Psalmen 28
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Een gebed om hulp en een dankzegging
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een roep tot de Rots
1Van David. Tot U, Yahweh, roep ik. Mijn rots, wees niet doof voor mij. Zwijg niet tegen mij, anders word ik gelijk aan hen die afdalen naar de kuil.
לְדָוִ֡ד
(ledavid)
van David
אֵ֘לֶ֤יךָ
(eleikha)
tot U
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶקְרָ֗א
(eqra)
roep ik
צוּרִי֮
(tsuri)
mijn rots
אַֽל
(al)
niet
תֶּחֱרַ֪שׁ
(techerash)
wees doof
מִ֫מֶּ֥נִּי
(mimeni)
voor mij
פֶּן
(pen)
anders
תֶּֽחֱשֶׁ֥ה
(techeshe)
zwijgt U
מִמֶּ֑נִּי
(mimeni)
tegen mij
וְ֝נִמְשַׁ֗לְתִּי
(venimshalti)
en word ik gelijk
עִם
(im)
aan
י֥וֹרְדֵי
(yoredei)
de afdalenden naar
בֽוֹר
(bor)
de kuil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Hoor de stem van mijn smeking als ik tot U om hulp roep, als ik mijn handen ophef naar het binnenste vertrek van Uw heiligdom.
שְׁמַ֤ע
(shema)
hoor
ק֣וֹל
(qol)
de stem van
תַּ֭חֲנוּנַי
(tachanunay)
mijn smeking
בְּשַׁוְּעִ֣י
(beshavei)
als ik om hulp roep
אֵלֶ֑יךָ
(eleikha)
tot U
בְּנָשְׂאִ֥י
(benasei)
als ik ophef
יָ֝דַ֗י
(yaday)
mijn handen
אֶל
(el)
naar
דְּבִ֥יר
(devir)
het binnenste vertrek van
קָדְשֶֽׁךָ
(qadeshekha)
Uw heiligdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Sleep mij niet weg met de goddelozen en met wie onrecht doen, die vrede spreken met hun naasten terwijl er kwaad is in hun hart.
אַל
(al)
niet
תִּמְשְׁכֵ֣נִי
(timshekheni)
sleep mij weg
עִם
(im)
met
רְשָׁעִים֮
(reshaim)
goddelozen
וְעִם
(veim)
en met
פֹּ֪עֲלֵ֫י
(poalei)
wie doen
אָ֥וֶן
(aven)
onrecht
דֹּבְרֵ֣י
(doverei)
sprekers van
שָׁ֭לוֹם
(shalom)
vrede
עִם
(im)
met
רֵֽעֵיהֶ֑ם
(reeihem)
hun naasten
וְ֝רָעָ֗ה
(veraa)
en kwaad
בִּלְבָבָֽם
(bilvavam)
in hun hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Geef hun naar hun daden en naar het kwaad van hun handelingen. Geef hun naar het werk van hun handen. Breng hun verdiende loon op hen terug.
תֶּן
(ten)
geef
לָהֶ֣ם
(lahem)
hun
כְּפָעֳלָם֮
(kefaolam)
naar hun daden
וּכְרֹ֪עַ
(ukheroa)
en naar het kwaad van
מַֽעַלְלֵ֫יהֶ֥ם
(maalleihem)
hun handelingen
כְּמַעֲשֵׂ֣ה
(kemaase)
naar het werk van
יְ֭דֵיהֶם
(yedeihem)
hun handen
תֵּ֣ן
(ten)
geef
לָהֶ֑ם
(lahem)
hun
הָשֵׁ֖ב
(hashev)
breng terug
גְּמוּלָ֣ם
(gemulam)
hun verdiende loon
לָהֶֽם
(lahem)
op hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is een vloek op de goddelozen: wij vertalen die letterlijk, zonder verzachting.
De dichter vraagt dat Yahweh hen behandelt naar wat zij zelf hebben gedaan.
5Want zij letten niet op de daden van Yahweh en niet op het werk van Zijn handen. Hij zal hen afbreken en niet opbouwen.
כִּ֤י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
יָבִ֡ינוּ
(yavinu)
letten zij op
אֶל
(el)
naar
פְּעֻלֹּ֣ת
(peulot)
de daden van
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶל
(veel)
en naar
מַעֲשֵׂ֣ה
(maase)
het werk van
יָדָ֑יו
(yadav)
Zijn handen
יֶ֝הֶרְסֵ֗ם
(yehersem)
Hij zal hen afbreken
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִבְנֵֽם
(yivnem)
opbouwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Gezegend is Yahweh
6Gezegend is Yahweh, want Hij heeft de stem van mijn smeking gehoord.
בָּר֥וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּי
(ki)
want
שָׁ֝מַע
(shama)
Hij heeft gehoord
ק֣וֹל
(qol)
de stem van
תַּחֲנוּנָֽי
(tachanunay)
mijn smeking
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Yahweh is mijn kracht en mijn schild. Op Hem vertrouwt mijn hart en ik word geholpen. Mijn hart juicht, en met mijn lied dank ik Hem.
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
עֻזִּ֥י
(uzi)
mijn kracht
וּמָגִנִּי֮
(umagini)
en mijn schild
בּ֤וֹ
(bo)
op Hem
בָטַ֥ח
(batach)
vertrouwt
לִבִּ֗י
(libi)
mijn hart
וְֽנֶ֫עֱזָ֥רְתִּי
(veneezarti)
en ik word geholpen
וַיַּעֲלֹ֥ז
(vayaaloz)
en juicht
לִבִּ֑י
(libi)
mijn hart
וּֽמִשִּׁירִ֥י
(umishiri)
en met mijn lied
אֲהוֹדֶֽנּוּ
(ahodenu)
dank ik Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Yahweh is een kracht voor hen. Hij is de burcht van redding voor Zijn gezalfde.
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
עֹֽז
(oz)
kracht
לָ֑מוֹ
(lamo)
voor hen
וּמָ֘ע֤וֹז
(umaoz)
en burcht van
יְשׁוּע֖וֹת
(yeshuot)
redding
מְשִׁיח֣וֹ
(meshicho)
Zijn gezalfde
הֽוּא
(hu)
Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws heeft לָמוֹ (lamo), ‘voor hen’.
Sommige handschriften en oude vertalingen lezen ‘voor Zijn volk’ (לעמו).
Wij volgen de Masoretische tekst.
9Red Uw volk en zegen Uw erfdeel. Weid hen en draag hen voor eeuwig.
הוֹשִׁ֤יעָה
(hoshia)
red
אֶת
(et)
(obj.)
עַמֶּ֗ךָ
(amekha)
Uw volk
וּבָרֵ֥ךְ
(uvarekh)
en zegen
אֶת
(et)
(obj.)
נַחֲלָתֶ֑ךָ
(nachalatekha)
Uw erfdeel
וּֽרְעֵ֥ם
(ureem)
en weid hen
וְ֝נַשְּׂאֵ֗ם
(venaseem)
en draag hen
עַד
(ad)
tot
הָעוֹלָֽם
(haolam)
de eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)