Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
David wordt koning in Hebron
1Heel Israël verzamelde zich bij David in Hebron. Zij zeiden: „Zie, wij zijn uw bot en uw vlees.
וַיִּקָּבְצ֧וּ
(vayiqavetsu)
en verzamelden zich
כָֽל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
bij
דָּוִ֖יד
(david)
David
חֶבְר֣וֹנָה
(chevrona)
naar Hebron
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
עַצְמְךָ֥
(atsmekha)
uw bot
וּֽבְשָׂרְךָ֖
(uvesarekha)
en uw vlees
אֲנָֽחְנוּ
(anachenu)
wij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Hebron lag in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem (Al-Chalil, Westelijke Jordaanoever).
Dat is zeker.
Uitleg
Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Sam. 5:1–10 (vers 1–9) en 2 Sam. 23:8–39 (vers 10–47).
Kronieken begint hier met het koningschap van David over heel Israël. 1 Kron. 10 (de dood van Saul) gaat eraan vooraf.
עַצְמְךָ וּבְשָׂרְךָ (atsmecha uvsarecha), ‘uw bot en uw vlees’: zij zeggen daarmee dat zij tot hetzelfde volk en dezelfde familie horen. Zie 2 Sam. 5:1.
2Ook gisteren en eergisteren, toen Saul nog koning was, was u het die Israël uitleidde en terugbracht. Yahweh, uw Elohim, heeft tegen u gezegd: ‘Jij zult Mijn volk Israël weiden. Jij zult leider zijn over Mijn volk Israël.’”
גַּם
(gam)
ook
תְּמ֣וֹל
(temol)
gisteren
גַּם
(gam)
ook
שִׁלְשׁ֗וֹם
(shilshom)
eergisteren
גַּ֚ם
(gam)
ook
בִּהְי֣וֹת
(bihyot)
toen hij was
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
מֶ֔לֶךְ
(melekh)
koning
אַתָּ֛ה
(ata)
u
הַמּוֹצִ֥יא
(hamotsi)
die uitleidde
וְהַמֵּבִ֖יא
(vehamevi)
en terugbracht
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֜יךָ
(eloheikha)
uw Elohim
לְךָ֗
(lekha)
tot u
אַתָּ֨ה
(ata)
u
תִרְעֶ֤ה
(tire)
zult weiden
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּי֙
(ami)
Mijn volk
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאַתָּה֙
(veata)
en u
תִּהְיֶ֣ה
(tihye)
zult zijn
נָגִ֔יד
(nagid)
leider
עַ֖ל
(al)
over
עַמִּ֥י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het volk haalt hier woorden van Yahweh aan.
Wij zetten ze zwart tussen enkele aanhalingstekens, zoals in 2 Sam. 5:2.
Er staat geen aparte toespraak van Yahweh bij.
Lezing
Kronieken heeft ‘Yahweh, uw Elohim’ en ‘Mijn volk Israël’ (twee keer). 2 Sam. 5:2 heeft alleen ‘Yahweh’ en in de tweede zin ‘over Israël’.
3Alle oudsten van Israël kwamen naar de koning in Hebron. David sloot met hen een verbond in Hebron, voor het aangezicht van Yahweh. Zij zalfden David tot koning over Israël, volgens het woord van Yahweh door Samuël.
וַ֠יָּבֹאוּ
(vayavou)
en kwamen
כָּל
(kal)
alle
זִקְנֵ֨י
(ziqnei)
oudsten van
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
חֶבְר֔וֹנָה
(chevrona)
naar Hebron
וַיִּכְרֹת֩
(vayikhrot)
en sloot
לָהֶ֨ם
(lahem)
met hen
דָּוִ֥יד
(david)
David
בְּרִ֛ית
(berit)
een verbond
בְּחֶבְר֖וֹן
(bechevron)
in Hebron
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּמְשְׁח֨וּ
(vayimshechu)
en zalfden
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֤יד
(david)
David
לְמֶ֨לֶךְ֙
(lemelekh)
tot koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כִּדְבַ֥ר
(kidvar)
volgens het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
שְׁמוּאֵֽל
(shemuel)
Samuël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.
Uitleg
‘Volgens het woord van Yahweh door Samuël’ verwijst naar de zalving van David door Samuël (1 Sam. 16:1–13).
8Hij bouwde de stad rondom, vanaf de Millo tot aan de omtrek. Joab herstelde de rest van de stad.
וַיִּ֤בֶן
(vayiven)
en bouwde
הָעִיר֙
(hair)
de stad
מִסָּבִ֔יב
(misaviv)
rondom
מִן
(min)
vanaf
הַמִּלּ֖וֹא
(hamilo)
de Millo
וְעַד
(vead)
en tot
הַסָּבִ֑יב
(hasaviv)
de omtrek
וְיוֹאָ֕ב
(veyoav)
en Joab
יְחַיֶּ֖ה
(yechaye)
liet leven
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁאָ֥ר
(shear)
rest van
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Millo was een opvulling of terras aan de noordkant van de burcht Sion, in Jeruzalem.
De precieze plek is onzeker.
Lezing
יְחַיֶּה (yechayyeh), letterlijk ‘liet leven’: wij vertalen ‘herstelde’, zoals men een stad weer laat leven. 2 Sam. 5:9 zegt alleen dat David bouwde vanaf de Millo naar binnen.
10Dit zijn de hoofden van de helden van David. Zij maakten zich met hem sterk in zijn koningschap. Samen met heel Israël maakten zij hem koning, volgens het woord van Yahweh over Israël.
וְאֵ֨לֶּה
(veele)
en dit
רָאשֵׁ֤י
(rashei)
hoofden van
הַגִּבּוֹרִים֙
(hagiborim)
de helden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לְדָוִ֔יד
(ledavid)
van David
הַמִּתְחַזְּקִ֨ים
(hamitchazeqim)
die zich sterk maakten
עִמּ֧וֹ
(imo)
met hem
בְמַלְכוּת֛וֹ
(bemalkhuto)
in zijn koningschap
עִם
(im)
met
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְהַמְלִיכ֑וֹ
(lehamlikho)
om hem koning te maken
כִּדְבַ֥ר
(kidvar)
volgens het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier loopt de lijst van de helden van David, parallel met 2 Sam. 23:8–39.
Kronieken heeft meer namen dan Samuël, en sommige namen zijn anders gespeld.
לְהַמְלִיכוֹ (lehamlicho), ‘om hem koning te maken’: zij hielpen hem koning te worden. ‘Volgens het woord van Yahweh’ verwijst naar vers 3.
11Dit is het aantal van de helden van David: Jasjobam, de zoon van Chakmoni, het hoofd van de Drie. Hij zwaaide zijn speer over 300 gesneuvelden, in één keer.
וְאֵ֛לֶּה
(veele)
en dit
מִסְפַּ֥ר
(mispar)
aantal van
הַגִּבֹּרִ֖ים
(hagiborim)
de helden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לְדָוִ֑יד
(ledavid)
van David
יָשָׁבְעָ֣ם
(yashaveam)
Jasjobam
בֶּן
(ben)
zoon van
חַכְמוֹנִ֗י
(chakhmoni)
Chakmoni
רֹ֚אשׁ
(rosh)
hoofd van
הַשָּׁ֣לִישִׁ֔ים
(hashalishim)
de Drie
הֽוּא
(hu)
hij
עוֹרֵ֧ר
(orer)
zwaaide
אֶת
(et)
(obj.)
חֲנִית֛וֹ
(chanito)
zijn speer
עַל
(al)
over
שְׁלֹשׁ
(shelosh)
drie
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
חָלָ֖ל
(chalal)
gesneuvelde
בְּפַ֥עַם
(befaam)
in keer
אֶחָֽת
(echat)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יָשָׁבְעָם (Jasjobam) heet in 2 Sam. 23:8 ‘Josheb-Basjebet’.
Wij houden de Kronieken-vorm en noemen de parallel.
Het getal verschilt: Kronieken heeft 300 gesneuvelden, 2 Sam. 23:8 heeft 800.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘het hoofd van de dertig’ (השלושים); het qere heeft ‘het hoofd van de Drie’ (השלישים).
13Hij was bij David in Pas-Dammim. De Filistijnen hadden zich daar verzameld voor de oorlog. Daar lag een stuk akker vol gerst. Het volk vluchtte voor de Filistijnen.
הֽוּא
(hu)
hij
הָיָ֨ה
(haya)
was
עִם
(im)
met
דָּוִ֜יד
(david)
David
בַּפַּ֣ס
(bapas)
in Pas
דַּמִּ֗ים
(damim)
Dammim
וְהַפְּלִשְׁתִּים֙
(vehapelishtim)
en de Filistijnen
נֶאֱסְפוּ
(neesfu)
hadden zich verzameld
שָׁ֣ם
(sham)
daar
לַמִּלְחָמָ֔ה
(lamilchama)
voor de oorlog
וַתְּהִ֛י
(vatehi)
en was
חֶלְקַ֥ת
(chelqat)
stuk van
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
מְלֵאָ֣ה
(melea)
vol
שְׂעוֹרִ֑ים
(seorim)
gerst
וְהָעָ֥ם
(vehaam)
en het volk
נָ֖סוּ
(nasu)
vluchtte
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor
פְלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Pas-Dammim is dezelfde plaats als Efes-Dammim in 1 Sam. 17:1, tussen Soko en Azeka in het Judese heuvelland (Israël).
De precieze ligging is onzeker.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Lezing
Kronieken noemt hier een stuk akker met gerst (שְׂעוֹרִים).
In 2 Sam. 23:11 staat een stuk akker met linzen, bij Samma.
15Drie van de dertig hoofdmannen gingen naar beneden, naar de rots, naar David, naar de grot van Adullam. Het kamp van de Filistijnen lag in het dal van de Refaïeten.
וַיֵּרְד֡וּ
(vayeredu)
en gingen af
שְֽׁלוֹשָׁה֩
(shelosha)
drie
מִן
(min)
van
הַשְּׁלוֹשִׁ֨ים
(hasheloshim)
de dertig
רֹ֤אשׁ
(rosh)
hoofdman
עַל
(al)
naar
הַצֻּר֙
(hatsur)
de rots
אֶל
(el)
naar
דָּוִ֔יד
(david)
David
אֶל
(el)
naar
מְעָרַ֖ת
(mearat)
de grot van
עֲדֻלָּ֑ם
(adulam)
Adullam
וּמַחֲנֵ֣ה
(umachane)
en het kamp van
פְלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
חֹנָ֖ה
(chona)
lag gelegerd
בְּעֵ֥מֶק
(beemeq)
in het dal van
רְפָאִֽים
(refaim)
de Refaïeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Adullam ligt in het laagland van Juda, waarschijnlijk bij Tel esh-Sheikh Madhkur (Israël).
Dat is waarschijnlijk.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Zie Dal van de Refaïeten: Het dal van de Refaïeten (Emek Refaïm) liep ten zuidwesten van Jeruzalem.
Het dal van de Refaïeten ligt ten zuidwesten van Jeruzalem. Dat is waarschijnlijk.
Lezing
Kronieken heeft ‘naar de rots’ (עַל הַצֻּר). 2 Sam. 23:13 heeft ‘in de oogsttijd’ (אֶל קָצִיר).
16David was toen in de burcht. Een garnizoen van de Filistijnen was toen in Betlehem.
וְדָוִ֖יד
(vedavid)
en David
אָ֣ז
(az)
toen
בַּמְּצוּדָ֑ה
(bametsuda)
in de burcht
וּנְצִ֣יב
(unetsiv)
en een garnizoen van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
אָ֖ז
(az)
toen
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in Bet
לָֽחֶם
(lachem)
Lechem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Betlehem ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).
Dat is zeker.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
נְצִיב (netsiv), ‘garnizoen’: het woord kan ook een bevelhebber van een bezettingsmacht betekenen. 2 Sam. 23:14 heeft een ander woord (מַצַּב, matsav).
18De drie braken door het kamp van de Filistijnen heen. Zij putten water uit de put van Betlehem, die bij de poort is. Zij namen het mee en brachten het naar David. Maar David wilde het niet drinken. Hij goot het uit als plengoffer voor Yahweh.
וַיִּבְקְע֨וּ
(vayivqeu)
en braken door
הַשְּׁלֹשָׁ֜ה
(hashelosha)
de drie
בְּמַחֲנֵ֣ה
(bemachane)
het kamp van
פְלִשְׁתִּ֗ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיִּֽשְׁאֲבוּ
(vayishavu)
en putten
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
מִבּ֤וֹר
(mibor)
uit de put van
בֵּֽית
(beit)
Bet
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
Lechem
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּשַּׁ֔עַר
(bashaar)
bij de poort
וַיִּשְׂא֖וּ
(vayisu)
en droegen
וַיָּבִ֣אוּ
(vayaviu)
en brachten
אֶל
(el)
naar
דָּוִ֑יד
(david)
David
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אָבָ֤ה
(ava)
wilde
דָוִיד֙
(david)
David
לִשְׁתּוֹתָ֔ם
(lishtotam)
het te drinken
וַיְנַסֵּ֥ךְ
(vaynasekh)
en goot als plengoffer uit
אֹתָ֖ם
(otam)
het
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.
Uitleg
וַיְנַסֵּךְ (wayenasek), ‘goot uit als plengoffer’: het water was voor David te kostbaar om zelf te drinken.
19Hij zei: „Het is ondenkbaar voor mij, voor mijn Elohim, dit te doen! Zou ik het bloed van deze mannen drinken, ten koste van hun leven? Want ten koste van hun leven hebben zij het gebracht.” Hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden.
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en zei
חָלִילָה֩
(chalila)
ondenkbaar
לִּ֨י
(li)
voor mij
מֵאֱלֹהַ֜י
(meelohay)
van mijn Elohim
מֵעֲשׂ֣וֹת
(measot)
om te doen
זֹ֗את
(zot)
dit
הֲדַ֣ם
(hadam)
het bloed van
הָאֲנָשִׁים֩
(haanashim)
de mannen
הָאֵ֨לֶּה
(haele)
deze
אֶשְׁתֶּ֤ה
(eshte)
zal ik drinken
בְנַפְשׁוֹתָם֙
(benafshotam)
met hun levens
כִּ֣י
(ki)
want
בְנַפְשׁוֹתָ֣ם
(benafshotam)
met hun levens
הֱבִיא֔וּם
(hevium)
brachten zij het
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אָבָ֖ה
(ava)
wilde hij
לִשְׁתּוֹתָ֑ם
(lishtotam)
het te drinken
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
עָשׂ֔וּ
(asu)
deden
שְׁלֹ֖שֶׁת
(sheloshet)
drie
הַגִּבּוֹרִֽים
(hagiborim)
de helden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מֵאֱלֹהַי (me’elohai), ‘voor mijn Elohim’: David zegt dat hij zo iets niet kan doen met het oog op zijn Elohim. 2 Sam. 23:17 heeft hier ‘Yahweh’.
בְנַפְשׁוֹתָם (venafshotam), ‘ten koste van hun leven’: letterlijk ‘met hun levens’. Wij vertalen zo dat het bij de bedoeling past: de mannen hadden hun leven gewaagd.
21Hij werd meer geëerd dan twee van de Drie. Hij werd hun bevelhebber. Maar tot de Drie kwam hij niet.
מִן
(min)
uit
הַשְּׁלוֹשָׁ֤ה
(hashelosha)
de Drie
בַשְּׁנַ֨יִם֙
(bashenayim)
bij de twee
נִכְבָּ֔ד
(nikhbad)
geëerd
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en werd
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לְשָׂ֑ר
(lesar)
tot bevelhebber
וְעַד
(vead)
en tot
הַשְּׁלוֹשָׁ֖ה
(hashelosha)
de Drie
לֹֽא
(lo)
niet
בָֽא
(ba)
kwam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws is hier moeilijk: מִן הַשְּׁלוֹשָׁה בַּשְּׁנַיִם נִכְבָּד (min hashloshah bashnayim nikbad), letterlijk ‘uit de Drie, bij de twee, geëerd’. 2 Sam. 23:19 heeft ‘de meest geëerde van de Drie’.
Wij vertalen ‘meer geëerd dan twee van de Drie’.
Dat is onzeker.
‘De Drie’ in dit vers zijn de eerste Drie (vers 11–14). Abisai kwam daar niet bij.
22Benaja, de zoon van Jojada, was de zoon van een krijger, rijk aan daden, uit Kabseël. Hij versloeg de twee Ariëls van Moab. Ook ging hij naar beneden en versloeg de leeuw midden in de put, op een dag met sneeuw.
בְּנָיָ֨ה
(benaya)
Benaja
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָדָ֧ע
(yehoyada)
Jojada
בֶּן
(ben)
zoon van
אִֽישׁ
(ish)
man van
חַ֛יִל
(chayil)
kracht
רַב
(rav)
veel
פְּעָלִ֖ים
(pealim)
daden
מִֽן
(min)
uit
קַבְצְאֵ֑ל
(qavtseel)
Kabseël
ה֣וּא
(hu)
hij
הִכָּ֗ה
(hika)
sloeg
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
שְׁנֵ֤י
(shenei)
twee
אֲרִיאֵל֙
(ariel)
Ariël
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וְ֠הוּא
(vehu)
en hij
יָרַ֞ד
(yarad)
ging af
וְהִכָּ֧ה
(vehika)
en sloeg
אֶֽת
(et)
(obj.)
הָאֲרִ֛י
(haari)
de leeuw
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
midden in
הַבּ֖וֹר
(habor)
de put
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
הַשָּֽׁלֶג
(hashaleg)
de sneeuw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Kabseël lag in het zuiden van Juda (Joz. 15:21).
De precieze ligging is onzeker.
Uitleg
אֲרִיאֵל (Ariël): de betekenis is onzeker.
Het kan ‘leeuw van Elohim’ of ‘haard van Elohim’ zijn, of een titel van twee sterke mannen uit Moab.
23Hij versloeg ook een Egyptenaar, een man van 5 el lang. De Egyptenaar had een speer in zijn hand, zo dik als een weversbalk. Benaja ging met een staf naar hem toe. Hij rukte de speer uit de hand van de Egyptenaar en doodde hem met zijn eigen speer.
וְהֽוּא
(vehu)
en hij
הִכָּה֩
(hika)
sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִ֨ישׁ
(haish)
de man
הַמִּצְרִ֜י
(hamitsri)
Egyptische
אִ֥ישׁ
(ish)
man van
מִדָּ֣ה
(mida)
maat
חָמֵ֣שׁ
(chamesh)
vijf
בָּאַמָּ֗ה
(baama)
in de el
וּבְיַ֨ד
(uveyad)
en in de hand van
הַמִּצְרִ֤י
(hamitsri)
de Egyptenaar
חֲנִית֙
(chanit)
speer
כִּמְנ֣וֹר
(kimnor)
als een weversbalk
אֹרְגִ֔ים
(oregim)
van wevers
וַיֵּ֥רֶד
(vayered)
en ging af
אֵלָ֖יו
(elav)
naar hem
בַּשָּׁ֑בֶט
(bashavet)
met een staf
וַיִּגְזֹ֤ל
(vayigzol)
en rukte weg
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַחֲנִית֙
(hachanit)
de speer
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
הַמִּצְרִ֔י
(hamitsri)
de Egyptenaar
וַיַּהַרְגֵ֖הוּ
(vayahargehu)
en doodde hem
בַּחֲנִיתֽוֹ
(bachanito)
met zijn speer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Een el is ongeveer 45 cm.
Een man van 5 el is dus ongeveer 2,25 meter lang. 2 Sam. 23:21 zegt ‘een man van indrukwekkende gestalte’.
מְנוֹר אֹרְגִים (menor orgim), ‘weversbalk’: de dikke balk van een weefgetouw. Hetzelfde beeld staat bij de speer van Goliat (1 Sam. 17:7).