Troost en terugkeer: Efraïm, Rachel en het nieuwe verbond
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yahweh blijft de Elohim van alle families van Israël
1„In die tijd, godsspraak van Yahweh, zal Ik de Elohim zijn van alle families van Israël. Zij zullen Mijn volk zijn.”
בָּעֵ֤ת
(baet)
in de tijd
הַהִיא֙
(hahi)
die
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽהְיֶה֙
(ehye)
Ik zal zijn
לֵֽאלֹהִ֔ים
(lElohim)
tot Elohim
לְכֹ֖ל
(lekhol)
voor alle
מִשְׁפְּח֣וֹת
(mishpechot)
families van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְהֵ֖מָּה
(vehema)
en zij
יִֽהְיוּ
(yihyu)
zullen zijn
לִ֥י
(li)
voor Mij
לְעָֽם
(leam)
tot een volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִשְׁפָּחוֹת (mishpachot), ‘families’: de geslachten van heel Israël.
Dit is de verbondsformule: ‘Ik zal hun Elohim zijn, en zij zullen Mijn volk zijn’. Zie Lev. 26:12, Exod. 6:7 en Jer. 30:22. Ze komt terug in vers 33.
2Zo zegt Yahweh: „Het volk dat het zwaard overleefd heeft, vond gunst in de woestijn, toen Ik ging om Israël tot rust te brengen.”
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מָצָ֥א
(matsa)
heeft gevonden
חֵן֙
(chen)
gunst
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
עַ֖ם
(am)
het volk van
שְׂרִ֣ידֵי
(seridei)
de overlevenden van
חָ֑רֶב
(charev)
het zwaard
הָל֥וֹךְ
(halokh)
gaande
לְהַרְגִּיע֖וֹ
(lehargio)
om hem rust te geven
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַם שְׂרִידֵי חָרֶב (am seridei charev), ‘het volk dat het zwaard overleefd heeft’: letterlijk ‘het volk van de overlevenden van het zwaard’.
De woestijn herinnert aan de tocht uit Egypte, waar het volk gunst vond (zie Exod. 33:12–17).
הָלוֹךְ לְהַרְגִּיעוֹ (halokh lehargio), ‘toen Ik ging om hem rust te geven’: het werkwoord ‘gaan’ staat in een vorm zonder persoon. Het kan ‘Ik ging’ betekenen (Yahweh), maar ook ‘Israël ging’. Wij vertalen ‘toen Ik ging’; vergelijk Exod. 33:14. Het slot ‘Israël’ is een toevoeging die het ‘hem’ verklaart.
3„Van ver is Yahweh aan mij verschenen.” „Met een liefde voor eeuwig heb Ik je liefgehad. Daarom heb Ik je met trouw naar Mij toe getrokken.
מֵרָח֕וֹק
(merachoq)
van ver
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
נִרְאָ֣ה
(nira)
is verschenen
לִ֑י
(li)
aan mij
וְאַהֲבַ֤ת
(veahavat)
en met een liefde van
עוֹלָם֙
(olam)
eeuwigheid
אֲהַבְתִּ֔יךְ
(ahavtikh)
Ik heb je liefgehad
עַל
(al)
om
כֵּ֖ן
(ken)
dit
מְשַׁכְתִּ֥יךְ
(meshakhtikh)
Ik heb je getrokken
חָֽסֶד
(chased)
trouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws zegt niet wie in de eerste helft van het vers spreekt: ‘Yahweh is aan mij verschenen’.
Waarschijnlijk is het Israël (of de profeet namens het volk).
In de tweede helft antwoordt Yahweh.
Wij zetten de eerste helft zwart tussen aanhalingstekens en de tweede helft rood.
אַהֲבַת עוֹלָם (ahavat olam), ‘een liefde voor eeuwig’: עוֹלָם (olam) is ‘eeuwigheid’, onafzienbare tijd.
מְשַׁכְתִּיךְ חָסֶד (meshakhtikh chased), ‘Ik heb je met trouw naar Mij toe getrokken’: het werkwoord מָשַׁךְ (mashakh) betekent ‘trekken’. Het kan ook ‘Ik heb Mijn trouw voor je voortgezet’ betekenen, zoals in Ps. 36:11. Het woord חֶסֶד (chesed) is ‘trouw’, verbondstrouw.
4Opnieuw zal Ik je bouwen, en je zult gebouwd worden, maagd Israël. Opnieuw zul je je tamboerijnen als sieraad dragen en uittrekken in de dans van wie lachen.
ע֤וֹד
(od)
nog
אֶבְנֵךְ֙
(evnekh)
Ik zal je bouwen
וְֽנִבְנֵ֔ית
(venivneit)
en je zult gebouwd worden
בְּתוּלַ֖ת
(betulat)
maagd
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
ע֚וֹד
(od)
nog
תַּעְדִּ֣י
(tadi)
je zult versieren
תֻפַּ֔יִךְ
(tupayikh)
je tamboerijnen
וְיָצָ֖את
(veyatsat)
en je zult uittrekken
בִּמְח֥וֹל
(bimchol)
in de dans van
מְשַׂחֲקִֽים
(mesachaqim)
wie lachen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּתוּלַת יִשְׂרָאֵל (betulat Yisra’el), ‘maagd Israël’: het volk als een jonge vrouw, zoals in Amos 5:2.
תֻּפַּיִךְ (tuppayikh), ‘je tamboerijnen’: תֹּף (tof) is de tamboerijn. מָחוֹל (machol) is de reidans, zoals in Exod. 15:20 en Ps. 30:12.
מְשַׂחֲקִים (mesachaqim), ‘wie lachen’: ook ‘spelen, feestvieren’. Zie Jer. 30:19.
7Want zo zegt Yahweh: „Jubel van vreugde voor Jakob en juich over het hoofd van de volken. Laat het horen, prijs en zeg: ‘Red, Yahweh, Uw volk, de overgeblevenen van Israël.’
כִּי
(ki)
want
כֹ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
רָנּ֤וּ
(ranu)
jubelt
לְיַֽעֲקֹב֙
(leyaaqov)
voor Jakob
שִׂמְחָ֔ה
(simcha)
met vreugde
וְצַהֲל֖וּ
(vetsahalu)
en juicht
בְּרֹ֣אשׁ
(berosh)
over het hoofd van
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
de volken
הַשְׁמִ֤יעוּ
(hashmiu)
laat horen
הַֽלְלוּ֙
(hallu)
prijst
וְאִמְר֔וּ
(veimru)
en zegt
הוֹשַׁ֤ע
(hosha)
red
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽת
(et)
(obj.)
עַמְּךָ֔
(amekha)
Uw volk
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
שְׁאֵרִ֥ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁאֵרִית יִשְׂרָאֵל (she’erit Yisra’el), ‘de overgeblevenen van Israël’: het deel dat is overgebleven.
בְּרֹאשׁ הַגּוֹיִם (berosh hagoyim), ‘over het hoofd van de volken’: Israël is het eerste onder de volken (vergelijk Amos 6:1). Het kan ook ‘aan het hoofd van de volken’ betekenen.
הוֹשַׁע (hoshia), ‘red’: de bede uit Ps. 118:25. De woorden tussen enkele aanhalingstekens zijn een gebed dat Yahweh zelf aan het volk in de mond legt.
8Zie, Ik breng hen uit het land in het noorden en verzamel hen uit de uithoeken van de aarde. Onder hen zijn blinden en kreupelen, zwangere en barende vrouwen samen. Een grote vergadering zal hierheen terugkeren.
הִנְנִי֩
(hinni)
zie Ik
מֵבִ֨יא
(mevi)
ben die brengt
אוֹתָ֜ם
(otam)
hen
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
צָפ֗וֹן
(tsafon)
het noorden
וְקִבַּצְתִּים֮
(veqibatstim)
en Ik zal hen verzamelen
מִיַּרְכְּתֵי
(miyarketei)
uit de uithoeken van
אָרֶץ֒
(arets)
de aarde
בָּ֚ם
(bam)
onder hen
עִוֵּ֣ר
(iver)
blinde
וּפִסֵּ֔חַ
(ufiseach)
en kreupele
הָרָ֥ה
(hara)
zwangere
וְיֹלֶ֖דֶת
(veyoledet)
en barende
יַחְדָּ֑ו
(yachdav)
tezamen
קָהָ֥ל
(qahal)
een vergadering
גָּד֖וֹל
(gadol)
grote
יָשׁ֥וּבוּ
(yashuvu)
zij zullen terugkeren
הֵֽנָּה
(hena)
hierheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶרֶץ צָפוֹן (erets tsafon), ‘het land in het noorden’: het noorden is de richting vanwaar de vijand kwam en waarheen het volk werd weggevoerd, zie Jer. 3:18.
Blinden, kreupelen en zwangere vrouwen worden niet achtergelaten. Niemand wordt vergeten.
9Onder wenen komen zij, en onder smeekbeden leid Ik hen. Ik laat hen gaan naar waterbeken, op een rechte weg waarop zij niet zullen struikelen. Want Ik ben een vader voor Israël geworden, en Efraïm is Mijn eerstgeborene.
בִּבְכִ֣י
(bivkhi)
onder wenen
יָבֹ֗אוּ
(yavou)
zij zullen komen
וּֽבְתַחֲנוּנִים֮
(uvetachanunim)
en onder smeekbeden
אֽוֹבִילֵם֒
(ovilem)
Ik zal hen leiden
אֽוֹלִיכֵם֙
(olikhem)
Ik zal hen laten gaan
אֶל
(el)
naar
נַ֣חֲלֵי
(nachalei)
beken van
מַ֔יִם
(mayim)
water
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op een weg
יָשָׁ֔ר
(yashar)
rechte
לֹ֥א
(lo)
niet
יִכָּשְׁל֖וּ
(yikashelu)
zij zullen struikelen
בָּ֑הּ
(bah)
daarop
כִּֽי
(ki)
want
הָיִ֤יתִי
(hayiti)
Ik ben geworden
לְיִשְׂרָאֵל֙
(leyisrael)
voor Israël
לְאָ֔ב
(leav)
tot een vader
וְאֶפְרַ֖יִם
(veefrayim)
en Efraïm
בְּכֹ֥רִי
(bekhori)
Mijn eerstgeborene
הֽוּא
(hu)
is hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Hoor het woord van Yahweh, volken, en maak het bekend op de eilanden in de verte. Zeg: ‘Wie Israël verstrooid heeft, zal hem verzamelen en hem hoeden als een herder zijn kudde.’
שִׁמְע֤וּ
(shimu)
hoort
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
וְהַגִּ֥ידוּ
(vehagidu)
en maakt bekend
בָאִיִּ֖ים
(baiyim)
op de eilanden
מִמֶּרְחָ֑ק
(mimerchaq)
in de verte
וְאִמְר֗וּ
(veimru)
en zegt
מְזָרֵ֤ה
(mezare)
die verstrooid heeft
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
יְקַבְּצֶ֔נּוּ
(yeqabetsenu)
zal hem verzamelen
וּשְׁמָר֖וֹ
(ushemaro)
en zal hem hoeden
כְּרֹעֶ֥ה
(keroe)
als een herder
עֶדְרֽוֹ
(edro)
zijn kudde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אִיִּים (iyyim), ‘eilanden’: ook ‘kustlanden’, de verre landen aan de zee (zie Jes. 40:15).
מְזָרֵה (mezareh), ‘die verstrooid heeft’: Yahweh is degene die het volk verstrooide en het nu weer verzamelt.
De woorden van de volken die de boodschap horen en doorgeven, staan tussen enkele aanhalingstekens.
12Zij zullen komen en jubelen op de hoogte van Sion. Zij zullen stromen naar de goedheid van Yahweh, naar het koren, de most en de olie, en naar de jongen van het kleinvee en het rundvee. Hun ziel zal zijn als een goed bewaterde tuin, en zij zullen niet meer kwijnen.
וּבָאוּ֮
(uvau)
en zij zullen komen
וְרִנְּנ֣וּ
(verinenu)
en zij zullen jubelen
בִמְרוֹם
(bimrom)
op de hoogte van
צִיּוֹן֒
(tsiyon)
Sion
וְנָהֲר֞וּ
(venaharu)
en zij zullen stromen
אֶל
(el)
naar
ט֣וּב
(tuv)
de goedheid van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
naar
דָּגָן֙
(dagan)
koren
וְעַל
(veal)
en naar
תִּירֹ֣שׁ
(tirosh)
most
וְעַל
(veal)
en naar
יִצְהָ֔ר
(yitshar)
olie
וְעַל
(veal)
en naar
בְּנֵי
(benei)
de jongen van
צֹ֖אן
(tson)
kleinvee
וּבָקָ֑ר
(uvaqar)
en rundvee
וְהָיְתָ֤ה
(vehayeta)
en zal zijn
נַפְשָׁם֙
(nafsham)
hun ziel
כְּגַ֣ן
(kegan)
als een tuin
רָוֶ֔ה
(rave)
doordrenkt
וְלֹא
(velo)
en niet
יוֹסִ֥יפוּ
(yosifu)
zij zullen voortgaan
לְדַאֲבָ֖ה
(ledaava)
te kwijnen
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het innerlijk leven, de hele persoon.
Het woord kan ook ‘leven’ of ‘mens’ betekenen.
דָּגָן (dagan), ‘koren’, תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘most’, en יִצְהָר (yitshar), ‘olie’: de drie vaste opbrengsten van het land, zoals in Deut. 7:13.
13Dan zal de maagd zich verheugen in de dans, en jongemannen en oude mannen samen. Ik zal hun rouw veranderen in vreugde, hen troosten en hen verblijden na hun verdriet.
אָ֣ז
(az)
dan
תִּשְׂמַ֤ח
(tismach)
zal zich verheugen
בְּתוּלָה֙
(betula)
maagd
בְּמָח֔וֹל
(bemachol)
in de dans
וּבַחֻרִ֥ים
(uvachurim)
en jongemannen
וּזְקֵנִ֖ים
(uzeqenim)
en oude mannen
יַחְדָּ֑ו
(yachdav)
samen
וְהָפַכְתִּ֨י
(vehafakhti)
en Ik zal veranderen
אֶבְלָ֤ם
(evlam)
hun rouw
לְשָׂשׂוֹן֙
(lesason)
in vreugde
וְנִ֣חַמְתִּ֔ים
(venichamtim)
en Ik zal hen troosten
וְשִׂמַּחְתִּ֖ים
(vesimachtim)
en Ik zal hen verblijden
מִיגוֹנָֽם
(migonam)
na hun verdriet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Zo zegt Yahweh: „Een stem wordt gehoord in Rama, een weeklacht, bitter geween. Rachel beweent haar kinderen. Zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, want zij zijn er niet meer.”
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
ק֣וֹל
(qol)
een stem
בְּרָמָ֤ה
(berama)
in Rama
נִשְׁמָע֙
(nishma)
wordt gehoord
נְהִי֙
(nehi)
weeklacht van
בְּכִ֣י
(bekhi)
geween
תַמְרוּרִ֔ים
(tamrurim)
van bitterheid
רָחֵ֖ל
(rachel)
Rachel
מְבַכָּ֣ה
(mevaka)
die beweent
עַל
(al)
over
בָּנֶ֑יהָ
(baneiha)
haar kinderen
מֵאֲנָ֛ה
(meana)
weigert
לְהִנָּחֵ֥ם
(lehinachem)
zich te laten troosten
עַל
(al)
over
בָּנֶ֖יהָ
(baneiha)
haar kinderen
כִּ֥י
(ki)
want
אֵינֶֽנּוּ
(einenu)
niet is hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker.
In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden.
Uitleg
רָמָה (Ramah), ‘Rama’: een plaats in het gebied van Benjamin, ten noorden van Jeruzalem.
Zie ook Jer. 40:1.
Rachel is de moeder van Jozef (en dus van Efraïm en Manasse) en van Benjamin.
Haar graf wordt in het gebied van Benjamin aangewezen (Gen. 35:19–20; 1 Sam. 10:2).
תַמְרוּרִים (tamrurim), ‘bitter geween’: van מַר (mar), ‘bitter’.
לְהִנָּחֵם (lehinnachem), ‘zich laten troosten’: het werkwoord נָחַם (nacham). Rachel weigert zich te laten troosten, zoals Jakob in Gen. 37:35.
כִּי אֵינֶנּוּ (ki enennu), ‘want zij zijn er niet meer’: het Hebreeuws heeft het enkelvoud ‘hij is er niet’, over ieder van de kinderen.
16Zo zegt Yahweh: „Houd je stem in van geween en je ogen van tranen. Want er is loon voor je werk, godsspraak van Yahweh. Zij zullen terugkeren uit het land van de vijand.
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
מִנְעִ֤י
(mini)
houd tegen
קוֹלֵךְ֙
(qolekh)
je stem
מִבֶּ֔כִי
(mibekhi)
van geween
וְעֵינַ֖יִךְ
(veeinayikh)
en je ogen
מִדִּמְעָ֑ה
(midima)
van tranen
כִּי֩
(ki)
want
יֵ֨שׁ
(yesh)
er is
שָׂכָ֤ר
(sakhar)
loon
לִפְעֻלָּתֵךְ֙
(lifulatekh)
voor je werk
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְשָׁ֖בוּ
(veshavu)
en zij zullen terugkeren
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
אוֹיֵֽב
(oyev)
de vijand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פְּעֻלָּה (pe’ullah), ‘werk’: de moeite die Rachel voor haar kinderen deed.
18Ik heb Efraïm duidelijk horen klagen: ‘U hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd, als een kalf dat niet getemd is. Doe mij terugkeren, dan keer ik terug, want U bent Yahweh, mijn Elohim.
שָׁמ֣וֹעַ
(shamoa)
horen
שָׁמַ֗עְתִּי
(shamati)
Ik heb gehoord
אֶפְרַ֨יִם֙
(efrayim)
Efraïm
מִתְנוֹדֵ֔ד
(mitnoded)
die klaagt
יִסַּרְתַּ֨נִי֙
(yisartani)
U hebt mij getuchtigd
וָֽאִוָּסֵ֔ר
(vaivaser)
en ik ben getuchtigd
כְּעֵ֖גֶל
(keegel)
als een kalf
לֹ֣א
(lo)
niet
לֻמָּ֑ד
(lumad)
getemd
הֲשִׁיבֵ֣נִי
(hashiveni)
doe mij terugkeren
וְאָשׁ֔וּבָה
(veashuva)
en ik zal terugkeren
כִּ֥י
(ki)
want
אַתָּ֖ה
(ata)
U
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָֽי
(elohay)
mijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶפְרַיִם (Efrayim), ‘Efraïm’: de naam van het Noordrijk Israël, zoals in Hosea.
מִתְנוֹדֵד (mitnoded), ‘klagen’: letterlijk ‘heen en weer bewegen’, de houding van iemand die rouwt.
עֵגֶל לֹא לֻמָּד (egel lo lummad), ‘een kalf dat niet getemd is’: letterlijk ‘niet geleerd’, een kalf dat nog niet aan het juk gewend is. Zie Hos. 10:11.
הֲשִׁיבֵנִי וְאָשׁוּבָה (hashivéni ve’ashuvah), ‘doe mij terugkeren, dan keer ik terug’: het werkwoord שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’. Vergelijk Klaagl. 5:21.
De woorden van Efraïm in de verzen 18–19 staan tussen enkele aanhalingstekens, binnen de rode woorden van Yahweh.
19Want nadat ik teruggekeerd was, heb ik berouw gehad. Nadat ik tot inzicht gebracht was, heb ik mij op de heup geslagen. Ik schaamde mij, ja, ik was vernederd, want ik droeg de smaad van mijn jeugd.’
כִּֽי
(ki)
want
אַחֲרֵ֤י
(acharei)
na
שׁוּבִי֙
(shuvi)
mijn terugkeer
נִחַ֔מְתִּי
(nichamti)
heb ik berouw gehad
וְאַֽחֲרֵי֙
(veacharei)
en na
הִוָּ֣דְעִ֔י
(hivadei)
mijn tot inzicht gebracht worden
סָפַ֖קְתִּי
(safaqti)
heb ik geslagen
עַל
(al)
op
יָרֵ֑ךְ
(yarekh)
heup
בֹּ֚שְׁתִּי
(boshti)
ik schaamde mij
וְגַם
(vegam)
en ook
נִכְלַ֔מְתִּי
(nikhlamti)
ik was vernederd
כִּ֥י
(ki)
want
נָשָׂ֖אתִי
(nasati)
ik heb gedragen
חֶרְפַּ֥ת
(cherpat)
de smaad van
נְעוּרָֽי
(neuray)
mijn jeugd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִחַמְתִּי (nichamti), ‘ik heb berouw gehad’: het werkwoord נָחַם (nacham) in de Niphal.
Bij mensen betekent het ‘berouw hebben, tot inkeer komen’.
Bij Yahweh heeft het de betekenis ‘Zich laten rouwen’.
סָפַקְתִּי עַל יָרֵךְ (safaqti al yarekh), ‘ik heb mij op de heup geslagen’: een gebaar van verdriet en schaamte.
חֶרְפַּת נְעוּרַי (cherpat ne’uray), ‘de smaad van mijn jeugd’: de schande uit de jonge jaren van het volk.
20Is Efraïm Mij een kostbare zoon? Is hij een kind van vreugde? Want zo vaak Ik over hem spreek, denk Ik zeker nog aan hem. Daarom is Mijn binnenste in beroering om hem. Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, godsspraak van Yahweh.
הֲבֵן֩
(haven)
is dan een zoon
יַקִּ֨יר
(yaqir)
kostbaar
לִ֜י
(li)
voor Mij
אֶפְרַ֗יִם
(efrayim)
Efraïm
אִ֚ם
(im)
of
יֶ֣לֶד
(yeled)
een kind van
שַׁעֲשֻׁעִ֔ים
(shaashuim)
vreugde
כִּֽי
(ki)
want
מִדֵּ֤י
(midei)
zo vaak als
דַבְּרִי֙
(daberi)
Ik spreek
בּ֔וֹ
(bo)
over hem
זָכֹ֥ר
(zakhor)
zeker gedenken
אֶזְכְּרֶ֖נּוּ
(ezkerenu)
Ik zal hem gedenken
ע֑וֹד
(od)
nog
עַל
(al)
om
כֵּ֗ן
(ken)
dit
הָמ֤וּ
(hamu)
zijn in beroering
מֵעַי֙
(meay)
Mijn ingewanden
ל֔וֹ
(lo)
om hem
רַחֵ֥ם
(rachem)
zeker ontfermen
אֲֽרַחֲמֶ֖נּוּ
(arachamenu)
Ik zal Mij ontfermen over hem
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
שַׁעֲשֻׁעִים (sha’ashu’im), ‘vreugde’: een kind in wie men zich verheugt.
Het is een vraag die ‘ja’ als antwoord heeft.
דַּבְּרִי בוֹ (dabberi vo), ‘Ik spreek over hem’: het kan ook ‘Ik spreek tegen hem’ betekenen, zoals in Num. 21:7. Wij vertalen ‘over hem’.
הָמוּ מֵעַי (hamu me’ay), ‘Mijn binnenste is in beroering’: letterlijk ‘Mijn ingewanden kreunen’, zoals in Jes. 16:11.
רַחֵם אֲרַחֲמֶנּוּ (racham arachamennu), ‘Ik zal Mij zeker over hem ontfermen’: het werkwoord wordt herhaald voor de nadruk. Het is verwant met רֶחֶם (rechem), ‘baarmoeder’.
21Zet markeringen voor jezelf neer. Plaats wegwijzers voor jezelf. Richt je hart op de gebaande weg, de weg die je gegaan bent. Keer terug, maagd Israël, keer terug naar deze steden van je.
הַצִּ֧יבִי
(hatsivi)
stel op
לָ֣ךְ
(lakh)
voor jezelf
צִיֻּנִ֗ים
(tsiyunim)
markeringen
שִׂ֤מִי
(simi)
plaats
לָךְ֙
(lakh)
voor jezelf
תַּמְרוּרִ֔ים
(tamrurim)
wegwijzers
שִׁ֣תִי
(shiti)
richt
לִבֵּ֔ךְ
(libekh)
je hart
לַֽמְסִלָּ֖ה
(lamsila)
op de gebaande weg
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg
הָלָ֑כְתְּ
(halakht)
je bent gegaan
שׁ֚וּבִי
(shuvi)
keer terug
בְּתוּלַ֣ת
(betulat)
maagd
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
שֻׁ֖בִי
(shuvi)
keer terug
אֶל
(el)
naar
עָרַ֥יִךְ
(arayikh)
je steden
אֵֽלֶּה
(ele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צִיֻּנִים (tsiyyunim), ‘markeringen’, en תַּמְרוּרִים (tamrurim), ‘wegwijzers’: beide woorden zijn zeldzaam.
Het eerste staat ook in 2 Kon. 23:17 (een gedenkteken).
Het tweede lijkt op het woord voor ‘bitter’ in vers 15; de betekenis ‘wegwijzers’ is onzeker.
Het zijn tekens langs de weg, zodat het volk de terugweg vindt.
לַמְסִלָּה (lamsillah), ‘de gebaande weg’: een aangelegde weg, zoals in Jes. 40:3.
Lezing
Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) הָלָכְתְּ (halakht), ‘je bent gegaan’.
De geschreven tekst (ketiv) heeft הלכתי (halakhti), een oudere vorm met dezelfde betekenis.
22Hoe lang nog wend je je af, afvallige dochter? Want Yahweh heeft iets nieuws geschapen op de aarde: een vrouw omringt een man.”
עַד
(ad)
tot
מָתַי֙
(matay)
wanneer
תִּתְחַמָּקִ֔ין
(titchamaqin)
zul je je afwenden
הַבַּ֖ת
(habat)
dochter
הַשּֽׁוֹבֵבָ֑ה
(hashoveva)
afvallige
כִּֽי
(ki)
want
בָרָ֨א
(bara)
heeft geschapen
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
חֲדָשָׁה֙
(chadasha)
iets nieuws
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
op de aarde
נְקֵבָ֖ה
(neqeva)
een vrouw
תְּס֥וֹבֵֽב
(tesovev)
zal omringen
גָּֽבֶר
(gaver)
een man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תִּתְחַמָּקִין (tit-chammaqin), ‘wend je af’: het werkwoord חָמַק (chamaq) betekent ‘zich omkeren, zich afwenden’, zoals in Hoogl. 5:6.
הַבַּת הַשּׁוֹבֵבָה (habbat hashovevah), ‘afvallige dochter’: שׁוֹבֵב (shovev) is ‘afvallig, afkerig’, zoals in Jer. 3:14 en 3:22.
נְקֵבָה תְּסוֹבֵב גָּבֶר (neqevah tesovev gaver), ‘een vrouw omringt een man’: de betekenis van deze zin is onzeker. Het werkwoord סָבַב (savav) betekent ‘omringen’, ook ‘zich keren naar’. Wij laten de zin zoals hij er staat.
23Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: „Nog zullen zij dit woord zeggen in het land Juda en in zijn steden, wanneer Ik hun lot keer: ‘Yahweh zegene je, woonplaats van gerechtigheid, heilige berg.’
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
ע֣וֹד
(od)
nog
יֹאמְר֞וּ
(yomru)
zij zullen zeggen
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֗ה
(haze)
dit
בְּאֶ֤רֶץ
(beerets)
in het land
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וּבְעָרָ֔יו
(uvearav)
en in zijn steden
בְּשׁוּבִ֖י
(beshuvi)
wanneer Ik keer
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁבוּתָ֑ם
(shevutam)
hun lot
יְבָרֶכְךָ֧
(yevarekhkha)
zegene je
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
נְוֵה
(neve)
woonplaats van
צֶ֖דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
הַ֥ר
(har)
berg van
הַקֹּֽדֶשׁ
(haqodesh)
de heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
Uitleg
יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19.
נְוֵה צֶדֶק (neveh tsedeq), ‘woonplaats van gerechtigheid’: een eernaam voor Jeruzalem en de tempelberg. Zie ook Jer. 50:7.
הַר הַקֹּדֶשׁ (har haqodesh), ‘heilige berg’: de berg van het heiligdom, Sion.
בְּשׁוּבִי אֶת שְׁבוּתָם (beshuvi et shevutam), ‘wanneer Ik hun lot keer’: zie Jer. 30:3.
28Ik heb over hen gewaakt om uit te rukken, af te breken, neer te halen, te vernietigen en onheil te brengen. Zo zal Ik over hen waken om te bouwen en te planten, godsspraak van Yahweh.
וְהָיָ֞ה
(vehaya)
en het zal zijn
כַּאֲשֶׁ֧ר
(kaasher)
zoals
שָׁקַ֣דְתִּי
(shaqadti)
Ik heb gewaakt
עֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
over hen
לִנְת֧וֹשׁ
(lintosh)
om uit te rukken
וְלִנְת֛וֹץ
(velintots)
en af te breken
וְלַהֲרֹ֖ס
(velaharos)
en neer te halen
וּלְהַאֲבִ֣יד
(ulehaavid)
en te vernietigen
וּלְהָרֵ֑עַ
(uleharea)
en onheil te brengen
כֵּ֣ן
(ken)
zo
אֶשְׁקֹ֧ד
(eshqod)
Ik zal waken
עֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
over hen
לִבְנ֥וֹת
(livnot)
om te bouwen
וְלִנְט֖וֹעַ
(velintoa)
en te planten
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׁקַד (shaqad), ‘waken’: zie Jer. 1:12.
De werkwoorden ‘uitrukken, afbreken, neerhalen, vernietigen’ en ‘bouwen en planten’ staan ook in Jer. 1:10. Zie ook Jer. 18:7–9 en 24:6.
31„Zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond sluit.
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
יָמִ֥ים
(yamim)
dagen
בָּאִ֖ים
(baim)
komen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְכָרַתִּ֗י
(vekharati)
en Ik zal sluiten
אֶת
(et)
met
בֵּ֧ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
וְאֶת
(veet)
en met
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
בְּרִ֥ית
(berit)
een verbond
חֲדָשָֽׁה
(chadasha)
nieuw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּרִית חֲדָשָׁה (berit chadashah), ‘nieuw verbond’: deze woorden staan in het Oude Testament alleen hier.
Het verbond is nieuw: Yahweh schrijft Zijn wet op het hart (vers 33).
כָּרַת בְּרִית (karat berit), ‘een verbond sluiten’: letterlijk ‘een verbond snijden’, naar het doorsnijden van dieren bij een verbondssluiting (zie Gen. 15:10).
32Niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb. Dat was op de dag dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden. Dat verbond van Mij hebben zij verbroken, hoewel Ik hun echtgenoot was, godsspraak van Yahweh.
לֹ֣א
(lo)
niet
כַבְּרִ֗ית
(kaberit)
zoals het verbond
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
כָּרַ֨תִּי֙
(karati)
Ik heb gesloten
אֶת
(et)
met
אֲבוֹתָ֔ם
(avotam)
hun vaderen
בְּיוֹם֙
(beyom)
op de dag
הֶחֱזִיקִ֣י
(hecheziqi)
dat Ik greep
בְיָדָ֔ם
(beyadam)
hun hand
לְהוֹצִיאָ֖ם
(lehotsiam)
om hen te laten uittrekken
מֵאֶ֖רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הֵ֜מָּה
(hema)
zij
הֵפֵ֣רוּ
(heferu)
hebben verbroken
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִיתִ֗י
(beriti)
Mijn verbond
וְאָנֹכִ֛י
(veanokhi)
en Ik
בָּעַ֥לְתִּי
(baalti)
was echtgenoot
בָ֖ם
(bam)
over hen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
בָּעַלְתִּי בָם (ba’alti vam), ‘Ik was hun echtgenoot’: het werkwoord בָּעַל (ba’al) betekent ‘heer zijn, in bezit hebben, trouwen met’.
Het hangt samen met het zelfstandig naamwoord בַּעַל (ba’al), ‘heer, echtgenoot’.
Wij kiezen ‘echtgenoot’ vanwege het beeld van het huwelijk, zoals in Jer. 3:14 en Hos. 2:18.
Het kan ook ‘Ik was hun heer’ zijn.
בְּיוֹם הֶחֱזִיקִי בְיָדָם (beyom hechezikhi veyadam), ‘op de dag dat Ik hen bij de hand nam’: letterlijk ‘dat Ik hun hand vastgreep’. Zie ook Hos. 11:3.
33Maar dit is het verbond dat Ik met het huis van Israël sluit na die dagen, godsspraak van Yahweh. Ik leg Mijn wet in hun binnenste, en op hun hart schrijf Ik haar. Ik zal hun Elohim zijn, en zij zullen Mijn volk zijn.
כִּ֣י
(ki)
maar
זֹ֣את
(zot)
dit
הַבְּרִ֡ית
(haberit)
het verbond
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אֶכְרֹת֩
(ekhrot)
Ik zal sluiten
אֶת
(et)
met
בֵּ֨ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
אַחֲרֵ֨י
(acharei)
na
הַיָּמִ֤ים
(hayamim)
de dagen
הָהֵם֙
(hahem)
die
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
נָתַ֤תִּי
(natati)
Ik zal geven
אֶת
(et)
(obj.)
תּֽוֹרָתִי֙
(torati)
Mijn wet
בְּקִרְבָּ֔ם
(beqirbam)
in hun binnenste
וְעַל
(veal)
en op
לִבָּ֖ם
(libam)
hun hart
אֶכְתֲּבֶ֑נָּה
(ekhtavena)
Ik zal haar schrijven
וְהָיִ֤יתִי
(vehayiti)
en Ik zal zijn
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
לֵֽאלֹהִ֔ים
(lElohim)
tot Elohim
וְהֵ֖מָּה
(vehema)
en zij
יִֽהְיוּ
(yihyu)
zullen zijn
לִ֥י
(li)
voor Mij
לְעָֽם
(leam)
tot een volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’.
בְּקִרְבָּם (beqirbam), ‘in hun binnenste’: het innerlijk van de mens. Het hart is de plaats van denken en willen. Vergelijk Deut. 6:6 en Spr. 3:3.
Het slot is de verbondsformule, zoals in vers 1 en Jer. 30:22.
34Zij zullen niet meer ieder zijn naaste en ieder zijn broer onderwijzen met de woorden: ‘Ken Yahweh.’ Want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste van hen tot de grootste van hen, godsspraak van Yahweh. Want Ik zal hun schuld vergeven, en aan hun zonde zal Ik niet meer denken.”
וְלֹ֧א
(velo)
en niet
יְלַמְּד֣וּ
(yelamedu)
zij zullen onderwijzen
ע֗וֹד
(od)
meer
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
רֵעֵ֜הוּ
(reehu)
zijn naaste
וְאִ֤ישׁ
(veish)
en ieder
אֶת
(et)
(obj.)
אָחִיו֙
(achiv)
zijn broer
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
דְּע֖וּ
(deu)
kent
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
want
כוּלָּם֩
(kulam)
zij allen
יֵדְע֨וּ
(yedeu)
zullen kennen
אוֹתִ֜י
(oti)
Mij
לְמִקְטַנָּ֤ם
(lemiqtanam)
van hun kleinste
וְעַד
(vead)
en tot
גְּדוֹלָם֙
(gedolam)
hun grootste
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֤י
(ki)
want
אֶסְלַח֙
(eslach)
Ik zal vergeven
לַֽעֲוֺנָ֔ם
(laavonam)
hun schuld
וּלְחַטָּאתָ֖ם
(ulechatatam)
en hun zonde
לֹ֥א
(lo)
niet
אֶזְכָּר
(ezkar)
Ik zal gedenken
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דְּעוּ אֶת יְהוָה (de’u et Yahweh), ‘ken Yahweh’: het werkwoord יָדַע (yada) betekent kennen in persoonlijke omgang.
Niemand hoeft een ander meer te leren wie Yahweh is.
אֶסְלַח (eslach), ‘Ik zal vergeven’: het werkwoord סָלַח (salach) wordt in de Bijbel alleen van Elohim gezegd. Zie Num. 14:19–20.
לֹא אֶזְכָּר עוֹד (lo ezkar od), ‘aan hun zonde zal Ik niet meer denken’: letterlijk ‘Ik zal niet meer gedenken’. Vergelijk Ps. 25:7.
35Zo zegt Yahweh, die de zon geeft als licht voor de dag en de ordeningen van maan en sterren als licht voor de nacht, die de zee in beroering brengt, zodat haar golven bruisen: Yahweh van de legermachten is Zijn naam.
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
נֹתֵ֥ן
(noten)
die geeft
שֶׁ֨מֶשׁ֙
(shemesh)
zon
לְא֣וֹר
(leor)
als licht
יוֹמָ֔ם
(yomam)
overdag
חֻקֹּ֛ת
(chuqot)
ordeningen van
יָרֵ֥חַ
(yareach)
maan
וְכוֹכָבִ֖ים
(vekhokhavim)
en sterren
לְא֣וֹר
(leor)
als licht
לָ֑יְלָה
(layela)
's nachts
רֹגַ֤ע
(roga)
die in beroering brengt
הַיָּם֙
(hayam)
de zee
וַיֶּהֱמ֣וּ
(vayehemu)
zodat bruisen
גַלָּ֔יו
(galav)
haar golven
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
שְׁמֽוֹ
(shemo)
is Zijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֻקֹּת (chuqqot), ‘ordeningen’: de vaste regels die Yahweh aan de schepping heeft gegeven.
Zie Gen. 1:14–18, Ps. 148:6 en Jer. 33:25.
רֹגַע הַיָּם (roga hayyam), ‘die de zee in beroering brengt’: dezelfde woorden als in Jes. 51:15.
יְהוָה צְבָאוֹת שְׁמוֹ (Yahweh Tsevaot shemo), ‘Yahweh van de legermachten is Zijn naam’: een slotformule, zoals in Amos 5:27. Zij staat zwart, omdat de profeet over Yahweh in de derde persoon spreekt.
36„Als deze ordeningen van voor Mijn aangezicht wijken, godsspraak van Yahweh, dan zal ook het nageslacht van Israël ophouden een volk te zijn voor Mijn aangezicht, altijd.”
אִם
(im)
als
יָמֻ֜שׁוּ
(yamushu)
wijken
הַחֻקִּ֥ים
(hachuqim)
de ordeningen
הָאֵ֛לֶּה
(haele)
deze
מִלְּפָנַ֖י
(milefanay)
van voor Mijn aangezicht
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
גַּם֩
(gam)
ook
זֶ֨רַע
(zera)
het nageslacht van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
יִשְׁבְּת֗וּ
(yishbetu)
zal ophouden
מִֽהְי֥וֹת
(mihyot)
om te zijn
גּ֛וֹי
(goy)
een volk
לְפָנַ֖י
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zo zeker als de ordeningen van de schepping blijven bestaan, zo zeker blijft Israël een volk voor Yahweh.
כָּל הַיָּמִים (kol hayamim), ‘al de dagen’: altijd.
37Zo zegt Yahweh: „Als de hemel boven gemeten kan worden en de fundamenten van de aarde beneden onderzocht kunnen worden, dan zal ook Ik het hele nageslacht van Israël verwerpen om alles wat zij gedaan hebben, godsspraak van Yahweh.”
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
als
יִמַּ֤דּוּ
(yimadu)
gemeten kunnen worden
שָׁמַ֨יִם֙
(shamayim)
hemel
מִלְמַ֔עְלָה
(milmala)
van boven
וְיֵחָקְר֥וּ
(veyechaqeru)
en onderzocht kunnen worden
מֽוֹסְדֵי
(mosedei)
de fundamenten van
אֶ֖רֶץ
(erets)
aarde
לְמָ֑טָּה
(lemata)
beneden
גַּם
(gam)
ook
אֲנִ֞י
(ani)
Ik
אֶמְאַ֨ס
(emas)
Ik zal verwerpen
בְּכָל
(bekhal)
het hele
זֶ֧רַע
(zera)
nageslacht van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
עַֽל
(al)
om
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
עָשׂ֖וּ
(asu)
zij hebben gedaan
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מוֹסְדֵי אֶרֶץ (mosedei arets), ‘de fundamenten van de aarde’: zie Jes. 24:18.
Zoals de hemel niet gemeten kan worden en de diepte van de aarde niet onderzocht, zo zal Yahweh Israël nooit verwerpen.
40Heel het dal van de lijken en de as en alle velden tot aan de beek Kidron, tot aan de hoek van de Paardenpoort in het oosten, zullen heilig zijn voor Yahweh. Het zal niet meer worden uitgerukt en niet meer worden afgebroken, voor eeuwig.”
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעֵ֣מֶק
(haemeq)
het dal
הַפְּגָרִ֣ים
(hapegarim)
van de lijken
וְהַדֶּ֡שֶׁן
(vehadeshen)
en van de as
וְכָֽל
(vekhal)
en alle
הַשְּׁדֵמוֹת֩
(hashedemot)
de velden
עַד
(ad)
tot
נַ֨חַל
(nachal)
de beek
קִדְר֜וֹן
(qidron)
Kidron
עַד
(ad)
tot
פִּנַּ֨ת
(pinat)
de hoek van
שַׁ֤עַר
(shaar)
de poort
הַסּוּסִים֙
(hasusim)
van de paarden
מִזְרָ֔חָה
(mizracha)
oostwaarts
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heilig
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
לֹֽא
(lo)
niet
יִנָּתֵ֧שׁ
(yinatesh)
zal worden uitgerukt
וְֽלֹא
(velo)
en niet
יֵהָרֵ֛ס
(yehares)
zal worden afgebroken
ע֖וֹד
(od)
meer
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Dal van de lijken en de as (Hinnom): Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem.
Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin.
Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg.
Zie Paardenpoort (ligging onzeker): De Paardenpoort was een poort van Jeruzalem bij het huis van de koning.
De precieze plaats is niet bekend.
Uitleg
הַפְּגָרִים (happegarim), ‘de lijken’: het dal van de lijken en de as is waarschijnlijk het Hinnom-dal, de plaats van de afgoderij waarover Jer. 7:31–32 en 19:5–6 spreken.
De ligging is niet zeker.
Het dal, dat nu een plaats van dood en afval is, wordt heilig.
דֶּשֶׁן (deshen), ‘as’: eigenlijk ‘as van het vet’, de as van de offers.
שְׁדֵמוֹת (shedemot), ‘velden’: de betekenis is niet helemaal zeker, zie 2 Kon. 23:4.
קֹדֶשׁ לַיהוָה (qodesh Yahweh), ‘heilig voor Yahweh’: dezelfde woorden als op de plaat van de hogepriester (Exod. 28:36).
לֹא יִנָּתֵשׁ וְלֹא יֵהָרֵס (lo yinnatesh velo yehares), ‘het zal niet meer worden uitgerukt en niet meer worden afgebroken’: de werkwoorden van vers 28. Wat Yahweh bouwt, wordt niet meer afgebroken.
Lezing
Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) הַשְּׁדֵמוֹת (hashedemot).
De geschreven tekst (ketiv) heeft een resh (ר) in plaats van een dalet (ד); de twee letters lijken op elkaar.
De geschreven vorm geeft geen duidelijke betekenis; het gaat om hetzelfde veld.