Yahweh leert mijn handen strijden; zegen voor het volk
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Gezegend zij Yahweh, mijn rots
1Van David. Gezegend zij Yahweh, mijn rots, die mijn handen leert voor de strijd, mijn vingers voor de oorlog.
לְדָוִ֨ד
(ledavid)
van David
בָּ֘ר֤וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
צוּרִ֗י
(tsuri)
mijn rots
הַֽמְלַמֵּ֣ד
(hamlamed)
die leert
יָדַ֣י
(yaday)
mijn handen
לַקְרָ֑ב
(laqrav)
voor de strijd
אֶ֝צְבְּעוֹתַ֗י
(etsbeotay)
mijn vingers
לַמִּלְחָמָֽה
(lamilchama)
voor de oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צוּר (tsur), ‘rots’: Yahweh als vaste steun en schuilplaats.
Zie ook Deut. 32:4.
Vers 1–2 en vers 5–7 hebben veel gemeen met Psalm 18 en met 2 Sam. 22:2–3, 10, 15, 35 en 48. Dit gebed gebruikt dezelfde beelden: rots, schild, strijd en de neerdalende Yahweh.
2Hij is mijn trouw en mijn vesting, mijn burcht en mijn redder voor mij, mijn schild. Bij Hem heb ik schuilplaats gezocht. Hij onderwerpt mijn volk onder mij.
חַסְדִּ֥י
(chasdi)
mijn trouw
וּמְצוּדָתִי֮
(umetsudati)
en mijn vesting
מִשְׂגַּבִּ֪י
(misgabi)
mijn burcht
וּֽמְפַלְטִ֫י
(umefalti)
en mijn redder
לִ֥י
(li)
voor mij
מָ֭גִנִּי
(magini)
mijn schild
וּב֣וֹ
(uvo)
en bij Hem
חָסִ֑יתִי
(chasiti)
heb ik schuilplaats gezocht
הָרוֹדֵ֖ד
(haroded)
die onderwerpt
עַמִּ֣י
(ami)
mijn volk
תַחְתָּֽי
(tachtay)
onder mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Yahweh, wat is de mens, dat U hem kent, een zoon van een sterveling, dat U aan hem denkt?
יְֽהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
מָה
(ma)
wat
אָ֭דָם
(adam)
is de mens
וַתֵּדָעֵ֑הוּ
(vatedaehu)
dat U hem kent
בֶּן
(ben)
zoon van
אֱ֝נ֗וֹשׁ
(enosh)
sterveling
וַֽתְּחַשְּׁבֵֽהוּ
(vatechashevehu)
dat U aan hem denkt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱנוֹשׁ (enosh), ‘sterveling’: de mens in zijn zwakheid.
Zie ook Ps. 8:5.
Het vers vraagt dezelfde vraag als Ps. 8:5, maar met een andere strekking: daar verwondert de dichter zich over Elohims aandacht, hier over Zijn kennis van de zwakke mens.
14Onze runderen zijn zwaar beladen. Er is geen bres, geen uittocht en geen klaagkreet op onze pleinen.
אַלּוּפֵ֗ינוּ
(alufeinu)
onze runderen
מְֽסֻבָּ֫לִ֥ים
(mesubalim)
zwaar beladen
אֵֽין
(ein)
er is niet
פֶּ֭רֶץ
(perets)
bres
וְאֵ֣ין
(veein)
en er is niet
יוֹצֵ֑את
(yotset)
uittocht
וְאֵ֥ין
(veein)
en er is niet
צְ֝וָחָ֗ה
(tsevacha)
klaagkreet
בִּרְחֹבֹתֵֽינוּ
(birchovoteinu)
op onze pleinen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַלּוּף (alluf) kan ‘rund’ of ‘stamhoofd’ betekenen.
Wij vertalen ‘runderen’.
מְסֻבָּלִים (mesubbalim), ‘zwaar beladen’: zij zijn vol van opbrengst of dragen zware lasten.
פֶּרֶץ (perets), ‘bres’: een gat in de stadsmuur. יוֹצֵאת (yotset), ‘uittocht’: het uitvoeren van een volk in ballingschap. De betekenis van beide woorden is onzeker; פֶּרֶץ kan ook een ‘doorbraak’ of ‘miskraam’ zijn.
צְוָחָה (tsevachah), ‘klaagkreet’: een kreet van nood op de pleinen van de stad.