Elohim Bijbel

Psalmen 113

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Yahweh verheft de geringe

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Prijs de naam van Yahweh

1Halleluja! Prijs, dienaren van Yahweh, prijs de naam van Yahweh.
הַ֥לְלוּ
(hallu)
prijst
יָ֨הּ
(yah)
Jah
הַ֭לְלוּ
(hallu)
prijst
עַבְדֵ֣י
(avdei)
dienaren van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הַֽ֝לְלוּ
(hallu)
prijst
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֥ם
(shem)
naam van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַלְלוּ־יָהּ (halelu-Yah), ‘Halleluja’: letterlijk ‘prijst Jah’.

יָהּ (Jah) is een korte vorm van de naam Yahweh.

Zie ook Exod. 15:2.

Psalm 113 tot en met 118 heten samen het Hallel (‘lofzang’). In de joodse overlevering worden ze bij de feesten gezongen, vooral bij Pesach.

2Gezegend zij de naam van Yahweh, van nu af en voor eeuwig.
יְהִ֤י
(yehi)
moge zijn
שֵׁ֣ם
(shem)
naam van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
מְבֹרָ֑ךְ
(mevorakh)
gezegend
מֵֽ֝עַתָּ֗ה
(meata)
van nu af
וְעַד
(vead)
en tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Van de opkomst van de zon tot haar ondergang is de naam van Yahweh te prijzen.
מִמִּזְרַח
(mimizrach)
van de opkomst van
שֶׁ֥מֶשׁ
(shemesh)
zon
עַד
(ad)
tot
מְבוֹא֑וֹ
(mevoo)
haar ondergang
מְ֝הֻלָּ֗ל
(mehulal)
te prijzen
שֵׁ֣ם
(shem)
naam van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְהֻלָּל (mehullal), ‘te prijzen’: de naam van Yahweh verdient lof, overal van oost naar west.

Het woord kan ook als wens gelezen worden (‘geprezen zij’).

Wij lezen een vaststelling.

Hoog boven alle volken

4Hoog boven alle volken is Yahweh, boven de hemel is Zijn heerlijkheid.
רָ֖ם
(ram)
hoog
עַל
(al)
boven
כָּל
(kal)
alle
גּוֹיִ֥ם
(goyim)
volken
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
עַ֖ל
(al)
boven
הַשָּׁמַ֣יִם
(hashamayim)
de hemel
כְּבוֹדֽוֹ
(kevodo)
Zijn heerlijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Wie is als Yahweh, onze Elohim, die hoog zetelt,
מִ֭י
(mi)
wie
כַּיהוָ֣ה
(kaYahweh)
is als Yahweh
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
הַֽמַּגְבִּיהִ֥י
(hamagbihi)
die Zich verheft
לָשָֽׁבֶת
(lashavet)
om te zetelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמַּגְבִּיהִי לָשָׁבֶת (hammagbihi lashavet), ‘die hoog zetelt’: letterlijk ‘die Zich hoog maakt om te wonen’.

Yahweh zetelt hoog, en toch buigt Hij Zich diep naar beneden (vers 6).

6die Zich diep buigt om te zien, in de hemel en op de aarde?
הַֽמַּשְׁפִּילִ֥י
(hamashpili)
die Zich diep buigt
לִרְא֑וֹת
(lirot)
om te zien
בַּשָּׁמַ֥יִם
(bashamayim)
in de hemel
וּבָאָֽרֶץ
(uvaarets)
en op de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Hij richt de geringe op

7Hij richt de geringe op uit het stof; uit de asbelt verheft Hij de arme,
מְקִֽימִ֣י
(meqimi)
die opricht
מֵעָפָ֣ר
(meafar)
uit stof
דָּ֑ל
(dal)
geringe
מֵֽ֝אַשְׁפֹּ֗ת
(meashpot)
uit de asbelt
יָרִ֥ים
(yarim)
verheft Hij
אֶבְיֽוֹן
(evyon)
arme
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 7–8 lijken sterk op het lied van Hanna: zie 1 Sam. 2:8.

אַשְׁפֹּת (ashpot), ‘asbelt’: de plaats waar as en afval werden gestort.

8om hem te laten zitten bij de edelen, bij de edelen van Zijn volk.
לְהוֹשִׁיבִ֥י
(lehoshivi)
om te laten zitten
עִם
(im)
bij
נְדִיבִ֑ים
(nedivim)
edelen
עִ֝֗ם
(im)
bij
נְדִיבֵ֥י
(nedivei)
edelen van
עַמּֽוֹ
(amo)
Zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Hij laat de onvruchtbare vrouw in het huis wonen als een blijde moeder van zonen. Halleluja!
מֽוֹשִׁיבִ֨י
(moshivi)
die laat wonen
עֲקֶ֬רֶת
(aqeret)
onvruchtbare van
הַבַּ֗יִת
(habayit)
het huis
אֵֽם
(em)
als moeder van
הַבָּנִ֥ים
(habanim)
de zonen
שְׂמֵחָ֗ה
(semecha)
blijde
הַֽלְלוּ
(hallu)
prijst
יָֽהּ
(yah)
Jah
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲקֶרֶת הַבַּיִת (aqeret habbayit), ‘de onvruchtbare van het huis’: een vrouw die zonder kinderen in huis woont.

Vergelijk 1 Sam. 2:5.

בָּנִים (banim) betekent ‘zonen’ en soms ‘kinderen’. Wij vertalen ‘zonen’, zoals in 1 Sam. 2:5.