Klaaglied over de val van Sion en het einde van haar koning
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Hoe is het goud dof geworden
1Hoe is het goud dof geworden, het fijne goud veranderd! De stenen van het heiligdom liggen verspreid aan het begin van alle straten.
אֵיכָה֙
(eikha)
hoe
יוּעַ֣ם
(yuam)
is dof geworden
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
יִשְׁנֶ֖א
(yishne)
is veranderd
הַכֶּ֣תֶם
(haketem)
het edelgoud
הַטּ֑וֹב
(hatov)
het goede
תִּשְׁתַּפֵּ֨כְנָה֙
(tishtapekhena)
liggen verspreid
אַבְנֵי
(avnei)
stenen van
קֹ֔דֶשׁ
(qodesh)
heiligdom
בְּרֹ֖אשׁ
(berosh)
aan het hoofd van
כָּל
(kal)
alle
חוּצֽוֹת
(chutsot)
straten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Ook dit hoofdstuk is een alfabetgedicht (acrostichon): elk vers begint met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet.
Dit vers begint met א (alef).
Zie ook de uitleg bij Klaagl. 1:1 en 3:1.
אֵיכָה (eikhah), ‘hoe’: dezelfde klaagkreet als in 1:1 en 2:1.
כֶּתֶם (ketem), ‘fijn goud’: zuiver, kostbaar goud, zoals in Job 28:16.
אַבְנֵי־קֹדֶשׁ (avnei qodesh), ‘stenen van het heiligdom’: de stenen van de tempel. Het kan ook ‘heilige stenen’ in de zin van ‘kostbare stenen’ betekenen. De betekenis is niet helemaal zeker.
Zij waren zoveel waard als hun gewicht in zuiver goud.
נִבְלֵי־חֶרֶשׂ (nivlei cheres), ‘aarden kruiken’: gewone gebruiksvoorwerpen, het tegenovergestelde van goud. Zie Jer. 19:1 (de kruik van de pottenbakker).
6De schuld van de Dochter van mijn volk is groter dan de zonde van Sodom. Dat werd in een ogenblik omgekeerd, zonder dat er handen aan te pas kwamen.
וַיִּגְדַּל֙
(vayigdal)
en is groter geworden
עֲוֺ֣ן
(avon)
schuld van
בַּת
(bat)
dochter van
עַמִּ֔י
(ami)
mijn volk
מֵֽחַטַּ֖את
(mechatat)
dan de zonde van
סְדֹ֑ם
(sedom)
Sodom
הַֽהֲפוּכָ֣ה
(hahafukha)
dat werd omgekeerd
כְמוֹ
(kemo)
als
רָ֔גַע
(raga)
een ogenblik
וְלֹא
(velo)
en niet
חָ֥לוּ
(chalu)
zij kwamen te pas
בָ֖הּ
(bah)
aan haar
יָדָֽיִם
(yadayim)
handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.
Uitleg
Sodom werd in een ogenblik omgekeerd (Gen. 19:24–25).
Hier gaat het om de langere straf van Jeruzalem.
חָלוּ בָהּ יָדַיִם (chalu vah yadayim), ‘er kwamen handen aan te pas’: het werkwoord חוּל (chul) betekent ‘wriemelen, zich inspannen’. Sodom werd zonder menselijk ingrijpen verwoest. De betekenis van het werkwoord is niet helemaal zeker.
7Haar uitverkorenen waren zuiverder dan sneeuw, witter dan melk. Hun lichaam was roder dan parels, hun gestalte als saffier.
זַכּ֤וּ
(zaku)
waren zuiver
נְזִירֶ֨יהָ֙
(nezireiha)
haar uitverkorenen
מִשֶּׁ֔לֶג
(misheleg)
dan sneeuw
צַח֖וּ
(tsachu)
waren stralend wit
מֵחָלָ֑ב
(mechalav)
dan melk
אָ֤דְמוּ
(ademu)
waren rood
עֶ֨צֶם֙
(etsem)
lichaam
מִפְּנִינִ֔ים
(mipeninim)
dan parels
סַפִּ֖יר
(sapir)
saffier
גִּזְרָתָֽם
(gizratam)
hun gestalte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְזִירֶיהָ (nezireiha), ‘haar uitverkorenen’: een נָזִיר (nazir) is een afgezonderde.
Het woord staat ook in Deut. 33:16 (‘uitverkorene’); voor de gelofte van een nazireeër zie Num. 6:2.
Hier zijn het de leiders of edelen van Sion.
פְּנִינִים (peninim), ‘parels’: zo vertalen wij het woord ook in Spr. 3:15 en Job 28:18. Omdat hier van ‘rood’ sprake is, is de betekenis niet helemaal zeker. Het kan ook een rode edelsteen zijn, zoals koraal.
גִּזְרָתָם (gizratam), ‘hun gestalte’: dit woord komt alleen hier voor. Het hoort bij het werkwoord ‘snijden’, dus ‘hun gesneden vorm’. De betekenis is onzeker.
9Beter af waren zij die door het zwaard sneuvelden dan zij die door honger sneuvelden. Dezen kwijnen weg, doorboord, omdat de opbrengst van het veld ontbreekt.
טוֹבִ֤ים
(tovim)
beter
הָיוּ֙
(hayu)
waren
חַלְלֵי
(challei)
gesneuvelden van
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
מֵֽחַלְלֵ֖י
(mechallei)
dan gesneuvelden van
רָעָ֑ב
(raav)
honger
שֶׁ֣הֵ֤ם
(shehem)
die
יָז֨וּבוּ֙
(yazuvu)
zij kwijnen weg
מְדֻקָּרִ֔ים
(meduqarim)
doorboord
מִתְּנוּבֹ֖ת
(mitenuvot)
door gebrek aan opbrengst van
שָׂדָֽי
(saday)
het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Yahweh heeft Zijn gramschap volledig laten uitwerken. Hij heeft Zijn brandende toorn uitgegoten. Hij heeft in Sion een vuur aangestoken, dat haar fundamenten heeft verteerd.
כִּלָּ֤ה
(kila)
Hij heeft voltooid
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
חֲמָת֔וֹ
(chamato)
Zijn gramschap
שָׁפַ֖ךְ
(shafakh)
Hij heeft uitgegoten
חֲר֣וֹן
(charon)
gloed van
אַפּ֑וֹ
(apo)
Zijn toorn
וַיַּצֶּת
(vayatset)
en Hij heeft aangestoken
אֵ֣שׁ
(esh)
vuur
בְּצִיּ֔וֹן
(betsiyon)
in Sion
וַתֹּ֖אכַל
(vatokhal)
en het heeft verteerd
יְסוֹדֹתֶֽיהָ
(yesodoteiha)
haar fundamenten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
יְסוֹדֹתֶיהָ (yesodoteiha), ‘haar fundamenten’: het vuur heeft de stad tot op de grond verteerd.
12De koningen van de aarde geloofden niet dat een tegenstander en een vijand door de poorten van Jeruzalem zou binnenkomen. Evenmin geloofden alle bewoners van de wereld het.
לֹ֤א
(lo)
niet
הֶאֱמִ֨ינוּ֙
(heeminu)
zij geloofden
מַלְכֵי
(malkhei)
koningen van
אֶ֔רֶץ
(erets)
de aarde
כֹּ֖ל
(kol)
al
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
bewoners van
תֵבֵ֑ל
(tevel)
de wereld
כִּ֤י
(ki)
dat
יָבֹא֙
(yavo)
zou binnenkomen
צַ֣ר
(tsar)
tegenstander
וְאוֹיֵ֔ב
(veoyev)
en vijand
בְּשַׁעֲרֵ֖י
(beshaarei)
in de poorten van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushalaim)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
15„Ga weg, onrein!” riep men hun toe. „Ga weg, ga weg, raak ons niet aan!” Ja, zij zijn gevlucht en zij zwerven rond. Onder de volken zei men: „Zij zullen hier niet langer verblijven.”
ס֣וּרוּ
(suru)
wijkt
טָמֵ֞א
(tame)
onrein
קָ֣רְאוּ
(qareu)
zij riepen
לָ֗מוֹ
(lamo)
tot hen
ס֤וּרוּ
(suru)
wijkt
ס֨וּרוּ֙
(suru)
wijkt
אַל
(al)
niet
תִּגָּ֔עוּ
(tigau)
raakt aan
כִּ֥י
(ki)
ja
נָצ֖וּ
(natsu)
zij zijn gevlucht
גַּם
(gam)
ook
נָ֑עוּ
(nau)
zij zijn gaan zwerven
אָֽמְרוּ֙
(ameru)
zij zeiden
בַּגּוֹיִ֔ם
(bagoyim)
onder de volken
לֹ֥א
(lo)
niet
יוֹסִ֖יפוּ
(yosifu)
zij zullen voortgaan
לָגֽוּר
(lagur)
te verblijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
טָמֵא (tame), ‘onrein’: de uitroep van de melaatsen (Lev. 13:45).
Wie onrein is, mag niet worden aangeraakt.
De ballingen worden behandeld als melaatsen.
Het vers heeft in het Hebreeuws geen aanhalingstekens. De sprekers zijn de mensen die de vluchtelingen weerhouden, daarna de volken. Wij zetten ze als leeshulp.
16Het aangezicht van Yahweh heeft hen verspreid. Hij kijkt niet meer naar hen om. Zij hebben priesters niet in aanzien gehouden en oudsten geen gunst bewezen.
פְּנֵ֤י
(penei)
aangezicht van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
חִלְּקָ֔ם
(chileqam)
heeft hen verspreid
לֹ֥א
(lo)
niet
יוֹסִ֖יף
(yosif)
Hij zal voortgaan
לְהַבִּיטָ֑ם
(lehabitam)
om naar hen te kijken
פְּנֵ֤י
(penei)
aangezicht van
כֹהֲנִים֙
(kohanim)
priesters
לֹ֣א
(lo)
niet
נָשָׂ֔אוּ
(nasau)
zij hebben opgeheven
וּזְקֵנִ֖ים
(uzeqenim)
en oudsten
לֹ֥א
(lo)
niet
חָנָֽנוּ
(chananu)
zij hebben gunst bewezen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חִלְּקָם (chilleqam), ‘heeft hen verspreid’: letterlijk ‘heeft hen verdeeld’.
Het werkwoord kan ook ‘hun deel toebedelen’ betekenen.
Wij kiezen ‘verspreiden’, zoals in Gen. 49:7.
נָשְׂאוּ פְנֵי (nasu fenei), ‘zij hielden in aanzien’: letterlijk ‘zij hieven het aangezicht op’, dus zij toonden respect.
19Onze achtervolgers waren sneller dan de arenden van de hemel. Op de bergen zetten zij ons vurig achterna. In de woestijn lagen zij voor ons op de loer.
קַלִּ֤ים
(qalim)
snel
הָיוּ֙
(hayu)
waren
רֹדְפֵ֔ינוּ
(rodefeinu)
onze achtervolgers
מִנִּשְׁרֵ֖י
(minishrei)
dan arenden van
שָׁמָ֑יִם
(shamayim)
de hemel
עַל
(al)
op
הֶהָרִ֣ים
(heharim)
de bergen
דְּלָקֻ֔נוּ
(delaqunu)
zij zetten ons vurig achterna
בַּמִּדְבָּ֖ר
(bamidbar)
in de woestijn
אָ֥רְבוּ
(arevu)
zij lagen op de loer
לָֽנוּ
(lanu)
voor ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְשָׁרִים (nesharim), ‘arenden’: het Hebreeuwse woord kan ook ‘gieren’ betekenen.
22Je schuld is voleindigd, Dochter Sion. Hij zal je niet opnieuw in ballingschap voeren. Hij zal je schuld straffen, Dochter Edom. Hij onthult je zonden.
תַּם
(tam)
is voleindigd
עֲוֺנֵךְ֙
(avonekh)
je schuld
בַּת
(bat)
dochter van
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
לֹ֥א
(lo)
niet
יוֹסִ֖יף
(yosif)
Hij zal voortgaan
לְהַגְלוֹתֵ֑ךְ
(lehaglotekh)
om je weg te voeren
פָּקַ֤ד
(paqad)
Hij zal straffen
עֲוֺנֵךְ֙
(avonekh)
je schuld
בַּת
(bat)
dochter van
אֱד֔וֹם
(edom)
Edom
גִּלָּ֖ה
(gila)
Hij heeft onthuld
עַל
(al)
over
חַטֹּאתָֽיִךְ
(chatotayikh)
je zonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Uitleg
תַּם עֲוֹנֵךְ (tam avonekh), ‘je schuld is voleindigd’: de straf is voltooid.
Dat is een belofte voor Sion: de ballingschap zal niet worden herhaald.
Zie ook Jes. 40:2.
פָּקַד עֲוֹנֵךְ (paqad avonekh), ‘Hij zal je schuld straffen’: letterlijk ‘Hij zal je schuld bezoeken’. Voor Edom is de straf nog te komen.