Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Aanhef van het lied
1Luister, hemel, dan zal ik spreken; aarde, hoor de woorden van mijn mond.
הַאֲזִ֥ינוּ
(haazinu)
luister
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
וַאֲדַבֵּ֑רָה
(vaadabera)
en ik zal spreken
וְתִשְׁמַ֥ע
(vetishma)
en laat horen
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
אִמְרֵי
(imrei)
woorden van
פִֽי
(pi)
mijn mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hemel en aarde worden aangeroepen als getuigen, zoals in Deut. 30:19 en 31:28.
Dit is het lied dat Yahweh aan Mozes heeft opgedragen op te schrijven (Deut. 31:19–22).
7Denk aan de dagen van vroeger, let op de jaren van geslacht na geslacht. Vraag het je vader, dan zal hij het je vertellen, vraag het je oudsten, dan zullen zij het je zeggen.
זְכֹר֙
(zekhor)
denk aan
יְמ֣וֹת
(yemot)
dagen van
עוֹלָ֔ם
(olam)
eeuwigheid
בִּ֖ינוּ
(binu)
let op
שְׁנ֣וֹת
(shenot)
jaren van
דּוֹר
(dor)
geslacht
וָד֑וֹר
(vador)
en geslacht
שְׁאַ֤ל
(sheal)
vraag
אָבִ֨יךָ֙
(avikha)
je vader
וְיַגֵּ֔דְךָ
(veyagedekha)
en hij zal het je vertellen
זְקֵנֶ֖יךָ
(zeqeneikha)
je oudsten
וְיֹ֥אמְרוּ
(veyomru)
en zij zullen zeggen
לָֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עוֹלָם (olam) staat voor een lange tijd; ‘de dagen van olam’ zijn de dagen van vroeger.
Het vers vraagt het volk terug te kijken naar zijn eigen geschiedenis.
8Toen de Allerhoogste de volken hun erfdeel gaf, toen Hij de mensen van elkaar scheidde, stelde Hij de grenzen van de volken vast naar het getal van de zonen van Israël.
בְּהַנְחֵ֤ל
(behanchel)
toen gaf als erfdeel
עֶלְיוֹן֙
(elyon)
de Allerhoogste
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
בְּהַפְרִיד֖וֹ
(behafrido)
toen Hij scheidde
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
אָדָ֑ם
(adam)
mens
יַצֵּב֙
(yatsev)
Hij stelde vast
גְּבֻלֹ֣ת
(gevulot)
grenzen van
עַמִּ֔ים
(amim)
volken
לְמִסְפַּ֖ר
(lemispar)
naar het getal van
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֶלְיוֹן (Elyon), ‘de Allerhoogste’: een titel van Yahweh, zoals in Num. 24:16.
בְּנֵי אָדָם (bnei adam), letterlijk ‘zonen van de mens’: de mensen, zoals bij de verdeling van de volken in Gen. 10–11.
Lezing
Wij volgen de Masoretische tekst: ‘naar het getal van de zonen van Israël’.
De Septuaginta en een Qumranhandschrift lezen ‘naar het getal van de zonen van Elohim’ (de engelen).
Dan sluit het vers aan bij vers 9: de volken zijn aan de zonen van Elohim toegewezen, maar Yahweh houdt Israël voor Zichzelf.
Zie ook Deut. 4:19–20 en 29:25.
Aanvullend
Jubileeën 15:30–32 bevestigt dat Yahweh Israël voor Zichzelf koos en er geen engel of geest over aanstelde.
13Hij liet hem rijden over de hoogten van het land en hij at de opbrengst van het veld. Hij liet hem honing zuigen uit een rotswand en olie uit vuurstenen rots,
יַרְכִּבֵ֨הוּ֙
(yarkivehu)
Hij liet hem rijden
עַל
(al)
over
בָּ֣מֳתֵי
(bamotei)
hoogten van
אָ֔רֶץ
(arets)
land
וַיֹּאכַ֖ל
(vayokhal)
en hij at
תְּנוּבֹ֣ת
(tenuvot)
opbrengst van
שָׂדָ֑י
(saday)
veld
וַיֵּנִקֵ֤הֽוּ
(vayeniqehu)
en Hij liet hem zuigen
דְבַשׁ֙
(devash)
honing
מִסֶּ֔לַע
(misela)
uit rotswand
וְשֶׁ֖מֶן
(veshemen)
en olie
מֵחַלְמִ֥ישׁ
(mechalmish)
uit vuursteen
צֽוּר
(tsur)
rots
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בָּמֳתֵי אָרֶץ (bamotei arets), ‘hoogten van het land’: de bergen van het beloofde land.
סֶלַע (sela), ‘rotswand’, en צוּר (tsur), ‘rots’: hier gewone rotsen, geen titel.
14room van runderen en melk van kleinvee, met het vet van lammeren en rammen uit Basan, en van bokken, met het beste van de tarwe. Het bloed van de druif dronk je: wijn.
חֶמְאַ֨ת
(chemat)
room van
בָּקָ֜ר
(baqar)
runderen
וַחֲלֵ֣ב
(vachalev)
en melk van
צֹ֗אן
(tson)
kleinvee
עִם
(im)
met
חֵ֨לֶב
(chelev)
vet van
כָּרִ֜ים
(karim)
lammeren
וְאֵילִ֤ים
(veeilim)
en rammen
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
בָשָׁן֙
(bashan)
Basan
וְעַתּוּדִ֔ים
(veatudim)
en bokken
עִם
(im)
met
חֵ֖לֶב
(chelev)
vet van
כִּלְי֣וֹת
(kilyot)
nieren van
חִטָּ֑ה
(chita)
tarwe
וְדַם
(vedam)
en bloed van
עֵנָ֖ב
(enav)
druif
תִּשְׁתֶּה
(tishte)
je dronk
חָֽמֶר
(chamer)
wijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië.
Uitleg
חֶמְאָה (chem’ah), ‘room’: dikke melk of boter.
חֵלֶב כִּלְיוֹת חִטָּה (chelev kilyot chitah), letterlijk ‘nierenvet van tarwe’: het beste van de tarwe, zoals het vet het beste van een offerdier is.
בְּנֵי בָשָׁן (bnei Bashan), ‘zonen van Basan’: schapen uit Basan, een streek die bekend was om zijn kudden.
20Hij zei: „Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen, Ik zal zien wat hun einde is. Want zij zijn een geslacht vol verkeerdheid, kinderen in wie geen betrouwbaarheid is.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אַסְתִּ֤ירָה
(astira)
Ik zal verbergen
פָנַי֙
(panay)
Mijn aangezicht
מֵהֶ֔ם
(mehem)
voor hen
אֶרְאֶ֖ה
(ere)
Ik zal zien
מָ֣ה
(ma)
wat
אַחֲרִיתָ֑ם
(acharitam)
hun einde
כִּ֣י
(ki)
want
ד֤וֹר
(dor)
geslacht van
תַּהְפֻּכֹת֙
(tahpukhot)
verkeerdheden
הֵ֔מָּה
(hema)
zij
בָּנִ֖ים
(banim)
zonen
לֹא
(lo)
niet
אֵמֻ֥ן
(emun)
betrouwbaarheid
בָּֽם
(bam)
in hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תַּהְפֻּכֹת (tahpukhot), ‘verkeerdheid’: alles wat omgedraaid is, het tegendeel van recht.
אֱמֻן (emun), ‘betrouwbaarheid’: hetzelfde grondwoord als אֱמוּנָה (emunah) in vers 4.
21Zij hebben Mij na-ijverig gemaakt met wat geen El is, Mij tot toorn geprikkeld met hun nietigheden. Daarom zal Ik hen na-ijverig maken met wat geen volk is, met een dwaze natie zal Ik hen tot toorn prikkelen.
הֵ֚ם
(hem)
zij
קִנְא֣וּנִי
(qinuni)
zij hebben Mij na-ijverig gemaakt
בְלֹא
(belo)
met wat niet
אֵ֔ל
(el)
El
כִּעֲס֖וּנִי
(kiasuni)
zij hebben Mij tot toorn geprikkeld
בְּהַבְלֵיהֶ֑ם
(behavleihem)
met hun nietigheden
וַאֲנִי֙
(vaani)
en Ik
אַקְנִיאֵ֣ם
(aqniem)
zal hen na-ijverig maken
בְּלֹא
(belo)
met wat niet
עָ֔ם
(am)
volk
בְּג֥וֹי
(begoy)
met een natie
נָבָ֖ל
(naval)
dwaze
אַכְעִיסֵֽם
(akhisem)
Ik zal hen tot toorn prikkelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Paulus haalt dit vers aan in Rom. 10:19.
הֶבֶל (hevel), ‘nietigheid’: afgoden zijn niets.
לֹא־אֵל (lo El), ‘wat geen El is’, en לֹא־עָם (lo am), ‘wat geen volk is’: Yahweh antwoordt in gelijke munt, zoals in vers 16.
22Want een vuur is ontstoken in Mijn toorn. Het brandt tot in het diepste van het dodenrijk, verteert het land en zijn opbrengst en zet de fundamenten van de bergen in brand.
כִּי
(ki)
want
אֵשׁ֙
(esh)
vuur
קָדְחָ֣ה
(qadecha)
is ontstoken
בְאַפִּ֔י
(beapi)
in Mijn toorn
וַתִּיקַ֖ד
(vatiqad)
en het brandt
עַד
(ad)
tot
שְׁא֣וֹל
(sheol)
dodenrijk
תַּחְתִּ֑ית
(tachtit)
onderste
וַתֹּ֤אכַל
(vatokhal)
en het verteert
אֶ֨רֶץ֙
(erets)
land
וִֽיבֻלָ֔הּ
(vivulah)
en zijn opbrengst
וַתְּלַהֵ֖ט
(vatelahet)
en het zet in brand
מוֹסְדֵ֥י
(mosedei)
fundamenten van
הָרִֽים
(harim)
bergen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁאוֹל (She’ol), ‘dodenrijk’: de plaats van de doden; ‘het diepste’ is de laagste plek.
27Ware het niet dat Ik de woede van de vijand vreesde, dat hun tegenstanders het zouden miskennen, dat zij zouden zeggen: ‘Onze hand is hoog, en Yahweh heeft dit alles niet gedaan.’”
לוּלֵ֗י
(lulei)
ware het niet
כַּ֤עַס
(kaas)
woede van
אוֹיֵב֙
(oyev)
vijand
אָג֔וּר
(agur)
Ik zou vrezen
פֶּֽן
(pen)
opdat niet
יְנַכְּר֖וּ
(yenakeru)
zouden miskennen
צָרֵ֑ימוֹ
(tsareimo)
hun tegenstanders
פֶּן
(pen)
opdat niet
יֹֽאמְרוּ֙
(yomru)
zouden zeggen
יָדֵ֣ינוּ
(yadeinu)
onze hand
רָ֔מָה
(rama)
is hoog
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
פָּעַ֥ל
(paal)
heeft gedaan
כָּל
(kal)
al
זֹֽאת
(zot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָגוּר (agur), ‘Ik zou vrezen’: het woord kan ook ‘Ik zou verblijven’ betekenen; wij kiezen ‘vrezen’.
De woorden tussen ‘ ’ zijn het citaat van de vijanden: zij zouden de overwinning aan zichzelf toeschrijven in plaats van aan Yahweh.
35Mij komen wraak en vergelding toe, voor de tijd dat hun voet wankelt. Want de dag van hun ondergang is nabij, en wat hun te wachten staat, komt snel.”
לִ֤י
(li)
voor Mij
נָקָם֙
(naqam)
wraak
וְשִׁלֵּ֔ם
(veshilem)
en vergelding
לְעֵ֖ת
(leet)
voor de tijd dat
תָּמ֣וּט
(tamut)
wankelt
רַגְלָ֑ם
(raglam)
hun voet
כִּ֤י
(ki)
want
קָרוֹב֙
(qarov)
nabij
י֣וֹם
(yom)
dag van
אֵידָ֔ם
(eidam)
hun ondergang
וְחָ֖שׁ
(vechash)
en snel komt
עֲתִדֹ֥ת
(atidot)
wat staat te komen
לָֽמוֹ
(lamo)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָקָם (naqam), ‘wraak’, en שִׁלֵּם (shillem), ‘vergelding’: Yahweh houdt het recht in eigen hand; mensen nemen geen wraak (zie Lev. 19:18).
36Want Yahweh zal recht doen aan Zijn volk en medelijden hebben met Zijn dienaren. Wanneer Hij ziet dat de kracht verdwenen is en dat niemand meer over is, gebonden of vrij.
כִּֽי
(ki)
want
יָדִ֤ין
(yadin)
zal recht doen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עַמּ֔וֹ
(amo)
Zijn volk
וְעַל
(veal)
en over
עֲבָדָ֖יו
(avadav)
Zijn dienaren
יִתְנֶחָ֑ם
(yitnecham)
Hij zal medelijden hebben
כִּ֤י
(ki)
want
יִרְאֶה֙
(yire)
Hij zal zien
כִּי
(ki)
dat
אָ֣זְלַת
(azelat)
verdwenen is
יָ֔ד
(yad)
hand
וְאֶ֖פֶס
(veefes)
en niets meer
עָצ֥וּר
(atsur)
gebondene
וְעָזֽוּב
(veazuv)
en vrije
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דִּין (din) betekent ‘oordelen’ en ‘recht doen’.
Hebr. 10:30 haalt ook dit vers aan.
אֶפֶס עָצוּר וְעָזוּב (efes atsur ve’azuv), ‘gebonden of vrij’: een gezegde voor iedereen, van wie vastzit tot wie vrij is.
38die het vet van hun slachtoffers aten en de wijn van jullie plengoffers dronken? Laat hen opstaan en jullie helpen, laat er een schuilplaats over jullie zijn.
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
חֵ֤לֶב
(chelev)
vet van
זְבָחֵ֨ימוֹ֙
(zevacheimo)
hun slachtoffers
יֹאכֵ֔לוּ
(yokhelu)
zij aten
יִשְׁתּ֖וּ
(yishtu)
zij dronken
יֵ֣ין
(yein)
wijn van
נְסִיכָ֑ם
(nesikham)
jullie plengoffers
יָק֨וּמוּ֙
(yaqumu)
laten opstaan
וְיַעְזְרֻכֶ֔ם
(veyazerukhem)
en laten helpen jullie
יְהִ֥י
(yehi)
laat zijn
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
over jullie
סִתְרָֽה
(sitra)
schuilplaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws wisselt hier van ‘hun slachtoffers’ naar ‘jullie plengoffers’ (נְסִיכֶם, nesikhem), en gaat dan over op ‘jullie’.
39Kijk nu: Ik, Ik ben Hij, en er is geen Elohim naast Mij. Ik doe sterven en Ik maak levend. Ik heb verwond en Ik zal genezen, en niemand redt uit Mijn hand.
רְא֣וּ
(reu)
kijk
עַתָּ֗ה
(ata)
nu
כִּ֣י
(ki)
dat
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
אֲנִי֙
(ani)
Ik
ה֔וּא
(hu)
Hij
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
עִמָּדִ֑י
(imadi)
naast Mij
אֲנִ֧י
(ani)
Ik
אָמִ֣ית
(amit)
doe sterven
וַאֲחַיֶּ֗ה
(vaachaye)
en Ik maak levend
מָחַ֨צְתִּי֙
(machatsti)
Ik heb verwond
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en Ik
אֶרְפָּ֔א
(erpa)
zal genezen
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
מִיָּדִ֖י
(miyadi)
uit Mijn hand
מַצִּֽיל
(matsil)
redder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲנִי אֲנִי הוּא (ani ani hu), ‘Ik, Ik ben Hij’: de formule van de enige Elohim, zoals in Jes. 43:10 en 48:12.
‘Ik doe sterven en Ik maak levend’ staat ook in 1 Sam. 2:6.
41als Ik Mijn bliksemend zwaard scherp maak en Mijn hand naar het recht grijpt. Dan zal Ik wraak laten terugkeren op Mijn tegenstanders en Mijn haters vergelden.
אִם
(im)
als
שַׁנּוֹתִי֙
(shanoti)
Ik scherp maak
בְּרַ֣ק
(beraq)
bliksem van
חַרְבִּ֔י
(charbi)
Mijn zwaard
וְתֹאחֵ֥ז
(vetochez)
en grijpt
בְּמִשְׁפָּ֖ט
(bemishpat)
naar het recht
יָדִ֑י
(yadi)
Mijn hand
אָשִׁ֤יב
(ashiv)
Ik zal doen terugkeren
נָקָם֙
(naqam)
wraak
לְצָרָ֔י
(letsaray)
op Mijn tegenstanders
וְלִמְשַׂנְאַ֖י
(velimsanay)
en op Mijn haters
אֲשַׁלֵּֽם
(ashalem)
Ik zal vergelden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּרַק חַרְבִּי (berak charbi), ‘bliksem van Mijn zwaard’: het flitsen van het geslepen zwaard.
42Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed. En Mijn zwaard zal vlees eten: van het bloed van gesneuvelden en gevangenen, van het hoofd van de aanvoerders van de vijand.”
אַשְׁכִּ֤יר
(ashkir)
Ik zal dronken maken
חִצַּי֙
(chitsay)
Mijn pijlen
מִדָּ֔ם
(midam)
van bloed
וְחַרְבִּ֖י
(vecharbi)
en Mijn zwaard
תֹּאכַ֣ל
(tokhal)
zal eten
בָּשָׂ֑ר
(basar)
vlees
מִדַּ֤ם
(midam)
van bloed van
חָלָל֙
(chalal)
gesneuvelde
וְשִׁבְיָ֔ה
(veshivya)
en gevangene
מֵרֹ֖אשׁ
(merosh)
van het hoofd van
פַּרְע֥וֹת
(parot)
aanvoerders van
אוֹיֵֽב
(oyev)
vijand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פַּרְעוֹת (par’ot), ‘aanvoerders’: het woord kan ook ‘loshangend haar’ betekenen; de betekenis is niet zeker.
43Juich, volken, met Zijn volk, want het bloed van Zijn dienaren zal Hij wreken. Hij zal wraak laten terugkeren op Zijn tegenstanders en verzoening doen voor Zijn grond, Zijn volk.
הַרְנִ֤ינוּ
(harninu)
juicht
גוֹיִם֙
(goyim)
volken
עַמּ֔וֹ
(amo)
met Zijn volk
כִּ֥י
(ki)
want
דַם
(dam)
bloed van
עֲבָדָ֖יו
(avadav)
Zijn dienaren
יִקּ֑וֹם
(yiqom)
Hij zal wreken
וְנָקָם֙
(venaqam)
en wraak
יָשִׁ֣יב
(yashiv)
Hij zal doen terugkeren
לְצָרָ֔יו
(letsarav)
op Zijn tegenstanders
וְכִפֶּ֥ר
(vekhiper)
en Hij zal verzoening doen
אַדְמָת֖וֹ
(admato)
voor Zijn grond
עַמּֽוֹ
(amo)
Zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כִּפֶּר (kipper), ‘verzoening doen’: hier voor het land (אֲדָמָה, adamah, ‘grond’) en voor het volk.
Lezing
Wij volgen de Masoretische tekst.
De Septuaginta en een Qumranhandschrift hebben hier een langere tekst, waarin ook de hemelen juichen en de ‘zonen van Elohim’ zich voor Hem neerbuigen.
Paulus haalt in Rom. 15:10 de vorm ‘Juich, volken, met Zijn volk’ aan, en Hebr. 1:6 heeft een regel die hierop lijkt.
45Toen Mozes klaar was met het spreken van al deze woorden tot heel Israël,
וַיְכַ֣ל
(vaykhal)
en hij maakte af
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
לְדַבֵּ֛ר
(ledaber)
met spreken
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֥ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
46zei hij tegen hen: „Richt jullie hart op al de woorden die ik vandaag als getuige tegen jullie uitspreek. Jullie moeten ze aan jullie zonen opdragen, om alle woorden van deze wet te houden en te doen.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶם֙
(alehem)
tot hen
שִׂ֣ימוּ
(simu)
richt
לְבַבְכֶ֔ם
(levavkhem)
jullie hart
לְכָל
(lekhal)
op alle
הַדְּבָרִ֔ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
אָנֹכִ֛י
(anokhi)
ik
מֵעִ֥יד
(meid)
getuigend
בָּכֶ֖ם
(bakhem)
tegen jullie
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
תְּצַוֻּם֙
(tetsavum)
jullie zullen opdragen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵיכֶ֔ם
(beneikhem)
jullie zonen
לִשְׁמֹ֣ר
(lishmor)
om te houden
לַעֲשׂ֔וֹת
(laasot)
om te doen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
woorden van
הַתּוֹרָ֥ה
(hatora)
de wet
הַזֹּֽאת
(hazot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
47Want het is geen leeg woord voor jullie. Het is juist jullie leven. Door dit woord zullen jullie lang leven op de grond waar jullie de Jordaan voor oversteken om die in bezit te nemen.”
כִּ֠י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
דָבָ֨ר
(davar)
woord
רֵ֥ק
(req)
leeg
הוּא֙
(hu)
het
מִכֶּ֔ם
(mikem)
voor jullie
כִּי
(ki)
want
ה֖וּא
(hu)
het
חַיֵּיכֶ֑ם
(chayeikhem)
jullie leven
וּבַדָּבָ֣ר
(uvadavar)
en door het woord
הַזֶּ֗ה
(haze)
dit
תַּאֲרִ֤יכוּ
(taarikhu)
jullie zullen verlengen
יָמִים֙
(yamim)
dagen
עַל
(al)
op
הָ֣אֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אַתֶּ֜ם
(atem)
jullie
עֹבְרִ֧ים
(overim)
oversteken
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּ֛ן
(hayarden)
de Jordaan
שָׁ֖מָּה
(shama)
daarheen
לְרִשְׁתָּֽהּ
(lerishtah)
om die in bezit te nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Uitleg
רֵק (req), ‘leeg’: een woord zonder inhoud.
In de tekst staat de spelling רַק (raq).
‘Lang leven’ is hetzelfde als in Deut. 30:18 en 30:20.
49„Ga omhoog op dit gebergte van de Abarim, de berg Nebo, in het land Moab, tegenover Jericho. Kijk naar het land Kanaän dat Ik de zonen van Israël als bezit geef.
עֲלֵ֡ה
(ale)
ga omhoog
אֶל
(el)
naar
הַר֩
(har)
gebergte
הָעֲבָרִ֨ים
(haavarim)
van de Abarim
הַזֶּ֜ה
(haze)
dit
הַר
(har)
berg
נְב֗וֹ
(nevo)
Nebo
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
יְרֵח֑וֹ
(yerecho)
Jericho
וּרְאֵה֙
(uree)
en zie
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
נֹתֵ֛ן
(noten)
geef
לִבְנֵ֥י
(livnei)
aan de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לַאֲחֻזָּֽה
(laachuza)
als bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De berg Nebo ligt in het gebergte van de Abarim, ten oosten van de Dode Zee en tegenover Jericho (Jordanië).
Zie ook Num. 27:12, Num. 33:47 en Deut. 34:1.
Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Uitleg
Mozes krijgt hier hetzelfde bevel als in Num. 27:12–14.
50Je zult sterven op de berg waar je naartoe opgaat en verzameld worden bij je volken. Zoals Aäron, je broer, stierf op de berg Hor en verzameld werd bij zijn volken,
וּמֻ֗ת
(umut)
en sterf
בָּהָר֙
(bahar)
op de berg
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
אַתָּה֙
(ata)
jij
עֹלֶ֣ה
(ole)
opgaand
שָׁ֔מָּה
(shama)
daarheen
וְהֵאָסֵ֖ף
(veheasef)
en word verzameld
אֶל
(el)
bij
עַמֶּ֑יךָ
(ameikha)
je volken
כַּֽאֲשֶׁר
(kaasher)
zoals
מֵ֞ת
(met)
stierf
אַהֲרֹ֤ן
(aharon)
Aäron
אָחִ֨יךָ֙
(achikha)
je broer
בְּהֹ֣ר
(behor)
op Hor
הָהָ֔ר
(hahar)
de berg
וַיֵּאָ֖סֶף
(vayeasef)
en werd verzameld
אֶל
(el)
bij
עַמָּֽיו
(amav)
zijn volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom.
Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië.
Dit is niet zeker.
Uitleg
De dood van Aäron op de berg Hor staat in Num. 20:22–29.
‘Verzameld worden bij je volken’ is een uitdrukking voor sterven (Num. 27:13).
51omdat jullie ontrouw tegen Mij zijn geweest te midden van de zonen van Israël, bij het water van Meriba bij Kades, in de woestijn Zin. Omdat jullie Mij niet heilig gehouden hebben te midden van de zonen van Israël.
עַל֩
(al)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
מְעַלְתֶּ֜ם
(mealtem)
jullie waren ontrouw
בִּ֗י
(bi)
tegen Mij
בְּתוֹךְ֙
(betokh)
te midden van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בְּמֵֽי
(bemei)
bij het water van
מְרִיבַ֥ת
(merivat)
Meriba van
קָדֵ֖שׁ
(qadesh)
Kades
מִדְבַּר
(midbar)
woestijn van
צִ֑ן
(tsin)
Zin
עַ֣ל
(al)
omdat
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
קִדַּשְׁתֶּם֙
(qidashtem)
jullie hielden heilig
אוֹתִ֔י
(oti)
Mij
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
te midden van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev.
Zie Woestijn Zin: De woestijn Zin lag in het zuiden van Kanaän, bij Kades.
De grenzen zijn niet precies bekend.
Uitleg
מָעַל (ma’al), ‘ontrouw zijn’: ontrouw tegen Yahweh, zoals in Lev. 26:40.
De gebeurtenis bij het water van Meriba staat in Num. 20:1–13.
קָדַשׁ (qadash), ‘heilig houden’: zoals in Num. 20:12 en 27:14.