Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Jakob roept zijn zonen
1Jakob riep zijn zonen en zei: „Verzamel jullie, dan zal ik jullie vertellen wat jullie in de laatste dagen zal overkomen.
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en hij riep
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
אֶל
(el)
tot
בָּנָ֑יו
(banav)
zijn zonen
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הֵאָֽסְפוּ֙
(heasefu)
verzamelt jullie
וְאַגִּ֣ידָה
(veagida)
en ik zal vertellen
לָכֶ֔ם
(lakhem)
aan jullie
אֵ֛ת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יִקְרָ֥א
(yiqra)
zal overkomen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
בְּאַחֲרִ֥ית
(beacharit)
in het einde van
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
באחרית הימים (be’acharit hayyamim), ‘in de laatste dagen’: de verre toekomst; zie Num. 24:14; Deut. 4:30; Jes. 2:2.
Aanvullend
Jasher 56:7 zegt dat Jakob zijn zonen de volgende dag opnieuw riep en elk van hen zegende; Jubileeën 45:14 zegt dat hij hun alles vertelde wat hun in Egypte en in de laatste dagen zou overkomen.
3Ruben, mijn eerstgeborene ben je, mijn kracht en het eerste van mijn mannelijkheid, uitblinkend in waardigheid en uitblinkend in sterkte.
רְאוּבֵן֙
(reuven)
Ruben
בְּכֹ֣רִי
(bekhori)
mijn eerstgeborene
אַ֔תָּה
(ata)
jij
כֹּחִ֖י
(kochi)
mijn kracht
וְרֵאשִׁ֣ית
(vereshit)
en eerste van
אוֹנִ֑י
(oni)
mijn mannelijkheid
יֶ֥תֶר
(yeter)
uitblinken van
שְׂאֵ֖ת
(seet)
waardigheid
וְיֶ֥תֶר
(veyeter)
en uitblinken van
עָֽז
(az)
sterkte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בכרי אתה (bekhori attah), ‘mijn eerstgeborene ben je’: zie 29:32; 35:22; 1 Kron. 5:1.
יתר שׂאת ויתר עז (yeter se’et veyeter az), ‘uitblinkend in waardigheid en uitblinkend in sterkte’: letterlijk ‘het overschot van verheffing en het overschot van kracht’.
Aanvullend
Jasher 36:15 zegt dat van Ruben het eerstgeboorterecht, het koningschap en het priesterschap werden weggenomen en dat het eerstgeboorterecht aan Jozef werd gegeven.
4Onstuimig als water, je zult niet uitblinken, want je besteeg het bed van je vader; toen ontheiligde je het: mijn sponde besteeg hij.
פַּ֤חַז
(pachaz)
onstuimigheid
כַּמַּ֨יִם֙
(kamayim)
als water
אַל
(al)
niet
תּוֹתַ֔ר
(totar)
zul je uitblinken
כִּ֥י
(ki)
want
עָלִ֖יתָ
(alita)
je besteeg
מִשְׁכְּבֵ֣י
(mishkevei)
bedden van
אָבִ֑יךָ
(avikha)
je vader
אָ֥ז
(az)
toen
חִלַּ֖לְתָּ
(chilalta)
je ontheiligde
יְצוּעִ֥י
(yetsui)
mijn sponde
עָלָֽה
(ala)
besteeg hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פחז (pachaz), ‘onstuimig’: een zeldzaam woord; de betekenis is niet zeker (‘onstuimig’, ‘overmoedig’).
אז חללת יצועי עלה (az chillalta yetsu’i alah), ‘toen ontheiligde je het: mijn sponde besteeg hij’: de wisseling van ‘je’ naar ‘hij’ is in de tekst zelf.
5Simeon en Levi zijn broers, werktuigen van geweld zijn hun zwaarden.
שִׁמְע֥וֹן
(shimon)
Simeon
וְלֵוִ֖י
(velevi)
en Levi
אַחִ֑ים
(achim)
broers
כְּלֵ֥י
(kelei)
werktuigen van
חָמָ֖ס
(chamas)
geweld
מְכֵרֹתֵיהֶֽם
(mekheroteihem)
hun zwaarden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כלי חמס מכרתיהם (kelei chamas mekheroteihem), ‘werktuigen van geweld zijn hun zwaarden’: mekherot komt alleen hier voor; ‘zwaarden’, ‘wapens’ of ‘plannen’ zijn voorgesteld.
6Moge mijn ziel niet komen in hun raad, moge mijn eer zich niet verbinden met hun vergadering; want in hun toorn hebben zij mannen gedood en naar hun welgevallen hebben zij een stier de pezen doorgesneden.
בְּסֹדָם֙
(besodam)
in hun raad
אַל
(al)
niet
תָּבֹ֣א
(tavo)
moge komen
נַפְשִׁ֔י
(nafshi)
mijn ziel
בִּקְהָלָ֖ם
(biqhalam)
in hun vergadering
אַל
(al)
niet
תֵּחַ֣ד
(techad)
moge zich verbinden
כְּבֹדִ֑י
(kevodi)
mijn eer
כִּ֤י
(ki)
want
בְאַפָּם֙
(beapam)
in hun toorn
הָ֣רְגוּ
(haregu)
hebben ze gedood
אִ֔ישׁ
(ish)
een man
וּבִרְצֹנָ֖ם
(uvirtsonam)
en naar hun welgevallen
עִקְּרוּ
(iqeru)
hebben ze de pezen doorgesneden
שֽׁוֹר
(shor)
een stier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וברצנם עקרו שׁור (uvirtsonam ikkeru shor), ‘naar hun welgevallen hebben zij een stier de pezen doorgesneden’: sommige oude vertalingen lezen shur, ‘muur’: ‘zij braken een muur af’.
7Vervloekt is hun toorn, want hij is hevig, en hun woede, want zij is wreed. Ik zal hen verdelen in Jakob en hen verspreiden in Israël.
אָר֤וּר
(arur)
vervloekt
אַפָּם֙
(apam)
hun toorn
כִּ֣י
(ki)
want
עָ֔ז
(az)
hevig
וְעֶבְרָתָ֖ם
(veevratam)
en hun woede
כִּ֣י
(ki)
want
קָשָׁ֑תָה
(qashata)
wreed is zij
אֲחַלְּקֵ֣ם
(achaleqem)
ik zal hen verdelen
בְּיַעֲקֹ֔ב
(beyaaqov)
in Jakob
וַאֲפִיצֵ֖ם
(vaafitsem)
en ik zal hen verspreiden
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אחלקם ביעקב ואפיצם בישׂראל (achallekem beYa’aqov va’afitsem beYisra’el), ‘ik zal hen verdelen in Jakob en hen verspreiden in Israël’: Levi kreeg geen eigen land, zie Deut. 18:1; Simeons steden lagen binnen Juda, zie Joz. 19:1.
9Een leeuwenwelp is Juda; van de prooi ben je opgekomen, mijn zoon. Hij heeft zich gebogen, hij ligt als een leeuw en als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?
גּ֤וּר
(gur)
welp van
אַרְיֵה֙
(arye)
een leeuw
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
מִטֶּ֖רֶף
(miteref)
van de prooi
בְּנִ֣י
(beni)
mijn zoon
עָלִ֑יתָ
(alita)
ben je opgekomen
כָּרַ֨ע
(kara)
hij heeft zich gebogen
רָבַ֧ץ
(ravats)
hij ligt
כְּאַרְיֵ֛ה
(kearye)
als een leeuw
וּכְלָבִ֖יא
(ukhelavi)
en als een leeuwin
מִ֥י
(mi)
wie
יְקִימֶֽנּוּ
(yeqimenu)
zal hem doen opstaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גור אריה (gur aryeh), ‘een leeuwenwelp’: zie Num. 24:9.
מי יקימנו (mi yeqimennu), ‘wie zal hem doen opstaan?’
11Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok en het veulen van zijn ezelin aan de edele rank; hij wast zijn kleed in wijn en zijn mantel in druivenbloed.
אֹסְרִ֤י
(oseri)
bindend
לַגֶּ֨פֶן֙
(lagefen)
aan de wijnstok
עירה
(yr)
zijn jonge ezel (geschreven)
עִיר֔וֹ
(iro)
zijn jonge ezel
וְלַשֹּׂרֵקָ֖ה
(velasoreqa)
en aan de edele rank
בְּנִ֣י
(beni)
zoon van
אֲתֹנ֑וֹ
(atono)
zijn ezelin
כִּבֵּ֤ס
(kibes)
hij wast
בַּיַּ֨יִן֙
(bayayin)
in wijn
לְבֻשׁ֔וֹ
(levusho)
zijn kleed
וּבְדַם
(uvedam)
en in bloed van
עֲנָבִ֖ים
(anavim)
druiven
סותה
(svt)
zijn mantel (geschreven)
סוּתֽוֹ
(suto)
zijn mantel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier is de gelezen vorm gevolgd.
Hier is de gelezen vorm gevolgd.
ולשׂרקה (velasoreqah), ‘en aan de edele rank’: sorek is een edele wijnstok, zie Jes. 5:2; Jer. 2:21.
Lezing
Lezing: het geschreven woord is עירה (irah), ‘zijn jonge ezel’; de Masoreten laten het lezen als עירו (iro).
Lezing: het geschreven woord is סותה (sutah), ‘zijn mantel’; de Masoreten laten het lezen als סותו (suto).
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לישׁועתך קויתי יהוה (lishu’atkha qivviti Yahweh), ‘op Uw redding hoop ik, Yahweh’: een onverwachte, korte zin tussen de zegen over Dan en die over Gad; zie Jes. 25:9.
19Gad, een bende zal hem bestormen, maar hij zal hun hielen bestormen.
גָּ֖ד
(gad)
Gad
גְּד֣וּד
(gedud)
een bende
יְגוּדֶ֑נּוּ
(yegudenu)
zal hem aanvallen
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
יָגֻ֥ד
(yagud)
zal aanvallen
עָקֵֽב
(aqev)
de hiel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גד גדוד יגודנו והוא יגד עקב (Gad gedud yegudennu vehu yagud aqev), ‘Gad, een bende zal hem bestormen, maar hij zal de hiel bestormen’: een klankspel met gad, gedud en gud; zie 30:11; 1 Kron. 5:18–22.
24Maar zijn boog bleef vast en de armen van zijn handen werden soepel door de handen van de Machtige van Jakob, vandaar de Herder, de Steen van Israël,
וַתֵּ֤שֶׁב
(vateshev)
en bleef
בְּאֵיתָן֙
(beeitan)
in vastheid
קַשְׁתּ֔וֹ
(qashto)
zijn boog
וַיָּפֹ֖זּוּ
(vayafozu)
en ze werden soepel
זְרֹעֵ֣י
(zeroei)
armen van
יָדָ֑יו
(yadav)
zijn handen
מִידֵי֙
(midei)
door de handen van
אֲבִ֣יר
(avir)
de Machtige van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
מִשָּׁ֥ם
(misham)
vandaar
רֹעֶ֖ה
(roe)
herder
אֶ֥בֶן
(even)
steen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מידי אביר יעקב (miydei avir Ya’aqov), ‘door de handen van de Machtige van Jakob’: avir is een oude titel van God; zie Ps. 132:2, 5; Jes. 49:26.
רעה אבן ישׂראל (ro’eh even Yisra’el), ‘de Herder, de Steen van Israël’: zie 48:15; Ps. 80:2.
25door de El van je vader, die je helpt, en door Sjaddai, die je zegent: zegeningen van de hemel boven, zegeningen van de diepte die onderaan ligt, zegeningen van borsten en schoot.
מֵאֵ֨ל
(meel)
van El
אָבִ֜יךָ
(avikha)
je vader
וְיַעְזְרֶ֗ךָּ
(veyazereka)
en hij helpt je
וְאֵ֤ת
(veet)
en met
שַׁדַּי֙
(shaday)
Sjaddai
וִיבָ֣רְכֶ֔ךָּ
(vivarekheka)
en hij zegent je
בִּרְכֹ֤ת
(birkhot)
zegeningen van
שָׁמַ֨יִם֙
(shamayim)
hemel
מֵעָ֔ל
(meal)
boven
בִּרְכֹ֥ת
(birkhot)
zegeningen van
תְּה֖וֹם
(tehom)
diepte
רֹבֶ֣צֶת
(rovetset)
liggend
תָּ֑חַת
(tachat)
onder
בִּרְכֹ֥ת
(birkhot)
zegeningen van
שָׁדַ֖יִם
(shadayim)
borsten
וָרָֽחַם
(varacham)
en schoot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ואת שׁדי (ve’et Shaddai), ‘en door Sjaddai’: zie 17:1; 28:3; 35:11; 43:14.
ברכת שׁדים ורחם (birkhot shadayim varacham), ‘zegeningen van borsten en schoot’: een klankspel met Sjaddai.
26De zegeningen van je vader zijn machtiger dan de zegeningen van mijn voorouders, tot de begeerte van de eeuwige heuvels; zij zullen komen op het hoofd van Jozef en op de schedel van de uitverkorene onder zijn broers.
בִּרְכֹ֣ת
(birkhot)
zegeningen van
אָבִ֗יךָ
(avikha)
je vader
גָּֽבְרוּ֙
(gaveru)
zijn machtig
עַל
(al)
boven
בִּרְכֹ֣ת
(birkhot)
zegeningen van
הוֹרַ֔י
(horay)
mijn voorouders
עַֽד
(ad)
tot
תַּאֲוַ֖ת
(taavat)
begeerte van
גִּבְעֹ֣ת
(givot)
heuvels van
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwigheid
תִּֽהְיֶ֨ין֙
(tihyein)
zullen zijn
לְרֹ֣אשׁ
(lerosh)
op het hoofd van
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
וּלְקָדְקֹ֖ד
(uleqadeqod)
en op de schedel van
נְזִ֥יר
(nezir)
uitverkorene van
אֶחָֽיו
(echav)
zijn broers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תאות גבעת עולם (ta’avat givot olam), ‘de begeerte van de eeuwige heuvels’: zie Deut. 33:15; Hab. 3:6.
ולקדקד נזיר אחיו (uleqodqod nezir echav), ‘en op de schedel van de uitverkorene onder zijn broers’: zie Deut. 33:16.
30in de grot die in het veld van Machpela is, tegenover Mamre, in het land Kanaän, het veld dat Abraham gekocht heeft van Efron de Hetiet als bezit voor een graf.
בַּמְּעָרָ֞ה
(bameara)
in de grot
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
בִּשְׂדֵ֧ה
(bisde)
in het veld van
הַמַּכְפֵּלָ֛ה
(hamakhpela)
de Machpela
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
פְּנֵי
(penei)
het gezicht van
מַמְרֵ֖א
(mamre)
Mamre
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
קָנָ֨ה
(qana)
kocht
אַבְרָהָ֜ם
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַשָּׂדֶ֗ה
(hasade)
het veld
מֵאֵ֛ת
(meet)
van bij
עֶפְרֹ֥ן
(efron)
Efron
הַחִתִּ֖י
(hachiti)
de Hetiet
לַאֲחֻזַּת
(laachuzat)
als bezit van
קָֽבֶר
(qaver)
graf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda.
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Uitleg
המכפלה (haMakhpelah), ‘de Machpela’: de grot die Abraham kocht, zie 23:17–20.
Aanvullend
Jasher 56:3–4 zegt dat Jakob zijn zonen liet zweren hem in Machpela te begraven.