Elohim Bijbel

Psalmen 12

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Red, Yahweh, want de getrouwe is verdwenen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Opschrift

1Voor de koorleider, op de achtste. Een psalm van David.
לַמְנַצֵּ֥חַ
(lamnatseach)
voor de koorleider
עַֽל
(al)
op
הַשְּׁמִינִ֗ית
(hasheminit)
de achtste
מִזְמ֥וֹר
(mizmor)
een psalm
לְדָוִֽד
(ledavid)
van David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de Hebreeuwse telling is het opschrift vers 1; Nederlandse bijbels beginnen te tellen na het opschrift.

לַמְנַצֵּחַ (lamnatseach), ‘voor de koorleider’: onzeker, zie bij Ps. 4:1.

עַל־הַשְּׁמִינִית (al hasheminit), ‘op de achtste’: een muziekterm, vermoedelijk een achtsnarig instrument of de achtste toon. De betekenis is onzeker. Zie ook 1 Kron. 15:21, waar hetzelfde woord als ‘sjeminit’ is overgenomen.

Leugen en gladde lippen

2Red, Yahweh, want de getrouwe is verdwenen. Want de betrouwbaren zijn weg onder de mensenkinderen.
הוֹשִׁ֣יעָה
(hoshia)
red
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
כִּי
(ki)
want
גָמַ֣ר
(gamar)
is verdwenen
חָסִ֑יד
(chasid)
de getrouwe
כִּי
(ki)
want
פַ֥סּוּ
(pasu)
zijn weg
אֱ֝מוּנִ֗ים
(emunim)
de betrouwbaren
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
onder de kinderen van
אָדָֽם
(adam)
mensen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָסִיד (chasid), ‘de getrouwe’: iemand die trouw (chesed) bewijst en houdt aan het verbond.

אֱמוּנִים (emunim), ‘de betrouwbaren’: mensen op wie je kunt bouwen.

3Leugen spreken zij, ieder tegen zijn naaste. Met gladde lippen en een dubbel hart spreken zij.
שָׁ֤וְא
(shave)
leugen
יְֽדַבְּרוּ֮
(yedaberu)
zij spreken
אִ֤ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
רֵ֫עֵ֥הוּ
(reehu)
zijn naaste
שְׂפַ֥ת
(sefat)
lippen van
חֲלָק֑וֹת
(chalaqot)
gladheden
בְּלֵ֖ב
(belev)
met hart
וָלֵ֣ב
(valev)
en hart
יְדַבֵּֽרוּ
(yedaberu)
zij spreken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּלֵב וָלֵב (belev valev), letterlijk ‘met hart en hart’: dubbelhartig, met een hart voor de ene en een hart voor de andere zaak.

Zie ook 1 Kron. 12:34.

4Moge Yahweh alle gladde lippen afsnijden, de tong die grote dingen spreekt.
יַכְרֵ֣ת
(yakhret)
moge afsnijden
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
כָּל
(kal)
alle
שִׂפְתֵ֣י
(siftei)
lippen van
חֲלָק֑וֹת
(chalaqot)
gladheden
לָ֝שׁ֗וֹן
(lashon)
tong
מְדַבֶּ֥רֶת
(medaberet)
sprekende
גְּדֹלֽוֹת
(gedolot)
grote dingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Zij zeggen: „Met onze tong zijn wij sterk. Onze lippen zijn met ons. Wie is heer over ons?”
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
אָֽמְר֨וּ
(ameru)
zij zeggen
לִלְשֹׁנֵ֣נוּ
(lilshonenu)
met onze tong
נַ֭גְבִּיר
(nagbir)
wij zijn sterk
שְׂפָתֵ֣ינוּ
(sefateinu)
onze lippen
אִתָּ֑נוּ
(itanu)
met ons
מִ֖י
(mi)
wie
אָד֣וֹן
(adon)
heer
לָֽנוּ
(lanu)
over ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh staat op

6„Vanwege de plundering van de ellendigen, vanwege het zuchten van de armen sta Ik nu op,” zegt Yahweh. „Ik breng in redding wie ernaar snakt.”
מִשֹּׁ֥ד
(mishod)
vanwege de plundering van
עֲנִיִּים֮
(aniyim)
de ellendigen
מֵאַנְקַ֪ת
(meanqat)
vanwege het zuchten van
אֶבְי֫וֹנִ֥ים
(evyonim)
de armen
עַתָּ֣ה
(ata)
nu
אָ֭קוּם
(aqum)
sta Ik op
יֹאמַ֣ר
(yomar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אָשִׁ֥ית
(ashit)
Ik breng
בְּ֝יֵ֗שַׁע
(beyesha)
in redding
יָפִ֥יחַֽ
(yafiach)
hij snakt
לֽוֹ
(lo)
ernaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit zijn woorden van Yahweh zelf.

Daarom staan ze rood.

De dichter laat Yahweh antwoorden op het zuchten van de armen.

עָנִי (ani), ‘ellendige’: iemand die klein en gedrukt is. אֶבְיוֹן (evyon), ‘arme’: iemand die niets heeft en op hulp wacht.

Lezing

יָפִיחַ לוֹ (yafiach lo) is moeilijk.

Het werkwoord kan ‘snakken’ of ‘blazen’ betekenen.

Wij vertalen ‘wie ernaar snakt’.

Het kan ook luiden: ‘tegen wie hij blaast’ (zijn belager die hem smaadt).

De woorden van Yahweh zijn zuiver

7De woorden van Yahweh zijn zuivere woorden, zilver gelouterd in een smeltoven in de aarde, zevenmaal gezuiverd.
אִֽמֲר֣וֹת
(imarot)
woorden van
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
אֲמָר֪וֹת
(amarot)
woorden
טְהֹ֫ר֥וֹת
(tehorot)
zuivere
כֶּ֣סֶף
(kesef)
zilver
צָ֭רוּף
(tsaruf)
gelouterd
בַּעֲלִ֣יל
(baalil)
in een smeltoven
לָאָ֑רֶץ
(laarets)
in de aarde
מְ֝זֻקָּ֗ק
(mezuqaq)
gezuiverd
שִׁבְעָתָֽיִם
(shivatayim)
zevenmaal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צָרוּף (tsaruf), ‘gelouterd’ en מְזֻקָּק (mezuqqaq), ‘gezuiverd’: zilver dat in het vuur van onzuiverheid is bevrijd.

Zie ook Ps. 18:31.

עֲלִיל (alil), ‘smeltoven’: een zeldzaam woord; de betekenis is onzeker. ‘Zevenmaal’ wijst op volledigheid.

8U, Yahweh, zult hen bewaren. U zult hem behoeden voor dit geslacht, voor eeuwig.
אַתָּֽה
(ata)
U
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
תִּשְׁמְרֵ֑ם
(tishmerem)
U zult hen bewaren
תִּצְּרֶ֓נּוּ
(titserenu)
U zult hem behoeden
מִן
(min)
van
הַדּ֖וֹר
(hador)
het geslacht
ז֣וּ
(zu)
dit
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws wisselt van ‘hen’ (tishmerem) naar ‘hem’ (titsserennu).

Wij laten dat zo staan.

Wie met ‘hen’ en ‘hem’ bedoeld is, is niet zeker; waarschijnlijk de ellendigen en armen van vers 6.

9Overal lopen de goddelozen rond, terwijl gemeenheid onder de mensenkinderen wordt verheven.
סָבִ֗יב
(saviv)
rondom
רְשָׁעִ֥ים
(reshaim)
goddelozen
יִתְהַלָּכ֑וּן
(yithalakhun)
zij lopen rond
כְּרֻ֥ם
(kerum)
wanneer verheven wordt
זֻ֝לּ֗וּת
(zulut)
gemeenheid
לִבְנֵ֥י
(livnei)
onder de kinderen van
אָדָֽם
(adam)
mensen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זֻלּוּת (zulut), ‘gemeenheid’: een zeldzaam woord; de betekenis is onzeker.

Het vers zegt dat de goddelozen vrij rondlopen als gemeenheid onder mensen geëerd wordt.