Elohim Bijbel

Psalmen 10

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Klacht over de goddeloze en vertrouwen op Yahweh als koning

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Waarom staat U in de verte?

1Waarom staat U, Yahweh, in de verte? Waarom verbergt U Zich in tijden van nood?
לָמָ֣ה
(lama)
waarom
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
תַּעֲמֹ֣ד
(taamod)
staat U
בְּרָח֑וֹק
(berachoq)
in de verte
תַּ֝עְלִ֗ים
(talim)
verbergt U Zich
לְעִתּ֥וֹת
(leitot)
in tijden
בַּצָּרָֽה
(batsara)
van nood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Psalm 10 heeft geen opschrift en hoort bij Psalm 9: samen vormen zij een alfabetische reeks.

Zie bij Ps. 9:1.

2In hoogmoed jaagt de goddeloze de ellendige na. Laat hen gegrepen worden in de plannen die zij bedacht hebben.
בְּגַאֲוַ֣ת
(begaavat)
in hoogmoed
רָ֭שָׁע
(rasha)
de goddeloze
יִדְלַ֣ק
(yidlaq)
jaagt na
עָנִ֑י
(ani)
de ellendige
יִתָּפְשׂ֓וּ
(yitafesu)
laat hen gegrepen worden
בִּמְזִמּ֖וֹת
(bimzimot)
in plannen
ז֣וּ
(zu)
die
חָשָֽׁבוּ
(chashavu)
zij bedachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De goddeloze en zijn plannen

3Want de goddeloze pocht op het verlangen van zijn ziel, en de roofzuchtige zegent hij, maar Yahweh veracht hij.
כִּֽי
(ki)
want
הִלֵּ֣ל
(hilel)
pocht
רָ֭שָׁע
(rasha)
de goddeloze
עַל
(al)
op
תַּאֲוַ֣ת
(taavat)
het verlangen van
נַפְשׁ֑וֹ
(nafsho)
zijn ziel
וּבֹצֵ֥עַ
(uvotsea)
en de roofzuchtige
בֵּ֝רֵ֗ךְ
(berekh)
zegent hij
נִ֘אֵ֥ץ
(niets)
veracht hij
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּרֵךְ (berekh), ‘zegent’: dit werkwoord kan ook ‘vervloeken’ betekenen.

De zin kan dus zijn: ‘de roofzuchtige zegent hij en Yahweh vervloekt hij’, of ‘de roofzuchtige zegent zichzelf’.

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het leven of de hele persoon.

4De goddeloze houdt zijn neus hoog en zoekt niet. Al zijn plannen zijn: „Er is geen Elohim.”
רָשָׁ֗ע
(rasha)
de goddeloze
כְּגֹ֣בַהּ
(kegovah)
naar de hoogte van
אַ֭פּוֹ
(apo)
zijn neus
בַּל
(bal)
niet
יִדְרֹ֑שׁ
(yidrosh)
zoekt hij
אֵ֥ין
(ein)
er is geen
אֱ֝לֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
כָּל
(kal)
al
מְזִמּוֹתָֽיו
(mezimotav)
zijn plannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דָּרַשׁ (darash), ‘zoeken, opeisen’: het werkwoord staat in de verzen 4, 13 en 15.

De goddeloze zoekt Elohim niet (vers 4) en denkt dat Elohim geen rekenschap vraagt (vers 13); Yahweh zal zijn goddeloosheid opeisen (vers 15).

בִּגְבַהּ אַפּוֹ (kigvoah appo), ‘naar de hoogte van zijn neus’: een uitdrukking voor hoogmoed.

5Zijn wegen gelukken te allen tijde. Uw oordelen zijn te hoog, buiten zijn zicht. Al zijn belagers snuift hij minachtend toe.
יָ֘חִ֤ילוּ
(yachilu)
slagen
דְרָכָ֨יו
(derakhav)
zijn wegen
בְּכָל
(bekhal)
op elk
עֵ֗ת
(et)
tijdstip
מָר֣וֹם
(marom)
hoog
מִ֭שְׁפָּטֶיךָ
(mishpateikha)
Uw oordelen
מִנֶּגְדּ֑וֹ
(minegdo)
buiten zijn zicht
כָּל
(kal)
al
צ֝וֹרְרָ֗יו
(tsorerav)
zijn belagers
יָפִ֥יחַ
(yafiach)
snuift hij minachtend
בָּהֶֽם
(bahem)
op hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָפִיחַ (yafiach), ‘hij snuift minachtend’: hij blaast naar hen.

Lezing

יָחִילוּ (yachilu), ‘zij slagen’: de betekenis is onzeker; het werkwoord kan ook ‘wordt krachtig’ of ‘draait zich (in pijn)’ betekenen.

Het geschreven woord (ketiv) is דרכו (darko), ‘zijn weg’.

De te lezen vorm (qere) is דרכיו (derakhav), ‘zijn wegen’.

Wij volgen de qere.

6Hij zegt in zijn hart: „Ik zal niet wankelen. Van geslacht op geslacht overkomt mij geen kwaad.”
אָמַ֣ר
(amar)
hij zegt
בְּ֭לִבּוֹ
(belibo)
in zijn hart
בַּל
(bal)
niet
אֶמּ֑וֹט
(emot)
zal ik wankelen
לְדֹ֥ר
(ledor)
van geslacht
וָ֝דֹ֗ר
(vador)
en geslacht
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
בְרָֽע
(bera)
in het kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Zijn mond is vol vloek, bedrog en onderdrukking. Onder zijn tong zijn moeite en onheil.
אָלָ֤ה
(ala)
vloek
פִּ֣יהוּ
(pihu)
zijn mond
מָ֭לֵא
(male)
is vol
וּמִרְמ֣וֹת
(umirmot)
en bedrog
וָתֹ֑ךְ
(vatokh)
en onderdrukking
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
לְ֝שׁוֹנ֗וֹ
(leshono)
zijn tong
עָמָ֥ל
(amal)
moeite
וָאָֽוֶן
(vaaven)
en onheil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Hij zit in een hinderlaag bij de dorpen. In schuilplaatsen doodt hij de onschuldige. Zijn ogen loeren op de weerloze.
יֵשֵׁ֤ב
(yeshev)
hij zit
בְּמַאְרַ֬ב
(bemarav)
in een hinderlaag van
חֲצֵרִ֗ים
(chatserim)
dorpen
בַּֽ֭מִּסְתָּרִים
(bamistarim)
in schuilplaatsen
יַהֲרֹ֣ג
(yaharog)
doodt hij
נָקִ֑י
(naqi)
de onschuldige
עֵ֝ינָ֗יו
(einav)
zijn ogen
לְֽחֵלְכָ֥ה
(lechelekha)
op de weerloze
יִצְפֹּֽנוּ
(yitsponu)
loeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶלְכָּה (chelkah), ‘weerloze’: onzeker; waarschijnlijk iemand die ongelukkig en zonder hulp is.

Het woord komt ook voor in de verzen 10 en 14.

9Hij loert in een schuilplaats als een leeuw in zijn hol. Hij loert om de ellendige te grijpen. Hij grijpt de ellendige door hem in zijn net te trekken.
יֶאֱרֹ֬ב
(yeerov)
hij loert
בַּמִּסְתָּ֨ר
(bamistar)
in een schuilplaats
כְּאַרְיֵ֬ה
(kearye)
als een leeuw
בְסֻכֹּ֗ה
(besuko)
in zijn hol
יֶ֭אֱרֹב
(yeerov)
hij loert
לַחֲט֣וֹף
(lachatof)
om te grijpen
עָנִ֑י
(ani)
de ellendige
יַחְטֹ֥ף
(yachtof)
hij grijpt
עָ֝נִ֗י
(ani)
de ellendige
בְּמָשְׁכ֥וֹ
(bemashekho)
door hem binnen te trekken
בְרִשְׁתּֽוֹ
(berishto)
in zijn net
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Hij kromt zich en duikt weg, en de ongelukkige weerlozen vallen door zijn sterken.
יִדְכֶּ֥ה
(yidke)
hij kromt zich
יָשֹׁ֑חַ
(yashoach)
hij duikt weg
וְנָפַ֥ל
(venafal)
en valt
בַּ֝עֲצוּמָ֗יו
(baatsumav)
door zijn sterken
חֵ֣יל
(cheil)
de weerlozen
כָּאִֽים
(kaim)
de ongelukkigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is ודכה (vedakhah), ‘en hij wordt verpletterd’, en חלכאים (chelka’im), ‘ongelukkigen’.

De te lezen vormen (qere) zijn ידכה (yidkeh), ‘hij kromt zich’, en חיל כאים (chel ka’im), ‘weerlozen, ongelukkigen’.

Wij volgen de qere.

De tekst blijft moeilijk.

11Hij zegt in zijn hart: „El heeft het vergeten. Hij heeft Zijn aangezicht verborgen. Hij ziet het nooit.”
אָמַ֣ר
(amar)
hij zegt
בְּ֭לִבּוֹ
(belibo)
in zijn hart
שָׁ֣כַֽח
(shakhach)
heeft vergeten
אֵ֑ל
(el)
El
הִסְתִּ֥יר
(histir)
heeft verborgen
פָּ֝נָ֗יו
(panav)
Zijn aangezicht
בַּל
(bal)
niet
רָאָ֥ה
(raa)
ziet
לָנֶֽצַח
(lanetsach)
voorgoed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Sta op, Yahweh

12Sta op, Yahweh. El, hef Uw hand op. Vergeet de nederigen niet.
קוּמָ֤ה
(quma)
sta op
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵ֭ל
(el)
El
נְשָׂ֣א
(nesa)
hef op
יָדֶ֑ךָ
(yadekha)
Uw hand
אַל
(al)
niet
תִּשְׁכַּ֥ח
(tishkach)
vergeet
עֲנָוִֽים
(anavim)
nederigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is עניים (aniyyim), ‘ellendigen’.

De te lezen vorm (qere) is ענוים (anavim), ‘nederigen’.

Wij volgen de qere.

13Waarom veracht de goddeloze Elohim? Hij zegt in zijn hart: „U vraagt geen rekenschap.”
עַל
(al)
waarom
מֶ֤ה
(me)
(wat)
נִאֵ֖ץ
(niets)
veracht
רָשָׁ֥ע
(rasha)
de goddeloze
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
אָמַ֥ר
(amar)
hij zegt
בְּ֝לִבּ֗וֹ
(belibo)
in zijn hart
לֹ֣א
(lo)
niet
תִּדְרֹֽשׁ
(tidrosh)
vraagt U rekenschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14U hebt het gezien. Want U kijkt naar moeite en verdriet, om het in Uw hand te nemen. Op U laat de weerloze het over. Voor de wees bent U een helper geweest.
רָאִ֡תָה
(raita)
U hebt gezien
כִּֽי
(ki)
want
אַתָּ֤ה
(ata)
U
עָ֘מָ֤ל
(amal)
moeite
וָכַ֨עַס
(vakhaas)
en verdriet
תַּבִּיט֮
(tabit)
kijkt
לָתֵ֪ת
(latet)
om te geven
בְּיָ֫דֶ֥ךָ
(beyadekha)
in Uw hand
עָ֭לֶיךָ
(aleikha)
op U
יַעֲזֹ֣ב
(yaazov)
laat over
חֵלֶ֑כָה
(chelekha)
de weerloze
יָ֝ת֗וֹם
(yatom)
de wees
אַתָּ֤ה
(ata)
U
הָיִ֬יתָ
(hayita)
bent geweest
עוֹזֵֽר
(ozer)
helper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לָתֵת בְּיָדֶךָ (latet beyadekha), ‘om het in Uw hand te geven’: om het zelf te nemen en recht te doen.

15Breek de arm van de goddeloze en van de kwade. Vraag zijn goddeloosheid op, totdat U niets meer vindt.
שְׁ֭בֹר
(shevor)
breek
זְר֣וֹעַ
(zeroa)
de arm van
רָשָׁ֑ע
(rasha)
de goddeloze
וָ֝רָ֗ע
(vara)
en van de kwade
תִּֽדְרוֹשׁ
(tidrosh)
vraagt U op
רִשְׁע֥וֹ
(risho)
zijn goddeloosheid
בַל
(bal)
niet
תִּמְצָֽא
(timtsa)
vindt U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh is koning

16Yahweh is koning voor eeuwig en altijd. De volken zijn uit Zijn land verdwenen.
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
מֶ֭לֶךְ
(melekh)
koning
עוֹלָ֣ם
(olam)
voor eeuwig
וָעֶ֑ד
(vaed)
en altijd
אָבְד֥וּ
(avedu)
zijn verdwenen
ג֝וֹיִ֗ם
(goyim)
volken
מֵֽאַרְצֽוֹ
(meartso)
uit Zijn land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Yahweh is koning’ is een belijdenis die in andere psalmen terugkomt, bijvoorbeeld in Ps. 93:1 en 97:1.

17Het verlangen van de nederigen hebt U gehoord, Yahweh. U maakt hun hart vast en laat Uw oor luisteren,
תַּאֲוַ֬ת
(taavat)
het verlangen van
עֲנָוִ֣ים
(anavim)
nederigen
שָׁמַ֣עְתָּ
(shamata)
hebt U gehoord
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
תָּכִ֥ין
(takhin)
maakt U vast
לִ֝בָּ֗ם
(libam)
hun hart
תַּקְשִׁ֥יב
(taqshiv)
laat U luisteren
אָזְנֶֽךָ
(azenekha)
Uw oor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18om recht te doen aan de wees en de verdrukte, zodat de sterfelijke mens van de aarde niet langer schrik aanjaagt.
לִשְׁפֹּ֥ט
(lishpot)
om recht te doen
יָת֗וֹם
(yatom)
aan de wees
וָ֫דָ֥ךְ
(vadakh)
en de verdrukte
בַּל
(bal)
niet
יוֹסִ֥יף
(yosif)
zal voortgaan
ע֑וֹד
(od)
nog
לַעֲרֹ֥ץ
(laarots)
om schrik aan te jagen
אֱ֝נ֗וֹשׁ
(enosh)
de mens
מִן
(min)
van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)