Elohim Bijbel

Klaagliederen 4

12345

Klaaglied over de val van Sion en het einde van haar koning

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Hoe is het goud dof geworden

1Hoe is het goud dof geworden, het fijne goud veranderd! De stenen van het heiligdom liggen verspreid aan het begin van alle straten.
אֵיכָה֙
(eikha)
hoe
יוּעַ֣ם
(yuam)
is dof geworden
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
יִשְׁנֶ֖א
(yishne)
is veranderd
הַכֶּ֣תֶם
(haketem)
het edelgoud
הַטּ֑וֹב
(hatov)
het goede
תִּשְׁתַּפֵּ֨כְנָה֙
(tishtapekhena)
liggen verspreid
אַבְנֵי
(avnei)
stenen van
קֹ֔דֶשׁ
(qodesh)
heiligdom
בְּרֹ֖אשׁ
(berosh)
aan het hoofd van
כָּל
(kal)
alle
חוּצֽוֹת
(chutsot)
straten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ook dit hoofdstuk is een alfabetgedicht (acrostichon): elk vers begint met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet.

Dit vers begint met א (alef).

Zie ook de uitleg bij Klaagl. 1:1 en 3:1.

אֵיכָה (eikhah), ‘hoe’: dezelfde klaagkreet als in 1:1 en 2:1.

כֶּתֶם (ketem), ‘fijn goud’: zuiver, kostbaar goud, zoals in Job 28:16.

אַבְנֵי־קֹדֶשׁ (avnei qodesh), ‘stenen van het heiligdom’: de stenen van de tempel. Het kan ook ‘heilige stenen’ in de zin van ‘kostbare stenen’ betekenen. De betekenis is niet helemaal zeker.

2De kostbare zonen van Sion, die tegen zuiver goud opwogen: hoe worden zij gerekend als aarden kruiken, het werk van de handen van een pottenbakker!
בְּנֵ֤י
(benei)
zonen van
צִיּוֹן֙
(tsiyon)
Sion
הַיְקָרִ֔ים
(hayqarim)
de kostbare
הַמְסֻלָּאִ֖ים
(hamsulaim)
die opwogen
בַּפָּ֑ז
(bapaz)
tegen zuiver goud
אֵיכָ֤ה
(eikha)
hoe
נֶחְשְׁבוּ֙
(nechshevu)
zij worden gerekend
לְנִבְלֵי
(lenivlei)
als kruiken van
חֶ֔רֶשׂ
(cheres)
aardewerk
מַעֲשֵׂ֖ה
(maase)
werk van
יְדֵ֥י
(yedei)
handen van
יוֹצֵֽר
(yotser)
een pottenbakker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

הַמְסֻלָּאִים (hamsullaim), ‘die opwogen’: letterlijk ‘de gewogenen’.

Zij waren zoveel waard als hun gewicht in zuiver goud.

נִבְלֵי־חֶרֶשׂ (nivlei cheres), ‘aarden kruiken’: gewone gebruiksvoorwerpen, het tegenovergestelde van goud. Zie Jer. 19:1 (de kruik van de pottenbakker).

3Zelfs jakhalzen ontbloten de borst en voeden hun jongen. De Dochter van mijn volk is wreed geworden, zoals de struisvogels in de woestijn.
גַּם
(gam)
ook
תַּנִּים֙
(tanim)
jakhalzen
חָ֣לְצוּ
(chaletsu)
zij ontbloten
שַׁ֔ד
(shad)
de borst
הֵינִ֖יקוּ
(heiniqu)
zij voeden
גּוּרֵיהֶ֑ן
(gureihen)
hun jongen
בַּת
(bat)
dochter van
עַמִּ֣י
(ami)
mijn volk
לְאַכְזָ֔ר
(leakhzar)
tot wreed
כַּיְעֵנִ֖ים
(kayenim)
als struisvogels
בַּמִּדְבָּֽר
(bamidbar)
in de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָלְצוּ שָׁד (chaltsu shad), ‘zij ontbloten de borst’: zelfs jakhalzen geven hun jongen de borst.

Zie Job 39:13–16, waar de struisvogel haar jongen verwaarloost.

Lezing

Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) תַּנִּים (tannim), ‘jakhalzen’.

De geschreven tekst (ketiv) heeft תנין (tannin), ‘zeemonsters’ of ‘draken’.

Honger onder de kinderen

4De tong van de zuigeling kleeft aan zijn gehemelte van dorst. Kleine kinderen vragen om brood, maar niemand deelt het hun uit.
דָּבַ֨ק
(davaq)
kleeft
לְשׁ֥וֹן
(leshon)
tong van
יוֹנֵ֛ק
(yoneq)
de zuigeling
אֶל
(el)
aan
חכּ֖וֹ
(chko)
zijn gehemelte
בַּצָּמָ֑א
(batsama)
van dorst
עֽוֹלָלִים֙
(olalim)
kleine kinderen
שָׁ֣אֲלוּ
(shaalu)
zij vragen
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
פֹּרֵ֖שׂ
(pores)
iemand die uitdeelt
אֵ֥ין
(ein)
niet is
לָהֶֽם
(lahem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֹּרֵשׂ (poresh), ‘iemand die uitdeelt’: letterlijk ‘iemand die breekt’, namelijk het brood breken en het uitreiken.

5Wie lekkernijen at, ligt verlaten in de straten. Wie op karmozijn werd gedragen, omhelst de vuilnishopen.
הָאֹֽכְלִים֙
(haokhelim)
die eten
לְמַ֣עֲדַנִּ֔ים
(lemaadanim)
lekkernijen
נָשַׁ֖מּוּ
(nashamu)
zijn verlaten
בַּחוּצ֑וֹת
(bachutsot)
in de straten
הָאֱמֻנִים֙
(haemunim)
die gedragen werden
עֲלֵ֣י
(alei)
op
תוֹלָ֔ע
(tola)
karmozijn
חִבְּק֖וּ
(chibequ)
zij omhelzen
אַשְׁפַּתּֽוֹת
(ashpatot)
vuilnishopen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹלָע (tola), ‘karmozijn’: diepe rode stof, zoals in Jes. 1:18.

Wie daarop werd gedragen, groeide in rijkdom op.

אַשְׁפַּתּוֹת (ashpattot), ‘vuilnishopen’: de hopen afval buiten de stad, waar nu de armen liggen.

6De schuld van de Dochter van mijn volk is groter dan de zonde van Sodom. Dat werd in een ogenblik omgekeerd, zonder dat er handen aan te pas kwamen.
וַיִּגְדַּל֙
(vayigdal)
en is groter geworden
עֲוֺ֣ן
(avon)
schuld van
בַּת
(bat)
dochter van
עַמִּ֔י
(ami)
mijn volk
מֵֽחַטַּ֖את
(mechatat)
dan de zonde van
סְדֹ֑ם
(sedom)
Sodom
הַֽהֲפוּכָ֣ה
(hahafukha)
dat werd omgekeerd
כְמוֹ
(kemo)
als
רָ֔גַע
(raga)
een ogenblik
וְלֹא
(velo)
en niet
חָ֥לוּ
(chalu)
zij kwamen te pas
בָ֖הּ
(bah)
aan haar
יָדָֽיִם
(yadayim)
handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Uitleg

Sodom werd in een ogenblik omgekeerd (Gen. 19:24–25).

Hier gaat het om de langere straf van Jeruzalem.

חָלוּ בָהּ יָדַיִם (chalu vah yadayim), ‘er kwamen handen aan te pas’: het werkwoord חוּל (chul) betekent ‘wriemelen, zich inspannen’. Sodom werd zonder menselijk ingrijpen verwoest. De betekenis van het werkwoord is niet helemaal zeker.

7Haar uitverkorenen waren zuiverder dan sneeuw, witter dan melk. Hun lichaam was roder dan parels, hun gestalte als saffier.
זַכּ֤וּ
(zaku)
waren zuiver
נְזִירֶ֨יהָ֙
(nezireiha)
haar uitverkorenen
מִשֶּׁ֔לֶג
(misheleg)
dan sneeuw
צַח֖וּ
(tsachu)
waren stralend wit
מֵחָלָ֑ב
(mechalav)
dan melk
אָ֤דְמוּ
(ademu)
waren rood
עֶ֨צֶם֙
(etsem)
lichaam
מִפְּנִינִ֔ים
(mipeninim)
dan parels
סַפִּ֖יר
(sapir)
saffier
גִּזְרָתָֽם
(gizratam)
hun gestalte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְזִירֶיהָ (nezireiha), ‘haar uitverkorenen’: een נָזִיר (nazir) is een afgezonderde.

Het woord staat ook in Deut. 33:16 (‘uitverkorene’); voor de gelofte van een nazireeër zie Num. 6:2.

Hier zijn het de leiders of edelen van Sion.

פְּנִינִים (peninim), ‘parels’: zo vertalen wij het woord ook in Spr. 3:15 en Job 28:18. Omdat hier van ‘rood’ sprake is, is de betekenis niet helemaal zeker. Het kan ook een rode edelsteen zijn, zoals koraal.

גִּזְרָתָם (gizratam), ‘hun gestalte’: dit woord komt alleen hier voor. Het hoort bij het werkwoord ‘snijden’, dus ‘hun gesneden vorm’. De betekenis is onzeker.

8Hun uiterlijk is donkerder dan roet. Men herkent hen niet op straat. Hun huid kleeft aan hun beenderen; zij is droog geworden als hout.
חָשַׁ֤ךְ
(chashakh)
is donker
מִשְּׁחוֹר֙
(mishechor)
dan roet
תָּֽאֳרָ֔ם
(taoram)
hun uiterlijk
לֹ֥א
(lo)
niet
נִכְּר֖וּ
(nikeru)
zij worden herkend
בַּחוּצ֑וֹת
(bachutsot)
in de straten
צָפַ֤ד
(tsafad)
is gekleefd
עוֹרָם֙
(oram)
hun huid
עַל
(al)
aan
עַצְמָ֔ם
(atsmam)
hun beenderen
יָבֵ֖שׁ
(yavesh)
droog
הָיָ֥ה
(haya)
is geworden
כָעֵֽץ
(kaets)
als hout
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁחוֹר (shachor), ‘roet’: letterlijk ‘zwartheid’.

Door honger en rook is het gezicht donker geworden.

צָפַד (tsafad), ‘kleven’: dit werkwoord komt alleen hier voor. De huid kleeft strak aan de botten.

9Beter af waren zij die door het zwaard sneuvelden dan zij die door honger sneuvelden. Dezen kwijnen weg, doorboord, omdat de opbrengst van het veld ontbreekt.
טוֹבִ֤ים
(tovim)
beter
הָיוּ֙
(hayu)
waren
חַלְלֵי
(challei)
gesneuvelden van
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
מֵֽחַלְלֵ֖י
(mechallei)
dan gesneuvelden van
רָעָ֑ב
(raav)
honger
שֶׁ֣הֵ֤ם
(shehem)
die
יָז֨וּבוּ֙
(yazuvu)
zij kwijnen weg
מְדֻקָּרִ֔ים
(meduqarim)
doorboord
מִתְּנוּבֹ֖ת
(mitenuvot)
door gebrek aan opbrengst van
שָׂדָֽי
(saday)
het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲלַלֵי (chalalei), ‘gesneuvelden’: letterlijk ‘doorboorden’.

Wie door het zwaard sterft, sterft snel; wie door honger sterft, kwijnt langzaam weg.

10De handen van barmhartige vrouwen hebben hun eigen kinderen gekookt. Zij werden hun tot voedsel bij de breuk van de Dochter van mijn volk.
יְדֵ֗י
(yedei)
handen van
נָשִׁים֙
(nashim)
vrouwen
רַחֲמָ֣נִיּ֔וֹת
(rachamaniyot)
barmhartige
בִּשְּׁל֖וּ
(bishelu)
hebben gekookt
יַלְדֵיהֶ֑ן
(yaldeihen)
hun kinderen
הָי֤וּ
(hayu)
zij zijn geworden
לְבָרוֹת֙
(levarot)
tot voedsel
לָ֔מוֹ
(lamo)
voor hen
בְּשֶׁ֖בֶר
(beshever)
bij breuk van
בַּת
(bat)
dochter van
עַמִּֽי
(ami)
mijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dat vrouwen hun kinderen aten, is een uitwerking van de vloek in Lev. 26:29 en Deut. 28:53–57.

Zie ook 2 Kon. 6:28–29.

בָּרוֹת (barot), ‘voedsel’: dit woord komt alleen hier voor. Het hoort bij het werkwoord ‘eten’.

Yahweh heeft Zijn toorn uitgegoten

11Yahweh heeft Zijn gramschap volledig laten uitwerken. Hij heeft Zijn brandende toorn uitgegoten. Hij heeft in Sion een vuur aangestoken, dat haar fundamenten heeft verteerd.
כִּלָּ֤ה
(kila)
Hij heeft voltooid
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
חֲמָת֔וֹ
(chamato)
Zijn gramschap
שָׁפַ֖ךְ
(shafakh)
Hij heeft uitgegoten
חֲר֣וֹן
(charon)
gloed van
אַפּ֑וֹ
(apo)
Zijn toorn
וַיַּצֶּת
(vayatset)
en Hij heeft aangestoken
אֵ֣שׁ
(esh)
vuur
בְּצִיּ֔וֹן
(betsiyon)
in Sion
וַתֹּ֖אכַל
(vatokhal)
en het heeft verteerd
יְסוֹדֹתֶֽיהָ
(yesodoteiha)
haar fundamenten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

יְסוֹדֹתֶיהָ (yesodoteiha), ‘haar fundamenten’: het vuur heeft de stad tot op de grond verteerd.

Zie 2 Kon. 25:9.

12De koningen van de aarde geloofden niet dat een tegenstander en een vijand door de poorten van Jeruzalem zou binnenkomen. Evenmin geloofden alle bewoners van de wereld het.
לֹ֤א
(lo)
niet
הֶאֱמִ֨ינוּ֙
(heeminu)
zij geloofden
מַלְכֵי
(malkhei)
koningen van
אֶ֔רֶץ
(erets)
de aarde
כֹּ֖ל
(kol)
al
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
bewoners van
תֵבֵ֑ל
(tevel)
de wereld
כִּ֤י
(ki)
dat
יָבֹא֙
(yavo)
zou binnenkomen
צַ֣ר
(tsar)
tegenstander
וְאוֹיֵ֔ב
(veoyev)
en vijand
בְּשַׁעֲרֵ֖י
(beshaarei)
in de poorten van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushalaim)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

13Dit is gebeurd om de zonden van haar profeten, om de ongerechtigheden van haar priesters, die in haar midden het bloed van rechtvaardigen vergoten.
מֵֽחַטֹּ֣את
(mechatot)
vanwege de zonden van
נְבִיאֶ֔יהָ
(nevieiha)
haar profeten
עֲוֺנ֖וֹת
(avonot)
ongerechtigheden van
כֹּהֲנֶ֑יהָ
(kohaneiha)
haar priesters
הַשֹּׁפְכִ֥ים
(hashofekhim)
die vergieten
בְּקִרְבָּ֖הּ
(beqirbah)
in haar midden
דַּ֥ם
(dam)
bloed van
צַדִּיקִֽים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De profeten en priesters droegen de schuld door onrecht en geweld in de stad, zoals in Jer. 26:8–11 en Ezech. 22:26–28.

14Als blinden dwalen zij door de straten, zo bezoedeld met bloed dat niemand hun kleren kan aanraken.
נָע֤וּ
(nau)
zij dolen
עִוְרִים֙
(ivrim)
blinden
בַּֽחוּצ֔וֹת
(bachutsot)
in de straten
נְגֹֽאֲל֖וּ
(negoalu)
zij zijn bezoedeld
בַּדָּ֑ם
(badam)
met bloed
בְּלֹ֣א
(belo)
zodat
יֽוּכְל֔וּ
(yukhelu)
zij kunnen
יִגְּע֖וּ
(yigeu)
zij raken aan
בִּלְבֻשֵׁיהֶֽם
(bilvusheihem)
hun kleren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְגֹאֲלוּ (nego’alu), ‘zijn bezoedeld’: dit is een ander werkwoord dan גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’ (3:58).

Het is verwant aan גֹּאַל (go’al), ‘bevlekking’ (Neh. 13:29).

Het bloed maakt de mensen onrein, zodat niemand hen durft aanraken.

15„Ga weg, onrein!” riep men hun toe. „Ga weg, ga weg, raak ons niet aan!” Ja, zij zijn gevlucht en zij zwerven rond. Onder de volken zei men: „Zij zullen hier niet langer verblijven.”
ס֣וּרוּ
(suru)
wijkt
טָמֵ֞א
(tame)
onrein
קָ֣רְאוּ
(qareu)
zij riepen
לָ֗מוֹ
(lamo)
tot hen
ס֤וּרוּ
(suru)
wijkt
ס֨וּרוּ֙
(suru)
wijkt
אַל
(al)
niet
תִּגָּ֔עוּ
(tigau)
raakt aan
כִּ֥י
(ki)
ja
נָצ֖וּ
(natsu)
zij zijn gevlucht
גַּם
(gam)
ook
נָ֑עוּ
(nau)
zij zijn gaan zwerven
אָֽמְרוּ֙
(ameru)
zij zeiden
בַּגּוֹיִ֔ם
(bagoyim)
onder de volken
לֹ֥א
(lo)
niet
יוֹסִ֖יפוּ
(yosifu)
zij zullen voortgaan
לָגֽוּר
(lagur)
te verblijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טָמֵא (tame), ‘onrein’: de uitroep van de melaatsen (Lev. 13:45).

Wie onrein is, mag niet worden aangeraakt.

De ballingen worden behandeld als melaatsen.

Het vers heeft in het Hebreeuws geen aanhalingstekens. De sprekers zijn de mensen die de vluchtelingen weerhouden, daarna de volken. Wij zetten ze als leeshulp.

16Het aangezicht van Yahweh heeft hen verspreid. Hij kijkt niet meer naar hen om. Zij hebben priesters niet in aanzien gehouden en oudsten geen gunst bewezen.
פְּנֵ֤י
(penei)
aangezicht van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
חִלְּקָ֔ם
(chileqam)
heeft hen verspreid
לֹ֥א
(lo)
niet
יוֹסִ֖יף
(yosif)
Hij zal voortgaan
לְהַבִּיטָ֑ם
(lehabitam)
om naar hen te kijken
פְּנֵ֤י
(penei)
aangezicht van
כֹהֲנִים֙
(kohanim)
priesters
לֹ֣א
(lo)
niet
נָשָׂ֔אוּ
(nasau)
zij hebben opgeheven
וּזְקֵנִ֖ים
(uzeqenim)
en oudsten
לֹ֥א
(lo)
niet
חָנָֽנוּ
(chananu)
zij hebben gunst bewezen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חִלְּקָם (chilleqam), ‘heeft hen verspreid’: letterlijk ‘heeft hen verdeeld’.

Het werkwoord kan ook ‘hun deel toebedelen’ betekenen.

Wij kiezen ‘verspreiden’, zoals in Gen. 49:7.

נָשְׂאוּ פְנֵי (nasu fenei), ‘zij hielden in aanzien’: letterlijk ‘zij hieven het aangezicht op’, dus zij toonden respect.

Wij keken uit naar hulp

17Nog steeds kwijnen onze ogen weg naar onze hulp, tevergeefs. Op onze uitkijkpost hebben wij uitgekeken naar een volk dat niet kan redden.
עוֹדֵ֨ינוּ֙
(odeinu)
nog steeds wij
תִּכְלֶ֣ינָה
(tikhleina)
zij kwijnen weg
עֵינֵ֔ינוּ
(eineinu)
onze ogen
אֶל
(el)
naar
עֶזְרָתֵ֖נוּ
(ezratenu)
onze hulp
הָ֑בֶל
(havel)
tevergeefs
בְּצִפִּיָּתֵ֣נוּ
(betsipiyatenu)
op onze uitkijkpost
צִפִּ֔ינוּ
(tsipinu)
wij hebben uitgekeken
אֶל
(el)
naar
גּ֖וֹי
(goy)
een volk
לֹ֥א
(lo)
niet
יוֹשִֽׁעַ
(yoshia)
het kan redden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָבֶל (hevel), ‘tevergeefs’: letterlijk ‘damp’.

Hulp van mensen is als damp, zonder inhoud.

גּוֹי לֹא יוֹשִׁעַ (goy lo yoshia), ‘een volk dat niet kan redden’: waarschijnlijk Egypte (zie Jer. 37:5–7).

18Zij hebben onze stappen belaagd, zodat wij niet op onze pleinen konden lopen. Ons einde is nabij. Onze dagen zijn vol, want ons einde is gekomen.
צָד֣וּ
(tsadu)
zij hebben belaagd
צְעָדֵ֔ינוּ
(tseadeinu)
onze stappen
מִלֶּ֖כֶת
(milekhet)
van het lopen
בִּרְחֹבֹתֵ֑ינוּ
(birchovoteinu)
op onze pleinen
קָרַ֥ב
(qarav)
nabij is
קִצֵּ֛ינוּ
(qitseinu)
ons einde
מָלְא֥וּ
(maleu)
zij zijn vol
יָמֵ֖ינוּ
(yameinu)
onze dagen
כִּי
(ki)
want
בָ֥א
(ba)
is gekomen
קִצֵּֽינוּ
(qitseinu)
ons einde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צָדוּ (tsadu), ‘zij hebben belaagd’: het werkwoord betekent ‘jagen op wild’.

Men durfde niet meer buiten te lopen.

19Onze achtervolgers waren sneller dan de arenden van de hemel. Op de bergen zetten zij ons vurig achterna. In de woestijn lagen zij voor ons op de loer.
קַלִּ֤ים
(qalim)
snel
הָיוּ֙
(hayu)
waren
רֹדְפֵ֔ינוּ
(rodefeinu)
onze achtervolgers
מִנִּשְׁרֵ֖י
(minishrei)
dan arenden van
שָׁמָ֑יִם
(shamayim)
de hemel
עַל
(al)
op
הֶהָרִ֣ים
(heharim)
de bergen
דְּלָקֻ֔נוּ
(delaqunu)
zij zetten ons vurig achterna
בַּמִּדְבָּ֖ר
(bamidbar)
in de woestijn
אָ֥רְבוּ
(arevu)
zij lagen op de loer
לָֽנוּ
(lanu)
voor ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְשָׁרִים (nesharim), ‘arenden’: het Hebreeuwse woord kan ook ‘gieren’ betekenen.

Zie ook Deut. 28:49 (de vijand ‘als een arend’).

20De adem van onze neus, de gezalfde van Yahweh, is in hun kuilen gevangen. Van hem zeiden wij: „In zijn schaduw zullen wij leven onder de volken.”
ר֤וּחַ
(ruach)
adem van
אַפֵּ֨ינוּ֙
(apeinu)
onze neus
מְשִׁ֣יחַ
(meshiach)
gezalfde van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
נִלְכַּ֖ד
(nilkad)
is gevangen
בִּשְׁחִיתוֹתָ֑ם
(bishchitotam)
in hun kuilen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
van wie
אָמַ֔רְנוּ
(amarnu)
wij zeiden
בְּצִלּ֖וֹ
(betsilo)
in zijn schaduw
נִֽחְיֶ֥ה
(nichye)
wij zullen leven
בַגּוֹיִֽם
(bagoyim)
onder de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְשִׁיחַ יְהוָה (meshiach Yahweh), ‘de gezalfde van Yahweh’: de koning, zoals ook Saul zo heet in 1 Sam. 24:7 (NL 24:6).

Hier is het waarschijnlijk Zedekia (zie 2 Kon. 25:4–7 en Jer. 39:4–7).

Wij vertalen het woord als titel en niet als ‘Messias’.

שְׁחִיתוֹת (shechitot), ‘kuilen’: de vallen van de vijanden, zoals de kuil voor wilde dieren in Ezech. 19:4 en 19:8.

Het lot van Dochter Edom

21Wees blij en verheug je, Dochter Edom, die in het land Uz woont. Ook over jou gaat de beker heen. Je wordt dronken en ontbloot jezelf.
שִׂ֤ישִׂי
(sisi)
wees blij
וְשִׂמְחִי֙
(vesimchi)
en verheug je
בַּת
(bat)
dochter van
אֱד֔וֹם
(edom)
Edom
יוֹשֶׁ֖בֶת
(yoshevet)
die woont
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
ע֑וּץ
(uts)
Uz
גַּם
(gam)
ook
עָלַ֨יִךְ֙
(alayikh)
over jou
תַּעֲבָר
(taavar)
zal doorgaan
כּ֔וֹס
(kos)
beker
תִּשְׁכְּרִ֖י
(tishkeri)
je zult dronken worden
וְתִתְעָרִֽי
(vetitari)
en je zult jezelf ontbloten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

עוּץ (Uts), ‘Uz’: een land dat bij Edom hoort (Gen. 36:28 noemt een zoon van Dishan met die naam; zie ook Job 1:1).

De ligging is niet zeker.

כּוֹס (kos), ‘beker’: het beeld van Yahweh’s oordeel, dat de volken laat drinken tot ze dronken zijn. Zie Jer. 25:15–17 en Jer. 49:12.

22Je schuld is voleindigd, Dochter Sion. Hij zal je niet opnieuw in ballingschap voeren. Hij zal je schuld straffen, Dochter Edom. Hij onthult je zonden.
תַּם
(tam)
is voleindigd
עֲוֺנֵךְ֙
(avonekh)
je schuld
בַּת
(bat)
dochter van
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
לֹ֥א
(lo)
niet
יוֹסִ֖יף
(yosif)
Hij zal voortgaan
לְהַגְלוֹתֵ֑ךְ
(lehaglotekh)
om je weg te voeren
פָּקַ֤ד
(paqad)
Hij zal straffen
עֲוֺנֵךְ֙
(avonekh)
je schuld
בַּת
(bat)
dochter van
אֱד֔וֹם
(edom)
Edom
גִּלָּ֖ה
(gila)
Hij heeft onthuld
עַל
(al)
over
חַטֹּאתָֽיִךְ
(chatotayikh)
je zonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

תַּם עֲוֹנֵךְ (tam avonekh), ‘je schuld is voleindigd’: de straf is voltooid.

Dat is een belofte voor Sion: de ballingschap zal niet worden herhaald.

Zie ook Jes. 40:2.

פָּקַד עֲוֹנֵךְ (paqad avonekh), ‘Hij zal je schuld straffen’: letterlijk ‘Hij zal je schuld bezoeken’. Voor Edom is de straf nog te komen.