Elohim Bijbel

Psalmen 53

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

De dwaas zegt: er is geen Elohim

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Opschrift

1Voor de koorleider. Op Machalat. Een maskil van David.
לַמְנַצֵּ֥חַ
(lamnatseach)
voor de koorleider
עַֽל
(al)
op
מָחֲלַ֗ת
(machalat)
Machalat
מַשְׂכִּ֥יל
(maskil)
maskil
לְדָוִֽד
(ledavid)
van David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de Hebreeuwse telling is het opschrift vers 1; Nederlandse bijbels beginnen te tellen na het opschrift.

Psalm 14 heeft bijna dezelfde tekst. In de Elohistische psalter (Ps. 42–83) staat hier Elohim waar Ps. 14 Yahweh heeft (vers 3, 5 en 7). Vers 6 is hier veel langer dan Ps. 14:5–6.

לַמְנַצֵּחַ (lamnatseach), ‘voor de koorleider’: onzeker, zie bij Ps. 4:1.

עַל־מָחֲלַת (al-machalat), ‘op Machalat’: een muziekterm; de betekenis is onzeker. Het kan een melodie, een instrument of een thema zijn (het woord lijkt op ‘ziekte’ of ‘reidans’). Wij laten het staan. Zie ook Ps. 88:1.

מַשְׂכִּיל (maskil): de betekenis is onzeker, misschien ‘een lied met inzicht’ of ‘een kunstig lied’. Wij laten het woord staan.

De dwaas en zijn daden

2De dwaas zegt in zijn hart: „Er is geen Elohim.” Zij zijn verdorven en hebben gruwelijk onrecht gedaan. Er is niemand die goed doet.
אָ֘מַ֤ר
(amar)
zegt
נָבָ֣ל
(naval)
de dwaas
בְּ֭לִבּוֹ
(belibo)
in zijn hart
אֵ֣ין
(ein)
er is niet
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
הִֽ֝שְׁחִ֗יתוּ
(hishchitu)
zij zijn verdorven
וְהִֽתְעִ֥יבוּ
(vehitivu)
en zij hebben gruwelijk gemaakt
עָ֝֗וֶל
(avel)
onrecht
אֵ֣ין
(ein)
er is niet
עֹֽשֵׂה
(ose)
iemand die doet
טֽוֹב
(tov)
goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָבָל (naval), ‘dwaas’: iemand die zonder ontzag voor Elohim leeft; het gaat niet om een gebrek aan verstand.

Zie ook 1 Sam. 25:25.

In Ps. 14:1 staat ‘hun daden zijn afschuwelijk’ (עֲלִילָה); hier staat עָוֶל (avel), ‘onrecht’.

Elohim kijkt neer vanuit de hemel

3Elohim kijkt vanuit de hemel neer op de mensenkinderen, om te zien of er iemand is met inzicht, iemand die Elohim zoekt.
אֱֽלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
מִשָּׁמַיִם֮
(mishamayim)
vanuit de hemel
הִשְׁקִ֪יף
(hishqif)
kijkt neer
עַֽל
(al)
op
בְּנֵ֫י
(benei)
de kinderen van
אָדָ֥ם
(adam)
mensen
לִ֭רְאוֹת
(lirot)
om te zien
הֲיֵ֣שׁ
(hayesh)
is er
מַשְׂכִּ֑יל
(maskil)
iemand met inzicht
דֹּ֝רֵ֗שׁ
(doresh)
iemand die zoekt
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַשְׂכִּיל (maskil), ‘iemand met inzicht’: hetzelfde woord als in het opschrift.

4Allen zijn afgeweken, samen zijn zij bedorven. Er is niemand die goed doet, er is zelfs niet één.
כֻּלּ֥וֹ
(kulo)
allen
סָג֮
(sag)
zijn afgeweken
יַחְדָּ֪ו
(yachdav)
samen
נֶ֫אֱלָ֥חוּ
(neelachu)
zijn bedorven
אֵ֤ין
(ein)
er is niet
עֹֽשֵׂה
(ose)
iemand die doet
ט֑וֹב
(tov)
goed
אֵ֝֗ין
(ein)
er is niet
גַּם
(gam)
zelfs
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶאֱלָחוּ (ne’elachu), ‘zij zijn bedorven’: een zeldzaam woord, van iets dat bedorven en niet meer te gebruiken is.

5Weten zij het dan niet, de werkers van onrecht, die mijn volk opeten alsof zij brood eten? Elohim roepen zij niet aan.
הֲלֹ֥א
(halo)
weten zij het niet
יָדְעוּ֮
(yadeu)
zij weten
פֹּ֤עֲלֵ֫י
(poalei)
werkers van
אָ֥וֶן
(aven)
onrecht
אֹכְלֵ֣י
(okhelei)
die opeten
עַ֭מִּי
(ami)
mijn volk
אָ֣כְלוּ
(akhelu)
zij eten
לֶ֑חֶם
(lechem)
brood
אֱ֝לֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
לֹ֣א
(lo)
niet
קָרָֽאוּ
(qarau)
zij roepen aan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָוֶן (aven), ‘onrecht’: kwaad, moeite die men anderen bezorgt.

‘Mijn volk’: de dichter spreekt hier namens Elohim of als lid van het volk; het Hebreeuws zegt alleen ‘mijn volk’.

Elohim verstrooit de belegeraars

6Daar sidderden zij van angst, waar geen angst was. Want Elohim heeft de beenderen verstrooid van wie tegen jou kampeert. Jij hebt hen beschaamd, want Elohim heeft hen verworpen.
שָׁ֤ם
(sham)
daar
פָּֽחֲדוּ
(pachadu)
sidderden zij
פַחַד֮
(pachad)
van angst
לֹא
(lo)
niet
הָ֪יָה֫
(haya)
was
פָ֥חַד
(pachad)
angst
כִּֽי
(ki)
want
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
פִּ֭זַּר
(pizar)
heeft verstrooid
עַצְמ֣וֹת
(atsmot)
beenderen van
חֹנָ֑ךְ
(chonakh)
wie tegen jou kampeert
הֱ֝בִשֹׁ֗תָה
(hevishota)
jij hebt beschaamd
כִּֽי
(ki)
want
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
מְאָסָֽם
(measam)
heeft hen verworpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Dit vers is veel langer dan het overeenkomende Ps. 14:5–6.

חֹנָךְ (chonach), letterlijk ‘je kampeerder’: het woord is moeilijk; wij vertalen ‘wie tegen jou kampeert’, de belegeraars.

Het is niet duidelijk wie met ‘jij’ is bedoeld, waarschijnlijk het volk van Elohim.

Redding uit Sion

7Mocht er toch uit Sion redding voor Israël komen! Wanneer Elohim het lot van Zijn volk keert, zal Jakob juichen en Israël zich verblijden.
מִ֥י
(mi)
wie
יִתֵּ֣ן
(yiten)
geeft
מִצִּיּוֹן֮
(mitsiyon)
uit Sion
יְשֻׁע֪וֹת
(yeshuot)
redding van
יִשְׂרָ֫אֵ֥ל
(yisrael)
Israël
בְּשׁ֣וּב
(beshuv)
wanneer keert
אֱ֭לֹהִים
(Elohim)
Elohim
שְׁב֣וּת
(shevut)
het lot van
עַמּ֑וֹ
(amo)
Zijn volk
יָגֵ֥ל
(yagel)
zal juichen
יַ֝עֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
יִשְׂמַ֥ח
(yismach)
zal zich verblijden
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מִי יִתֵּן (mi yiten), letterlijk ‘wie geeft’: een wens, ‘mocht er toch komen’.

שְׁבוּת (shevut), ‘lot’: ‘het lot keren’ is een vaste uitdrukking voor herstel; ook ‘ballingschap’ is mogelijk. Wij vertalen ‘lot’.