Elohim Bijbel

Deuteronomium 32

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334

Het Lied van Mozes: de Rots en zijn ontrouwe volk

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Aanhef van het lied

1Luister, hemel, dan zal ik spreken; aarde, hoor de woorden van mijn mond.
הַאֲזִ֥ינוּ
(haazinu)
luister
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
וַאֲדַבֵּ֑רָה
(vaadabera)
en ik zal spreken
וְתִשְׁמַ֥ע
(vetishma)
en laat horen
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
אִמְרֵי
(imrei)
woorden van
פִֽי
(pi)
mijn mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hemel en aarde worden aangeroepen als getuigen, zoals in Deut. 30:19 en 31:28.

Dit is het lied dat Yahweh aan Mozes heeft opgedragen op te schrijven (Deut. 31:19–22).

2Moge mijn onderwijs druipen als regen en mijn woord stromen als dauw, als motregen op het jonge gras en als regenbuien op het groen.
יַעֲרֹ֤ף
(yaarof)
moge druipen
כַּמָּטָר֙
(kamatar)
als regen
לִקְחִ֔י
(liqchi)
mijn onderwijs
תִּזַּ֥ל
(tizal)
moge stromen
כַּטַּ֖ל
(katal)
als dauw
אִמְרָתִ֑י
(imrati)
mijn woord
כִּשְׂעִירִ֣ם
(kisirim)
als motregen
עֲלֵי
(alei)
op
דֶ֔שֶׁא
(deshe)
jong gras
וְכִרְבִיבִ֖ים
(vekhirvivim)
en als regenbuien
עֲלֵי
(alei)
op
עֵֽשֶׂב
(esev)
groen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֶקַח (leqach), ‘onderwijs’: wat iemand leert en doorgeeft.

Regen en dauw zijn het beeld voor woorden die het hart laten groeien.

3Want de naam van Yahweh roep ik uit. Geef grootheid aan onze Elohim.
כִּ֛י
(ki)
want
שֵׁ֥ם
(shem)
naam van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶקְרָ֑א
(eqra)
ik roep uit
הָב֥וּ
(havu)
geeft
גֹ֖דֶל
(godel)
grootheid
לֵאלֹהֵֽינוּ
(leloheinu)
aan onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De Rots is trouw

4De Rots: onberispelijk is Zijn werk, want al Zijn wegen zijn recht. Een El van betrouwbaarheid, zonder onrecht, rechtvaardig en oprecht is Hij.
הַצּוּר֙
(hatsur)
de Rots
תָּמִ֣ים
(tamim)
onberispelijk
פָּעֳל֔וֹ
(paolo)
Zijn werk
כִּ֥י
(ki)
want
כָל
(kal)
al
דְּרָכָ֖יו
(derakhav)
Zijn wegen
מִשְׁפָּ֑ט
(mishpat)
recht
אֵ֤ל
(el)
El van
אֱמוּנָה֙
(emuna)
betrouwbaarheid
וְאֵ֣ין
(veein)
en zonder
עָ֔וֶל
(avel)
onrecht
צַדִּ֥יק
(tsadiq)
rechtvaardig
וְיָשָׁ֖ר
(veyashar)
en oprecht
הֽוּא
(hu)
Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צוּר (tsur), ‘Rots’: in dit lied een titel van Yahweh (vers 4, 15, 18 en 30).

In de verzen 31 en 37 staat hetzelfde woord voor de ‘rots’ van de volken, dat zijn hun afgoden; die schrijven wij met een kleine letter.

אֵל (El): wij laten ‘El’ staan, zoals in Exod. 34:6.

תָּמִים (tamim), ‘onberispelijk’: zonder gebrek, zoals Noach in Gen. 6:9.

Het verdorven geslacht

5Zij hebben zich tegen Hem verdorven. Zij zijn Zijn zonen niet; dat is hun gebrek: een verdraaid en kronkelig geslacht.
שִׁחֵ֥ת
(shichet)
zij hebben verdorven
ל֛וֹ
(lo)
tegen Hem
לֹ֖א
(lo)
niet
בָּנָ֣יו
(banav)
Zijn zonen
מוּמָ֑ם
(mumam)
hun gebrek
דּ֥וֹר
(dor)
geslacht
עִקֵּ֖שׁ
(iqesh)
verdraaid
וּפְתַלְתֹּֽל
(ufetaltol)
en kronkelig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Dit vers is in het Hebreeuws moeilijk en kan op meer manieren gelezen worden.

Wij lezen: zij hebben zich verdorven, zij zijn niet Zijn zonen, dat is hun gebrek.

Een andere lezing is ‘Zijn zonen niet — hun gebrek!’

Het komt op hetzelfde neer: zij zijn niet meer zoals Zijn zonen horen te zijn.

מוּם (mum), ‘gebrek’: een lichamelijke schandvlek (Lev. 21:17), hier een gebrek in het gedrag.

6Is dit wat je Yahweh vergeldt, dwaas en onwijs volk? Is Hij niet je vader, die je verworven heeft? Hij heeft je gemaakt en je gevestigd.
הֲ
(ha)
of
לַיְהוָה֙
(laYahweh)
aan Yahweh
תִּגְמְלוּ
(tigmelu)
jullie vergelden
זֹ֔את
(zot)
dit
עַ֥ם
(am)
volk
נָבָ֖ל
(naval)
dwaas
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
חָכָ֑ם
(chakham)
wijs
הֲלוֹא
(halo)
is niet
הוּא֙
(hu)
Hij
אָבִ֣יךָ
(avikha)
je vader
קָּנֶ֔ךָ
(qanekha)
die je verworven heeft
ה֥וּא
(hu)
Hij
עָֽשְׂךָ֖
(asekha)
die je gemaakt heeft
וַֽיְכֹנְנֶֽךָ
(vaykhonenekha)
en je gevestigd heeft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָנָה (qanah), ‘verwerven’: Yahweh heeft Israël voor Zich verworven, zoals in Exod. 15:16.

De beelden van vader, maker en grondlegger horen bij elkaar; zie ook Deut. 14:1.

Denk aan de dagen van vroeger

7Denk aan de dagen van vroeger, let op de jaren van geslacht na geslacht. Vraag het je vader, dan zal hij het je vertellen, vraag het je oudsten, dan zullen zij het je zeggen.
זְכֹר֙
(zekhor)
denk aan
יְמ֣וֹת
(yemot)
dagen van
עוֹלָ֔ם
(olam)
eeuwigheid
בִּ֖ינוּ
(binu)
let op
שְׁנ֣וֹת
(shenot)
jaren van
דּוֹר
(dor)
geslacht
וָד֑וֹר
(vador)
en geslacht
שְׁאַ֤ל
(sheal)
vraag
אָבִ֨יךָ֙
(avikha)
je vader
וְיַגֵּ֔דְךָ
(veyagedekha)
en hij zal het je vertellen
זְקֵנֶ֖יךָ
(zeqeneikha)
je oudsten
וְיֹ֥אמְרוּ
(veyomru)
en zij zullen zeggen
לָֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עוֹלָם (olam) staat voor een lange tijd; ‘de dagen van olam’ zijn de dagen van vroeger.

Het vers vraagt het volk terug te kijken naar zijn eigen geschiedenis.

8Toen de Allerhoogste de volken hun erfdeel gaf, toen Hij de mensen van elkaar scheidde, stelde Hij de grenzen van de volken vast naar het getal van de zonen van Israël.
בְּהַנְחֵ֤ל
(behanchel)
toen gaf als erfdeel
עֶלְיוֹן֙
(elyon)
de Allerhoogste
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
בְּהַפְרִיד֖וֹ
(behafrido)
toen Hij scheidde
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
אָדָ֑ם
(adam)
mens
יַצֵּב֙
(yatsev)
Hij stelde vast
גְּבֻלֹ֣ת
(gevulot)
grenzen van
עַמִּ֔ים
(amim)
volken
לְמִסְפַּ֖ר
(lemispar)
naar het getal van
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶלְיוֹן (Elyon), ‘de Allerhoogste’: een titel van Yahweh, zoals in Num. 24:16.

בְּנֵי אָדָם (bnei adam), letterlijk ‘zonen van de mens’: de mensen, zoals bij de verdeling van de volken in Gen. 10–11.

Lezing

Wij volgen de Masoretische tekst: ‘naar het getal van de zonen van Israël’.

De Septuaginta en een Qumranhandschrift lezen ‘naar het getal van de zonen van Elohim’ (de engelen).

Dan sluit het vers aan bij vers 9: de volken zijn aan de zonen van Elohim toegewezen, maar Yahweh houdt Israël voor Zichzelf.

Zie ook Deut. 4:19–20 en 29:25.

Aanvullend

Jubileeën 15:30–32 bevestigt dat Yahweh Israël voor Zichzelf koos en er geen engel of geest over aanstelde.

9Want het deel van Yahweh is Zijn volk, Jakob is het toegemeten stuk van Zijn erfdeel.
כִּ֛י
(ki)
want
חֵ֥לֶק
(cheleq)
deel van
יְהֹוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עַמּ֑וֹ
(amo)
Zijn volk
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
חֶ֥בֶל
(chevel)
toegemeten stuk van
נַחֲלָתֽוֹ
(nachalato)
Zijn erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh vindt en draagt Zijn volk

10Hij vond hem in een woestijnland, in de woeste leegte van een huilende wildernis. Hij omringde hem, lette op hem en behoedde hem als Zijn oogappel.
יִמְצָאֵ֨הוּ֙
(yimtsaehu)
Hij vond hem
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִדְבָּ֔ר
(midbar)
woestijn
וּבְתֹ֖הוּ
(uvetohu)
en in de leegte van
יְלֵ֣ל
(yelel)
gehuil van
יְשִׁמֹ֑ן
(yeshimon)
wildernis
יְסֹֽבְבֶ֨נְהוּ֙
(yesovevenhu)
Hij omringde hem
יְב֣וֹנְנֵ֔הוּ
(yevonenehu)
Hij lette op hem
יִצְּרֶ֖נְהוּ
(yitserenhu)
Hij behoedde hem
כְּאִישׁ֥וֹן
(keishon)
als de oogappel van
עֵינֽוֹ
(eino)
Zijn oog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תֹּהוּ (tohu), ‘woeste leegte’: hetzelfde woord als in Gen. 1:2.

Hier is het de woestijn waar Israël werd gevonden.

אִישׁוֹן (ishon), ‘oogappel’: letterlijk het ‘mannetje’ in het oog, de pupil. Zie ook Deut. 32:11 voor het beeld van de zorg.

11Als een arend die zijn nest wakker schudt, boven zijn jongen zweeft, zijn vleugels uitspreidt, hem opneemt en hem draagt op zijn vleugelpennen,
כְּנֶ֨שֶׁר֙
(kenesher)
als een arend
יָעִ֣יר
(yair)
hij schudt wakker
קִנּ֔וֹ
(qino)
zijn nest
עַל
(al)
boven
גּוֹזָלָ֖יו
(gozalav)
zijn jongen
יְרַחֵ֑ף
(yerachef)
hij zweeft
יִפְרֹ֤שׂ
(yifros)
hij spreidt uit
כְּנָפָיו֙
(kenafav)
zijn vleugels
יִקָּחֵ֔הוּ
(yiqachehu)
hij neemt hem
יִשָּׂאֵ֖הוּ
(yisaehu)
hij draagt hem
עַל
(al)
op
אֶבְרָתֽוֹ
(evrato)
zijn vleugelpennen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het beeld van de arend die zijn jongen draagt staat ook in Exod. 19:4.

12zo leidde Yahweh alleen hem, en er was geen vreemde El bij Hem.
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּדָ֣ד
(badad)
alleen
יַנְחֶ֑נּוּ
(yanchenu)
Hij leidde hem
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
עִמּ֖וֹ
(imo)
met Hem
אֵ֥ל
(el)
El
נֵכָֽר
(nekhar)
vreemde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵל נֵכָר (El nekar), ‘vreemde El’: een vreemde god.

Wij laten ‘El’ staan, zoals in vers 4 en 18.

13Hij liet hem rijden over de hoogten van het land en hij at de opbrengst van het veld. Hij liet hem honing zuigen uit een rotswand en olie uit vuurstenen rots,
יַרְכִּבֵ֨הוּ֙
(yarkivehu)
Hij liet hem rijden
עַל
(al)
over
בָּ֣מֳתֵי
(bamotei)
hoogten van
אָ֔רֶץ
(arets)
land
וַיֹּאכַ֖ל
(vayokhal)
en hij at
תְּנוּבֹ֣ת
(tenuvot)
opbrengst van
שָׂדָ֑י
(saday)
veld
וַיֵּנִקֵ֤הֽוּ
(vayeniqehu)
en Hij liet hem zuigen
דְבַשׁ֙
(devash)
honing
מִסֶּ֔לַע
(misela)
uit rotswand
וְשֶׁ֖מֶן
(veshemen)
en olie
מֵחַלְמִ֥ישׁ
(mechalmish)
uit vuursteen
צֽוּר
(tsur)
rots
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּמֳתֵי אָרֶץ (bamotei arets), ‘hoogten van het land’: de bergen van het beloofde land.

סֶלַע (sela), ‘rotswand’, en צוּר (tsur), ‘rots’: hier gewone rotsen, geen titel.

14room van runderen en melk van kleinvee, met het vet van lammeren en rammen uit Basan, en van bokken, met het beste van de tarwe. Het bloed van de druif dronk je: wijn.
חֶמְאַ֨ת
(chemat)
room van
בָּקָ֜ר
(baqar)
runderen
וַחֲלֵ֣ב
(vachalev)
en melk van
צֹ֗אן
(tson)
kleinvee
עִם
(im)
met
חֵ֨לֶב
(chelev)
vet van
כָּרִ֜ים
(karim)
lammeren
וְאֵילִ֤ים
(veeilim)
en rammen
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
בָשָׁן֙
(bashan)
Basan
וְעַתּוּדִ֔ים
(veatudim)
en bokken
עִם
(im)
met
חֵ֖לֶב
(chelev)
vet van
כִּלְי֣וֹת
(kilyot)
nieren van
חִטָּ֑ה
(chita)
tarwe
וְדַם
(vedam)
en bloed van
עֵנָ֖ב
(enav)
druif
תִּשְׁתֶּה
(tishte)
je dronk
חָֽמֶר
(chamer)
wijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië.

Uitleg

חֶמְאָה (chem’ah), ‘room’: dikke melk of boter.

חֵלֶב כִּלְיוֹת חִטָּה (chelev kilyot chitah), letterlijk ‘nierenvet van tarwe’: het beste van de tarwe, zoals het vet het beste van een offerdier is.

בְּנֵי בָשָׁן (bnei Bashan), ‘zonen van Basan’: schapen uit Basan, een streek die bekend was om zijn kudden.

Jesurun wordt vet en vergeet de Rots

15Jesurun werd vet en trapte uit. Je werd vet, dik en glanzend. Hij verliet Eloah, die hem gemaakt had, en verachtte de Rots van zijn redding.
וַיִּשְׁמַ֤ן
(vayishman)
en hij werd vet
יְשֻׁרוּן֙
(yeshurun)
Jesurun
וַיִּבְעָ֔ט
(vayivat)
en hij trapte uit
שָׁמַ֖נְתָּ
(shamanta)
je werd vet
עָבִ֣יתָ
(avita)
je werd dik
כָּשִׂ֑יתָ
(kasita)
je werd glanzend
וַיִּטֹּשׁ֙
(vayitosh)
en hij verliet
אֱל֣וֹהַ
(eloha)
Eloah
עָשָׂ֔הוּ
(asahu)
die hem maakte
וַיְנַבֵּ֖ל
(vaynabel)
en hij verachtte
צ֥וּר
(tsur)
Rots van
יְשֻׁעָתֽוֹ
(yeshuato)
zijn redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְשֻׁרוּן (Jesurun): een dichterlijke naam voor Israël, afgeleid van ‘oprecht’ (יָשָׁר, yashar).

Zie ook Deut. 33:5 en 33:26.

אֱלוֹהַּ (Eloah): enkelvoud van Elohim. Wij laten ‘Eloah’ staan, zoals in Job.

נִבֵּל (nibbel), ‘verachten’: letterlijk ‘als een dwaas behandelen’; hetzelfde grondwoord als ‘dwaas’ (נָבָל, naval) in vers 6 en 21.

16Zij maakten Hem na-ijverig met vreemden, met gruwelen prikkelden zij Hem tot toorn.
יַקְנִאֻ֖הוּ
(yaqniuhu)
zij maakten Hem na-ijverig
בְּזָרִ֑ים
(bezarim)
met vreemden
בְּתוֹעֵבֹ֖ת
(betoevot)
met gruwelen
יַכְעִיסֻֽהוּ
(yakhisuhu)
zij prikkelden Hem tot toorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Zij offerden aan demonen, die geen Eloah zijn, aan goden die zij niet kenden, nieuwe, van dichtbij gekomen, die jullie vaders niet gevreesd hadden.
יִזְבְּח֗וּ
(yizbechu)
zij offerden
לַשֵּׁדִים֙
(lashedim)
aan demonen
לֹ֣א
(lo)
niet
אֱלֹ֔הַ
(eloha)
Eloah
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
goden
לֹ֣א
(lo)
niet
יְדָע֑וּם
(yedaum)
zij kenden hen
חֲדָשִׁים֙
(chadashim)
nieuwe
מִקָּרֹ֣ב
(miqarov)
van dichtbij
בָּ֔אוּ
(bau)
zij kwamen
לֹ֥א
(lo)
niet
שְׂעָר֖וּם
(searum)
zij vreesden hen
אֲבֹתֵיכֶֽם
(avoteikhem)
jullie vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֵׁדִים (shedim), ‘demonen’: machten die achter de afgoden staan.

לֹא אֱלֹהַּ (lo Eloah), ‘geen Eloah’: wat geen god is.

שְׂעָרוּם (se’arum), ‘gevreesd’: zij hadden er geen ontzag voor. Het woord is zeldzaam en de betekenis is niet helemaal zeker.

18De Rots die je gebaard heeft, verwaarloosde je, en je vergat de El die je ter wereld bracht.
צ֥וּר
(tsur)
de Rots
יְלָדְךָ֖
(yeladekha)
die je gebaard heeft
תֶּ֑שִׁי
(teshi)
je verwaarloosde
וַתִּשְׁכַּ֖ח
(vatishkach)
en je vergat
אֵ֥ל
(el)
El
מְחֹלְלֶֽךָ
(mecholelekha)
die je ter wereld bracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het oordeel van Yahweh

19Yahweh zag het en minachtte hen, geprikkeld tot toorn door Zijn zonen en dochters.
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en zag
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּנְאָ֑ץ
(vayinats)
en Hij minachtte
מִכַּ֥עַס
(mikaas)
uit de prikkeling tot toorn van
בָּנָ֖יו
(banav)
Zijn zonen
וּבְנֹתָֽיו
(uvenotav)
en Zijn dochters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Hij zei: „Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen, Ik zal zien wat hun einde is. Want zij zijn een geslacht vol verkeerdheid, kinderen in wie geen betrouwbaarheid is.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אַסְתִּ֤ירָה
(astira)
Ik zal verbergen
פָנַי֙
(panay)
Mijn aangezicht
מֵהֶ֔ם
(mehem)
voor hen
אֶרְאֶ֖ה
(ere)
Ik zal zien
מָ֣ה
(ma)
wat
אַחֲרִיתָ֑ם
(acharitam)
hun einde
כִּ֣י
(ki)
want
ד֤וֹר
(dor)
geslacht van
תַּהְפֻּכֹת֙
(tahpukhot)
verkeerdheden
הֵ֔מָּה
(hema)
zij
בָּנִ֖ים
(banim)
zonen
לֹא
(lo)
niet
אֵמֻ֥ן
(emun)
betrouwbaarheid
בָּֽם
(bam)
in hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּהְפֻּכֹת (tahpukhot), ‘verkeerdheid’: alles wat omgedraaid is, het tegendeel van recht.

אֱמֻן (emun), ‘betrouwbaarheid’: hetzelfde grondwoord als אֱמוּנָה (emunah) in vers 4.

21Zij hebben Mij na-ijverig gemaakt met wat geen El is, Mij tot toorn geprikkeld met hun nietigheden. Daarom zal Ik hen na-ijverig maken met wat geen volk is, met een dwaze natie zal Ik hen tot toorn prikkelen.
הֵ֚ם
(hem)
zij
קִנְא֣וּנִי
(qinuni)
zij hebben Mij na-ijverig gemaakt
בְלֹא
(belo)
met wat niet
אֵ֔ל
(el)
El
כִּעֲס֖וּנִי
(kiasuni)
zij hebben Mij tot toorn geprikkeld
בְּהַבְלֵיהֶ֑ם
(behavleihem)
met hun nietigheden
וַאֲנִי֙
(vaani)
en Ik
אַקְנִיאֵ֣ם
(aqniem)
zal hen na-ijverig maken
בְּלֹא
(belo)
met wat niet
עָ֔ם
(am)
volk
בְּג֥וֹי
(begoy)
met een natie
נָבָ֖ל
(naval)
dwaze
אַכְעִיסֵֽם
(akhisem)
Ik zal hen tot toorn prikkelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Paulus haalt dit vers aan in Rom. 10:19.

הֶבֶל (hevel), ‘nietigheid’: afgoden zijn niets.

לֹא־אֵל (lo El), ‘wat geen El is’, en לֹא־עָם (lo am), ‘wat geen volk is’: Yahweh antwoordt in gelijke munt, zoals in vers 16.

22Want een vuur is ontstoken in Mijn toorn. Het brandt tot in het diepste van het dodenrijk, verteert het land en zijn opbrengst en zet de fundamenten van de bergen in brand.
כִּי
(ki)
want
אֵשׁ֙
(esh)
vuur
קָדְחָ֣ה
(qadecha)
is ontstoken
בְאַפִּ֔י
(beapi)
in Mijn toorn
וַתִּיקַ֖ד
(vatiqad)
en het brandt
עַד
(ad)
tot
שְׁא֣וֹל
(sheol)
dodenrijk
תַּחְתִּ֑ית
(tachtit)
onderste
וַתֹּ֤אכַל
(vatokhal)
en het verteert
אֶ֨רֶץ֙
(erets)
land
וִֽיבֻלָ֔הּ
(vivulah)
en zijn opbrengst
וַתְּלַהֵ֖ט
(vatelahet)
en het zet in brand
מוֹסְדֵ֥י
(mosedei)
fundamenten van
הָרִֽים
(harim)
bergen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאוֹל (She’ol), ‘dodenrijk’: de plaats van de doden; ‘het diepste’ is de laagste plek.

23Ik zal rampen over hen opstapelen, Mijn pijlen zal Ik op hen opmaken.
אַסְפֶּ֥ה
(aspe)
Ik zal opstapelen
עָלֵ֖ימוֹ
(aleimo)
over hen
רָע֑וֹת
(raot)
rampen
חִצַּ֖י
(chitsay)
Mijn pijlen
אֲכַלֶּה
(akhale)
Ik zal opmaken
בָּֽם
(bam)
op hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Uitgeput van honger, verteerd door gloed en bittere pest. De tanden van beesten zal Ik op hen zenden, met het gif van wat in het stof kruipt.
מְזֵ֥י
(mezei)
uitgeput van
רָעָ֛ב
(raav)
honger
וּלְחֻ֥מֵי
(ulechumei)
en verteerd door
רֶ֖שֶׁף
(reshef)
gloed
וְקֶ֣טֶב
(veqetev)
en pest
מְרִירִ֑י
(meriri)
bitter
וְשֶׁן
(veshen)
en tand van
בְּהֵמוֹת֙
(behemot)
beesten
אֲשַׁלַּח
(ashalach)
Ik zal zenden
בָּ֔ם
(bam)
op hen
עִם
(im)
met
חֲמַ֖ת
(chamat)
gif van
זֹחֲלֵ֥י
(zochalei)
wat kruipt
עָפָֽר
(afar)
stof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֶשֶׁף (reshef), ‘gloed’: koortsachtige hitte of een plaag.

קֶטֶב (qeteb), ‘pest’: verderf.

De woorden zijn dichterlijk en de betekenis is niet helemaal zeker.

25Buiten maakt het zwaard hen kinderloos, en in de binnenkamers is er schrik: zowel de jongeman als de maagd, de zuigeling met de grijsaard.
מִחוּץ֙
(michuts)
van buiten
תְּשַׁכֶּל
(teshakel)
zal kinderloos maken
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
וּמֵחֲדָרִ֖ים
(umechadarim)
en uit de binnenkamers
אֵימָ֑ה
(eima)
schrik
גַּם
(gam)
zowel
בָּחוּר֙
(bachur)
jongeman
גַּם
(gam)
zowel
בְּתוּלָ֔ה
(betula)
maagd
יוֹנֵ֖ק
(yoneq)
zuigeling
עִם
(im)
met
אִ֥ישׁ
(ish)
man van
שֵׂיבָֽה
(seiva)
grijsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Ik zei: ‘Ik zal hen verstrooien, hun gedachtenis uit de mensen doen verdwijnen.’
אָמַ֖רְתִּי
(amarti)
Ik zei
אַפְאֵיהֶ֑ם
(afeihem)
Ik zal hen verstrooien
אַשְׁבִּ֥יתָה
(ashbita)
Ik zal doen verdwijnen
מֵאֱנ֖וֹשׁ
(meenosh)
uit de mensen
זִכְרָֽם
(zikhram)
hun gedachtenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַפְאֵיהֶם (afeihem), ‘Ik zal hen verstrooien’: een woord dat maar één keer voorkomt, dus de betekenis is niet zeker.

Anderen verstaan ‘Ik zal hen wegblazen’.

27Ware het niet dat Ik de woede van de vijand vreesde, dat hun tegenstanders het zouden miskennen, dat zij zouden zeggen: ‘Onze hand is hoog, en Yahweh heeft dit alles niet gedaan.’”
לוּלֵ֗י
(lulei)
ware het niet
כַּ֤עַס
(kaas)
woede van
אוֹיֵב֙
(oyev)
vijand
אָג֔וּר
(agur)
Ik zou vrezen
פֶּֽן
(pen)
opdat niet
יְנַכְּר֖וּ
(yenakeru)
zouden miskennen
צָרֵ֑ימוֹ
(tsareimo)
hun tegenstanders
פֶּן
(pen)
opdat niet
יֹֽאמְרוּ֙
(yomru)
zouden zeggen
יָדֵ֣ינוּ
(yadeinu)
onze hand
רָ֔מָה
(rama)
is hoog
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
פָּעַ֥ל
(paal)
heeft gedaan
כָּל
(kal)
al
זֹֽאת
(zot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָגוּר (agur), ‘Ik zou vrezen’: het woord kan ook ‘Ik zou verblijven’ betekenen; wij kiezen ‘vrezen’.

De woorden tussen ‘ ’ zijn het citaat van de vijanden: zij zouden de overwinning aan zichzelf toeschrijven in plaats van aan Yahweh.

Een volk zonder inzicht

28Want zij zijn een natie die de raad kwijt is, en er is geen inzicht in hen.
כִּי
(ki)
want
ג֛וֹי
(goy)
natie
אֹבַ֥ד
(ovad)
verloren van
עֵצ֖וֹת
(etsot)
raad
הֵ֑מָּה
(hema)
zij
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
בָּהֶ֖ם
(bahem)
in hen
תְּבוּנָֽה
(tevuna)
inzicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws noemt de natie niet.

Omdat vers 30 spreekt over ‘hun Rots’ en vers 31 daar de rots van de vijanden tegenover zet, lezen wij Israël.

In de verzen 20–27 spreekt Yahweh; vanaf vers 28 spreekt Mozes weer zelf.

29Waren zij maar wijs, dan zouden zij dit begrijpen en hun einde inzien.
ל֥וּ
(lu)
als
חָכְמ֖וּ
(chakhemu)
zij wijs waren
יַשְׂכִּ֣ילוּ
(yaskilu)
zij zouden inzicht hebben
זֹ֑את
(zot)
dit
יָבִ֖ינוּ
(yavinu)
zij zouden begrijpen
לְאַחֲרִיתָֽם
(leacharitam)
hun einde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Hoe kan één er duizend achtervolgen en twee er tienduizend op de vlucht jagen, tenzij hun Rots hen verkocht heeft en Yahweh hen heeft overgeleverd?
אֵיכָ֞ה
(eikha)
hoe
יִרְדֹּ֤ף
(yirdof)
zal achtervolgen
אֶחָד֙
(echad)
één
אֶ֔לֶף
(elef)
duizend
וּשְׁנַ֖יִם
(ushenayim)
en twee
יָנִ֣יסוּ
(yanisu)
zullen op de vlucht jagen
רְבָבָ֑ה
(revava)
tienduizend
אִם
(im)
tenzij
לֹא֙
(lo)
niet
כִּי
(ki)
dat
צוּרָ֣ם
(tsuram)
hun Rots
מְכָרָ֔ם
(mekharam)
hen verkocht heeft
וַֽיהוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
הִסְגִּירָֽם
(hisgiram)
hen heeft overgeleverd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רְבָבָה (revavah), ‘tienduizend’.

Dit vers is het omgekeerde van Lev. 26:8: daar vluchten de vijanden voor Israël, hier gebeurt het tegenovergestelde.

31Want hun rots is niet zoals onze Rots; onze vijanden zelf zijn daarvan de rechters.
כִּ֛י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
כְצוּרֵ֖נוּ
(ketsurenu)
als onze Rots
צוּרָ֑ם
(tsuram)
hun rots
וְאֹיְבֵ֖ינוּ
(veoyeveinu)
en onze vijanden
פְּלִילִֽים
(pelilim)
rechters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In dit vers staat tweemaal צוּר (tsur).

‘Onze Rots’ is Yahweh; ‘hun rots’ is de god van de volken.

פְּלִילִים (pelilim), ‘rechters’: zelfs de vijanden moeten toegeven dat hun god niet te vergelijken is.

32Want hun wijnstok komt van de wijnstok van Sodom en uit de velden van Gomorra. Hun druiven zijn gifdruiven, hun trossen zijn bitter.
כִּֽי
(ki)
want
מִגֶּ֤פֶן
(migefen)
van de wijnstok van
סְדֹם֙
(sedom)
Sodom
גַּפְנָ֔ם
(gafnam)
hun wijnstok
וּמִשַּׁדְמֹ֖ת
(umishadmot)
en uit de velden van
עֲמֹרָ֑ה
(amora)
Gomorra
עֲנָבֵ֨מוֹ֙
(anavemo)
hun druiven
עִנְּבֵי
(inevei)
druiven van
ר֔וֹשׁ
(rosh)
gif
אַשְׁכְּלֹ֥ת
(ashkelot)
trossen van
מְרֹרֹ֖ת
(merorot)
bitter
לָֽמוֹ
(lamo)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Uitleg

Sodom en Gomorra: Gen. 19.

Hun wijnstok is het beeld van wat bitter is in wat het voortbrengt.

רֹאשׁ (rosh), ‘gif’: een giftige plant of haar vrucht.

33Hun wijn is het gif van slangen en het wrede gif van adders.
חֲמַ֥ת
(chamat)
gif van
תַּנִּינִ֖ם
(taninim)
slangen
יֵינָ֑ם
(yeinam)
hun wijn
וְרֹ֥אשׁ
(verosh)
en gif van
פְּתָנִ֖ים
(petanim)
adders
אַכְזָֽר
(akhzar)
wreed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּנִּין (tannin), hier ‘slang’, zoals in Exod. 7:9–12.

פֶּתֶן (peten), ‘adder’.

Yahweh spreekt over wraak en vergelding

34„Is dit niet opgeslagen bij Mij, verzegeld in Mijn schatkamers?
הֲלֹא
(halo)
is niet
ה֖וּא
(hu)
het
כָּמֻ֣ס
(kamus)
opgeslagen
עִמָּדִ֑י
(imadi)
bij Mij
חָתֻ֖ם
(chatum)
verzegeld
בְּאוֹצְרֹתָֽי
(beotserotay)
in Mijn schatkamers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Wij lezen de verzen 34–35 als woorden van Yahweh: Hij spreekt in de ik-vorm (‘bij Mij’, ‘Mijn schatkamers’, ‘Mij komen wraak en vergelding toe’).

Het Hebreeuws geeft geen aanhef.

Vers 35 wordt in Rom. 12:19 en Hebr. 10:30 als woord van de Heer aangehaald.

Daarom staan zij rood.

35Mij komen wraak en vergelding toe, voor de tijd dat hun voet wankelt. Want de dag van hun ondergang is nabij, en wat hun te wachten staat, komt snel.”
לִ֤י
(li)
voor Mij
נָקָם֙
(naqam)
wraak
וְשִׁלֵּ֔ם
(veshilem)
en vergelding
לְעֵ֖ת
(leet)
voor de tijd dat
תָּמ֣וּט
(tamut)
wankelt
רַגְלָ֑ם
(raglam)
hun voet
כִּ֤י
(ki)
want
קָרוֹב֙
(qarov)
nabij
י֣וֹם
(yom)
dag van
אֵידָ֔ם
(eidam)
hun ondergang
וְחָ֖שׁ
(vechash)
en snel komt
עֲתִדֹ֥ת
(atidot)
wat staat te komen
לָֽמוֹ
(lamo)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָקָם (naqam), ‘wraak’, en שִׁלֵּם (shillem), ‘vergelding’: Yahweh houdt het recht in eigen hand; mensen nemen geen wraak (zie Lev. 19:18).

Yahweh doet recht aan Zijn volk

36Want Yahweh zal recht doen aan Zijn volk en medelijden hebben met Zijn dienaren. Wanneer Hij ziet dat de kracht verdwenen is en dat niemand meer over is, gebonden of vrij.
כִּֽי
(ki)
want
יָדִ֤ין
(yadin)
zal recht doen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עַמּ֔וֹ
(amo)
Zijn volk
וְעַל
(veal)
en over
עֲבָדָ֖יו
(avadav)
Zijn dienaren
יִתְנֶחָ֑ם
(yitnecham)
Hij zal medelijden hebben
כִּ֤י
(ki)
want
יִרְאֶה֙
(yire)
Hij zal zien
כִּי
(ki)
dat
אָ֣זְלַת
(azelat)
verdwenen is
יָ֔ד
(yad)
hand
וְאֶ֖פֶס
(veefes)
en niets meer
עָצ֥וּר
(atsur)
gebondene
וְעָזֽוּב
(veazuv)
en vrije
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דִּין (din) betekent ‘oordelen’ en ‘recht doen’.

Hebr. 10:30 haalt ook dit vers aan.

אֶפֶס עָצוּר וְעָזוּב (efes atsur ve’azuv), ‘gebonden of vrij’: een gezegde voor iedereen, van wie vastzit tot wie vrij is.

37Dan zal Hij zeggen: „Waar zijn hun goden, de rots waarin zij schuilden,
וְאָמַ֖ר
(veamar)
en Hij zal zeggen
אֵ֣י
(ei)
waar
אֱלֹהֵ֑ימוֹ
(eloheimo)
hun goden
צ֖וּר
(tsur)
rots
חָסָ֥יוּ
(chasayu)
zij schuilden
בֽוֹ
(bo)
in hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Vanaf dit vers spreekt Yahweh weer (‘Dan zal Hij zeggen’), tot en met vers 42.

De ‘rots’ is hier de afgod, zoals in vers 31.

38die het vet van hun slachtoffers aten en de wijn van jullie plengoffers dronken? Laat hen opstaan en jullie helpen, laat er een schuilplaats over jullie zijn.
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
חֵ֤לֶב
(chelev)
vet van
זְבָחֵ֨ימוֹ֙
(zevacheimo)
hun slachtoffers
יֹאכֵ֔לוּ
(yokhelu)
zij aten
יִשְׁתּ֖וּ
(yishtu)
zij dronken
יֵ֣ין
(yein)
wijn van
נְסִיכָ֑ם
(nesikham)
jullie plengoffers
יָק֨וּמוּ֙
(yaqumu)
laten opstaan
וְיַעְזְרֻכֶ֔ם
(veyazerukhem)
en laten helpen jullie
יְהִ֥י
(yehi)
laat zijn
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
over jullie
סִתְרָֽה
(sitra)
schuilplaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws wisselt hier van ‘hun slachtoffers’ naar ‘jullie plengoffers’ (נְסִיכֶם, nesikhem), en gaat dan over op ‘jullie’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

Ik, Ik ben Hij

39Kijk nu: Ik, Ik ben Hij, en er is geen Elohim naast Mij. Ik doe sterven en Ik maak levend. Ik heb verwond en Ik zal genezen, en niemand redt uit Mijn hand.
רְא֣וּ
(reu)
kijk
עַתָּ֗ה
(ata)
nu
כִּ֣י
(ki)
dat
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
אֲנִי֙
(ani)
Ik
ה֔וּא
(hu)
Hij
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
עִמָּדִ֑י
(imadi)
naast Mij
אֲנִ֧י
(ani)
Ik
אָמִ֣ית
(amit)
doe sterven
וַאֲחַיֶּ֗ה
(vaachaye)
en Ik maak levend
מָחַ֨צְתִּי֙
(machatsti)
Ik heb verwond
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en Ik
אֶרְפָּ֔א
(erpa)
zal genezen
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
מִיָּדִ֖י
(miyadi)
uit Mijn hand
מַצִּֽיל
(matsil)
redder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲנִי אֲנִי הוּא (ani ani hu), ‘Ik, Ik ben Hij’: de formule van de enige Elohim, zoals in Jes. 43:10 en 48:12.

‘Ik doe sterven en Ik maak levend’ staat ook in 1 Sam. 2:6.

40Want Ik hef Mijn hand op naar de hemel en zeg: ‘Zo waar Ik leef tot in eeuwigheid,’
כִּֽי
(ki)
want
אֶשָּׂ֥א
(esa)
Ik zal opheffen
אֶל
(el)
naar
שָׁמַ֖יִם
(shamayim)
hemel
יָדִ֑י
(yadi)
Mijn hand
וְאָמַ֕רְתִּי
(veamarti)
en Ik zal zeggen
חַ֥י
(chay)
levend
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
Ik
לְעֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De hand opheffen is het gebaar bij een eed, zoals in Gen. 14:22 en Exod. 6:8.

Yahweh zweert bij Zichzelf: ‘Zo waar Ik leef’.

41als Ik Mijn bliksemend zwaard scherp maak en Mijn hand naar het recht grijpt. Dan zal Ik wraak laten terugkeren op Mijn tegenstanders en Mijn haters vergelden.
אִם
(im)
als
שַׁנּוֹתִי֙
(shanoti)
Ik scherp maak
בְּרַ֣ק
(beraq)
bliksem van
חַרְבִּ֔י
(charbi)
Mijn zwaard
וְתֹאחֵ֥ז
(vetochez)
en grijpt
בְּמִשְׁפָּ֖ט
(bemishpat)
naar het recht
יָדִ֑י
(yadi)
Mijn hand
אָשִׁ֤יב
(ashiv)
Ik zal doen terugkeren
נָקָם֙
(naqam)
wraak
לְצָרָ֔י
(letsaray)
op Mijn tegenstanders
וְלִמְשַׂנְאַ֖י
(velimsanay)
en op Mijn haters
אֲשַׁלֵּֽם
(ashalem)
Ik zal vergelden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּרַק חַרְבִּי (berak charbi), ‘bliksem van Mijn zwaard’: het flitsen van het geslepen zwaard.

42Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed. En Mijn zwaard zal vlees eten: van het bloed van gesneuvelden en gevangenen, van het hoofd van de aanvoerders van de vijand.”
אַשְׁכִּ֤יר
(ashkir)
Ik zal dronken maken
חִצַּי֙
(chitsay)
Mijn pijlen
מִדָּ֔ם
(midam)
van bloed
וְחַרְבִּ֖י
(vecharbi)
en Mijn zwaard
תֹּאכַ֣ל
(tokhal)
zal eten
בָּשָׂ֑ר
(basar)
vlees
מִדַּ֤ם
(midam)
van bloed van
חָלָל֙
(chalal)
gesneuvelde
וְשִׁבְיָ֔ה
(veshivya)
en gevangene
מֵרֹ֖אשׁ
(merosh)
van het hoofd van
פַּרְע֥וֹת
(parot)
aanvoerders van
אוֹיֵֽב
(oyev)
vijand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פַּרְעוֹת (par’ot), ‘aanvoerders’: het woord kan ook ‘loshangend haar’ betekenen; de betekenis is niet zeker.

Wij kiezen ‘aanvoerders’.

Slot van het lied

43Juich, volken, met Zijn volk, want het bloed van Zijn dienaren zal Hij wreken. Hij zal wraak laten terugkeren op Zijn tegenstanders en verzoening doen voor Zijn grond, Zijn volk.
הַרְנִ֤ינוּ
(harninu)
juicht
גוֹיִם֙
(goyim)
volken
עַמּ֔וֹ
(amo)
met Zijn volk
כִּ֥י
(ki)
want
דַם
(dam)
bloed van
עֲבָדָ֖יו
(avadav)
Zijn dienaren
יִקּ֑וֹם
(yiqom)
Hij zal wreken
וְנָקָם֙
(venaqam)
en wraak
יָשִׁ֣יב
(yashiv)
Hij zal doen terugkeren
לְצָרָ֔יו
(letsarav)
op Zijn tegenstanders
וְכִפֶּ֥ר
(vekhiper)
en Hij zal verzoening doen
אַדְמָת֖וֹ
(admato)
voor Zijn grond
עַמּֽוֹ
(amo)
Zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּפֶּר (kipper), ‘verzoening doen’: hier voor het land (אֲדָמָה, adamah, ‘grond’) en voor het volk.

Lezing

Wij volgen de Masoretische tekst.

De Septuaginta en een Qumranhandschrift hebben hier een langere tekst, waarin ook de hemelen juichen en de ‘zonen van Elohim’ zich voor Hem neerbuigen.

Paulus haalt in Rom. 15:10 de vorm ‘Juich, volken, met Zijn volk’ aan, en Hebr. 1:6 heeft een regel die hierop lijkt.

Mozes spreekt het lied uit en vermaant het volk

44Mozes kwam en sprak alle woorden van dit lied voor de oren van het volk, hij en Hosea, de zoon van Nun.
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
וַיְדַבֵּ֛ר
(vaydaber)
en sprak
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
הַשִּׁירָֽה
(hashira)
het lied
הַזֹּ֖את
(hazot)
dit
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
ה֖וּא
(hu)
hij
וְהוֹשֵׁ֥עַ
(vehoshea)
en Hosea
בִּן
(bin)
zoon van
נֽוּן
(nun)
Nun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hosea (הוֹשֵׁעַ, Hoshea) is de oorspronkelijke naam van Jozua.

Mozes noemde hem Jozua (Num. 13:16).

45Toen Mozes klaar was met het spreken van al deze woorden tot heel Israël,
וַיְכַ֣ל
(vaykhal)
en hij maakte af
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
לְדַבֵּ֛ר
(ledaber)
met spreken
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֥ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
46zei hij tegen hen: „Richt jullie hart op al de woorden die ik vandaag als getuige tegen jullie uitspreek. Jullie moeten ze aan jullie zonen opdragen, om alle woorden van deze wet te houden en te doen.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶם֙
(alehem)
tot hen
שִׂ֣ימוּ
(simu)
richt
לְבַבְכֶ֔ם
(levavkhem)
jullie hart
לְכָל
(lekhal)
op alle
הַדְּבָרִ֔ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
אָנֹכִ֛י
(anokhi)
ik
מֵעִ֥יד
(meid)
getuigend
בָּכֶ֖ם
(bakhem)
tegen jullie
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
תְּצַוֻּם֙
(tetsavum)
jullie zullen opdragen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵיכֶ֔ם
(beneikhem)
jullie zonen
לִשְׁמֹ֣ר
(lishmor)
om te houden
לַעֲשׂ֔וֹת
(laasot)
om te doen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
woorden van
הַתּוֹרָ֥ה
(hatora)
de wet
הַזֹּֽאת
(hazot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderwijs’.

Zie Deut. 31:9–12 en 31:24–26.

47Want het is geen leeg woord voor jullie. Het is juist jullie leven. Door dit woord zullen jullie lang leven op de grond waar jullie de Jordaan voor oversteken om die in bezit te nemen.”
כִּ֠י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
דָבָ֨ר
(davar)
woord
רֵ֥ק
(req)
leeg
הוּא֙
(hu)
het
מִכֶּ֔ם
(mikem)
voor jullie
כִּי
(ki)
want
ה֖וּא
(hu)
het
חַיֵּיכֶ֑ם
(chayeikhem)
jullie leven
וּבַדָּבָ֣ר
(uvadavar)
en door het woord
הַזֶּ֗ה
(haze)
dit
תַּאֲרִ֤יכוּ
(taarikhu)
jullie zullen verlengen
יָמִים֙
(yamim)
dagen
עַל
(al)
op
הָ֣אֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אַתֶּ֜ם
(atem)
jullie
עֹבְרִ֧ים
(overim)
oversteken
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּ֛ן
(hayarden)
de Jordaan
שָׁ֖מָּה
(shama)
daarheen
לְרִשְׁתָּֽהּ
(lerishtah)
om die in bezit te nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

רֵק (req), ‘leeg’: een woord zonder inhoud.

In de tekst staat de spelling רַק (raq).

‘Lang leven’ is hetzelfde als in Deut. 30:18 en 30:20.

Yahweh beveelt Mozes de berg Nebo te beklimmen

48Op diezelfde dag sprak Yahweh tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֤ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
בְּעֶ֛צֶם
(beetsem)
op de eigenlijke
הַיּ֥וֹם
(hayom)
dag
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּעֶצֶם הַיּוֹם הַזֶּה (be’etsem hayom hazeh), ‘op de eigenlijke dag’: op diezelfde dag waarop Mozes het lied sprak (Deut. 31:22 en 31:30).

Zie ook Exod. 12:41.

49„Ga omhoog op dit gebergte van de Abarim, de berg Nebo, in het land Moab, tegenover Jericho. Kijk naar het land Kanaän dat Ik de zonen van Israël als bezit geef.
עֲלֵ֡ה
(ale)
ga omhoog
אֶל
(el)
naar
הַר֩
(har)
gebergte
הָעֲבָרִ֨ים
(haavarim)
van de Abarim
הַזֶּ֜ה
(haze)
dit
הַר
(har)
berg
נְב֗וֹ
(nevo)
Nebo
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
יְרֵח֑וֹ
(yerecho)
Jericho
וּרְאֵה֙
(uree)
en zie
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
נֹתֵ֛ן
(noten)
geef
לִבְנֵ֥י
(livnei)
aan de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לַאֲחֻזָּֽה
(laachuza)
als bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De berg Nebo ligt in het gebergte van de Abarim, ten oosten van de Dode Zee en tegenover Jericho (Jordanië).

Zie ook Num. 27:12, Num. 33:47 en Deut. 34:1.

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

Mozes krijgt hier hetzelfde bevel als in Num. 27:12–14.

50Je zult sterven op de berg waar je naartoe opgaat en verzameld worden bij je volken. Zoals Aäron, je broer, stierf op de berg Hor en verzameld werd bij zijn volken,
וּמֻ֗ת
(umut)
en sterf
בָּהָר֙
(bahar)
op de berg
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
אַתָּה֙
(ata)
jij
עֹלֶ֣ה
(ole)
opgaand
שָׁ֔מָּה
(shama)
daarheen
וְהֵאָסֵ֖ף
(veheasef)
en word verzameld
אֶל
(el)
bij
עַמֶּ֑יךָ
(ameikha)
je volken
כַּֽאֲשֶׁר
(kaasher)
zoals
מֵ֞ת
(met)
stierf
אַהֲרֹ֤ן
(aharon)
Aäron
אָחִ֨יךָ֙
(achikha)
je broer
בְּהֹ֣ר
(behor)
op Hor
הָהָ֔ר
(hahar)
de berg
וַיֵּאָ֖סֶף
(vayeasef)
en werd verzameld
אֶל
(el)
bij
עַמָּֽיו
(amav)
zijn volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom.

Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië.

Dit is niet zeker.

Uitleg

De dood van Aäron op de berg Hor staat in Num. 20:22–29.

‘Verzameld worden bij je volken’ is een uitdrukking voor sterven (Num. 27:13).

51omdat jullie ontrouw tegen Mij zijn geweest te midden van de zonen van Israël, bij het water van Meriba bij Kades, in de woestijn Zin. Omdat jullie Mij niet heilig gehouden hebben te midden van de zonen van Israël.
עַל֩
(al)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
מְעַלְתֶּ֜ם
(mealtem)
jullie waren ontrouw
בִּ֗י
(bi)
tegen Mij
בְּתוֹךְ֙
(betokh)
te midden van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בְּמֵֽי
(bemei)
bij het water van
מְרִיבַ֥ת
(merivat)
Meriba van
קָדֵ֖שׁ
(qadesh)
Kades
מִדְבַּר
(midbar)
woestijn van
צִ֑ן
(tsin)
Zin
עַ֣ל
(al)
omdat
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
קִדַּשְׁתֶּם֙
(qidashtem)
jullie hielden heilig
אוֹתִ֔י
(oti)
Mij
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
te midden van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev.

Zie Woestijn Zin: De woestijn Zin lag in het zuiden van Kanaän, bij Kades.

De grenzen zijn niet precies bekend.

Uitleg

מָעַל (ma’al), ‘ontrouw zijn’: ontrouw tegen Yahweh, zoals in Lev. 26:40.

De gebeurtenis bij het water van Meriba staat in Num. 20:1–13.

קָדַשׁ (qadash), ‘heilig houden’: zoals in Num. 20:12 en 27:14.

52Want van een afstand zul je het land zien, maar je zult er niet binnengaan, in het land dat Ik de zonen van Israël geef.”
כִּ֥י
(ki)
want
מִנֶּ֖גֶד
(mineged)
van tegenover
תִּרְאֶ֣ה
(tire)
je zult zien
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְשָׁ֨מָּה֙
(veshama)
en daarheen
לֹ֣א
(lo)
niet
תָב֔וֹא
(tavo)
je zult binnengaan
אֶל
(el)
naar
הָאָ֕רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
נֹתֵ֖ן
(noten)
geef
לִבְנֵ֥י
(livnei)
aan de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes ziet het land van een afstand, maar gaat er niet in; zie Deut. 34:4.