Elohim Bijbel

Ezechiël 24

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

De pot op het vuur en de dood van de vrouw van Ezechiël

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het beleg begint

1Het woord van Yahweh kwam tot mij in het negende jaar, in de tiende maand, op de tiende van de maand:
וַיְהִי֩
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֜י
(elay)
tot mij
בַּשָּׁנָ֤ה
(bashana)
in het jaar
הַתְּשִׁיעִית֙
(hateshiit)
negende
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הָעֲשִׂירִ֔י
(haasiri)
tiende
בֶּעָשׂ֥וֹר
(beasor)
op de tiende
לַחֹ֖דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De jaren in dit boek worden geteld vanaf de wegvoering van koning Jojachin (Ezech. 1:2).

Deze dag is volgens vers 2 de dag waarop het beleg van Jeruzalem begon.

Vergelijk 2 Kon. 25:1 en Jer. 52:4.

2„Mensenkind, schrijf de naam van deze dag voor jezelf op, juist van deze dag. De koning van Babel heeft zich juist op deze dag tegen Jeruzalem gelegd.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
כְּתָב
(ketav)
schrijf
לְךָ֙
(lekha)
voor jou
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֣ם
(shem)
de naam van
הַיּ֔וֹם
(hayom)
de dag
אֶת
(et)
(obj.)
עֶ֖צֶם
(etsem)
juist
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
סָמַ֤ךְ
(samakh)
heeft zich gelegd
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
אֶל
(el)
tegen
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
בְּעֶ֖צֶם
(beetsem)
op juist
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

עֶצֶם הַיּוֹם (etsem hayyom), ‘juist van deze dag’: letterlijk ‘het been van deze dag’, dat wil zeggen precies deze dag.

סָמַךְ (samach), ‘heeft zich gelegd’: het werkwoord betekent ‘steunen, leunen’. Hier gaat het om het begin van het beleg.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) van ‘schrijf’ heeft een andere klinkerletter dan de voorgelezen tekst (qere).

De betekenis is gelijk.

Wij volgen de qere.

De gelijkenis van de pot

3Houd het weerspannige huis een gelijkenis voor. Zeg tegen hen: ‘Zo zegt Heer Yahweh: Zet de pot op, zet hem op en giet er ook water in.
וּמְשֹׁ֤ל
(umeshol)
en houd voor
אֶל
(el)
tegen
בֵּית
(beit)
huis
הַמֶּ֨רִי֙
(hameri)
het weerspannige
מָשָׁ֔ל
(mashal)
een gelijkenis
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tegen hen
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
שְׁפֹ֤ת
(shefot)
zet op
הַסִּיר֙
(hasir)
de pot
שְׁפֹ֔ת
(shefot)
zet op
וְגַם
(vegam)
en ook
יְצֹ֥ק
(yetsoq)
giet
בּ֖וֹ
(bo)
erin
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Ezech. 2:4.

בֵּית הַמֶּרִי (beit hameri), ‘het weerspannige huis’: zoals Ezech. 2:5.

סִיר (sir), ‘pot’: de bewoners van Jeruzalem hadden zelf gezegd dat de stad de pot was en zij het vlees (Ezech. 11:3). Yahweh geeft dat beeld een andere betekenis.

שְׁפֹת (shefot), ‘zet op’, en יְצֹק (yetsoq), ‘giet’: het Hebreeuws heeft hier de onbepaalde wijs als bevel.

4Doe er de stukken vlees in, alle goede stukken, de dij en de schouder. Vul hem met de beste beenderen.
אֱסֹ֤ף
(esof)
verzamel
נְתָחֶ֨יהָ֙
(netacheiha)
haar stukken
אֵלֶ֔יהָ
(eleiha)
erin
כָּל
(kal)
alle
נֵ֥תַח
(netach)
stuk
ט֖וֹב
(tov)
goed
יָרֵ֣ךְ
(yarekh)
dij
וְכָתֵ֑ף
(vekhatef)
en schouder
מִבְחַ֥ר
(mivchar)
beste van
עֲצָמִ֖ים
(atsamim)
beenderen
מַלֵּֽא
(male)
vul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְתָחִים (netachim), ‘stukken vlees’; יָרֵךְ (yarech), ‘dij’, en כָּתֵף (katef), ‘schouder’: de goede stukken.

Dat zijn de bewoners van de stad.

5Neem het beste van de kudde. Stapel ook de beenderen eronder. Laat het hard koken, zodat ook de beenderen erin gaar worden.
מִבְחַ֤ר
(mivchar)
beste van
הַצֹּאן֙
(hatson)
de kudde
לָק֔וֹחַ
(laqoach)
neem
וְגַ֛ם
(vegam)
en ook
דּ֥וּר
(dur)
stapel
הָעֲצָמִ֖ים
(haatsamim)
de beenderen
תַּחְתֶּ֑יהָ
(tachteiha)
eronder
רַתַּ֣ח
(ratach)
laat koken
רְתָחֶ֔יהָ
(retacheiha)
haar koken
גַּם
(gam)
ook
בָּשְׁל֥וּ
(bashelu)
zijn gaar geworden
עֲצָמֶ֖יהָ
(atsameiha)
haar beenderen
בְּתוֹכָֽהּ
(betokhah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דּוּר (dur), ‘stapel’: een zeldzaam werkwoord.

Het gaat om het opstapelen onder de pot.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen hier anders.

Wij volgen de Masoretische tekst.

Wee de stad van bloed

6Daarom, zo zegt Heer Yahweh: Wee de stad van bloed, de pot waarin roest zit en waarvan de roest er niet uit is gegaan! Haal hem stuk voor stuk eruit. Geen lot is erover gevallen.
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהֹוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אוֹי֮
(oy)
wee
עִ֣יר
(ir)
stad van
הַדָּמִים֒
(hadamim)
het bloed
סִ֚יר
(sir)
pot
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarin
חֶלְאָתָ֣ה
(chelata)
haar roest
בָ֔הּ
(bah)
in haar
וְחֶ֨לְאָתָ֔הּ
(vechelatah)
en haar roest
לֹ֥א
(lo)
niet
יָצְאָ֖ה
(yatsea)
is uitgegaan
מִמֶּ֑נָּה
(mimena)
uit haar
לִנְתָחֶ֤יהָ
(lintacheiha)
stuk voor stuk
לִנְתָחֶ֨יהָ֙
(lintacheiha)
stuk voor stuk
הוֹצִיאָ֔הּ
(hotsiah)
haal haar eruit
לֹא
(lo)
niet
נָפַ֥ל
(nafal)
is gevallen
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
erover
גּוֹרָֽל
(goral)
lot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶלְאָה (chel’ah), ‘roest’: de aanslag of het vuil op de pot.

Het woord staat alleen in dit hoofdstuk (vers 6, 11, 12).

לְנִתְחֶיהָ לְנִתְחֶיהָ הוֹצִיאָהּ (lenitcheha lenitcheha hotsi’ah), ‘stuk voor stuk haal hem eruit’: het Hebreeuws is kort.

לֹא נָפַל עָלֶיהָ גּוֹרָל (lo nafal aleha goral), ‘geen lot is erover gevallen’: wij laten open wat dit betekent. Het kan zijn dat er niet geloot wordt over wie gespaard blijft: allen gaan eruit.

7Want haar bloed is in haar midden. Op een kale rots heeft zij het gezet. Zij heeft het niet op de grond uitgegoten om het met stof te bedekken.
כִּ֤י
(ki)
want
דָמָהּ֙
(damah)
haar bloed
בְּתוֹכָ֣הּ
(betokhah)
in haar midden
הָיָ֔ה
(haya)
is geweest
עַל
(al)
op
צְחִ֥יחַ
(tsechiach)
kale
סֶ֖לַע
(sela)
rots
שָׂמָ֑תְהוּ
(samatehu)
heeft het gezet
לֹ֤א
(lo)
niet
שְׁפָכַ֨תְהוּ֙
(shefakhathu)
heeft het uitgegoten
עַל
(al)
op
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de grond
לְכַסּ֥וֹת
(lekhasot)
om te bedekken
עָלָ֖יו
(alav)
erover
עָפָֽר
(afar)
stof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְחִיחַ סֶלַע (tsachiach sela), ‘kale rots’: een gladde, blote rots.

Het bloed werd niet bedekt met stof, zoals de wet voorschrijft (Lev. 17:13), zodat het blijft roepen om wraak.

8Om woede te laten opkomen en wraak te nemen, heb Ik haar bloed op de kale rots gezet, zodat het niet bedekt wordt.
לְהַעֲל֤וֹת
(lehaalot)
om te laten opkomen
חֵמָה֙
(chema)
woede
לִנְקֹ֣ם
(linqom)
om te nemen
נָקָ֔ם
(naqam)
wraak
נָתַ֥תִּי
(natati)
heb Ik gegeven
אֶת
(et)
(obj.)
דָּמָ֖הּ
(damah)
haar bloed
עַל
(al)
op
צְחִ֣יחַ
(tsechiach)
kale
סָ֑לַע
(sala)
rots
לְבִלְתִּ֖י
(levilti)
opdat niet
הִכָּסֽוֹת
(hikasot)
het bedekt wordt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָקָם (naqam), ‘wraak’: het gaat om Yahweh’s recht dat bloed niet ongestraft blijft.

9Daarom, zo zegt Heer Yahweh: Wee de stad van bloed! Ook Ik zal de brandstapel groot maken.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
א֖וֹי
(oy)
wee
עִ֣יר
(ir)
stad van
הַדָּמִ֑ים
(hadamim)
het bloed
גַּם
(gam)
ook
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
אַגְדִּ֥יל
(agdil)
zal groot maken
הַמְּדוּרָֽה
(hamedura)
de brandstapel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְדוּרָה (medurah), ‘brandstapel’: een zeldzaam woord voor een stapel hout voor het vuur.

10Maak het hout veel. Steek het vuur aan. Kook het vlees gaar. Meng de kruiden. Laat de beenderen verbranden.
הַרְבֵּ֤ה
(harbe)
maak veel
הָעֵצִים֙
(haetsim)
het hout
הַדְלֵ֣ק
(hadleq)
steek aan
הָאֵ֔שׁ
(haesh)
het vuur
הָתֵ֖ם
(hatem)
kook gaar
הַבָּשָׂ֑ר
(habasar)
het vlees
וְהַרְקַח֙
(veharqach)
en meng
הַמֶּרְקָחָ֔ה
(hamerqacha)
de kruidenmengeling
וְהָעֲצָמ֖וֹת
(vehaatsamot)
en de beenderen
יֵחָֽרוּ
(yecharu)
zullen verbranden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַרְקַח הַמֶּרְקָחָה (harqach hammerqachah), ‘meng de kruiden’: een zeldzame uitdrukking.

De betekenis is onzeker; het gaat om het toevoegen van specerijen aan het kookgerecht.

11Zet de pot dan leeg op zijn kolen, zodat zijn koper heet wordt en gloeit, haar onreinheid erin smelt en haar roest verdwijnt.
וְהַעֲמִידֶ֥הָ
(vehaamideha)
en zet haar
עַל
(al)
op
גֶּחָלֶ֖יהָ
(gechaleiha)
haar kolen
רֵקָ֑ה
(reqa)
leeg
לְמַ֨עַן
(lemaan)
opdat
תֵּחַ֜ם
(techam)
heet wordt
וְחָ֣רָה
(vechara)
en gloeit
נְחֻשְׁתָּ֗הּ
(nechushtah)
haar koper
וְנִתְּכָ֤ה
(venitekha)
en smelt
בְתוֹכָהּ֙
(betokhah)
daarin
טֻמְאָתָ֔הּ
(tumatah)
haar onreinheid
תִּתֻּ֖ם
(titum)
verdwijnt
חֶלְאָתָֽהּ
(chelatah)
haar roest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Zij heeft zich uitgeput met moeite, maar haar vele roest gaat er niet uit. In het vuur met haar roest!
תְּאֻנִ֖ים
(teunim)
moeite
הֶלְאָ֑ת
(helat)
heeft zij zich uitgeput
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תֵצֵ֤א
(tetse)
gaat uit
מִמֶּ֨נָּה֙
(mimena)
uit haar
רַבַּ֣ת
(rabat)
veel van
חֶלְאָתָ֔הּ
(chelatah)
haar roest
בְּאֵ֖שׁ
(beesh)
in het vuur
חֶלְאָתָֽהּ
(chelatah)
haar roest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּאֻנִים (te’unim), ‘moeite’: een zeldzaam woord.

De betekenis is onzeker.

בְּאֵשׁ חֶלְאָתָהּ (be’esh chel’atah), ‘in het vuur met haar roest’: kort en abrupt; wij laten het zo.

13In je onreinheid is schanddaad. Ik heb je gereinigd, maar je werd niet rein van je onreinheid. Daarom zul je niet meer rein worden, totdat Ik Mijn woede op je heb laten rusten.
בְּטֻמְאָתֵ֖ךְ
(betumatekh)
in je onreinheid
זִמָּ֑ה
(zima)
schanddaad
יַ֤עַן
(yaan)
omdat
טִֽהַרְתִּיךְ֙
(tihartikh)
Ik heb je gereinigd
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
טָהַ֔רְתְּ
(tahart)
je werd rein
מִטֻּמְאָתֵךְ֙
(mitumatekh)
van je onreinheid
לֹ֣א
(lo)
niet
תִטְהֲרִי
(tithari)
zul je rein worden
ע֔וֹד
(od)
meer
עַד
(ad)
totdat
הֲנִיחִ֥י
(hanichi)
Ik heb laten rusten
אֶת
(et)
(obj.)
חֲמָתִ֖י
(chamati)
Mijn woede
בָּֽךְ
(bakh)
op jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זִמָּה (zimmah), ‘schanddaad’: zoals in Lev. 18:17.

14Ik, Yahweh, heb gesproken. Het komt, en Ik zal het doen. Ik zal het niet laten varen, niet sparen en Mij niet laten rouwen. Naar je wegen en naar je daden oordelen zij je, godsspraak van Heer Yahweh.’”
אֲנִ֨י
(ani)
Ik
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבַּ֨רְתִּי֙
(dibarti)
heb gesproken
בָּאָ֣ה
(baa)
het komt
וְעָשִׂ֔יתִי
(veasiti)
en Ik zal doen
לֹֽא
(lo)
niet
אֶפְרַ֥ע
(efra)
zal Ik loslaten
וְלֹא
(velo)
en niet
אָח֖וּס
(achus)
zal Ik sparen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֶנָּחֵ֑ם
(enachem)
zal Ik Mij laten rouwen
כִּדְרָכַ֤יִךְ
(kidrakhayikh)
naar je wegen
וְכַעֲלִילוֹתַ֨יִךְ֙
(vekhaalilotayikh)
en naar je daden
שְׁפָט֔וּךְ
(shefatukh)
zij oordelen je
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהֹוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶנָּחֵם (enachem), ‘Mij laten rouwen’: het Hebreeuws gebruikt dit werkwoord als Yahweh Zijn besluit herziet.

Vergelijk Num. 23:19 en 1 Sam. 15:29.

Hier zegt Yahweh dat Hij dat niet zal doen.

שְׁפָטוּךְ (shefatuch), ‘zij oordelen je’: het Hebreeuws staat in de verleden tijd en noemt niet wie oordeelt.

נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen dit anders.

Wij volgen de Masoretische tekst.

De dood van Ezechiëls vrouw

15Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16„Mensenkind, zie, Ik neem het verlangen van je ogen bij je weg door een slag. Je mag niet rouwen en niet huilen, en je tranen mogen niet komen.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie, Ik
לֹקֵ֧חַ
(loqeach)
neem
מִמְּךָ֛
(mimekha)
van jou
אֶת
(et)
(obj.)
מַחְמַ֥ד
(machmad)
verlangen van
עֵינֶ֖יךָ
(eineikha)
je ogen
בְּמַגֵּפָ֑ה
(bemagefa)
door een slag
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
תִסְפֹּד֙
(tispod)
zul je rouwen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תִבְכֶּ֔ה
(tivke)
zul je huilen
וְל֥וֹא
(velo)
en niet
תָב֖וֹא
(tavo)
zal komen
דִּמְעָתֶֽךָ
(dimatekha)
je tranen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַחְמַד עֵינֶיךָ (machmad einecha), ‘het verlangen van je ogen’: dit is Ezechiëls vrouw (vers 18).

בְּמַגֵּפָה (bemaggefah), ‘door een slag’: een plotselinge dood.

17Zucht in stilte. Rouw om de doden mag je niet houden. Bind je hoofdtooi om en doe je sandalen aan je voeten. Bedek je bovenlip niet en eet geen brood van mensen.”
הֵאָנֵ֣ק
(heaneq)
zucht
דֹּ֗ם
(dom)
stilte
מֵתִים֙
(metim)
doden
אֵ֣בֶל
(evel)
rouw
לֹֽא
(lo)
niet
תַֽעֲשֶׂ֔ה
(taase)
zul je houden
פְאֵֽרְךָ֙
(peerekha)
je hoofdtooi
חֲב֣וֹשׁ
(chavosh)
bind
עָלֶ֔יךָ
(aleikha)
op jou
וּנְעָלֶ֖יךָ
(unealeikha)
en je sandalen
תָּשִׂ֣ים
(tasim)
doe
בְּרַגְלֶ֑יךָ
(beragleikha)
aan je voeten
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
תַעְטֶה֙
(tate)
zul je bedekken
עַל
(al)
op
שָׂפָ֔ם
(safam)
bovenlip
וְלֶ֥חֶם
(velechem)
en brood van
אֲנָשִׁ֖ים
(anashim)
mensen
לֹ֥א
(lo)
niet
תֹאכֵֽל
(tokhel)
zul je eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵאָנֵק דֹּם (he’anek dom), ‘zucht in stilte’: letterlijk ‘zucht, stilte’.

Hij mag niet hardop rouwen.

פְּאֵר (pe’er), ‘hoofdtooi’: een versiering of tulband op het hoofd. Bij rouw werd die afgelegd.

שָׂפָם (safam), ‘bovenlip’: het deel van het gezicht dat de rouwende bedekte. Vergelijk Lev. 13:45 en Mi. 3:7.

לֶחֶם אֲנָשִׁים (lechem anashim), ‘brood van mensen’: het brood dat anderen aan rouwenden brachten. Vergelijk Hos. 9:4.

18’s Morgens sprak ik tot het volk. ’s Avonds stierf mijn vrouw. ’s Morgens deed ik wat mij bevolen was.
וָאֲדַבֵּ֤ר
(vaadaber)
en ik sprak
אֶל
(el)
tot
הָעָם֙
(haam)
het volk
בַּבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַתָּ֥מָת
(vatamat)
en stierf
אִשְׁתִּ֖י
(ishti)
mijn vrouw
בָּעָ֑רֶב
(baarev)
in de avond
וָאַ֥עַשׂ
(vaaas)
en ik deed
בַּבֹּ֖קֶר
(baboqer)
in de morgen
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
צֻוֵּֽיתִי
(tsuveiti)
mij was bevolen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tweede ’s morgens is de volgende morgen: na de dood van zijn vrouw deed Ezechiël wat Yahweh hem had opgedragen.

Wat betekent dit voor ons?

19Het volk zei tegen mij: „Wil je ons niet vertellen wat dit voor ons betekent, dat je dit doet?”
וַיֹּאמְר֥וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלַ֖י
(elay)
tot mij
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
הֲלֹֽא
(halo)
niet
תַגִּ֥יד
(tagid)
wil je vertellen
לָ֨נוּ֙
(lanu)
ons
מָה
(ma)
wat
אֵ֣לֶּה
(ele)
deze dingen
לָּ֔נוּ
(lanu)
voor ons
כִּ֥י
(ki)
dat
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
עֹשֶֽׂה
(ose)
doet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Toen zei ik tegen hen: Het woord van Yahweh is tot mij gekomen:
וָאֹמַ֖ר
(vaomar)
en ik zei
אֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
tot hen
דְּבַ֨ר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הָיָ֥ה
(haya)
is gekomen
אֵלַ֖י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier vertelt Ezechiël het volk wat Yahweh hem heeft gezegd.

De woorden van Yahweh, die volgen, staan rood.

21„Zeg tegen het huis van Israël: ‘Zo zegt Heer Yahweh: Zie, Ik ontheilig Mijn heiligdom, de trots van jullie kracht, het verlangen van jullie ogen en wat jullie ziel koestert. Jullie zonen en dochters die jullie hebben achtergelaten, zullen door het zwaard vallen.
אֱמֹ֣ר
(emor)
zeg
לְבֵ֣ית
(leveit)
tot het huis van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie, Ik
מְחַלֵּ֤ל
(mechalel)
ontheilig
אֶת
(et)
(obj.)
מִקְדָּשִׁי֙
(miqdashi)
Mijn heiligdom
גְּא֣וֹן
(geon)
trots van
עֻזְּכֶ֔ם
(uzekhem)
jullie kracht
מַחְמַ֥ד
(machmad)
verlangen van
עֵֽינֵיכֶ֖ם
(eineikhem)
jullie ogen
וּמַחְמַ֣ל
(umachmal)
en wat koestert
נַפְשְׁכֶ֑ם
(nafshekhem)
jullie ziel
וּבְנֵיכֶ֧ם
(uveneikhem)
en jullie zonen
וּבְנֽוֹתֵיכֶ֛ם
(uvenoteikhem)
en jullie dochters
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עֲזַבְתֶּ֖ם
(azavtem)
jullie hebben achtergelaten
בַּחֶ֥רֶב
(bacherev)
door het zwaard
יִפֹּֽלוּ
(yipolu)
zullen vallen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִקְדָּשִׁי (miqdashi), ‘Mijn heiligdom’: de tempel in Jeruzalem.

Hij is de trots van hun kracht en het verlangen van hun ogen.

מַחְמַל נַפְשְׁכֶם (machmal nafshechem), ‘wat jullie ziel koestert’: een zeldzaam woord, van het werkwoord voor ‘ontferming hebben, sparen’.

22En jullie zullen doen zoals ik gedaan heb: jullie zullen jullie bovenlip niet bedekken en geen brood van mensen eten.
וַעֲשִׂיתֶ֖ם
(vaasitem)
en jullie zullen doen
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
עָשִׂ֑יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
עַל
(al)
op
שָׂפָם֙
(safam)
bovenlip
לֹ֣א
(lo)
niet
תַעְט֔וּ
(tatu)
zullen jullie bedekken
וְלֶ֥חֶם
(velechem)
en brood van
אֲנָשִׁ֖ים
(anashim)
mensen
לֹ֥א
(lo)
niet
תֹאכֵֽלוּ
(tokhelu)
zullen jullie eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָשִׂיתִי (asiti), ‘ik heb gedaan’: hier spreekt Ezechiël als de boodschapper.

In vers 24 noemt Yahweh hem met zijn naam.

23Jullie hoofdtooien blijven op jullie hoofden en jullie sandalen aan jullie voeten. Jullie zullen niet rouwen en niet huilen. Jullie zullen wegkwijnen in jullie schuld en kreunen, de een tegen de ander.
וּפְאֵרֵכֶ֣ם
(ufeerekhem)
en jullie hoofdtooien
עַל
(al)
op
רָאשֵׁיכֶ֗ם
(rasheikhem)
jullie hoofden
וְנַֽעֲלֵיכֶם֙
(venaaleikhem)
en jullie sandalen
בְּרַגְלֵיכֶ֔ם
(beragleikhem)
aan jullie voeten
לֹ֥א
(lo)
niet
תִסְפְּד֖וּ
(tispedu)
zullen jullie rouwen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תִבְכּ֑וּ
(tivku)
zullen jullie huilen
וּנְמַקֹּתֶם֙
(unemaqotem)
en jullie zullen wegkwijnen
בַּעֲוֺנֹ֣תֵיכֶ֔ם
(baavonoteikhem)
in jullie schuld
וּנְהַמְתֶּ֖ם
(unehamtem)
en jullie zullen kreunen
אִ֥ישׁ
(ish)
man
אֶל
(el)
tot
אָחִֽיו
(achiv)
zijn broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְמַקֹּתֶם (nemaqqotem), ‘jullie zullen wegkwijnen’: zoals in Lev. 26:39.

נְהַמְתֶּם (nehamtem), ‘jullie zullen kreunen’: een zeldzaam woord.

24Ezechiël zal een voorteken voor jullie zijn. Zoals hij gedaan heeft, zullen jullie doen. Wanneer het komt, zullen jullie weten dat Ik Heer Yahweh ben.’
וְהָיָ֨ה
(vehaya)
en zal zijn
יְחֶזְקֵ֤אל
(yechezqel)
Ezechiël
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
לְמוֹפֵ֔ת
(lemofet)
tot voorteken
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
zoals alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשָׂ֖ה
(asa)
hij heeft gedaan
תַּעֲשׂ֑וּ
(taasu)
zullen jullie doen
בְּבֹאָ֕הּ
(bevoah)
wanneer het komt
וִֽידַעְתֶּ֕ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּ֥י
(ki)
dat
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְחֶזְקֵאל (Yechezqel), ‘Ezechiël’: ‘El maakt sterk’.

Zie ook Ezech. 1:3.

Hier noemt Yahweh de profeet zelf bij zijn naam.

מוֹפֵת (mofet), ‘voorteken’: een teken dat iets aankondigt.

Ezechiël zal niet langer stom zijn

25En jij, mensenkind: op de dag dat Ik hun vesting van hen wegneem, de vreugde van hun luister, het verlangen van hun ogen en waarop hun ziel zich richt, hun zonen en hun dochters,
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֔ם
(adam)
mens
הֲל֗וֹא
(halo)
is het niet
בְּי֨וֹם
(beyom)
op de dag
קַחְתִּ֤י
(qachti)
Ik neem
מֵהֶם֙
(mehem)
van hen
אֶת
(et)
(obj.)
מָ֣עוּזָּ֔ם
(mauzam)
hun vesting
מְשׂ֖וֹשׂ
(mesos)
vreugde van
תִּפְאַרְתָּ֑ם
(tifartam)
hun luister
אֶת
(et)
(obj.)
מַחְמַ֤ד
(machmad)
verlangen van
עֵֽינֵיהֶם֙
(eineihem)
hun ogen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַשָּׂ֣א
(masa)
waarheen opheft
נַפְשָׁ֔ם
(nafsham)
hun ziel
בְּנֵיהֶ֖ם
(beneihem)
hun zonen
וּבְנוֹתֵיהֶֽם
(uvenoteihem)
en hun dochters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֲלוֹא (halo), ‘is het niet’: het vers begint met een nadrukkelijk ‘is het niet zo’.

Wij maken er een gewone zin van.

מָעוּזָּם (ma’uzzam), ‘hun vesting’: hun toevlucht, de tempel en de stad.

מַשָּׂא נַפְשָׁם (massa nafsham), ‘waarop hun ziel zich richt’: letterlijk ‘het opheffen van hun ziel’. Het is hetzelfde woord als ‘last’ in Ezech. 12:10, maar met een andere betekenis.

26op die dag zal een ontkomene naar je toe komen om het je te laten horen.
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
יָב֥וֹא
(yavo)
zal komen
הַפָּלִ֖יט
(hapalit)
de ontkomene
אֵלֶ֑יךָ
(eleikha)
naar jou
לְהַשְׁמָע֖וּת
(lehashmaut)
om te laten horen
אָזְנָֽיִם
(azenayim)
oren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַפָּלִיט (hapalit), ‘de ontkomene’: iemand die aan de ondergang van de stad is ontsnapt.

Zie Ezech. 33:21.

27Op die dag zal je mond zich openen bij de ontkomene. Je zult spreken en niet meer stom zijn. Je zult voor hen een voorteken zijn, en zij zullen weten dat Ik Yahweh ben.”
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
יִפָּ֤תַח
(yipatach)
zal worden geopend
פִּ֨יךָ֙
(pikha)
je mond
אֶת
(et)
bij
הַפָּלִ֔יט
(hapalit)
de ontkomene
וּתְדַבֵּ֕ר
(utedaber)
en je zult spreken
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תֵֽאָלֵ֖ם
(tealem)
zul je stom zijn
ע֑וֹד
(od)
meer
וְהָיִ֤יתָ
(vehayita)
en je zult zijn
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
לְמוֹפֵ֔ת
(lemofet)
tot voorteken
וְיָדְע֖וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ezechiël was stom gemaakt (Ezech. 3:26–27).

Als de ontkomene komt, wordt zijn mond geopend (Ezech. 33:22).