Elohim Bijbel

Exodus 7

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

De staf wordt een slang; de eerste plaag: bloed

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Aäron wordt Mozes’ profeet

1Yahweh zei tot Mozes: „Zie, Ik heb je tot een god gesteld voor de farao, en Aäron, je broer, zal je profeet zijn.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
רְאֵ֛ה
(ree)
zie
נְתַתִּ֥יךָ
(netatikha)
Ik heb je gesteld
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
god
לְפַרְעֹ֑ה
(lefaro)
voor de farao
וְאַהֲרֹ֥ן
(veaharon)
en Aäron
אָחִ֖יךָ
(achikha)
je broer
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
נְבִיאֶֽךָ
(neviekha)
je profeet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘een god voor de farao’ (אֱלֹהִים, Elohim): Mozes treedt op met het gezag van Elohim tegenover de farao, zoals Aäron Mozes’ profeet (spreker) is.

Vergelijk 4:16.

2Jij zult alles spreken wat Ik je gebied. Aäron, je broer, zal tot de farao spreken, dat hij de zonen van Israël uit zijn land laat gaan.
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
תְדַבֵּ֔ר
(tedaber)
zult spreken
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
אֲצַוֶּ֑ךָּ
(atsaveka)
Ik je gebied
וְאַהֲרֹ֤ן
(veaharon)
en Aäron
אָחִ֨יךָ֙
(achikha)
je broer
יְדַבֵּ֣ר
(yedaber)
zal spreken
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
וְשִׁלַּ֥ח
(veshilach)
dat hij laat gaan
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מֵאַרְצֽוֹ
(meartso)
uit zijn land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Maar Ik zal het hart van de farao verharden, en Ik zal Mijn tekenen en Mijn wonderen in het land Egypte vermenigvuldigen.
וַאֲנִ֥י
(vaani)
en Ik
אַקְשֶׁ֖ה
(aqshe)
zal verharden
אֶת
(et)
(obj.)
לֵ֣ב
(lev)
het hart van
פַּרְעֹ֑ה
(paro)
de farao
וְהִרְבֵּיתִ֧י
(vehirbeiti)
en Ik zal vermenigvuldigen
אֶת
(et)
(obj.)
אֹתֹתַ֛י
(ototay)
Mijn tekenen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מוֹפְתַ֖י
(mofetay)
Mijn wonderen
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Het verharden van de farao’s hart wordt in dit verhaal afwisselend aan Yahweh (4:21; 7:3; 9:12; 10:1, 20, 27; 11:10; 14:4, 8, 17) en aan de farao zelf (8:15, 28; 9:34) toegeschreven.

In het Hebreeuws staan drie woorden: חָזַק (chazaq, ‘sterk maken’), כָּבֵד (kaved, ‘zwaar maken’) en קָשָׁה (qashah, ‘hard maken’).

4De farao zal niet naar jullie luisteren. Dan zal Ik Mijn hand op Egypte leggen en Mijn legerscharen, Mijn volk, de zonen van Israël, door grote oordelen uit het land Egypte leiden.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִשְׁמַ֤ע
(yishma)
zal luisteren
אֲלֵכֶם֙
(alekhem)
naar jullie
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal leggen
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִ֖י
(yadi)
Mijn hand
בְּמִצְרָ֑יִם
(bemitsrayim)
op Egypte
וְהוֹצֵאתִ֨י
(vehotseti)
en Ik zal uitleiden
אֶת
(et)
(obj.)
צִבְאֹתַ֜י
(tsivotay)
Mijn legerscharen
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֤י
(ami)
Mijn volk
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
בִּשְׁפָטִ֖ים
(bishfatim)
door oordelen
גְּדֹלִֽים
(gedolim)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

5De Egyptenaren zullen weten dat Ik Yahweh ben, wanneer Ik Mijn hand over Egypte uitstrek en de zonen van Israël uit hun midden leid.”
וְיָדְע֤וּ
(veyadeu)
en zullen weten
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
de Egyptenaren
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּנְטֹתִ֥י
(bintoti)
wanneer Ik uitstrek
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִ֖י
(yadi)
Mijn hand
עַל
(al)
over
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְהוֹצֵאתִ֥י
(vehotseti)
en Ik uitleid
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מִתּוֹכָֽם
(mitokham)
uit hun midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

6Mozes en Aäron deden zoals Yahweh hun had geboden; zo deden zij.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
וְאַהֲרֹ֑ן
(veaharon)
en Aäron
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֧ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹתָ֖ם
(otam)
hun
כֵּ֥ן
(ken)
zo
עָשֽׂוּ
(asu)
deden zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Mozes was tachtig jaar en Aäron drieëntachtig jaar toen zij tot de farao spraken.
וּמֹשֶׁה֙
(umoshe)
en Mozes
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁמֹנִ֣ים
(shemonim)
tachtig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
וְאַֽהֲרֹ֔ן
(veaharon)
en Aäron
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁלֹ֥שׁ
(shalosh)
drie
וּשְׁמֹנִ֖ים
(ushemonim)
en tachtig
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
בְּדַבְּרָ֖ם
(bedaberam)
toen zij spraken
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹֽה
(paro)
de farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes is tachtig: veertig jaar aan het hof en veertig jaar in Midian (Hand. 7:23, 30).

De staf van Aäron

8Yahweh zei tot Mozes en Aäron:
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
וְאֶֽל
(veel)
en tot
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9„Wanneer de farao tot jullie zegt: ‘Doe een wonder’, dan zul je tot Aäron zeggen: ‘Neem je staf en werp hem voor de farao neer’. Hij zal een slang worden.”
כִּי֩
(ki)
wanneer
יְדַבֵּ֨ר
(yedaber)
spreekt
אֲלֵכֶ֤ם
(alekhem)
tot jullie
פַּרְעֹה֙
(paro)
de farao
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
תְּנ֥וּ
(tenu)
geef
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
מוֹפֵ֑ת
(mofet)
een wonder
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
dan zul je zeggen
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֗ן
(aharon)
Aäron
קַ֧ח
(qach)
neem
אֶֽת
(et)
(obj.)
מַטְּךָ֛
(matekha)
je staf
וְהַשְׁלֵ֥ךְ
(vehashlekh)
en werp
לִפְנֵֽי
(lifnei)
voor
פַרְעֹ֖ה
(paro)
de farao
יְהִ֥י
(yehi)
hij worde
לְתַנִּֽין
(letanin)
tot een slang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּנִּין (tannin) is hier een slang (ook in de verzen 10 en 12); in 4:3 staat een ander woord, נָחָשׁ (nachash).

In Gen. 1:21 zijn het de ‘grote zeedieren’.

10Mozes en Aäron gingen naar de farao en deden zoals Yahweh had geboden. Aäron wierp zijn staf voor de farao en zijn dienaren neer, en hij werd een slang.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en kwamen
מֹשֶׁ֤ה
(moshe)
Mozes
וְאַהֲרֹן֙
(veaharon)
en Aäron
אֶל
(el)
naar
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
וַיַּ֣עַשׂוּ
(vayaasu)
en deden
כֵ֔ן
(ken)
zo
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֣ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּשְׁלֵ֨ךְ
(vayashlekh)
en wierp
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
מַטֵּ֗הוּ
(matehu)
zijn staf
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
פַרְעֹ֛ה
(paro)
de farao
וְלִפְנֵ֥י
(velifnei)
en voor
עֲבָדָ֖יו
(avadav)
zijn dienaren
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en hij werd
לְתַנִּֽין
(letanin)
tot een slang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Ook de farao riep de wijzen en de tovenaars, en ook zij, de magiërs van Egypte, deden hetzelfde met hun bezweringen.
וַיִּקְרָא֙
(vayiqra)
en riep
גַּם
(gam)
ook
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
לַֽחֲכָמִ֖ים
(lachakhamim)
de wijzen
וְלַֽמְכַשְּׁפִ֑ים
(velamkhashefim)
en de tovenaars
וַיַּֽעֲשׂ֨וּ
(vayaasu)
en deden
גַם
(gam)
ook
הֵ֜ם
(hem)
zij
חַרְטֻמֵּ֥י
(chartumei)
de magiërs van
מִצְרַ֛יִם
(mitsrayim)
Egypte
בְּלַהֲטֵיהֶ֖ם
(belahateihem)
met hun bezweringen
כֵּֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

De ‘magiërs’ (חַרְטֻמִּים, chartummim) zijn Egyptische schrijver-priesters (Gen. 41:8; Dan. 1:20).

לְהָטֵיהֶם (lehatehem), ‘hun bezweringen’ of ‘hun geheime kunsten’, komt in dit boek alleen hier en in 7:22; 8:3, 14 voor.

2 Tim. 3:8 noemt Jannes en Jambres als tegenstanders van Mozes.

Aanvullend

Jasher 79:27 noemt hen als zonen van Bileam.

12Zij wierpen ieder zijn staf neer, en die werden slangen, maar de staf van Aäron verslond hun staven.
וַיַּשְׁלִ֨יכוּ֙
(vayashlikhu)
en wierpen
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
מַטֵּ֔הוּ
(matehu)
zijn staf
וַיִּהְי֖וּ
(vayihyu)
en werden
לְתַנִּינִ֑ם
(letaninim)
tot slangen
וַיִּבְלַ֥ע
(vayivla)
en verslond
מַטֵּֽה
(mate)
de staf van
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
מַטֹּתָֽם
(matotam)
hun staven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het verslinden van de staven laat zien dat Yahweh’s macht die van de Egyptische magiërs overtreft.

13Het hart van de farao werd sterk en hij luisterde niet naar hen, zoals Yahweh had gesproken.
וַיֶּחֱזַק֙
(vayechezaq)
en werd sterk
לֵ֣ב
(lev)
het hart van
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁמַ֖ע
(shama)
luisterde hij
אֲלֵהֶ֑ם
(alehem)
naar hen
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
sprak
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De eerste plaag: het water wordt bloed

14Yahweh zei tot Mozes: „Het hart van de farao is zwaar; hij weigert het volk te laten gaan.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
כָּבֵ֖ד
(kaved)
zwaar is
לֵ֣ב
(lev)
het hart van
פַּרְעֹ֑ה
(paro)
de farao
מֵאֵ֖ן
(meen)
hij weigert
לְשַׁלַּ֥ח
(leshalach)
te laten gaan
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Ga in de morgen naar de farao. Zie, hij gaat naar het water. Ga hem tegemoet aan de oever van de Nijl, en neem de staf die in een slang veranderd was in je hand.
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
אֶל
(el)
naar
פַּרְעֹ֞ה
(paro)
de farao
בַּבֹּ֗קֶר
(baboqer)
in de morgen
הִנֵּה֙
(hine)
zie
יֹצֵ֣א
(yotse)
hij gaat uit
הַמַּ֔יְמָה
(hamayma)
naar het water
וְנִצַּבְתָּ֥
(venitsavta)
en je zult staan
לִקְרָאת֖וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
עַל
(al)
aan
שְׂפַ֣ת
(sefat)
de oever van
הַיְאֹ֑ר
(hayor)
de Nijl
וְהַמַּטֶּ֛ה
(vehamate)
en de staf
אֲשֶׁר
(asher)
die
נֶהְפַּ֥ךְ
(nehpakh)
veranderd was
לְנָחָ֖שׁ
(lenachash)
in een slang
תִּקַּ֥ח
(tiqach)
zul je nemen
בְּיָדֶֽךָ
(beyadekha)
in je hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

16Zeg tot hem: ‘Yahweh, Elohim van de Hebreeën, heeft mij naar je toe gezonden met de woorden: Laat Mijn volk gaan, opdat zij Mij in de woestijn dienen. En zie, tot nu toe heb je niet geluisterd.
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
Elohim van
הָעִבְרִים֙
(haivrim)
de Hebreeën
שְׁלָחַ֤נִי
(shelachani)
heeft mij gezonden
אֵלֶ֨יךָ֙
(eleikha)
naar jou
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
שַׁלַּח֙
(shalach)
laat gaan
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
וְיַֽעַבְדֻ֖נִי
(veyaavduni)
opdat zij Mij dienen
בַּמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
לֹא
(lo)
niet
שָׁמַ֖עְתָּ
(shamata)
heb je geluisterd
עַד
(ad)
tot
כֹּֽה
(ko)
nu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Zo zegt Yahweh: Hieraan zul je weten dat Ik Yahweh ben. Zie, Ik sla met de staf in Mijn hand op het water in de Nijl, en het zal in bloed veranderen.
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּזֹ֣את
(bezot)
hierdoor
תֵּדַ֔ע
(teda)
zul je weten
כִּ֖י
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֜י
(anokhi)
Ik
מַכֶּ֣ה
(make)
sla
בַּמַּטֶּ֣ה
(bamate)
met de staf
אֲשֶׁר
(asher)
die
בְּיָדִ֗י
(beyadi)
in Mijn hand
עַל
(al)
op
הַמַּ֛יִם
(hamayim)
het water
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
בַּיְאֹ֖ר
(bayor)
in de Nijl
וְנֶהֶפְכ֥וּ
(venehefkhu)
en het zal veranderen
לְדָֽם
(ledam)
in bloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

Uitleg

Het water van de Nijl wordt bloed: de Nijl was voor Egypte de bron van leven en werd als godheid vereerd (zie ook Ezech. 29:3).

De eerste plaag treft dus wat de Egyptenaren heilig is.

18De vis in de Nijl zal sterven, de Nijl zal stinken, en de Egyptenaren zullen er moeite mee hebben water uit de Nijl te drinken.’”
וְהַדָּגָ֧ה
(vehadaga)
en de vis
אֲשֶׁר
(asher)
die
בַּיְאֹ֛ר
(bayor)
in de Nijl
תָּמ֖וּת
(tamut)
zal sterven
וּבָאַ֣שׁ
(uvaash)
en zal stinken
הַיְאֹ֑ר
(hayor)
de Nijl
וְנִלְא֣וּ
(venilu)
en zullen er genoeg van krijgen
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
de Egyptenaren
לִשְׁתּ֥וֹת
(lishtot)
om te drinken
מַ֖יִם
(mayim)
water
מִן
(min)
uit
הַיְאֹֽר
(hayor)
de Nijl
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

19Yahweh zei tot Mozes: „Zeg tot Aäron: ‘Neem je staf en strek je hand uit over de wateren van Egypte, over hun rivieren, hun kanalen, hun poelen en alle plaatsen waar hun water zich verzamelt. Ze zullen bloed worden. Er zal bloed zijn in heel het land Egypte, ook in de houten en de stenen vaten.’”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
אֱמֹ֣ר
(emor)
zeg
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֡ן
(aharon)
Aäron
קַ֣ח
(qach)
neem
מַטְּךָ֣
(matekha)
je staf
וּנְטֵֽה
(unete)
en strek uit
יָדְךָ֩
(yadekha)
je hand
עַל
(al)
over
מֵימֵ֨י
(meimei)
de wateren van
מִצְרַ֜יִם
(mitsrayim)
Egypte
עַֽל
(al)
over
נַהֲרֹתָ֣ם
(naharotam)
hun rivieren
עַל
(al)
over
יְאֹרֵיהֶ֣ם
(yeoreihem)
hun kanalen
וְעַל
(veal)
en over
אַגְמֵיהֶ֗ם
(agmeihem)
hun poelen
וְעַ֛ל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
alle
מִקְוֵ֥ה
(miqve)
verzamelplaats van
מֵימֵיהֶ֖ם
(meimeihem)
hun water
וְיִֽהְיוּ
(veyihyu)
en zij zullen worden
דָ֑ם
(dam)
bloed
וְהָ֤יָה
(vehaya)
en er zal zijn
דָם֙
(dam)
bloed
בְּכָל
(bekhal)
in heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וּבָעֵצִ֖ים
(uvaetsim)
en in houten (vaten)
וּבָאֲבָנִֽים
(uvaavanim)
en in stenen (vaten)
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Vijf benamingen voor water: מימי (mei, ‘wateren’), נהרות (neharot, ‘rivieren’), יאורים (ye’orim, ‘kanalen’), אגמים (agamim, ‘poelen’) en מקוה מימיהם (miqveh meimehem), ‘plaats waar hun water zich verzamelt’.

20Mozes en Aäron deden zoals Yahweh had geboden. Hij hief de staf op en sloeg voor de ogen van de farao en voor de ogen van zijn dienaren op het water in de Nijl. Al het water in de Nijl veranderde in bloed.
וַיַּֽעֲשׂוּ
(vayaasu)
en deden
כֵן֩
(ken)
zo
מֹשֶׁ֨ה
(moshe)
Mozes
וְאַהֲרֹ֜ן
(veaharon)
en Aäron
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֣ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּ֤רֶם
(vayarem)
en hij hief op
בַּמַּטֶּה֙
(bamate)
de staf
וַיַּ֤ךְ
(vayakh)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּ֨יִם֙
(hamayim)
het water
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בַּיְאֹ֔ר
(bayor)
in de Nijl
לְעֵינֵ֣י
(leeinei)
voor de ogen van
פַרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
וּלְעֵינֵ֖י
(uleeinei)
en voor de ogen van
עֲבָדָ֑יו
(avadav)
zijn dienaren
וַיֵּהָֽפְכ֛וּ
(vayehafekhu)
en het veranderde
כָּל
(kal)
al
הַמַּ֥יִם
(hamayim)
het water
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בַּיְאֹ֖ר
(bayor)
in de Nijl
לְדָֽם
(ledam)
in bloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

21De vis in de Nijl stierf, de Nijl stonk, en de Egyptenaren konden geen water uit de Nijl drinken. Er was bloed in heel het land Egypte.
וְהַדָּגָ֨ה
(vehadaga)
en de vis
אֲשֶׁר
(asher)
die
בַּיְאֹ֥ר
(bayor)
in de Nijl
מֵ֨תָה֙
(meta)
stierf
וַיִּבְאַ֣שׁ
(vayivash)
en stonk
הַיְאֹ֔ר
(hayor)
de Nijl
וְלֹא
(velo)
en niet
יָכְל֣וּ
(yakhelu)
konden
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
de Egyptenaren
לִשְׁתּ֥וֹת
(lishtot)
drinken
מַ֖יִם
(mayim)
water
מִן
(min)
uit
הַיְאֹ֑ר
(hayor)
de Nijl
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en er was
הַדָּ֖ם
(hadam)
het bloed
בְּכָל
(bekhal)
in heel
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

22Maar de magiërs van Egypte deden hetzelfde met hun bezweringen. Het hart van de farao bleef sterk en hij luisterde niet naar hen, zoals Yahweh had gesproken.
וַיַּֽעֲשׂוּ
(vayaasu)
en deden
כֵ֛ן
(ken)
zo
חַרְטֻמֵּ֥י
(chartumei)
de magiërs van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
בְּלָטֵיהֶ֑ם
(belateihem)
met hun bezweringen
וַיֶּחֱזַ֤ק
(vayechezaq)
en werd sterk
לֵב
(lev)
het hart van
פַּרְעֹה֙
(paro)
de farao
וְלֹא
(velo)
en niet
שָׁמַ֣ע
(shama)
luisterde hij
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
naar hen
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
sprak
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

23De farao keerde zich om, ging naar zijn huis en nam ook dit niet ter harte.
וַיִּ֣פֶן
(vayifen)
en keerde zich om
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en ging
אֶל
(el)
naar
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
וְלֹא
(velo)
en niet
שָׁ֥ת
(shat)
richtte
לִבּ֖וֹ
(libo)
zijn hart
גַּם
(gam)
ook
לָזֹֽאת
(lazot)
hierop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Alle Egyptenaren groeven rondom de Nijl naar water om te drinken, want zij konden het water van de Nijl niet drinken.
וַיַּחְפְּר֧וּ
(vayachperu)
en groeven
כָל
(kal)
alle
מִצְרַ֛יִם
(mitsrayim)
Egyptenaren
סְבִיבֹ֥ת
(sevivot)
rondom
הַיְאֹ֖ר
(hayor)
de Nijl
מַ֣יִם
(mayim)
water
לִשְׁתּ֑וֹת
(lishtot)
om te drinken
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
יָֽכְלוּ֙
(yakhelu)
konden zij
לִשְׁתֹּ֔ת
(lishtot)
drinken
מִמֵּימֵ֖י
(mimeimei)
van het water van
הַיְאֹֽר
(hayor)
de Nijl
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

25Zeven dagen gingen voorbij nadat Yahweh de Nijl had geslagen.
וַיִּמָּלֵ֖א
(vayimale)
en werden vol
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
na
הַכּוֹת
(hakot)
het slaan door
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַיְאֹֽר
(hayor)
de Nijl
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

De tweede plaag wordt aangekondigd

26Yahweh zei tot Mozes: „Ga naar de farao en zeg tot hem: ‘Zo zegt Yahweh: Laat Mijn volk gaan, opdat zij Mij dienen.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
בֹּ֖א
(bo)
ga
אֶל
(el)
naar
פַּרְעֹ֑ה
(paro)
de farao
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en zeg
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
שַׁלַּ֥ח
(shalach)
laat gaan
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֖י
(ami)
Mijn volk
וְיַֽעַבְדֻֽנִי
(veyaavduni)
opdat zij Mij dienen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf dit vers verschilt de verdeling in verzen: de Hebreeuwse tekst telt 7:26–29 als vers 26–29 van hoofdstuk 7, terwijl veel vertalingen deze als 8:1–4 tellen.

Wij volgen de Hebreeuwse telling; daarom heeft Exodus 8 bij ons 28 verzen en niet 32.

27Maar als je weigert hen te laten gaan, zie, dan plaag Ik heel je gebied met kikkers.
וְאִם
(veim)
en indien
מָאֵ֥ן
(maen)
je weigert
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
לְשַׁלֵּ֑חַ
(leshaleach)
te laten gaan
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֗י
(anokhi)
Ik
נֹגֵ֛ף
(nogef)
ga plagen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
גְּבוּלְךָ֖
(gevulekha)
je gebied
בַּֽצְפַרְדְּעִֽים
(batsfardeim)
met kikkers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Kikkers (צְפַרְדְּעִים, tsefardeim) zijn in Egypte verbonden met de godin Heqet, die met een kikkerkop wordt afgebeeld.

28De Nijl zal wemelen van kikkers. Zij zullen opkomen en binnenkomen in je huis, in je slaapkamer en op je bed, in het huis van je dienaren en bij je volk, in je ovens en in je baktroggen.
וְשָׁרַ֣ץ
(vesharats)
en zal wemelen
הַיְאֹר֮
(hayor)
de Nijl
צְפַרְדְּעִים֒
(tsefardeim)
van kikkers
וְעָלוּ֙
(vealu)
en zij zullen opkomen
וּבָ֣אוּ
(uvau)
en binnenkomen
בְּבֵיתֶ֔ךָ
(beveitekha)
in je huis
וּבַחֲדַ֥ר
(uvachadar)
en in de kamer van
מִשְׁכָּבְךָ֖
(mishkavekha)
je slaapplaats
וְעַל
(veal)
en op
מִטָּתֶ֑ךָ
(mitatekha)
je bed
וּבְבֵ֤ית
(uveveit)
en in het huis van
עֲבָדֶ֨יךָ֙
(avadeikha)
je dienaren
וּבְעַמֶּ֔ךָ
(uveamekha)
en onder je volk
וּבְתַנּוּרֶ֖יךָ
(uvetanureikha)
en in je ovens
וּבְמִשְׁאֲרוֹתֶֽיךָ
(uvemisharoteikha)
en in je baktroggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

29Op jou, op je volk en op al je dienaren zullen de kikkers opkomen.’”
וּבְכָ֥ה
(uvekha)
en tegen je
וּֽבְעַמְּךָ֖
(uveamekha)
en tegen je volk
וּבְכָל
(uvekhal)
en tegen alle
עֲבָדֶ֑יךָ
(avadeikha)
je dienaren
יַעֲל֖וּ
(yaalu)
zullen opkomen
הַֽצְפַרְדְּעִֽים
(hatsfardeim)
de kikkers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)