan in het Hebreeuws ook ‘grootmoeder’ betekenen.

Wij vertalen ‘moeder’, zoals het Hebreeuws.

11Asa deed wat juist was in de ogen van Yahweh, zoals David, zijn vader.
וַיַּ֧עַשׂ
(vayaas)
en deed
אָסָ֛א
(asa)
Asa
הַיָּשָׁ֖ר
(hayashar)
het juiste
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּדָוִ֖ד
(kedavid)
zoals David
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Zijn vader’ betekent hier ‘zijn voorvader’.

David was de vader van Salomo en de betovergrootvader van Asa.

12Hij verdreef de mannelijke tempelhoeren uit het land. Hij verwijderde alle afgoden die zijn vaderen hadden gemaakt.
וַיַּעֲבֵ֥ר
(vayaaver)
en liet verdwijnen
הַקְּדֵשִׁ֖ים
(haqedeshim)
de mannelijke tempelhoeren
מִן
(min)
uit
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַיָּ֨סַר֙
(vayasar)
en verwijderde
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַגִּלֻּלִ֔ים
(hagilulim)
afgoden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשׂ֖וּ
(asu)
hadden gemaakt
אֲבֹתָֽיו
(avotav)
zijn vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַקְּדֵשִׁים (haqqedeshim), ‘de mannelijke tempelhoeren’: mannen die zich in de dienst van een afgod prostitueren, van het woord ‘heilig’ (zie Deut. 23:18).

Zij komen ook voor in 1 Kon. 14:24.

גִּלֻּלִים (gillulim), ‘afgoden’: het woord wordt afgeleid van ‘mest’ en is een scheldwoord.

13Ook Maächa, zijn moeder, zette hij af als koninginmoeder, omdat zij een gruwelbeeld voor de heilige paal had gemaakt. Asa hakte haar gruwelbeeld om en verbrandde het in de beek Kidron.
וְגַ֣ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
מַעֲכָ֣ה
(maakha)
Maächa
אִמּ֗וֹ
(imo)
zijn moeder
וַיְסִרֶ֨הָ֙
(vaysireha)
en hij zette haar af
מִגְּבִירָ֔ה
(migevira)
van gebiedster zijn
אֲשֶׁר
(asher)
omdat
עָשְׂתָ֥ה
(aseta)
zij had gemaakt
מִפְלֶ֖צֶת
(mifletset)
een gruwelbeeld
לָאֲשֵׁרָ֑ה
(laashera)
voor de heilige paal
וַיִּכְרֹ֤ת
(vayikhrot)
en hakte om
אָסָא֙
(asa)
Asa
אֶת
(et)
(obj.)
מִפְלַצְתָּ֔הּ
(miflatstah)
haar gruwelbeeld
וַיִּשְׂרֹ֖ף
(vayisrof)
en verbrandde
בְּנַ֥חַל
(benachal)
in de beek
קִדְרֽוֹן
(qidron)
Kidron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De beek Kidron ligt ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg (Israël).

Dat is zeker.

Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg.

Uitleg

גְּבִירָה (gevirah), ‘koninginmoeder’: letterlijk ‘gebiedster’.

Dit is de moeder van de koning, die een eigen plaats aan het hof had.

מִפְלֶצֶת (miflezet), ‘gruwelbeeld’: een afschuwelijk beeld. De betekenis van het woord is niet helemaal zeker. Het hoort bij de aanbidding van Asjera, de ‘heilige paal’.

14De hoogten verdwenen niet. Alleen was het hart van Asa al zijn dagen volledig bij Yahweh.
וְהַבָּמ֖וֹת
(vehabamot)
en de hoogten
לֹא
(lo)
niet
סָ֑רוּ
(saru)
verdwenen
רַ֣ק
(raq)
alleen
לְבַב
(levav)
het hart van
אָסָ֗א
(asa)
Asa
הָיָ֥ה
(haya)
was
שָׁלֵ֛ם
(shalem)
volledig
עִם
(im)
met
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
כָּל
(kal)
alle
יָמָֽיו
(yamav)
zijn dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels.

Zij zijn al in 3:2–3 en 14:23 genoemd.

Asa laat ze staan, maar zijn hart blijft ‘volledig’ bij Yahweh.

שָׁלֵם (shalem), ‘volledig’: heel en ongedeeld.

15Hij bracht de gewijde gaven van zijn vader en de gewijde gaven in het huis van Yahweh: zilver, goud en voorwerpen.
וַיָּבֵא֙
(vayave)
en bracht
אֶת
(et)
(obj.)
קָדְשֵׁ֣י
(qadeshei)
de gewijde gaven van
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
וְקָדְשֵׁ֖י
(veqadeshei)
en de gewijde gaven van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כֶּ֥סֶף
(kesef)
zilver
וְזָהָ֖ב
(vezahav)
en goud
וְכֵלִֽים
(vekhelim)
en voorwerpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘zijn gewijde gaven’ (וקדשו).

Het qere heeft ‘de gewijde gaven van’ (וְקָדְשֵׁי).

Wij volgen het qere.

Het Hebreeuws heeft geen woord voor ‘in’: wij lezen ‘het huis van Yahweh’ als de plaats waar hij de gaven brengt.

Er staat eerst zijn vader en daarna Asa zelf als schenker.

Oorlog tussen Asa en Baësa

16Er was oorlog tussen Asa en Baësa, de koning van Israël, al hun dagen.
וּמִלְחָמָ֨ה
(umilchama)
en oorlog
הָיְתָ֜ה
(hayeta)
was
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
אָסָ֗א
(asa)
Asa
וּבֵ֛ין
(uvein)
en tussen
בַּעְשָׁ֥א
(basha)
Baësa
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
כָּל
(kal)
alle
יְמֵיהֶֽם
(yemeihem)
hun dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Baësa, de koning van Israël, trok op tegen Juda. Hij bouwde Rama, zodat niemand meer kon uitgaan of binnengaan bij Asa, de koning van Juda.
וַיַּ֨עַל
(vayaal)
en trok op
בַּעְשָׁ֤א
(basha)
Baësa
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
עַל
(al)
tegen
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וַיִּ֖בֶן
(vayiven)
en bouwde
אֶת
(et)
(obj.)
הָרָמָ֑ה
(harama)
Rama
לְבִלְתִּ֗י
(levilti)
om niet
תֵּ֚ת
(tet)
toe te laten
יֹצֵ֣א
(yotse)
een uitgaande
וָבָ֔א
(vava)
en een inkomende
לְאָסָ֖א
(leasa)
naar Asa
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Rama ligt bij het huidige er-Ram, ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).

Dat is waarschijnlijk.

De stad ligt aan de weg naar het noorden, op de grens van Juda en Israël.

18Asa nam al het zilver en goud dat nog over was in de schatkamers van het huis van Yahweh. Ook nam hij de schatten van het huis van de koning. Hij gaf het in de hand van zijn dienaren. Koning Asa stuurde hen naar Ben-Hadad, de zoon van Tabrimmon, de zoon van Chezjon, de koning van Aram, die in Damascus woonde, met de woorden:
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
אָ֠סָא
(asa)
Asa
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַכֶּ֨סֶף
(hakesef)
het zilver
וְהַזָּהָ֜ב
(vehazahav)
en het goud
הַֽנּוֹתָרִ֣ים
(hanotarim)
de overgeblevenen
בְּאוֹצְר֣וֹת
(beotserot)
in de schatkamers van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֽוֹצְרוֹת֙
(otserot)
de schatkamers van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַֽיִּתְּנֵ֖ם
(vayitenem)
en gaf ze
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
עֲבָדָ֑יו
(avadav)
zijn dienaren
וַיִּשְׁלָחֵ֞ם
(vayishlachem)
en zond ze
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אָסָ֗א
(asa)
Asa
אֶל
(el)
naar
בֶּן
(ben)
Ben
הֲ֠דַד
(hadad)
Hadad
בֶּן
(ben)
zoon van
טַבְרִמֹּ֤ן
(tavrimon)
Tabrimmon
בֶּן
(ben)
zoon van
חֶזְיוֹן֙
(chezyon)
Chezjon
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָ֔ם
(aram)
Aram
הַיֹּשֵׁ֥ב
(hayoshev)
die woonde
בְּדַמֶּ֖שֶׂק
(bedameseq)
in Damascus
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Damascus is de hoofdstad van Syrië, het huidige Damascus.

Dat is zeker.

Aram is het land van de Arameeërs, ongeveer het huidige Syrië.

Uitleg

Ben-Hadad (בֶּן־הֲדַד, ben Hadad), ‘zoon van Hadad’: een koningsnaam van Aram.

Zijn vader heet Tabrimmon (טַבְרִמֹּן, Tavrimmon), zijn grootvader Chezjon (חֶזְיוֹן, Chezyon).

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘koning Asa’ zonder lidwoord.

Het qere heeft ‘de koning Asa’.

Wij volgen het qere.

19„Er is een verbond tussen mij en jou, tussen mijn vader en jouw vader. Zie, ik stuur je een geschenk: zilver en goud. Ga, verbreek je verbond met Baësa, de koning van Israël, zodat hij van mij wegtrekt.”
בְּרִית֙
(berit)
een verbond
בֵּינִ֣י
(beini)
tussen mij
וּבֵינֶ֔ךָ
(uveinekha)
en tussen jou
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
אָבִ֖י
(avi)
mijn vader
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
אָבִ֑יךָ
(avikha)
jouw vader
הִנֵּה֩
(hine)
zie
שָׁלַ֨חְתִּֽי
(shalachti)
ik stuur
לְךָ֥
(lekha)
aan jou
שֹׁ֨חַד֙
(shochad)
een geschenk
כֶּ֣סֶף
(kesef)
zilver
וְזָהָ֔ב
(vezahav)
en goud
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
הָפֵ֗רָה
(hafera)
verbreek
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִֽיתְךָ֙
(beritekha)
je verbond
אֶת
(et)
met
בַּעְשָׁ֣א
(basha)
Baësa
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְיַעֲלֶ֖ה
(veyaale)
zodat hij wegtrekt
מֵעָלָֽי
(mealay)
van mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Er is een verbond tussen mij en jou’: wij nemen aan dat het gaat om een bestaand verdrag tussen de vorige koningen van Juda en Aram.

Het Hebreeuws zegt niet waar dat verbond over ging.

Asa vraagt Ben-Hadad het verdrag met Baësa te verbreken.

שֹׁחַד (shochad), ‘geschenk’: dit woord kan ook ‘omkoping’ betekenen.

20Ben-Hadad luisterde naar koning Asa. Hij stuurde de aanvoerders van zijn legers tegen de steden van Israël. Hij sloeg Ijjon, Dan, Abel-Bet-Maächa en heel Kinneret, samen met heel het land Naftali.
וַיִּשְׁמַ֨ע
(vayishma)
en luisterde
בֶּן
(ben)
Ben
הֲדַ֜ד
(hadad)
Hadad
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אָסָ֗א
(asa)
Asa
וַ֠יִּשְׁלַח
(vayishlach)
en stuurde
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂרֵ֨י
(sarei)
de aanvoerders van
הַחֲיָלִ֤ים
(hachayalim)
de legers
אֲשֶׁר
(asher)
die
לוֹ֙
(lo)
van hem
עַל
(al)
tegen
עָרֵ֣י
(arei)
de steden van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיַּךְ֙
(vayakh)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
עִיּ֣וֹן
(iyon)
Ijjon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
דָּ֔ן
(dan)
Dan
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
אָבֵ֣ל
(avel)
Abel
בֵּֽית
(beit)
Bet
מַעֲכָ֑ה
(maakha)
Maächa
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
כִּנְר֔וֹת
(kinrot)
Kinneret
עַ֖ל
(al)
boven op
כָּל
(kal)
heel
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
נַפְתָּלִֽי
(naftali)
Naftali
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ijjon ligt bij Tel Dibbin, in het noorden van Israël (Libanon).

Dan ligt bij Tel Dan (Israël).

Abel-Bet-Maächa ligt bij Tel Abel Beth Maacah, in het noorden van Israël.

Kinneret ligt aan het noordwestelijke deel van het Meer van Galilea (Israël).

Het land Naftali is het noorden van Galilea.

De ligging van Ijjon is waarschijnlijk.

Uitleg

כִּנְרוֹת (kinerot), ‘Kinneret’: het Hebreeuws heeft hier een meervoud.

Het gaat om het gebied rond het Meer van Galilea.

21Toen Baësa dat hoorde, hield hij op met het bouwen van Rama. Hij bleef in Tirza.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
כִּשְׁמֹ֣עַ
(kishmoa)
toen hoorde
בַּעְשָׁ֔א
(basha)
Baësa
וַיֶּחְדַּ֕ל
(vayechdal)
en hield op
מִבְּנ֖וֹת
(mibenot)
van het bouwen
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽרָמָ֑ה
(harama)
Rama
וַיֵּ֖שֶׁב
(vayeshev)
en bleef
בְּתִרְצָֽה
(betirtsa)
in Tirza
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tirza ligt bij Tel el-Farah (Noord), ongeveer 11 km ten noordoosten van Sichem (Westelijke Jordaanoever).

Dat is waarschijnlijk.

Het was de eerste hoofdstad van het noordelijke rijk (14:17).

Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker.

In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden.

22Koning Asa riep heel Juda op, niemand uitgezonderd. Zij droegen de stenen van Rama en het hout ervan weg, waarmee Baësa had gebouwd. Koning Asa bouwde daarmee Geba in Benjamin en Mizpa.
וְהַמֶּ֨לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
אָסָ֜א
(asa)
Asa
הִשְׁמִ֤יעַ
(hishmia)
liet horen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
אֵ֣ין
(ein)
er is niet
נָקִ֔י
(naqi)
vrijgesteld
וַיִּשְׂא֞וּ
(vayisu)
en zij droegen weg
אֶת
(et)
(obj.)
אַבְנֵ֤י
(avnei)
de stenen van
הָֽרָמָה֙
(harama)
Rama
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֵצֶ֔יהָ
(etseiha)
haar hout
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
בָּנָ֖ה
(bana)
had gebouwd
בַּעְשָׁ֑א
(basha)
Baësa
וַיִּ֤בֶן
(vayiven)
en bouwde
בָּם֙
(bam)
daarmee
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אָסָ֔א
(asa)
Asa
אֶת
(et)
(obj.)
גֶּ֥בַע
(geva)
Geba
בִּנְיָמִ֖ן
(binyamin)
Benjamin
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּצְפָּֽה
(hamitspa)
Mizpa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Geba van Benjamin ligt bij het huidige Jaba (Westelijke Jordaanoever), ongeveer 10 km ten noorden van Jeruzalem.

Mizpa ligt waarschijnlijk bij Tell en-Nasbeh, ongeveer 12 km ten noorden van Jeruzalem.

Beide liggen aan de weg naar het noorden.

Dat is waarschijnlijk.

Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker.

In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden.

Uitleg

אֵין נָקִי (ein naqi), ‘niemand uitgezonderd’: letterlijk ‘er was geen vrijgestelde’.

Niemand was vrijgesteld van de dienst.

23De rest van alle geschiedenis van Asa, heel zijn macht, alles wat hij deed en de steden die hij bouwde: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda? Alleen: in de tijd van zijn ouderdom werd hij ziek aan zijn voeten.
וְיֶ֣תֶר
(veyeter)
en de rest van
כָּל
(kal)
heel
דִּבְרֵֽי
(divrei)
de geschiedenis van
אָ֠סָא
(asa)
Asa
וְכָל
(vekhal)
en heel
גְּב֨וּרָת֜וֹ
(gevurato)
zijn macht
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֗ה
(asa)
hij deed
וְהֶֽעָרִים֙
(vehearim)
en de steden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּנָ֔ה
(bana)
hij bouwde
הֲלֹֽא
(halo)
is het niet
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
כְתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
op
סֵ֛פֶר
(sefer)
het boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֣י
(lemalkhei)
van de koningen van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
רַ֚ק
(raq)
alleen
לְעֵ֣ת
(leet)
in de tijd van
זִקְנָת֔וֹ
(ziqnato)
zijn ouderdom
חָלָ֖ה
(chala)
werd ziek
אֶת
(et)
(obj.)
רַגְלָֽיו
(raglav)
zijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גְּבוּרָה (gevurah), ‘macht’: kracht en heldendaden.

חָלָה אֶת־רַגְלָיו (chalah et ragilav), ‘ziek aan zijn voeten’: een ziekte aan de voeten. Vergelijk 2 Kron. 16:12.

24Asa ging liggen bij zijn vaderen. Hij werd begraven bij zijn vaderen in de stad van David, zijn vader. Zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֤ב
(vayishkav)
en ging liggen
אָסָא֙
(asa)
Asa
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּקָּבֵר֙
(vayiqaver)
en werd begraven
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
בְּעִ֖יר
(beir)
in de stad van
דָּוִ֣ד
(david)
David
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
יְהוֹשָׁפָ֥ט
(yehoshafat)
Josafat
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Nadab, koning van Israël

25Nadab, de zoon van Jerobeam, werd koning over Israël in het tweede jaar van Asa, de koning van Juda. Hij regeerde 2 jaar over Israël.
וְנָדָ֣ב
(venadav)
en Nadab
בֶּן
(ben)
zoon van
יָרָבְעָ֗ם
(yaraveam)
Jerobeam
מָלַךְ֙
(malakh)
werd koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in het jaar van
שְׁתַּ֔יִם
(shetayim)
twee
לְאָסָ֖א
(leasa)
van Asa
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיִּמְלֹ֥ךְ
(vayimlokh)
en regeerde
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
שְׁנָתָֽיִם
(shenatayim)
twee jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het ‘tweede jaar van Asa’ is het tweede jaar van Asa’s regering.

Nadab regeerde ‘twee jaar’: dat zijn één volle jaar en een deel van een tweede (vers 28: het derde jaar van Asa).

26Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Hij liep op de weg van zijn vader en in zijn zonde, waarmee hij Israël had laten zondigen.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֵּ֨לֶךְ֙
(vayelekh)
en liep
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op de weg van
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
וּ֨בְחַטָּאת֔וֹ
(uvechatato)
en in zijn zonde
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarmee
הֶחֱטִ֖יא
(hecheti)
hij had laten zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Baësa grijpt de macht

27Baësa, de zoon van Achia, uit het huis van Issachar, smeedde een samenzwering tegen hem. Baësa sloeg hem neer bij Gibbeton, dat van de Filistijnen was. Nadab en heel Israël belegerden Gibbeton.
וַיִּקְשֹׁ֨ר
(vayiqshor)
en smeedde samenzwering
עָלָ֜יו
(alav)
tegen hem
בַּעְשָׁ֤א
(basha)
Baësa
בֶן
(ben)
zoon van
אֲחִיָּה֙
(achiya)
Achia
לְבֵ֣ית
(leveit)
van het huis van
יִשָּׂשכָ֔ר
(yisashkhar)
Issachar
וַיַּכֵּ֣הוּ
(vayakehu)
en sloeg hem
בַעְשָׁ֔א
(basha)
Baësa
בְּגִבְּת֖וֹן
(begibeton)
in Gibbeton
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לַפְּלִשְׁתִּ֑ים
(lapelishtim)
van de Filistijnen
וְנָדָב֙
(venadav)
en Nadab
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
צָרִ֖ים
(tsarim)
belegerend
עַֽל
(al)
tegen
גִּבְּתֽוֹן
(gibeton)
Gibbeton
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gibbeton lag in het gebied van Dan (Joz. 19:44), bij de grens met de Filistijnen.

De ligging is onzeker; genoemd wordt Tell el-Melat in de kustvlakte (Israël).

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

28Baësa doodde hem in het derde jaar van Asa, de koning van Juda, en werd koning in zijn plaats.
וַיְמִתֵ֣הוּ
(vaymitehu)
en doodde hem
בַעְשָׁ֔א
(basha)
Baësa
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in het jaar van
שָׁלֹ֔שׁ
(shalosh)
drie
לְאָסָ֖א
(leasa)
van Asa
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיִּמְלֹ֖ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookDeut 32:35
29Zodra hij koning was, sloeg hij heel het huis van Jerobeam. Hij liet niets over wat adem had van het huis van Jerobeam, tot hij het had vernietigd. Het gebeurde naar het woord van Yahweh dat Hij had gesproken door Zijn dienaar Achia, de Siloniet.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
כְמָלְכ֗וֹ
(kemalekho)
toen hij koning werd
הִכָּה֙
(hika)
sloeg hij
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יָרָבְעָ֔ם
(yaraveam)
Jerobeam
לֹֽא
(lo)
niet
הִשְׁאִ֧יר
(hishir)
liet over
כָּל
(kal)
enig
נְשָׁמָ֛ה
(neshama)
adem
לְיָרָבְעָ֖ם
(leyaraveam)
voor Jerobeam
עַד
(ad)
tot
הִשְׁמִד֑וֹ
(hishmido)
zijn vernietigen
כִּדְבַ֣ר
(kidvar)
naar het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֔ר
(diber)
Hij sprak
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
עַבְדּ֖וֹ
(avdo)
Zijn dienaar
אֲחִיָּ֥ה
(achiya)
Achia
הַשִּׁילֹנִֽי
(hashiloni)
de Siloniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de vervulling van het woord van Achia in 14:10–11.

Achia is de Siloniet (אֲחִיָּה הַשִּׁילֹנִי, Achiyyah hashiloni), de profeet uit Silo.

נְשָׁמָה (neshamah), ‘adem’: alles wat adem heeft, dus ieder levend wezen.

30Dat gebeurde om de zonden van Jerobeam. Hij zondigde zelf en liet Israël zondigen. Met zijn tergen prikkelde hij Yahweh, de Elohim van Israël, tot toorn.
עַל
(al)
vanwege
חַטֹּ֤אות
(chatovt)
de zonden van
יָרָבְעָם֙
(yaraveam)
Jerobeam
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָטָ֔א
(chata)
hij zondigde
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en waarmee
הֶחֱטִ֖יא
(hecheti)
hij liet zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
בְּכַעְס֕וֹ
(bekhaso)
door zijn tergen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarmee
הִכְעִ֔יס
(hikhis)
hij tot toorn prikkelde
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִכְעִיס (hikʼis), ‘tot toorn prikkelen’: zoals Deut. 32:16, 21.

Dit werkwoord komt in deze verhalen telkens terug.

31De rest van de geschiedenis van Nadab en alles wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Israël?
וְיֶ֛תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
נָדָ֖ב
(nadav)
Nadab
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֑ה
(asa)
hij deed
הֲלֹא
(halo)
is het niet
הֵ֣ם
(hem)
zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
op
סֵ֛פֶר
(sefer)
het boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
van de koningen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Er was oorlog tussen Asa en Baësa, de koning van Israël, al hun dagen.
וּמִלְחָמָ֨ה
(umilchama)
en oorlog
הָיְתָ֜ה
(hayeta)
was
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
אָסָ֗א
(asa)
Asa
וּבֵ֛ין
(uvein)
en tussen
בַּעְשָׁ֥א
(basha)
Baësa
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
כָּל
(kal)
alle
יְמֵיהֶֽם
(yemeihem)
hun dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Baësa, koning van Israël

33In het derde jaar van Asa, de koning van Juda, werd Baësa, de zoon van Achia, koning over heel Israël in Tirza. Hij regeerde 24 jaar.
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in het jaar van
שָׁלֹ֔שׁ
(shalosh)
drie
לְאָסָ֖א
(leasa)
van Asa
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
מָ֠לַךְ
(malakh)
werd koning
בַּעְשָׁ֨א
(basha)
Baësa
בֶן
(ben)
zoon van
אֲחִיָּ֤ה
(achiya)
Achia
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
בְּתִרְצָ֔ה
(betirtsa)
in Tirza
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבַּ֖ע
(vearba)
en vier
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tirza: zie vers 21.

Uitleg

Het ‘derde jaar van Asa’ is hetzelfde jaar als in vers 28: Nadab regeerde twee jaar (vers 25), Baësa begon in het derde jaar.

34Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Hij liep op de weg van Jerobeam en in zijn zonde, waarmee hij Israël had laten zondigen.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֵּ֨לֶךְ֙
(vayelekh)
en liep
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op de weg van
יָרָבְעָ֔ם
(yaraveam)
Jerobeam
וּ֨בְחַטָּאת֔וֹ
(uvechatato)
en in zijn zonde
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarmee
הֶחֱטִ֖יא
(hecheti)
hij had laten zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)