Elohim Bijbel

Psalmen 144

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Yahweh leert mijn handen strijden; zegen voor het volk

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Gezegend zij Yahweh, mijn rots

1Van David. Gezegend zij Yahweh, mijn rots, die mijn handen leert voor de strijd, mijn vingers voor de oorlog.
לְדָוִ֨ד
(ledavid)
van David
בָּ֘ר֤וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
צוּרִ֗י
(tsuri)
mijn rots
הַֽמְלַמֵּ֣ד
(hamlamed)
die leert
יָדַ֣י
(yaday)
mijn handen
לַקְרָ֑ב
(laqrav)
voor de strijd
אֶ֝צְבְּעוֹתַ֗י
(etsbeotay)
mijn vingers
לַמִּלְחָמָֽה
(lamilchama)
voor de oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צוּר (tsur), ‘rots’: Yahweh als vaste steun en schuilplaats.

Zie ook Deut. 32:4.

Vers 1–2 en vers 5–7 hebben veel gemeen met Psalm 18 en met 2 Sam. 22:2–3, 10, 15, 35 en 48. Dit gebed gebruikt dezelfde beelden: rots, schild, strijd en de neerdalende Yahweh.

2Hij is mijn trouw en mijn vesting, mijn burcht en mijn redder voor mij, mijn schild. Bij Hem heb ik schuilplaats gezocht. Hij onderwerpt mijn volk onder mij.
חַסְדִּ֥י
(chasdi)
mijn trouw
וּמְצוּדָתִי֮
(umetsudati)
en mijn vesting
מִשְׂגַּבִּ֪י
(misgabi)
mijn burcht
וּֽמְפַלְטִ֫י
(umefalti)
en mijn redder
לִ֥י
(li)
voor mij
מָ֭גִנִּי
(magini)
mijn schild
וּב֣וֹ
(uvo)
en bij Hem
חָסִ֑יתִי
(chasiti)
heb ik schuilplaats gezocht
הָרוֹדֵ֖ד
(haroded)
die onderwerpt
עַמִּ֣י
(ami)
mijn volk
תַחְתָּֽי
(tachtay)
onder mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: verbondstrouw, goedertierenheid.

Hier staat ‘mijn trouw’: Yahweh zelf is de bron van trouw voor de dichter.

מְצוּדָה (metsudah), ‘vesting’ en מִשְׂגָּב (misgav), ‘burcht’: beelden van een veilige plaats in de bergen.

לִי (li), ‘voor mij’ staat in het Hebreeuws tussen ‘redder’ en ‘schild’. Wij laten het bij ‘mijn redder’ staan.

Lezing

Hier staat ‘mijn volk’ (עַמִּי, ammi).

Sommige oude vertalingen hebben ‘volken’ (עַמִּים), zoals in 2 Sam. 22:48.

Wij volgen de Masoretische tekst.

Wat is de mens?

3Yahweh, wat is de mens, dat U hem kent, een zoon van een sterveling, dat U aan hem denkt?
יְֽהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
מָה
(ma)
wat
אָ֭דָם
(adam)
is de mens
וַתֵּדָעֵ֑הוּ
(vatedaehu)
dat U hem kent
בֶּן
(ben)
zoon van
אֱ֝נ֗וֹשׁ
(enosh)
sterveling
וַֽתְּחַשְּׁבֵֽהוּ
(vatechashevehu)
dat U aan hem denkt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱנוֹשׁ (enosh), ‘sterveling’: de mens in zijn zwakheid.

Zie ook Ps. 8:5.

Het vers vraagt dezelfde vraag als Ps. 8:5, maar met een andere strekking: daar verwondert de dichter zich over Elohims aandacht, hier over Zijn kennis van de zwakke mens.

4De mens is gelijk aan damp; zijn dagen zijn als een schaduw die voorbijgaat.
אָ֭דָם
(adam)
de mens
לַהֶ֣בֶל
(lahevel)
aan damp
דָּמָ֑ה
(dama)
is gelijk
יָ֝מָ֗יו
(yamav)
zijn dagen
כְּצֵ֣ל
(ketsel)
als een schaduw
עוֹבֵֽר
(over)
die voorbijgaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֶבֶל (hevel), ‘damp’: ademtocht, iets wat zo weer weg is.

Zie ook Ps. 39:6–7.

Daal af en red mij

5Yahweh, buig Uw hemel neer en daal af. Raak de bergen aan, dan roken zij.
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
הַט
(hat)
buig neer
שָׁמֶ֣יךָ
(shameikha)
Uw hemel
וְתֵרֵ֑ד
(vetered)
en daal af
גַּ֖ע
(ga)
raak aan
בֶּהָרִ֣ים
(beharim)
de bergen
וְֽיֶעֱשָֽׁנוּ
(veyeeshanu)
en laat ze roken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het beeld van Yahweh die neerdaalt, zoals bij de Sinaï (Exod. 19:18): de bergen roken van Zijn aanraking.

Vergelijk Ps. 104:32.

6Laat bliksem flitsen en verstrooi hen. Zend Uw pijlen en breng hen in verwarring.
בְּר֣וֹק
(beroq)
bliksem
בָּ֭רָק
(baraq)
flits
וּתְפִיצֵ֑ם
(utefitsem)
en verstrooi hen
שְׁלַ֥ח
(shelach)
zend
חִ֝צֶּ֗יךָ
(chitseikha)
Uw pijlen
וּתְהֻמֵּֽם
(utehumem)
en breng hen in verwarring
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּרָק (baraq), ‘bliksem’: Yahweh schiet Zijn ‘pijlen’ af.

Vergelijk Ps. 18:15.

7Strek Uw handen uit vanuit de hoogte. Red mij en bevrijd mij uit de grote wateren, uit de hand van vreemden,
שְׁלַ֥ח
(shelach)
zend
יָדֶ֗יךָ
(yadeikha)
Uw handen
מִמָּ֫ר֥וֹם
(mimarom)
vanuit de hoogte
פְּצֵ֣נִי
(petseni)
red mij
וְ֭הַצִּילֵנִי
(vehatsileni)
en bevrijd mij
מִמַּ֣יִם
(mimayim)
uit wateren
רַבִּ֑ים
(rabim)
grote
מִ֝יַּ֗ד
(miyad)
uit de hand van
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
נֵכָֽר
(nekhar)
de vreemde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי נֵכָר (bene nekhar), ‘vreemden’: letterlijk ‘zonen van de vreemde’, buitenlanders of vreemde volken.

In vers 11 staat hetzelfde.

מַיִם רַבִּים (mayim rabbim), ‘grote wateren’: een beeld voor grote nood en dodelijk gevaar.

8wier mond leugen spreekt en wier rechterhand een rechterhand van bedrog is.
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wier
פִּ֭יהֶם
(pihem)
mond
דִּבֶּר
(diber)
spreekt
שָׁ֑וְא
(shave)
leugen
וִֽ֝ימִינָ֗ם
(viminam)
en hun rechterhand
יְמִ֣ין
(yemin)
is rechterhand van
שָֽׁקֶר
(shaqer)
bedrog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְמִין (yamin), ‘rechterhand’: de hand waarmee men een eed of belofte bevestigt.

‘Een rechterhand van bedrog’ is waarschijnlijk een hand die vals zweert.

Een nieuw lied

9Elohim, een nieuw lied zal ik voor U zingen; op een harp van tien snaren zal ik voor U spelen.
אֱֽלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
שִׁ֣יר
(shir)
lied
חָ֭דָשׁ
(chadash)
nieuw
אָשִׁ֣ירָה
(ashira)
zal ik zingen
לָּ֑ךְ
(lakh)
voor U
בְּנֵ֥בֶל
(benevel)
op harp
עָ֝שׂ֗וֹר
(asor)
van tien snaren
אֲזַמְּרָה
(azamera)
zal ik spelen
לָּֽךְ
(lakh)
voor U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶבֶל עָשׂוֹר (nevel asor), ‘harp van tien snaren’: een snaarinstrument.

Zie ook Ps. 33:2–3, waar ook ‘een nieuw lied’ staat.

10Hij is het die koningen redding geeft, die David, Zijn dienaar, redt van het kwade zwaard.
הַנּוֹתֵ֥ן
(hanoten)
die geeft
תְּשׁוּעָ֗ה
(teshua)
redding
לַמְּלָ֫כִ֥ים
(lamelakhim)
aan koningen
הַ֭פּוֹצֶה
(hapotse)
die redt
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֥ד
(david)
David
עַבְדּ֗וֹ
(avdo)
Zijn dienaar
מֵחֶ֥רֶב
(mecherev)
van zwaard
רָעָֽה
(raa)
kwade
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּשׁוּעָה (teshu’ah), ‘redding’.

‘Het kwade zwaard’ (חֶרֶב רָעָה, cherev ra’ah): het zwaard van het onheil, van de vijand. Dit vers lijkt op 2 Sam. 22:51.

11Red mij en bevrijd mij uit de hand van vreemden, wier mond leugen spreekt en wier rechterhand een rechterhand van bedrog is.
פְּצֵ֥נִי
(petseni)
red mij
וְהַצִּילֵנִי֮
(vehatsileni)
en bevrijd mij
מִיַּ֪ד
(miyad)
uit de hand van
בְּֽנֵי
(benei)
zonen van
נֵ֫כָ֥ר
(nekhar)
de vreemde
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wier
פִּ֭יהֶם
(pihem)
mond
דִּבֶּר
(diber)
spreekt
שָׁ֑וְא
(shave)
leugen
וִֽ֝ימִינָ֗ם
(viminam)
en hun rechterhand
יְמִ֣ין
(yemin)
is rechterhand van
שָֽׁקֶר
(shaqer)
bedrog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Wens voor zonen, dochters en land

12Opdat onze zonen zijn als jonge planten, groot geworden in hun jeugd, en onze dochters als hoekpilaren, gehouwen naar het model van een tempel.
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
opdat
בָּנֵ֨ינוּ
(baneinu)
onze zonen
כִּנְטִעִים֮
(kintiim)
als jonge planten
מְגֻדָּלִ֪ים
(megudalim)
groot geworden
בִּֽנְעוּרֵ֫יהֶ֥ם
(binureihem)
in hun jeugd
בְּנוֹתֵ֥ינוּ
(benoteinu)
onze dochters
כְזָוִיֹּ֑ת
(kezaviyot)
als hoekpilaren
מְ֝חֻטָּב֗וֹת
(mechutavot)
gehouwen
תַּבְנִ֥ית
(tavnit)
model van
הֵיכָֽל
(heikhal)
een tempel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲשֶׁר (asher) leidt dit stuk in.

Het kan ‘opdat’ betekenen (een wens, dan volgt de zegen van vers 12–15) of ‘wier’ (dan beschrijft het de vreemden van vers 11).

Wij lezen het als wens.

זָוִית (zavit), ‘hoekpilaar’: een gebeeldhouwde pilaar. הֵיכָל (hekal), ‘tempel’: ook ‘paleis’.

Vers 12–15 zijn een zegenwens voor het land: zonen die opgroeien, dochters die er sierlijk uitzien, volle voorraden en rust.

13Onze voorraadkamers zijn vol; zij leveren de ene soort na de andere. Onze schapen worden duizenden en tienduizenden op onze straten.
מְזָוֵ֣ינוּ
(mezaveinu)
onze voorraadkamers
מְלֵאִים֮
(meleim)
zijn vol
מְפִיקִ֥ים
(mefiqim)
leverend
מִזַּ֗ן
(mizan)
van soort
אֶ֫ל
(el)
tot
זַ֥ן
(zan)
soort
צֹאונֵ֣נוּ
(tsovnenu)
onze schapen
מַ֭אֲלִיפוֹת
(maalifot)
worden duizendvoudig
מְרֻבָּב֗וֹת
(merubavot)
worden tienduizendvoudig
בְּחוּצוֹתֵֽינוּ
(bechutsoteinu)
op onze straten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִזַּן אֶל זַן (mizzan el zan), ‘de ene soort na de andere’: allerlei soorten voorraad.

מַאֲלִיפוֹת (ma’alifot), ‘duizendvoudig’, מְרֻבָּבוֹת (merubbavot), ‘tienduizendvoudig’: de kudden worden talrijk.

14Onze runderen zijn zwaar beladen. Er is geen bres, geen uittocht en geen klaagkreet op onze pleinen.
אַלּוּפֵ֗ינוּ
(alufeinu)
onze runderen
מְֽסֻבָּ֫לִ֥ים
(mesubalim)
zwaar beladen
אֵֽין
(ein)
er is niet
פֶּ֭רֶץ
(perets)
bres
וְאֵ֣ין
(veein)
en er is niet
יוֹצֵ֑את
(yotset)
uittocht
וְאֵ֥ין
(veein)
en er is niet
צְ֝וָחָ֗ה
(tsevacha)
klaagkreet
בִּרְחֹבֹתֵֽינוּ
(birchovoteinu)
op onze pleinen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַלּוּף (alluf) kan ‘rund’ of ‘stamhoofd’ betekenen.

Wij vertalen ‘runderen’.

מְסֻבָּלִים (mesubbalim), ‘zwaar beladen’: zij zijn vol van opbrengst of dragen zware lasten.

פֶּרֶץ (perets), ‘bres’: een gat in de stadsmuur. יוֹצֵאת (yotset), ‘uittocht’: het uitvoeren van een volk in ballingschap. De betekenis van beide woorden is onzeker; פֶּרֶץ kan ook een ‘doorbraak’ of ‘miskraam’ zijn.

צְוָחָה (tsevachah), ‘klaagkreet’: een kreet van nood op de pleinen van de stad.

15Gelukkig het volk dat het zo heeft! Gelukkig het volk wiens Elohim Yahweh is!
אַשְׁרֵ֣י
(ashrei)
gelukkig
הָ֭עָם
(haam)
het volk
שֶׁכָּ֣כָה
(shekakha)
dat zo
לּ֑וֹ
(lo)
het heeft
אַֽשְׁרֵ֥י
(ashrei)
gelukkig
הָ֝עָ֗ם
(haam)
het volk
שֶׁיֲהוָ֥ה
(sheYahweh)
wiens Yahweh
אֱלֹהָֽיו
(elohav)
is zijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het vers is een zaligspreking, zoals Ps. 33:12.

‘Het volk dat het zo heeft’ wijst naar de zegen van vers 12–14; het echte geluk is dat Yahweh hun Elohim is.