Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De toespraak gaat verder
1In het eerste jaar van Darius de Mediër stond ik naast hem om hem te steunen en te beschermen.
וַאֲנִי֙
(vaani)
en ik
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in het jaar
אַחַ֔ת
(achat)
eerste
לְדָרְיָ֖וֶשׁ
(ledareyavesh)
van Darius
הַמָּדִ֑י
(hamadi)
de Mediër
עָמְדִ֛י
(amedi)
mijn staan
לְמַחֲזִ֥יק
(lemachaziq)
tot steun
וּלְמָע֖וֹז
(ulemaoz)
en tot bescherming
לֽוֹ
(lo)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers hoort bij de toespraak die in 10:20 begint.
De spreker is de boodschapper uit hoofdstuk 10.
Hij zegt dat hij in het eerste jaar van Darius de Mediër naast Michaël stond (vergelijk 10:21).
מָעוֹז (ma’oz), ‘bescherming’: een plek waar je veilig bent, ook ‘vesting’.
2Nu zal ik je de waarheid vertellen. Zie, er zullen nog drie koningen opstaan in Perzië. De vierde zal veel rijker worden dan allen. Als hij sterk is geworden door zijn rijkdom, zal hij alles opwekken tegen het koninkrijk Javan.
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
אֱמֶ֖ת
(emet)
waarheid
אַגִּ֣יד
(agid)
ik zal vertellen
לָ֑ךְ
(lakh)
aan jou
הִנֵּה
(hine)
zie
עוֹד֩
(od)
nog
שְׁלֹשָׁ֨ה
(shelosha)
drie
מְלָכִ֜ים
(melakhim)
koningen
עֹמְדִ֣ים
(omedim)
staande
לְפָרַ֗ס
(lefaras)
voor Perzië
וְהָֽרְבִיעִי֙
(veharevii)
en de vierde
יַעֲשִׁ֤יר
(yaashir)
zal rijk worden
עֹֽשֶׁר
(osher)
rijkdom
גָּדוֹל֙
(gadol)
grote
מִכֹּ֔ל
(mikol)
meer dan allen
וּכְחֶזְקָת֣וֹ
(ukhechezqato)
en zodra hij sterk is
בְעָשְׁר֔וֹ
(beashero)
door zijn rijkdom
יָעִ֣יר
(yair)
zal opwekken
הַכֹּ֔ל
(hakol)
alles
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מַלְכ֥וּת
(malkhut)
het koninkrijk van
יָוָֽן
(yavan)
Javan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis.
Het Perzische rijk reikte veel verder.
Uitleg
יָוָן (Yavan), ‘Javan’: Griekenland (zie Gen. 10:2).
אֶת מַלְכוּת יָוָן (et malkhut Yavan): letterlijk ‘het koninkrijk Javan’. Het Hebreeuws heeft hier geen voorzetsel. Wij vertalen ‘tegen’, zoals de zin vraagt.
De vierde koning wordt vaak verbonden met een Perzische koning, maar de tekst noemt geen namen.
4Zodra hij is opgestaan, wordt zijn koninkrijk verbroken. Het wordt verdeeld naar de vier winden van de hemel. Het gaat niet naar zijn nageslacht en heeft niet de macht waarmee hij heerste. Want zijn koninkrijk wordt uitgerukt en gaat naar anderen, buiten dezen.
וּכְעָמְדוֹ֙
(ukheamedo)
en zodra hij opstaat
תִּשָּׁבֵ֣ר
(tishaver)
zal worden verbroken
מַלְכוּת֔וֹ
(malkhuto)
zijn koninkrijk
וְתֵחָ֕ץ
(vetechats)
en zal worden verdeeld
לְאַרְבַּ֖ע
(learba)
naar vier
רוּח֣וֹת
(ruchot)
winden van
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
לְאַחֲרִית֗וֹ
(leacharito)
voor zijn nageslacht
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
כְמָשְׁלוֹ֙
(kemashelo)
zoals zijn heerschappij
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
מָשָׁ֔ל
(mashal)
hij heerste
כִּ֤י
(ki)
want
תִנָּתֵשׁ֙
(tinatesh)
zal worden uitgerukt
מַלְכוּת֔וֹ
(malkhuto)
zijn koninkrijk
וְלַאֲחֵרִ֖ים
(velaacherim)
en voor anderen
מִלְּבַד
(milevad)
behalve
אֵֽלֶּה
(ele)
dezen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַרְבַּע רוּחוֹת הַשָּׁמָיִם (arba ruchot hashamayim), ‘de vier winden van de hemel’: de vier windstreken.
Vergelijk Zach. 2:10 (NL 2:6).
לְאַחֲרִיתוֹ (le’acharito), ‘voor zijn nageslacht’: letterlijk ‘voor wat na hem komt’.
5De koning van het Zuiden wordt sterk. Ook een van zijn oversten wordt sterk, sterker dan hij, en gaat heersen. Zijn heerschappij is een grote heerschappij.
וְיֶחֱזַ֥ק
(veyechezaq)
en zal sterk worden
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
הַנֶּ֖גֶב
(hanegev)
het Zuiden
וּמִן
(umin)
en van
שָׂרָ֑יו
(sarav)
zijn oversten
וְיֶחֱזַ֤ק
(veyechezaq)
en zal sterk worden
עָלָיו֙
(alav)
boven hem
וּמָשָׁ֔ל
(umashal)
en zal heersen
מִמְשָׁ֥ל
(mimshal)
heerschappij
רַ֖ב
(rav)
grote
מֶמְשַׁלְתּֽוֹ
(memshalto)
zijn heerschappij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מֶלֶךְ הַנֶּגֶב (melekh hanegev), ‘de koning van het Zuiden’, en מֶלֶךְ הַצָּפוֹן (melekh hatsafon), ‘de koning van het Noorden’: zo heten twee koningen in dit hoofdstuk.
De tekst noemt geen namen.
Vaak worden zij verbonden met de Ptolemaeën in Egypte en de Seleuciden in Syrië.
Wij laten de namen weg.
שָׂרָיו (sarav), ‘zijn oversten’: hier mensen die onder de koning dienen.
6Na enkele jaren sluiten zij een verbond. De dochter van de koning van het Zuiden komt dan bij de koning van het Noorden om een overeenkomst te sluiten. Maar zij behoudt de kracht van haar arm niet. Hij houdt geen stand, en zijn arm ook niet. Zij wordt prijsgegeven, zij en wie haar bracht, wie haar heeft gebaard en wie haar steunde in die tijden.
וּלְקֵ֤ץ
(uleqets)
en na het einde van
שָׁנִים֙
(shanim)
jaren
יִתְחַבָּ֔רוּ
(yitchabaru)
zullen zij zich verbinden
וּבַ֣ת
(uvat)
en de dochter van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
הַנֶּ֗גֶב
(hanegev)
het Zuiden
תָּבוֹא֙
(tavo)
zal komen
אֶל
(el)
tot
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הַצָּפ֔וֹן
(hatsafon)
het Noorden
לַעֲשׂ֖וֹת
(laasot)
om te sluiten
מֵישָׁרִ֑ים
(meisharim)
een overeenkomst
וְלֹֽא
(velo)
maar niet
תַעְצֹ֞ר
(tatsor)
zal zij behouden
כּ֣וֹחַ
(koach)
kracht van
הַזְּר֗וֹעַ
(hazeroa)
de arm
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יַעֲמֹד֙
(yaamod)
zal hij standhouden
וּזְרֹע֔וֹ
(uzeroo)
en zijn arm
וְתִנָּתֵ֨ן
(vetinaten)
en zal worden prijsgegeven
הִ֤יא
(hi)
zij
וּמְבִיאֶ֨יהָ֙
(umevieiha)
en wie haar bracht
וְהַיֹּ֣לְדָ֔הּ
(vehayoledah)
en wie haar heeft gebaard
וּמַחֲזִקָ֖הּ
(umachaziqah)
en wie haar steunde
בָּעִתִּֽים
(baitim)
in die tijden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7In zijn plaats staat iemand op uit een scheut van haar wortels. Hij komt bij het leger en gaat de vesting van de koning van het Noorden binnen. Hij handelt met hen en toont zich sterk.
וְעָמַ֛ד
(veamad)
en zal opstaan
מִנֵּ֥צֶר
(minetser)
uit een scheut van
שָׁרָשֶׁ֖יהָ
(sharasheiha)
haar wortels
כַּנּ֑וֹ
(kano)
zijn plaats
וְיָבֹ֣א
(veyavo)
en hij zal komen
אֶל
(el)
tegen
הַחַ֗יִל
(hachayil)
het leger
וְיָבֹא֙
(veyavo)
en hij zal binnengaan
בְּמָעוֹז֙
(bemaoz)
in de vesting van
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הַצָּפ֔וֹן
(hatsafon)
het Noorden
וְעָשָׂ֥ה
(veasa)
en hij zal handelen
בָהֶ֖ם
(bahem)
met hen
וְהֶחֱזִֽיק
(vehecheziq)
en hij zal zich sterk tonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֵצֶר (netser), ‘scheut’: een jonge tak uit een wortel, zoals in Jes. 11:1.
8Ook hun goden met hun gegoten beelden en hun kostbare voorwerpen van zilver en goud voert hij als buit mee naar Egypte. Jarenlang houdt hij zich afzijdig van de koning van het Noorden.
וְגַ֣ם
(vegam)
en ook
אֱֽלֹהֵיהֶ֡ם
(eloheihem)
hun goden
עִם
(im)
met
נְסִֽכֵיהֶם֩
(nesikheihem)
hun gegoten beelden
עִם
(im)
met
כְּלֵ֨י
(kelei)
de voorwerpen van
חֶמְדָּתָ֜ם
(chemdatam)
hun kostbaarheden
כֶּ֧סֶף
(kesef)
zilver
וְזָהָ֛ב
(vezahav)
en goud
בַּשְּׁבִ֖י
(bashevi)
als gevangenen
יָבִ֣א
(yavi)
zal hij brengen
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
naar Egypte
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
שָׁנִ֣ים
(shanim)
jaren
יַעֲמֹ֔ד
(yaamod)
zal zich afzijdig houden
מִמֶּ֖לֶךְ
(mimelekh)
van de koning van
הַצָּפֽוֹן
(hatsafon)
het Noorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Het kan een gegoten beeld zijn, maar ook een plengoffer.
יַעֲמֹד מִמֶּלֶךְ (ya’amod mimmelekh): letterlijk ‘hij zal staan van de koning’. Dat kan betekenen ‘zich afzijdig houden van’ of ‘standhouden tegenover’. Wij kiezen het eerste.
9Daarna komt hij in het koninkrijk van de koning van het Zuiden en keert hij terug naar zijn eigen land.
וּבָ֗א
(uva)
en hij zal komen
בְּמַלְכוּת֙
(bemalkhut)
in het koninkrijk van
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הַנֶּ֔גֶב
(hanegev)
het Zuiden
וְשָׁ֖ב
(veshav)
en hij zal terugkeren
אֶל
(el)
naar
אַדְמָתֽוֹ
(admato)
zijn land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij’.
Wij nemen aan dat de koning van het Noorden wordt bedoeld, maar de tekst zegt dat niet.
10Zijn zonen zullen strijd voeren en een menigte van grote legers verzamelen. Hij zal zeker komen, overstromen en voorbijtrekken. Hij keert terug en voert strijd tot aan zijn vesting.
וּבָנָ֣יו
(uvanav)
en zijn zonen
יִתְגָּר֗וּ
(yitgaru)
zullen strijd voeren
וְאָסְפוּ֙
(veasefu)
en zullen verzamelen
הֲמוֹן֙
(hamon)
een menigte van
חֲיָלִ֣ים
(chayalim)
legers
רַבִּ֔ים
(rabim)
grote
וּבָ֥א
(uva)
en hij zal komen
ב֖וֹא
(bo)
komen
וְשָׁטַ֣ף
(veshataf)
en overstromen
וְעָבָ֑ר
(veavar)
en doortrekken
וְיָשֹׁ֥ב
(veyashov)
en hij zal terugkeren
וְיִתְגָּרֶ֖ה
(veyitgare)
en hij zal strijd voeren
עַד
(ad)
tot aan
מָעֻזּֽוֹ
(mauzo)
zijn vesting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws gaat over van ‘zijn zonen’ (meervoud) naar ‘hij’ (enkelvoud): één van hen komt.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat ובנו (uvno), ‘en zijn zoon’; de voorgelezen tekst (qere) heeft ובניו (uvanav), ‘en zijn zonen’.
Ook staat er in de geschreven tekst ויתגרו (veyitgaru), ‘en zij zullen strijd voeren’, tegenover de voorgelezen tekst ויתגרה (veyitgareh), ‘en hij zal strijd voeren’.
Verder staat er in de geschreven tekst מעזה (ma’uzzah), ‘haar vesting’, tegenover de voorgelezen tekst מעזו (ma’uzzo), ‘zijn vesting’.
11De koning van het Zuiden wordt verbitterd. Hij trekt uit en voert oorlog tegen hem, tegen de koning van het Noorden. Hij stelt een grote menigte op, en de menigte wordt in zijn hand gegeven.
וְיִתְמַרְמַר֙
(veyitmarmar)
en zal verbitterd worden
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הַנֶּ֔גֶב
(hanegev)
het Zuiden
וְיָצָ֕א
(veyatsa)
en zal uittrekken
וְנִלְחַ֥ם
(venilcham)
en zal strijden
עִמּ֖וֹ
(imo)
met hem
עִם
(im)
met
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הַצָּפ֑וֹן
(hatsafon)
het Noorden
וְהֶעֱמִיד֙
(veheemid)
en hij zal opstellen
הָמ֣וֹן
(hamon)
een menigte
רָ֔ב
(rav)
grote
וְנִתַּ֥ן
(venitan)
en zal worden gegeven
הֶהָמ֖וֹן
(hehamon)
de menigte
בְּיָדֽוֹ
(beyado)
in zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws gebruikt hier steeds ‘hij’ en ‘hem’.
Wij laten dat zo.
Wie de menigte opstelt en in wiens hand zij wordt gegeven, wordt niet met zoveel woorden gezegd.
13De koning van het Noorden keert terug en stelt een menigte op die groter is dan de eerste. Na enige tijd, na enkele jaren, komt hij zeker met een groot leger en veel bezit.
וְשָׁב֙
(veshav)
en zal terugkeren
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הַצָּפ֔וֹן
(hatsafon)
het Noorden
וְהֶעֱמִ֣יד
(veheemid)
en zal opstellen
הָמ֔וֹן
(hamon)
een menigte
רַ֖ב
(rav)
groter
מִן
(min)
dan
הָרִאשׁ֑וֹן
(harishon)
de eerste
וּלְקֵ֨ץ
(uleqets)
en na het einde van
הָֽעִתִּ֤ים
(haitim)
de tijden
שָׁנִים֙
(shanim)
jaren
יָ֣בוֹא
(yavo)
zal komen
ב֔וֹא
(bo)
komen
בְּחַ֥יִל
(bechayil)
met een leger
גָּד֖וֹל
(gadol)
groot
וּבִרְכ֥וּשׁ
(uvirkhush)
en met bezit
רָֽב
(rav)
veel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְקֵץ הָעִתִּים שָׁנִים (leqets ha’ittim shanim): letterlijk ‘aan het einde van de tijden, jaren’.
14In die tijden staan velen op tegen de koning van het Zuiden. Ook geweldadigen onder jouw volk verheffen zich om het gezicht te laten uitkomen, maar zij komen ten val.
וּבָעִתִּ֣ים
(uvaitim)
en in de tijden
הָהֵ֔ם
(hahem)
die
רַבִּ֥ים
(rabim)
velen
יַֽעַמְד֖וּ
(yaamdu)
zullen opstaan
עַל
(al)
tegen
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הַנֶּ֑גֶב
(hanegev)
het Zuiden
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
פָּרִיצֵ֣י
(paritsei)
gewelddadigen van
עַמְּךָ֗
(amekha)
je volk
יִֽנַּשְּׂא֛וּ
(yinaseu)
zullen zich verheffen
לְהַעֲמִ֥יד
(lehaamid)
om te doen opstaan
חָז֖וֹן
(chazon)
een gezicht
וְנִכְשָֽׁלוּ
(venikhshalu)
en zij zullen struikelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּנֵי פָּרִיצֵי עַמְּךָ (bnei peritsei ammekha): letterlijk ‘zonen van de geweldplegers van jouw volk’.
Het gaat om gewelddadige mensen onder Daniëls volk.
לְהַעֲמִיד חָזוֹן (leha’amid chazon): letterlijk ‘om een gezicht te laten standhouden’. Zij willen waarmaken wat zij als gezicht zien, maar het mislukt.
15De koning van het Noorden komt, werpt een wal op en neemt een versterkte stad in. De strijdmachten van het Zuiden houden geen stand, ook zijn uitgelezen volk niet. Er is geen kracht om stand te houden.
וְיָבֹא֙
(veyavo)
en zal komen
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הַצָּפ֔וֹן
(hatsafon)
het Noorden
וְיִשְׁפֹּךְ֙
(veyishpokh)
en zal opwerpen
סֽוֹלֲלָ֔ה
(solala)
een belegeringswal
וְלָכַ֖ד
(velakhad)
en zal innemen
עִ֣יר
(ir)
stad van
מִבְצָר֑וֹת
(mivtsarot)
vestingen
וּזְרֹע֤וֹת
(uzeroot)
en de armen van
הַנֶּ֨גֶב֙
(hanegev)
het Zuiden
לֹ֣א
(lo)
niet
יַעֲמֹ֔דוּ
(yaamodu)
zullen standhouden
וְעַם֙
(veam)
en het volk van
מִבְחָרָ֔יו
(mivcharav)
zijn uitgelezenen
וְאֵ֥ין
(veein)
en er is niet
כֹּ֖חַ
(koach)
kracht
לַעֲמֹֽד
(laamod)
om stand te houden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זְרֹעוֹת (zero’ot), ‘armen’: hier de strijdmachten.
סוֹלֲלָה (solelah), ‘wal’: een opgeworpen dam voor het belegeren van een stad.
17Hij richt zijn gezicht erop om met de kracht van heel zijn koninkrijk te komen, en hij sluit een overeenkomst met hem. Hij handelt zo. De dochter van de vrouwen geeft hij hem om haar te verderven. Maar zij houdt geen stand en zal niet voor hem zijn.
וְיָשֵׂ֣ם
(veyasem)
en hij zal richten
פָּ֠נָיו
(panav)
zijn gezicht
לָב֞וֹא
(lavo)
om te komen
בְּתֹ֧קֶף
(betoqef)
met de kracht van
כָּל
(kal)
heel
מַלְכוּת֛וֹ
(malkhuto)
zijn koninkrijk
וִישָׁרִ֥ים
(visharim)
en rechte voorwaarden
עִמּ֖וֹ
(imo)
met hem
וְעָשָׂ֑ה
(veasa)
en hij zal doen
וּבַ֤ת
(uvat)
en de dochter van
הַנָּשִׁים֙
(hanashim)
de vrouwen
יִתֶּן
(yiten)
zal hij geven
ל֣וֹ
(lo)
aan hem
לְהַשְׁחִיתָ֔הּ
(lehashchitah)
om haar te verderven
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תַעֲמֹ֖ד
(taamod)
zal zij standhouden
וְלֹא
(velo)
en niet
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
תִהְיֶֽה
(tihye)
zal zij zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וִישָׁרִים עִמּוֹ (vishariim immo): letterlijk ‘en rechte dingen met hem’.
Het gaat om overeenkomsten of voorwaarden.
Het Hebreeuws is hier moeilijk.
לְהַשְׁחִיתָהּ (lehashchitah), ‘om haar te verderven’: ‘haar’ kan de dochter zijn, maar ook het koninkrijk. Het Hebreeuws laat dat open.
18Hij richt zijn gezicht op de eilanden en neemt er velen in. Maar een bevelhebber maakt een einde aan zijn smaad; ja, hij laat zijn smaad op hem terugkeren.
וְיָשֵׂ֧ם
(veyasem)
en hij zal richten
פָּנָ֛יו
(panav)
zijn gezicht
לְאִיִּ֖ים
(leiyim)
naar de eilanden
וְלָכַ֣ד
(velakhad)
en hij zal innemen
רַבִּ֑ים
(rabim)
velen
וְהִשְׁבִּ֨ית
(vehishbit)
en zal doen ophouden
קָצִ֤ין
(qatsin)
een bevelhebber
חֶרְפָּתוֹ֙
(cherpato)
zijn smaad
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
בִּלְתִּ֥י
(bilti)
zonder dat
חֶרְפָּת֖וֹ
(cherpato)
zijn smaad
יָשִׁ֥יב
(yashiv)
hij zal doen terugkeren
לֽוֹ
(lo)
op hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אִיִּים (iyyim), ‘eilanden’: ook ‘kustlanden’.
Het gaat om gebieden aan de zee.
קָצִין (qatsin), ‘bevelhebber’: een aanvoerder, ook ‘rechter’.
בִּלְתִּי (bilti): meestal ‘zonder’ of ‘behalve’. De zin is moeilijk. Wij vertalen ‘ja’.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat וישב (veyashev), ‘en hij keert’.
De voorgelezen tekst (qere) heeft וישם (veyasem), ‘en hij richt’.
20In zijn plaats staat iemand op die een drijver laat rondtrekken door de luister van het koningschap. Maar na enkele dagen wordt hij verbroken, niet in toorn en niet in oorlog.
וְעָמַ֧ד
(veamad)
en zal opstaan
עַל
(al)
op
כַּנּ֛וֹ
(kano)
zijn plaats
מַעֲבִ֥יר
(maavir)
iemand die laat doortrekken
נוֹגֵ֖שׂ
(noges)
een drijver
הֶ֣דֶר
(heder)
de luister van
מַלְכ֑וּת
(malkhut)
het koningschap
וּבְיָמִ֤ים
(uveyamim)
en in dagen
אֲחָדִים֙
(achadim)
enkele
יִשָּׁבֵ֔ר
(yishaver)
zal hij worden verbroken
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
בְאַפַּ֖יִם
(beapayim)
in toorn
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
בְמִלְחָמָֽה
(bemilchama)
in oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַעֲבִיר נוֹגֵשׂ (ma’avir noges), ‘iemand die een drijver laat rondtrekken’: een drijver is iemand die belasting of schatting int, zoals in Exod. 3:7.
Het Hebreeuws is kort en moeilijk.
הֶדֶר מַלְכוּת (heder malkhut), ‘de luister van het koningschap’: het mooiste van het rijk.
21In zijn plaats staat een veracht man op, aan wie de majesteit van het koningschap niet is gegeven. Hij komt ongemerkt en grijpt het koningschap met vleierij.
וְעָמַ֤ד
(veamad)
en zal opstaan
עַל
(al)
op
כַּנּוֹ֙
(kano)
zijn plaats
נִבְזֶ֔ה
(nivze)
een veracht man
וְלֹא
(velo)
en niet
נָתְנ֥וּ
(natenu)
hebben gegeven
עָלָ֖יו
(alav)
aan hem
ה֣וֹד
(hod)
de majesteit van
מַלְכ֑וּת
(malkhut)
het koningschap
וּבָ֣א
(uva)
en hij zal komen
בְשַׁלְוָ֔ה
(beshalva)
ongemerkt
וְהֶחֱזִ֥יק
(vehecheziq)
en zal vastgrijpen
מַלְכ֖וּת
(malkhut)
het koningschap
בַּחֲלַקְלַקּֽוֹת
(bachalaqlaqot)
met vleierij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִבְזֶה (nivzeh), ‘veracht’: iemand die niet als koning wordt gezien.
בְּשַׁלְוָה (beshalvah), ‘ongemerkt’: letterlijk ‘in rust’. Het gaat om iets dat gebeurt terwijl men zich veilig voelt. Zo ook in vers 24.
חֲלַקְלַקּוֹת (chalaqlaqqot), ‘vleierij’: letterlijk ‘gladde dingen’. Zo ook in de verzen 32 en 34.
24Ongemerkt komt hij in de rijkste streken van het gewest. Hij doet wat zijn vaders en de vaders van zijn vaders niet deden. Roof, buit en bezit deelt hij onder hen uit. Tegen de vestingen bedenkt hij zijn plannen, tot een bepaalde tijd.
בְּשַׁלְוָ֞ה
(beshalva)
ongemerkt
וּבְמִשְׁמַנֵּ֣י
(uvemishmanei)
en in de rijkste streken van
מְדִינָה֮
(medina)
het gewest
יָבוֹא֒
(yavo)
zal hij komen
וְעָשָׂ֗ה
(veasa)
en zal doen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
לֹא
(lo)
niet
עָשׂ֤וּ
(asu)
deden
אֲבֹתָיו֙
(avotav)
zijn vaders
וַאֲב֣וֹת
(vaavot)
en de vaders van
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaders
בִּזָּ֧ה
(biza)
roof
וְשָׁלָ֛ל
(veshalal)
en buit
וּרְכ֖וּשׁ
(urekhush)
en bezit
לָהֶ֣ם
(lahem)
onder hen
יִבְז֑וֹר
(yivzor)
zal hij uitdelen
וְעַ֧ל
(veal)
en tegen
מִבְצָרִ֛ים
(mivtsarim)
vestingen
יְחַשֵּׁ֥ב
(yechashev)
zal hij bedenken
מַחְשְׁבֹתָ֖יו
(machshevotav)
zijn plannen
וְעַד
(vead)
en tot
עֵֽת
(et)
een tijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִשְׁמַנֵּי מְדִינָה (mishmanney medinah), ‘de rijkste streken van het gewest’: letterlijk ‘de vette delen van de provincie’.
25Hij wekt zijn kracht en zijn moed op tegen de koning van het Zuiden, met een groot leger. De koning van het Zuiden maakt zich tot de strijd gereed met een groot en zeer machtig leger. Maar hij houdt geen stand, want men bedenkt plannen tegen hem.
וְיָעֵר֩
(veyaer)
en hij zal opwekken
כֹּח֨וֹ
(kocho)
zijn kracht
וּלְבָב֜וֹ
(ulevavo)
en zijn hart
עַל
(al)
tegen
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הַנֶּגֶב֮
(hanegev)
het Zuiden
בְּחַ֣יִל
(bechayil)
met een leger
גָּדוֹל֒
(gadol)
groot
וּמֶ֣לֶךְ
(umelekh)
en de koning van
הַנֶּ֗גֶב
(hanegev)
het Zuiden
יִתְגָּרֶה֙
(yitgare)
zal zich opmaken
לַמִּלְחָמָ֔ה
(lamilchama)
tot de oorlog
בְּחַֽיִל
(bechayil)
met een leger
גָּד֥וֹל
(gadol)
groot
וְעָצ֖וּם
(veatsum)
en machtig
עַד
(ad)
tot
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וְלֹ֣א
(velo)
maar niet
יַעֲמֹ֔ד
(yaamod)
zal hij standhouden
כִּֽי
(ki)
want
יַחְשְׁב֥וּ
(yachshevu)
zij zullen bedenken
עָלָ֖יו
(alav)
tegen hem
מַחֲשָׁבֽוֹת
(machashavot)
plannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Die twee koningen hebben kwaad in hun hart. Aan één tafel spreken zij leugens, maar het zal niet slagen. Want het einde komt pas op de vastgestelde tijd.
וּשְׁנֵיהֶ֤ם
(usheneihem)
en beiden
הַמְּלָכִים֙
(hamelakhim)
de koningen
לְבָבָ֣ם
(levavam)
hun hart
לְמֵרָ֔ע
(lemera)
naar kwaad
וְעַל
(veal)
en aan
שֻׁלְחָ֥ן
(shulchan)
tafel
אֶחָ֖ד
(echad)
een
כָּזָ֣ב
(kazav)
leugen
יְדַבֵּ֑רוּ
(yedaberu)
zullen zij spreken
וְלֹ֣א
(velo)
maar niet
תִצְלָ֔ח
(titslach)
zal slagen
כִּי
(ki)
want
ע֥וֹד
(od)
nog
קֵ֖ץ
(qets)
einde
לַמּוֹעֵֽד
(lamoed)
voor de vastgestelde tijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מוֹעֵד (mo’ed), ‘vastgestelde tijd’: een tijd die Elohim heeft bepaald.
30Schepen van Kittim komen tegen hem op, en hij verliest de moed. Hij keert terug en is woedend op het heilige verbond. Hij handelt, keert terug en let op wie het heilige verbond verlaten.
וּבָ֨אוּ
(uvau)
en zullen komen
ב֜וֹ
(bo)
tegen hem
צִיִּ֤ים
(tsiyim)
schepen van
כִּתִּים֙
(kitim)
Kittim
וְנִכְאָ֔ה
(venikha)
en hij zal de moed verliezen
וְשָׁ֛ב
(veshav)
en hij zal terugkeren
וְזָעַ֥ם
(vezaam)
en hij zal toornen
עַל
(al)
op
בְּרִֽית
(berit)
het verbond van
ק֖וֹדֶשׁ
(qodesh)
heiligheid
וְעָשָׂ֑ה
(veasa)
en hij zal handelen
וְשָׁ֣ב
(veshav)
en hij zal terugkeren
וְיָבֵ֔ן
(veyaven)
en hij zal letten
עַל
(al)
op
עֹזְבֵ֖י
(ozevei)
de verlaters van
בְּרִ֥ית
(berit)
het verbond van
קֹֽדֶשׁ
(qodesh)
heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צִיִּים כִּתִּים (tsiyyim Kittim), ‘schepen van Kittim’: zie Num. 24:24.
Kittim wordt vaak verbonden met Cyprus of de kusten van de Middellandse Zee.
וְנִכְאָה (venikh’ah), ‘en hij verliest de moed’: letterlijk ‘en hij wordt neergeslagen’.
31Legermachten van zijn kant staan op. Zij ontwijden het heiligdom, de vesting, nemen het voortdurende offer weg en plaatsen het verwoestende gruwelbeeld.
וּזְרֹעִ֖ים
(uzeroim)
en armen
מִמֶּ֣נּוּ
(mimenu)
van hem
יַעֲמֹ֑דוּ
(yaamodu)
zullen opstaan
וְחִלְּל֞וּ
(vechilelu)
en zij zullen ontwijden
הַמִּקְדָּ֤שׁ
(hamiqdash)
het heiligdom
הַמָּעוֹז֙
(hamaoz)
de vesting
וְהֵסִ֣ירוּ
(vehesiru)
en zij zullen wegnemen
הַתָּמִ֔יד
(hatamid)
het voortdurende offer
וְנָתְנ֖וּ
(venatenu)
en zij zullen plaatsen
הַשִּׁקּ֥וּץ
(hashiquts)
het gruwelbeeld
מְשׁוֹמֵֽם
(meshomem)
dat verwoest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Sommigen van de verstandigen komen ten val, om hen te louteren, te zuiveren en wit te maken, tot de tijd van het einde. Want het is nog voor de vastgestelde tijd.
וּמִן
(umin)
en van
הַמַּשְׂכִּילִ֣ים
(hamaskilim)
de verstandigen
יִכָּֽשְׁל֗וּ
(yikashelu)
zullen struikelen
לִצְר֥וֹף
(litsrof)
om te louteren
בָּהֶ֛ם
(bahem)
onder hen
וּלְבָרֵ֥ר
(ulevarer)
en om te zuiveren
וְלַלְבֵּ֖ן
(velalben)
en om wit te maken
עַד
(ad)
tot
עֵ֣ת
(et)
de tijd van
קֵ֑ץ
(qets)
het einde
כִּי
(ki)
want
ע֖וֹד
(od)
nog
לַמּוֹעֵֽד
(lamoed)
voor de vastgestelde tijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לִצְרוֹף בָּהֶם (litsrof bahem): letterlijk ‘om te louteren in hen’.
36De koning doet wat hij wil. Hij verheft en vergroot zich boven elke god. Tegen de El van de goden spreekt hij ongehoorde dingen. Hij heeft voorspoed tot de toorn voleindigd is, want wat besloten is, wordt gedaan.
וְעָשָׂ֨ה
(veasa)
en hij zal doen
כִרְצוֹנ֜וֹ
(kirtsono)
naar zijn wil
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְיִתְרוֹמֵ֤ם
(veyitromem)
en zal zich verheffen
וְיִתְגַּדֵּל֙
(veyitgadel)
en zal zich groot maken
עַל
(al)
boven
כָּל
(kal)
elke
אֵ֔ל
(el)
god
וְעַל֙
(veal)
en tegen
אֵ֣ל
(el)
de El van
אֵלִ֔ים
(elim)
goden
יְדַבֵּ֖ר
(yedaber)
zal hij spreken
נִפְלָא֑וֹת
(niflaot)
ongehoorde dingen
וְהִצְלִ֨יחַ֙
(vehitsliach)
en hij zal voorspoed hebben
עַד
(ad)
tot
כָּ֣לָה
(kala)
is voltooid
זַ֔עַם
(zaam)
de toorn
כִּ֥י
(ki)
want
נֶחֱרָצָ֖ה
(necheratsa)
wat besloten is
נֶעֱשָֽׂתָה
(neesata)
is gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֵל אֵלִים (El elim), ‘de El van de goden’: de hoogste El.
Wij vertalen ‘god’ met een kleine letter voor goden van andere volken.
נִפְלָאוֹת (nifla’ot), ‘ongehoorde dingen’: buitengewone en schokkende woorden.
נֶחֱרָצָה (necheratsah), ‘besloten’: het woord wordt ook gebruikt voor wat vastgesteld is en niet meer verandert (zie Jes. 10:23).
37Hij let niet op de Elohim van zijn vaders. Hij let ook niet op het verlangen van vrouwen en op geen enkele godheid, want hij maakt zich groter dan allen.
וְעַל
(veal)
en op
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
de Elohim van
אֲבֹתָיו֙
(avotav)
zijn vaders
לֹ֣א
(lo)
niet
יָבִ֔ין
(yavin)
zal hij letten
וְעַל
(veal)
en op
חֶמְדַּ֥ת
(chemdat)
het verlangen van
נָשִׁ֛ים
(nashim)
vrouwen
וְעַֽל
(veal)
en op
כָּל
(kal)
elke
אֱל֖וֹהַּ
(eloha)
godheid
לֹ֣א
(lo)
niet
יָבִ֑ין
(yavin)
zal hij letten
כִּ֥י
(ki)
want
עַל
(al)
boven
כֹּ֖ל
(kol)
alles
יִתְגַּדָּֽל
(yitgadal)
zal hij zich groot maken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱלֹהֵי אֲבֹתָיו (elohei avotav): het woord ‘elohim’ kan ‘Elohim’ of ‘goden’ betekenen.
Wij laten dat open.
חֶמְדַּת נָשִׁים (chemdat nashim), ‘het verlangen van vrouwen’: de betekenis is onzeker. Het kan gaan om liefde voor vrouwen, maar ook om een god die door vrouwen wordt vereerd.
38Hij eert de god van de vestingen, in zijn plaats. Een god die zijn vaders niet kenden, eert hij met goud en zilver, met kostbare steen en met kostbaarheden.
וְלֶאֱלֹ֨הַּ֙
(veleeloha)
en de god van
מָֽעֻזִּ֔ים
(mauzim)
vestingen
עַל
(al)
op
כַּנּ֖וֹ
(kano)
zijn plaats
יְכַבֵּ֑ד
(yekhabed)
zal hij eren
וְלֶאֱל֜וֹהַּ
(veleeloha)
en de godheid
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
יְדָעֻ֣הוּ
(yedauhu)
kenden
אֲבֹתָ֗יו
(avotav)
zijn vaders
יְכַבֵּ֛ד
(yekhabed)
zal hij eren
בְּזָהָ֥ב
(bezahav)
met goud
וּבְכֶ֛סֶף
(uvekhesef)
en met zilver
וּבְאֶ֥בֶן
(uveeven)
en met steen
יְקָרָ֖ה
(yeqara)
kostbare
וּבַחֲמֻדֽוֹת
(uvachamudot)
en met kostbaarheden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱלוֹהַּ מָעֻזִּים (eloah ma’uzzim), ‘de god van de vestingen’: de betekenis is onzeker.
Het kan een naam zijn of ‘god van de krachten’.
עַל כַּנּוֹ (al kanno): letterlijk ‘op zijn standplaats’. Het kan ook ‘in zijn plaats’ betekenen, dat wil zeggen in plaats van andere goden.
39Hij handelt tegen de sterkste vestingen met behulp van een vreemde god. Wie hem erkent, geeft hij veel eer. Hij laat hen over velen heersen en verdeelt land tegen betaling.
וְעָשָׂ֞ה
(veasa)
en hij zal handelen
לְמִבְצְרֵ֤י
(lemivtserei)
tegen de vestingen van
מָֽעֻזִּים֙
(mauzim)
de sterkten
עִם
(im)
met
אֱל֣וֹהַּ
(eloha)
een godheid
נֵכָ֔ר
(nekhar)
vreemde
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יַכִּ֖יר
(yakir)
hij erkent
יַרְבֶּ֣ה
(yarbe)
zal hij vermeerderen
כָב֑וֹד
(kavod)
eer
וְהִמְשִׁילָם֙
(vehimshilam)
en hij zal hen laten heersen
בָּֽרַבִּ֔ים
(barabim)
over velen
וַאֲדָמָ֖ה
(vaadama)
en land
יְחַלֵּ֥ק
(yechaleq)
zal hij verdelen
בִּמְחִֽיר
(bimchir)
voor een prijs
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָעֻזִּים (ma’uzzim), ‘sterkten’: moeilijk Hebreeuws; het woord is verwant aan ‘vesting’.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat הכיר (hikir), ‘hij erkende’.
De voorgelezen tekst (qere) heeft יכיר (yakir), ‘hij zal erkennen’.
40In de tijd van het einde stoot de koning van het Zuiden tegen hem op. De koning van het Noorden stormt op hem af met strijdwagens, ruiters en vele schepen. Hij komt in de landen, overstroomt ze en trekt erdoor.
וּבְעֵ֣ת
(uveet)
en in de tijd van
קֵ֗ץ
(qets)
het einde
יִתְנַגַּ֤ח
(yitnagach)
zal stoten
עִמּוֹ֙
(imo)
met hem
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הַנֶּ֔גֶב
(hanegev)
het Zuiden
וְיִשְׂתָּעֵ֨ר
(veyistaer)
en zal losstormen
עָלָ֜יו
(alav)
op hem
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הַצָּפ֗וֹן
(hatsafon)
het Noorden
בְּרֶ֨כֶב֙
(berekhev)
met strijdwagens
וּבְפָ֣רָשִׁ֔ים
(uvefarashim)
en met ruiters
וּבָאֳנִיּ֖וֹת
(uvaoniyot)
en met schepen
רַבּ֑וֹת
(rabot)
vele
וּבָ֥א
(uva)
en hij zal komen
בַאֲרָצ֖וֹת
(baaratsot)
in de landen
וְשָׁטַ֥ף
(veshataf)
en overstromen
וְעָבָֽר
(veavar)
en doortrekken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41Hij komt ook in het Sierlijke Land en velen komen ten val. Maar dezen ontkomen aan zijn hand: Edom, Moab en het voornaamste deel van de zonen van Ammon.
וּבָא֙
(uva)
en hij zal komen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
הַצְּבִ֔י
(hatsevi)
het Sierlijke
וְרַבּ֖וֹת
(verabot)
en velen
יִכָּשֵׁ֑לוּ
(yikashelu)
zullen struikelen
וְאֵ֨לֶּה֙
(veele)
en dezen
יִמָּלְט֣וּ
(yimaletu)
zullen ontkomen
מִיָּד֔וֹ
(miyado)
uit zijn hand
אֱד֣וֹם
(edom)
Edom
וּמוֹאָ֔ב
(umoav)
en Moab
וְרֵאשִׁ֖ית
(vereshit)
en het voornaamste van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
עַמּֽוֹן
(amon)
Ammon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Uitleg
אֶרֶץ הַצְּבִי (erets hatsevi), ‘het Sierlijke Land’: zie vers 16.
רֵאשִׁית בְּנֵי עַמּוֹן (reshit bnei Ammon), ‘het voornaamste deel van de zonen van Ammon’: ‘reshit’ is ‘het eerste’, ook ‘het beste’ of ‘het voornaamste’.
45Hij slaat zijn paleistenten op tussen de zeeën en de heilige berg van het Sierlijke. Dan komt hij aan zijn einde en niemand helpt hem.
וְיִטַּע֙
(veyita)
en hij zal planten
אָהֳלֶ֣י
(aholei)
tenten van
אַפַּדְנ֔וֹ
(apadno)
zijn paleis
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
יַמִּ֖ים
(yamim)
zeeën
לְהַר
(lehar)
en de berg van
צְבִי
(tsevi)
het Sierlijke
קֹ֑דֶשׁ
(qodesh)
heiligheid
וּבָא֙
(uva)
en hij zal komen
עַד
(ad)
tot
קִצּ֔וֹ
(qitso)
zijn einde
וְאֵ֥ין
(veein)
en er is niet
עוֹזֵ֖ר
(ozer)
een helper
לֽוֹ
(lo)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֹהֳלֵי אַפַּדְנוֹ (ohalei appadno), ‘zijn paleistenten’: het woord ‘appadno’ komt verder niet voor.
Het wordt gezien als een koninklijke tent of een paleis.
בֵּין יַמִּים לְהַר צְבִי קֹדֶשׁ (bein yammim lehar tsevi qodesh): ‘tussen de zeeën en de heilige berg van het Sierlijke’. Waarschijnlijk is de berg Sion bedoeld, maar de tekst noemt geen naam.