Silo, het beschrijven van het land en het erfdeel van Benjamin
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De tent van samenkomst in Silo
1De hele gemeenschap van de zonen van Israël kwam samen in Silo. Daar richtten zij de tent van samenkomst op. Het land was voor hen onderworpen.
וַיִּקָּ֨הֲל֜וּ
(vayiqahalu)
en verzamelden zich
כָּל
(kal)
heel
עֲדַ֤ת
(adat)
de gemeenschap van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
שִׁלֹ֔ה
(shilo)
in Silo
וַיַּשְׁכִּ֥ינוּ
(vayashkinu)
en zij richtten op
שָׁ֖ם
(sham)
daar
אֶת
(et)
(obj.)
אֹ֣הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֑ד
(moed)
samenkomst
וְהָאָ֥רֶץ
(vehaarets)
en het land
נִכְבְּשָׁ֖ה
(nikhbesha)
was onderworpen
לִפְנֵיהֶֽם
(lifneihem)
voor hun aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Silo ligt bij het huidige Khirbet Seilun, in het bergland van Efraïm, ten noorden van Betel (Westelijke Jordaanoever).
Dat is zeker.
Uitleg
De tent van samenkomst blijft in Silo staan (Joz. 19:51; Ps. 78:60).
כָּבַשׁ (kavash), ‘onderwerpen’: het land is onder Israëls macht gebracht, zoals Mozes eiste in Num. 32:22, 29.
3Jozua zei tot de zonen van Israël: „Hoe lang blijven jullie nog talmen? Ga erheen en neem het land in bezit. Yahweh, de Elohim van jullie vaders, heeft het jullie gegeven.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
עַד
(ad)
tot
אָ֨נָה֙
(ana)
waar
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
מִתְרַפִּ֔ים
(mitrapim)
talmen
לָבוֹא֙
(lavo)
om binnen te gaan
לָרֶ֣שֶׁת
(lareshet)
om in bezit te nemen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
נָתַ֣ן
(natan)
heeft gegeven
לָכֶ֔ם
(lakhem)
aan jullie
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
אֲבֽוֹתֵיכֶֽם
(avoteikhem)
jullie vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִתְרַפָּה (hitrappah), ‘talmen’: zich slap en traag houden terwijl er iets te doen is.
4Draag voor elke stam drie mannen voor. Dan stuur ik hen. Zij moeten opstaan, door het land trekken en het beschrijven met het oog op hun erfdeel. Daarna moeten zij bij mij terugkomen.
הָב֥וּ
(havu)
draag voor
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
שְׁלֹשָׁ֥ה
(shelosha)
drie
אֲנָשִׁ֖ים
(anashim)
mannen
לַשָּׁ֑בֶט
(lashavet)
per stam
וְאֶשְׁלָחֵ֗ם
(veeshlachem)
en ik zal hen sturen
וְיָקֻ֜מוּ
(veyaqumu)
en laten zij opstaan
וְיִֽתְהַלְּכ֥וּ
(veyithalekhu)
en rondtrekken
בָאָ֛רֶץ
(baarets)
in het land
וְיִכְתְּב֥וּ
(veyikhtevu)
en beschrijven
אוֹתָ֛הּ
(otah)
het
לְפִ֥י
(lefi)
met het oog op
נַֽחֲלָתָ֖ם
(nachalatam)
hun erfdeel
וְיָבֹ֥אוּ
(veyavou)
en laten zij komen
אֵלָֽי
(elay)
tot mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כָּתַב (katav), ‘schrijven’: hier ‘beschrijven’.
De mannen leggen op schrift vast hoe het land eruitziet en hoe het te verdelen is (vers 6, 8, 9).
Lezing
Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘naar de mond van hun erfdeel’.
6Jullie moeten het land in zeven delen beschrijven. Breng die beschrijving hier bij mij. Dan werp ik hier voor jullie het lot, voor het aangezicht van Yahweh, onze Elohim.
וְאַתֶּ֞ם
(veatem)
en jullie
תִּכְתְּב֤וּ
(tikhtevu)
zullen beschrijven
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
שִׁבְעָ֣ה
(shiva)
in zeven
חֲלָקִ֔ים
(chalaqim)
delen
וַֽהֲבֵאתֶ֥ם
(vahavetem)
en jullie zullen brengen
אֵלַ֖י
(elay)
tot mij
הֵ֑נָּה
(hena)
hierheen
וְיָרִ֨יתִי
(veyariti)
en ik zal werpen
לָכֶ֤ם
(lakhem)
voor jullie
גּוֹרָל֙
(goral)
het lot
פֹּ֔ה
(po)
hier
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het lot werpen gebeurt voor het aangezicht van Yahweh (vers 8, 10).
De tekst zegt niet hoe het lot werd geworpen; vergelijk Spr. 16:33.
7Want de Levieten hebben geen deel in jullie midden. Het priesterschap van Yahweh is hun erfdeel. Gad, Ruben en de halve stam Manasse hebben hun erfdeel al ontvangen aan de oostkant van de Jordaan. Mozes, de dienaar van Yahweh, heeft het hun gegeven.”
כִּ֠י
(ki)
want
אֵֽין
(ein)
er is geen
חֵ֤לֶק
(cheleq)
deel
לַלְוִיִּם֙
(lalviyim)
voor de Levieten
בְּקִרְבְּכֶ֔ם
(beqirbekhem)
in jullie midden
כִּֽי
(ki)
want
כְהֻנַּ֥ת
(kehunat)
het priesterschap van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
נַחֲלָת֑וֹ
(nachalato)
is zijn erfdeel
וְגָ֡ד
(vegad)
en Gad
וּרְאוּבֵ֡ן
(ureuven)
en Ruben
וַחֲצִי֩
(vachatsi)
en de helft van
שֵׁ֨בֶט
(shevet)
de stam
הַֽמְנַשֶּׁ֜ה
(hamnashe)
Manasse
לָקְח֣וּ
(laqechu)
hebben genomen
נַחֲלָתָ֗ם
(nachalatam)
hun erfdeel
מֵעֵ֤בֶר
(meever)
aan de overkant van
לַיַּרְדֵּן֙
(layarden)
de Jordaan
מִזְרָ֔חָה
(mizracha)
in het oosten
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
נָתַ֣ן
(natan)
heeft gegeven
לָהֶ֔ם
(lahem)
aan hen
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
עֶ֥בֶד
(eved)
de dienaar van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Uitleg
De Levieten hebben geen eigen land, want Yahweh zelf is hun erfdeel (Num. 18:20; Deut. 18:1–2; Joz. 13:14, 33).
Het land ten oosten van de Jordaan kreeg Gad, Ruben en de halve stam Manasse van Mozes (Num. 32:33).
8De mannen stonden op en gingen. Jozua gaf hun die gingen om het land te beschrijven dit bevel: „Ga, trek door het land en beschrijf het. Kom daarna bij mij terug. Dan werp ik hier voor jullie het lot, voor het aangezicht van Yahweh, in Silo.”
וַיָּקֻ֥מוּ
(vayaqumu)
en stonden op
הָאֲנָשִׁ֖ים
(haanashim)
de mannen
וַיֵּלֵ֑כוּ
(vayelekhu)
en gingen
וַיְצַ֣ו
(vaytsav)
en gebood
יְהוֹשֻׁ֡עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶת
(et)
(obj.)
הַהֹלְכִים֩
(haholekhim)
hen die gingen
לִכְתֹּ֨ב
(likhtov)
om te beschrijven
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
het land
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
לְ֠כוּ
(lekhu)
ga
וְהִתְהַלְּכ֨וּ
(vehithalekhu)
en trek rond
בָאָ֜רֶץ
(baarets)
in het land
וְכִתְב֤וּ
(vekhitvu)
en beschrijf
אוֹתָהּ֙
(otah)
het
וְשׁ֣וּבוּ
(veshuvu)
en keer terug
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
וּ֠פֹה
(ufo)
en hier
אַשְׁלִ֨יךְ
(ashlikh)
zal ik werpen
לָכֶ֥ם
(lakhem)
voor jullie
גּוֹרָ֛ל
(goral)
het lot
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּשִׁלֹֽה
(beshilo)
in Silo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem.
9De mannen gingen weg en trokken door het land. Zij beschreven het op een boekrol, per stad, in zeven delen. Daarna kwamen zij bij Jozua in het kamp in Silo.
וַיֵּלְכ֤וּ
(vayelekhu)
en gingen
הָֽאֲנָשִׁים֙
(haanashim)
de mannen
וַיַּעַבְר֣וּ
(vayaavru)
en trokken door
בָאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
וַיִּכְתְּב֧וּהָ
(vayikhtevuha)
en beschreven het
לֶֽעָרִ֛ים
(learim)
per stad
לְשִׁבְעָ֥ה
(leshiva)
in zeven
חֲלָקִ֖ים
(chalaqim)
delen
עַל
(al)
op
סֵ֑פֶר
(sefer)
een boekrol
וַיָּבֹ֧אוּ
(vayavou)
en kwamen
אֶל
(el)
tot
יְהוֹשֻׁ֛עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶל
(el)
naar
הַֽמַּחֲנֶ֖ה
(hamachane)
het kamp
שִׁלֹֽה
(shilo)
in Silo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem.
Uitleg
סֵפֶר (sefer), ‘boekrol’: een opgerold geschrift.
Zij maakten een landbeschrijving per stad, in zeven delen.
10Jozua wierp voor hen het lot in Silo, voor het aangezicht van Yahweh. Daar verdeelde Jozua het land onder de zonen van Israël, volgens hun afdelingen.
וַיַּשְׁלֵךְ֩
(vayashlekh)
en wierp
לָהֶ֨ם
(lahem)
voor hen
יְהוֹשֻׁ֧עַ
(yehoshua)
Jozua
גּוֹרָ֛ל
(goral)
het lot
בְּשִׁלֹ֖ה
(beshilo)
in Silo
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיְחַלֶּק
(vaychaleq)
en verdeelde
שָׁ֨ם
(sham)
daar
יְהוֹשֻׁ֧עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֛רֶץ
(haarets)
het land
לִבְנֵ֥י
(livnei)
aan de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
כְּמַחְלְקֹתָֽם
(kemachleqotam)
volgens hun afdelingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem.
Uitleg
מַחְלְקֹת (machloqot), ‘afdelingen’: de indeling van het land in zeven delen (vers 5–6), die nu bij de stammen worden ingedeeld.
11Het lot kwam op voor de stam van de zonen van Benjamin, per familie. Het gebied dat hun lot hun gaf, lag tussen de zonen van Juda en de zonen van Jozef.
וַיַּ֗עַל
(vayaal)
en kwam op
גּוֹרַ֛ל
(goral)
het lot
מַטֵּ֥ה
(mate)
de stam van
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֖ן
(binyamin)
Benjamin
לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם
(lemishpechotam)
naar hun families
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en kwam uit
גְּב֣וּל
(gevul)
het gebied van
גּֽוֹרָלָ֔ם
(goralam)
hun lot
בֵּ֚ין
(bein)
tussen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וּבֵ֖ין
(uvein)
en tussen
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יוֹסֵֽף
(yosef)
Jozef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Benjamin ligt tussen Juda in het zuiden en Efraïm in het noorden, rond Jeruzalem, Gibeon en Jericho (Israël en de Westelijke Jordaanoever).
12Hun grens aan de noordkant begon bij de Jordaan. De grens klom naar de flank van Jericho, aan de noordkant. Daarna klom hij het bergland in, westwaarts. Zijn einde lag bij de woestijn van Bet-Awen.
וַיְהִ֨י
(vayhi)
en het was
לָהֶ֧ם
(lahem)
voor hen
הַגְּב֛וּל
(hagevul)
de grens
לִפְאַ֥ת
(lifat)
aan de kant van
צָפ֖וֹנָה
(tsafona)
het noorden
מִן
(min)
vanaf
הַיַּרְדֵּ֑ן
(hayarden)
de Jordaan
וְעָלָ֣ה
(veala)
en klom
הַגְּבוּל֩
(hagevul)
de grens
אֶל
(el)
naar
כֶּ֨תֶף
(ketef)
de flank van
יְרִיח֜וֹ
(yericho)
Jericho
מִצָּפ֗וֹן
(mitsafon)
ten noorden
וְעָלָ֤ה
(veala)
en klom
בָהָר֙
(bahar)
in het bergland
יָ֔מָּה
(yama)
westwaarts
וְהָיוּ֙
(vehayu)
en waren
תֹּֽצְאֹתָ֔יו
(totseotav)
zijn einden
מִדְבַּ֖רָה
(midbara)
bij de woestijn van
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
אָֽוֶן
(aven)
Awen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Jericho is Tell es-Sultan (Westelijke Jordaanoever); dat is zeker.
Bet-Awen lag bij Betel, ten oosten ervan.
De plek is onzeker.
Zie Bet-Aven (ligging onzeker): Bet-Aven (Bet-Awen) lag ten oosten van Betel, bij Ai.
De precieze plaats is niet bekend.
Uitleg
כָּתֵף (katef), ‘schouder’: de zijkant of flank van een berg of heuvel.
13Vandaar liep de grens naar Luz, naar de zuidflank van Luz. Dat is Betel. Daarna daalde de grens af naar Atarot-Addar, bij de berg die ten zuiden van Beneden-Bet-Choron ligt.
וְעָבַר֩
(veavar)
en liep
מִשָּׁ֨ם
(misham)
vandaar
הַגְּב֜וּל
(hagevul)
de grens
ל֗וּזָה
(luza)
naar Luz
אֶל
(el)
naar
כֶּ֤תֶף
(ketef)
de flank van
ל֨וּזָה֙
(luza)
Luz
נֶ֔גְבָּה
(negba)
zuidwaarts
הִ֖יא
(hi)
zij
בֵּֽית
(beit)
Bet
אֵ֑ל
(el)
El
וְיָרַ֤ד
(veyarad)
en daalde af
הַגְּבוּל֙
(hagevul)
de grens
עַטְר֣וֹת
(atrot)
Atarot
אַדָּ֔ר
(adar)
Addar
עַל
(al)
bij
הָהָ֕ר
(hahar)
de berg
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
מִנֶּ֥גֶב
(minegev)
ten zuiden van
לְבֵית
(leveit)
Bet
חֹר֖וֹן
(choron)
Choron
תַּחְתּֽוֹן
(tachton)
Neder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Luz is de oudere naam van Betel (Gen. 28:19).
Betel is het huidige Beitin (Westelijke Jordaanoever); dat is waarschijnlijk.
Beneden-Bet-Choron is Beit Ur et-Tahta, ten noordwesten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever); dat is waarschijnlijk.
14Daar boog de grens af en draaide aan de westkant naar het zuiden, vanaf de berg die tegenover Bet-Choron ligt. Zijn einde lag bij Kirjat-Baäl, dat is Kirjat-Jearim, een stad van de zonen van Juda. Dit was de westkant.
וְתָאַ֣ר
(vetaar)
en boog
הַגְּבוּל֩
(hagevul)
de grens
וְנָסַ֨ב
(venasav)
en draaide
לִפְאַת
(lifat)
aan de kant van
יָ֜ם
(yam)
de zee
נֶ֗גְבָּה
(negba)
zuidwaarts
מִן
(min)
vanaf
הָהָר֙
(hahar)
de berg
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het aangezicht van
בֵית
(beit)
Bet
חֹרוֹן֮
(choron)
Choron
נֶגְבָּה֒
(negba)
zuidwaarts
וְהָי֣וּ
(vehayu)
en waren
תֹֽצְאֹתָ֗יו
(totseotav)
zijn einden
אֶל
(el)
bij
קִרְיַת
(qiryat)
Kirjat
בַּ֨עַל֙
(baal)
Baäl
הִ֚יא
(hi)
zij
קִרְיַ֣ת
(qiryat)
Kirjat
יְעָרִ֔ים
(yearim)
Jearim
עִ֖יר
(ir)
stad van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
זֹ֖את
(zot)
dit
פְּאַת
(peat)
de kant van
יָֽם
(yam)
de zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Kirjat-Baäl is een andere naam voor Kirjat-Jearim.
Dat ligt waarschijnlijk bij Abu Gosh, ten westen van Jeruzalem (Israël).
Zie ook Joz. 15:9, 60.
Zie Bet-Choron: Boven- en Neder-Bet-Choron lagen aan de weg van Gibeon naar Ajalon, bij Beit Ur al-Fauqa en Beit Ur al-Tahta, ten noordwesten van Jeruzalem.
Uitleg
פְּאַת־יָם (pe’at yam), ‘kant van de zee’: de westkant, want de Grote Zee, de Middellandse Zee, ligt in het westen.
16De grens daalde af naar het uiteinde van de berg tegenover het dal van Ben-Hinnom. Dat dal ligt in de vallei van de Refaïeten, in het noorden. Daarna daalde hij af door het Hinnomdal, naar de zuidflank van de Jebusiet. Zo daalde hij af naar En-Rogel.
וְיָרַ֨ד
(veyarad)
en daalde af
הַגְּב֜וּל
(hagevul)
de grens
אֶל
(el)
naar
קְצֵ֣ה
(qetse)
het uiteinde van
הָהָ֗ר
(hahar)
de berg
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
עַל
(al)
op
פְּנֵי֙
(penei)
het aangezicht van
גֵּ֣י
(gei)
het dal van
בֶן
(ben)
de zoon van
הִנֹּ֔ם
(hinom)
Hinnom
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
בְּעֵ֥מֶק
(beemeq)
in de vallei van
רְפָאִ֖ים
(refaim)
de Refaïeten
צָפ֑וֹנָה
(tsafona)
noordwaarts
וְיָרַד֩
(veyarad)
en daalde af
גֵּ֨י
(gei)
het dal van
הִנֹּ֜ם
(hinom)
Hinnom
אֶל
(el)
naar
כֶּ֤תֶף
(ketef)
de flank van
הַיְבוּסִי֙
(hayvusi)
de Jebusiet
נֶ֔גְבָּה
(negba)
zuidwaarts
וְיָרַ֖ד
(veyarad)
en daalde af
עֵ֥ין
(ein)
de bron van
רֹגֵֽל
(rogel)
Rogel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Het dal van Ben-Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem.
En-Rogel ligt waarschijnlijk waar het Kidrondal en het Hinnomdal samenkomen, ten zuiden van de oude stad Jeruzalem (Israël).
Beide zijn waarschijnlijk.
Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem.
Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin.
Uitleg
‘De Jebusiet’ staat hier voor Jebus, de oude naam van Jeruzalem (vers 28; Richt. 19:10).
17Daarna boog hij naar het noorden en liep naar En-Semes. Hij liep naar Gelilot, tegenover de klim van Adummim. Toen daalde hij af naar de steen van Bohan, de zoon van Ruben.
וְתָאַ֣ר
(vetaar)
en boog
מִצָּפ֗וֹן
(mitsafon)
naar het noorden
וְיָצָא֙
(veyatsa)
en liep uit
עֵ֣ין
(ein)
de bron van
שֶׁ֔מֶשׁ
(shemesh)
Semes
וְיָצָא֙
(veyatsa)
en liep uit
אֶל
(el)
naar
גְּלִיל֔וֹת
(gelilot)
Gelilot
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נֹ֖כַח
(nokhach)
tegenover
מַעֲלֵ֣ה
(maale)
de klim van
אֲדֻמִּ֑ים
(adumim)
Adummim
וְיָרַ֕ד
(veyarad)
en daalde af
אֶ֥בֶן
(even)
de steen van
בֹּ֖הַן
(bohan)
Bohan
בֶּן
(ben)
zoon van
רְאוּבֵֽן
(reuven)
Ruben
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
En-Semes is waarschijnlijk Ain el-Hod, bij Betanië, ten oosten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).
De klim van Adummim ligt aan de weg van Jeruzalem naar Jericho.
De steen van Bohan is niet te vinden.
Zie Gelilot (ligging onzeker): Gelilot lag aan de Jordaan, bij Jericho.
De precieze plaats is niet zeker.
Zie Klim van Adummim: De klim van Adummim lag aan de oude weg van Jeruzalem naar Jericho, bij Talaat ed-Damm.
Lezing
Waar hier Gelilot staat, heeft Joz. 15:7 de naam Gilgal.
Mogelijk is het dezelfde plek, maar zeker is dat niet.
19De grens liep door naar de noordflank van Bet-Chogla. Zijn einde lag bij de noordelijke baai van de Zoutzee, bij het zuidelijke uiteinde van de Jordaan. Dat was de grens in het zuiden.
וְעָבַ֨ר
(veavar)
en liep
הַגְּב֜וּל
(hagevul)
de grens
אֶל
(el)
naar
כֶּ֣תֶף
(ketef)
de flank van
בֵּית
(beit)
Bet
חָגְלָה֮
(chagela)
Chogla
צָפוֹנָה֒
(tsafona)
noordwaarts
וְהָי֣וּ
(vehayu)
en waren
תֹּצְא֣וֹת
(totseot)
de einden van
הַגְּב֗וּל
(hagevul)
de grens
אֶל
(el)
bij
לְשׁ֤וֹן
(leshon)
de tong van
יָם
(yam)
de zee
הַמֶּ֨לַח֙
(hamelach)
de Zoutzee
צָפ֔וֹנָה
(tsafona)
noordwaarts
אֶל
(el)
bij
קְצֵ֥ה
(qetse)
het uiteinde van
הַיַּרְדֵּ֖ן
(hayarden)
de Jordaan
נֶ֑גְבָּה
(negba)
zuidwaarts
זֶ֖ה
(ze)
dit
גְּב֥וּל
(gevul)
de grens van
נֶֽגֶב
(negev)
het zuiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Bet-Chogla is waarschijnlijk Ain Hajla, ten zuidoosten van Jericho (Westelijke Jordaanoever).
Zie Zoutzee: De Zoutzee is de Dode Zee, het meer in het diepe dal ten oosten van Juda.
Uitleg
לָשׁוֹן (lashon), ‘tong’: een smalle baai of inham.
De Zoutzee is de Dode Zee.
De noordelijke baai is de plek waar de Jordaan de Dode Zee in stroomt.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Rekem, Jirpeël en Tarala zijn niet te vinden.
De ligging is onzeker.
28Sela, Haëlef, de Jebusiet (dat is Jeruzalem), Gibeat en Kirjat. Dat zijn 14 steden met hun dorpen. Dit is het erfdeel van de zonen van Benjamin, per familie.
וְצֵלַ֡ע
(vetsela)
en Sela
הָאֶ֜לֶף
(haelef)
Haëlef
וְהַיְבוּסִ֨י
(vehayvusi)
en de Jebusiet
הִ֤יא
(hi)
zij
יְרֽוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushaliam)
Jeruzalem
גִּבְעַ֣ת
(givat)
Gibeat
קִרְיַ֔ת
(qiryat)
Kirjat
עָרִ֥ים
(arim)
steden
אַרְבַּֽע
(arba)
vier
עֶשְׂרֵ֖ה
(esre)
tien
וְחַצְרֵיהֶ֑ן
(vechatsreihen)
en hun dorpen
זֹ֛את
(zot)
dit
נַֽחֲלַ֥ת
(nachalat)
het erfdeel van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֖ן
(binyamin)
Benjamin
לְמִשְׁפְּחֹתָֽם
(lemishpechotam)
naar hun families
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gibeat is waarschijnlijk Tell el-Ful, ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).
Jeruzalem lag op de grens van Juda en Benjamin (Joz. 15:8).
Sela, Haëlef en Kirjat zijn onzeker.
Lezing
Wij lezen ‘Sela’ en ‘Haëlef’ als twee namen.
Samen met de Jebusiet, Gibeat en Kirjat komt het getal van 14 dan uit.