Elohim Bijbel

1 Kronieken 11

1234567891011121314151617181920212223242526272829

David wordt koning en de helden van David

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

David wordt koning in Hebron

1Heel Israël verzamelde zich bij David in Hebron. Zij zeiden: „Zie, wij zijn uw bot en uw vlees.
וַיִּקָּבְצ֧וּ
(vayiqavetsu)
en verzamelden zich
כָֽל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
bij
דָּוִ֖יד
(david)
David
חֶבְר֣וֹנָה
(chevrona)
naar Hebron
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
עַצְמְךָ֥
(atsmekha)
uw bot
וּֽבְשָׂרְךָ֖
(uvesarekha)
en uw vlees
אֲנָֽחְנוּ
(anachenu)
wij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Hebron lag in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem (Al-Chalil, Westelijke Jordaanoever).

Dat is zeker.

Uitleg

Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Sam. 5:1–10 (vers 1–9) en 2 Sam. 23:8–39 (vers 10–47).

Kronieken begint hier met het koningschap van David over heel Israël. 1 Kron. 10 (de dood van Saul) gaat eraan vooraf.

עַצְמְךָ וּבְשָׂרְךָ (atsmecha uvsarecha), ‘uw bot en uw vlees’: zij zeggen daarmee dat zij tot hetzelfde volk en dezelfde familie horen. Zie 2 Sam. 5:1.

2Ook gisteren en eergisteren, toen Saul nog koning was, was u het die Israël uitleidde en terugbracht. Yahweh, uw Elohim, heeft tegen u gezegd: ‘Jij zult Mijn volk Israël weiden. Jij zult leider zijn over Mijn volk Israël.’”
גַּם
(gam)
ook
תְּמ֣וֹל
(temol)
gisteren
גַּם
(gam)
ook
שִׁלְשׁ֗וֹם
(shilshom)
eergisteren
גַּ֚ם
(gam)
ook
בִּהְי֣וֹת
(bihyot)
toen hij was
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
מֶ֔לֶךְ
(melekh)
koning
אַתָּ֛ה
(ata)
u
הַמּוֹצִ֥יא
(hamotsi)
die uitleidde
וְהַמֵּבִ֖יא
(vehamevi)
en terugbracht
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֜יךָ
(eloheikha)
uw Elohim
לְךָ֗
(lekha)
tot u
אַתָּ֨ה
(ata)
u
תִרְעֶ֤ה
(tire)
zult weiden
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּי֙
(ami)
Mijn volk
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאַתָּה֙
(veata)
en u
תִּהְיֶ֣ה
(tihye)
zult zijn
נָגִ֔יד
(nagid)
leider
עַ֖ל
(al)
over
עַמִּ֥י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het volk haalt hier woorden van Yahweh aan.

Wij zetten ze zwart tussen enkele aanhalingstekens, zoals in 2 Sam. 5:2.

Er staat geen aparte toespraak van Yahweh bij.

Lezing

Kronieken heeft ‘Yahweh, uw Elohim’ en ‘Mijn volk Israël’ (twee keer). 2 Sam. 5:2 heeft alleen ‘Yahweh’ en in de tweede zin ‘over Israël’.

Wij vertalen de Kronieken-tekst zoals hij staat.

3Alle oudsten van Israël kwamen naar de koning in Hebron. David sloot met hen een verbond in Hebron, voor het aangezicht van Yahweh. Zij zalfden David tot koning over Israël, volgens het woord van Yahweh door Samuël.
וַ֠יָּבֹאוּ
(vayavou)
en kwamen
כָּל
(kal)
alle
זִקְנֵ֨י
(ziqnei)
oudsten van
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
חֶבְר֔וֹנָה
(chevrona)
naar Hebron
וַיִּכְרֹת֩
(vayikhrot)
en sloot
לָהֶ֨ם
(lahem)
met hen
דָּוִ֥יד
(david)
David
בְּרִ֛ית
(berit)
een verbond
בְּחֶבְר֖וֹן
(bechevron)
in Hebron
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּמְשְׁח֨וּ
(vayimshechu)
en zalfden
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֤יד
(david)
David
לְמֶ֨לֶךְ֙
(lemelekh)
tot koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כִּדְבַ֥ר
(kidvar)
volgens het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
שְׁמוּאֵֽל
(shemuel)
Samuël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

‘Volgens het woord van Yahweh door Samuël’ verwijst naar de zalving van David door Samuël (1 Sam. 16:1–13).

Deze slotwoorden staan niet in 2 Sam. 5:3.

De verovering van Jeruzalem

4David en heel Israël trokken naar Jeruzalem. Dat is Jebus. Daar woonden de Jebusieten, de bewoners van het land.
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en ging
דָּוִ֧יד
(david)
David
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
הִ֣יא
(hi)
zij
יְב֑וּס
(yevus)
Jebus
וְשָׁם֙
(vesham)
en daar
הַיְבוּסִ֔י
(hayvusi)
de Jebusiet
יֹשְׁבֵ֖י
(yoshevei)
bewoners van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jebus is de oudere naam van Jeruzalem (Richt. 19:10).

Jeruzalem ligt op de bergrug in het bergland van Juda/Benjamin (Israël).

Dat is zeker.

Uitleg

2 Sam. 5:6 noemt de naam Jebus niet.

5De bewoners van Jebus zeiden tegen David: „Je komt hier niet binnen.” Maar David veroverde de burcht Sion. Dat is de stad van David.
וַיֹּ֨אמְר֜וּ
(vayomru)
en zeiden
יֹשְׁבֵ֤י
(yoshevei)
bewoners van
יְבוּס֙
(yevus)
Jebus
לְדָוִ֔יד
(ledavid)
tegen David
לֹ֥א
(lo)
niet
תָב֖וֹא
(tavo)
je komt binnen
הֵ֑נָּה
(hena)
hier
וַיִּלְכֹּ֤ד
(vayilkod)
en veroverde
דָּוִיד֙
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
מְצֻדַ֣ת
(metsudat)
de burcht van
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
הִ֖יא
(hi)
zij
עִ֥יר
(ir)
stad van
דָּוִֽיד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De burcht Sion is de bergrug in het zuidoosten van het oude Jeruzalem.

Dat is waarschijnlijk.

Uitleg

Dit vers laat de zin ‘de blinden en de lammen zullen je verwijderen’ uit 2 Sam. 5:6 weg.

6David zei: „Wie als eerste een Jebusiet slaat, wordt hoofd en bevelhebber.” Joab, de zoon van Zeruja, ging als eerste omhoog. Zo werd hij hoofd.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֔יד
(david)
David
כָּל
(kal)
ieder
מַכֵּ֤ה
(make)
die slaat
יְבוּסִי֙
(yevusi)
Jebusiet
בָּרִ֣אשׁוֹנָ֔ה
(barishona)
als eerste
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
hij zal zijn
לְרֹ֖אשׁ
(lerosh)
tot hoofd
וּלְשָׂ֑ר
(ulesar)
en tot bevelhebber
וַיַּ֧עַל
(vayaal)
en ging omhoog
בָּרִאשׁוֹנָ֛ה
(barishona)
als eerste
יוֹאָ֥ב
(yoav)
Joab
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרוּיָ֖ה
(tseruya)
Zeruja
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en werd
לְרֹֽאשׁ
(lerosh)
tot hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers staat niet in 2 Sam. 5.

Daar spreekt David over de waterschacht (2 Sam. 5:8).

In Kronieken wordt Joab beloond met het hoogste gezag over het leger.

רֹאשׁ (rosh), ‘hoofd’ en שָׂר (sar), ‘bevelhebber’: Joab wordt zo de aanvoerder van Davids leger (vergelijk 1 Kron. 11:20).

7David ging in de burcht wonen. Daarom noemden zij die de stad van David.
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
דָּוִ֖יד
(david)
David
בַּמְצָ֑ד
(bamtsad)
in de burcht
עַל
(al)
daarom
כֵּ֥ן
(ken)
zo
קָרְאוּ
(qareu)
noemden zij
ל֖וֹ
(lo)
haar
עִ֥יר
(ir)
stad van
דָּוִֽיד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

8Hij bouwde de stad rondom, vanaf de Millo tot aan de omtrek. Joab herstelde de rest van de stad.
וַיִּ֤בֶן
(vayiven)
en bouwde
הָעִיר֙
(hair)
de stad
מִסָּבִ֔יב
(misaviv)
rondom
מִן
(min)
vanaf
הַמִּלּ֖וֹא
(hamilo)
de Millo
וְעַד
(vead)
en tot
הַסָּבִ֑יב
(hasaviv)
de omtrek
וְיוֹאָ֕ב
(veyoav)
en Joab
יְחַיֶּ֖ה
(yechaye)
liet leven
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁאָ֥ר
(shear)
rest van
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Millo was een opvulling of terras aan de noordkant van de burcht Sion, in Jeruzalem.

De precieze plek is onzeker.

Lezing

יְחַיֶּה (yechayyeh), letterlijk ‘liet leven’: wij vertalen ‘herstelde’, zoals men een stad weer laat leven. 2 Sam. 5:9 zegt alleen dat David bouwde vanaf de Millo naar binnen.

9David werd steeds groter. Yahweh van de legermachten was met hem.
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
דָּוִ֖יד
(david)
David
הָל֣וֹךְ
(halokh)
gaande
וְגָד֑וֹל
(vegadol)
en groot wordend
וַיהוָ֥ה
(vaYahweh)
en Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Yahweh van de legermachten’ (letterlijk ‘Yahweh van de legermachten’) is een vaste naam.

Wij laten hem onvertaald.

Zie 2 Sam. 5:10.

De helden van David

10Dit zijn de hoofden van de helden van David. Zij maakten zich met hem sterk in zijn koningschap. Samen met heel Israël maakten zij hem koning, volgens het woord van Yahweh over Israël.
וְאֵ֨לֶּה
(veele)
en dit
רָאשֵׁ֤י
(rashei)
hoofden van
הַגִּבּוֹרִים֙
(hagiborim)
de helden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לְדָוִ֔יד
(ledavid)
van David
הַמִּתְחַזְּקִ֨ים
(hamitchazeqim)
die zich sterk maakten
עִמּ֧וֹ
(imo)
met hem
בְמַלְכוּת֛וֹ
(bemalkhuto)
in zijn koningschap
עִם
(im)
met
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְהַמְלִיכ֑וֹ
(lehamlikho)
om hem koning te maken
כִּדְבַ֥ר
(kidvar)
volgens het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier loopt de lijst van de helden van David, parallel met 2 Sam. 23:8–39.

Kronieken heeft meer namen dan Samuël, en sommige namen zijn anders gespeld.

לְהַמְלִיכוֹ (lehamlicho), ‘om hem koning te maken’: zij hielpen hem koning te worden. ‘Volgens het woord van Yahweh’ verwijst naar vers 3.

11Dit is het aantal van de helden van David: Jasjobam, de zoon van Chakmoni, het hoofd van de Drie. Hij zwaaide zijn speer over 300 gesneuvelden, in één keer.
וְאֵ֛לֶּה
(veele)
en dit
מִסְפַּ֥ר
(mispar)
aantal van
הַגִּבֹּרִ֖ים
(hagiborim)
de helden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לְדָוִ֑יד
(ledavid)
van David
יָשָׁבְעָ֣ם
(yashaveam)
Jasjobam
בֶּן
(ben)
zoon van
חַכְמוֹנִ֗י
(chakhmoni)
Chakmoni
רֹ֚אשׁ
(rosh)
hoofd van
הַשָּׁ֣לִישִׁ֔ים
(hashalishim)
de Drie
הֽוּא
(hu)
hij
עוֹרֵ֧ר
(orer)
zwaaide
אֶת
(et)
(obj.)
חֲנִית֛וֹ
(chanito)
zijn speer
עַל
(al)
over
שְׁלֹשׁ
(shelosh)
drie
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
חָלָ֖ל
(chalal)
gesneuvelde
בְּפַ֥עַם
(befaam)
in keer
אֶחָֽת
(echat)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָשָׁבְעָם (Jasjobam) heet in 2 Sam. 23:8 ‘Josheb-Basjebet’.

Wij houden de Kronieken-vorm en noemen de parallel.

Het getal verschilt: Kronieken heeft 300 gesneuvelden, 2 Sam. 23:8 heeft 800.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘het hoofd van de dertig’ (השלושים); het qere heeft ‘het hoofd van de Drie’ (השלישים).

Wij volgen het qere.

12Na hem kwam Eleazar, de zoon van Dodo, de Achochiet. Hij was een van de drie helden.
וְאַחֲרָ֛יו
(veacharav)
en na hem
אֶלְעָזָ֥ר
(elazar)
Eleazar
בֶּן
(ben)
zoon van
דּוֹד֖וֹ
(dodo)
Dodo
הָאֲחוֹחִ֑י
(haachochi)
de Achochiet
ה֖וּא
(hu)
hij
בִּשְׁלוֹשָׁ֥ה
(bishlosha)
onder de drie
הַגִּבֹּרִֽים
(hagiborim)
de helden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Achochiet komt van Achoach (1 Kron. 8:4).

Zie 2 Sam. 23:9.

Kronieken noemt Samma, de zoon van Age (2 Sam. 23:11–12), niet.

13Hij was bij David in Pas-Dammim. De Filistijnen hadden zich daar verzameld voor de oorlog. Daar lag een stuk akker vol gerst. Het volk vluchtte voor de Filistijnen.
הֽוּא
(hu)
hij
הָיָ֨ה
(haya)
was
עִם
(im)
met
דָּוִ֜יד
(david)
David
בַּפַּ֣ס
(bapas)
in Pas
דַּמִּ֗ים
(damim)
Dammim
וְהַפְּלִשְׁתִּים֙
(vehapelishtim)
en de Filistijnen
נֶאֱסְפוּ
(neesfu)
hadden zich verzameld
שָׁ֣ם
(sham)
daar
לַמִּלְחָמָ֔ה
(lamilchama)
voor de oorlog
וַתְּהִ֛י
(vatehi)
en was
חֶלְקַ֥ת
(chelqat)
stuk van
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
מְלֵאָ֣ה
(melea)
vol
שְׂעוֹרִ֑ים
(seorim)
gerst
וְהָעָ֥ם
(vehaam)
en het volk
נָ֖סוּ
(nasu)
vluchtte
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor
פְלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Pas-Dammim is dezelfde plaats als Efes-Dammim in 1 Sam. 17:1, tussen Soko en Azeka in het Judese heuvelland (Israël).

De precieze ligging is onzeker.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Lezing

Kronieken noemt hier een stuk akker met gerst (שְׂעוֹרִים).

In 2 Sam. 23:11 staat een stuk akker met linzen, bij Samma.

Wij volgen de Masoretische tekst.

14Zij namen hun plaats midden op dat stuk akker in en redden het. Zij sloegen de Filistijnen. Yahweh redde hen met een grote redding.
וַיִּֽתְיַצְּב֤וּ
(vayityatsevu)
en namen positie in
בְתוֹךְ
(betokh)
midden in
הַחֶלְקָה֙
(hachelqa)
het stuk
וַיַּצִּיל֔וּהָ
(vayatsiluha)
en redden het
וַיַּכּ֖וּ
(vayaku)
en sloegen
אֶת
(et)
(obj.)
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיּ֥וֹשַׁע
(vayosha)
en redde
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
תְּשׁוּעָ֥ה
(teshua)
redding
גְדוֹלָֽה
(gedola)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

Het werkwoord staat in het meervoud (‘zij namen hun plaats in’).

In 2 Sam. 23:12 staat het in het enkelvoud, bij Samma.

Het water uit de put van Betlehem

15Drie van de dertig hoofdmannen gingen naar beneden, naar de rots, naar David, naar de grot van Adullam. Het kamp van de Filistijnen lag in het dal van de Refaïeten.
וַיֵּרְד֡וּ
(vayeredu)
en gingen af
שְֽׁלוֹשָׁה֩
(shelosha)
drie
מִן
(min)
van
הַשְּׁלוֹשִׁ֨ים
(hasheloshim)
de dertig
רֹ֤אשׁ
(rosh)
hoofdman
עַל
(al)
naar
הַצֻּר֙
(hatsur)
de rots
אֶל
(el)
naar
דָּוִ֔יד
(david)
David
אֶל
(el)
naar
מְעָרַ֖ת
(mearat)
de grot van
עֲדֻלָּ֑ם
(adulam)
Adullam
וּמַחֲנֵ֣ה
(umachane)
en het kamp van
פְלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
חֹנָ֖ה
(chona)
lag gelegerd
בְּעֵ֥מֶק
(beemeq)
in het dal van
רְפָאִֽים
(refaim)
de Refaïeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Adullam ligt in het laagland van Juda, waarschijnlijk bij Tel esh-Sheikh Madhkur (Israël).

Dat is waarschijnlijk.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Dal van de Refaïeten: Het dal van de Refaïeten (Emek Refaïm) liep ten zuidwesten van Jeruzalem.

Het dal van de Refaïeten ligt ten zuidwesten van Jeruzalem. Dat is waarschijnlijk.

Lezing

Kronieken heeft ‘naar de rots’ (עַל הַצֻּר). 2 Sam. 23:13 heeft ‘in de oogsttijd’ (אֶל קָצִיר).

Wij volgen de Masoretische tekst.

16David was toen in de burcht. Een garnizoen van de Filistijnen was toen in Betlehem.
וְדָוִ֖יד
(vedavid)
en David
אָ֣ז
(az)
toen
בַּמְּצוּדָ֑ה
(bametsuda)
in de burcht
וּנְצִ֣יב
(unetsiv)
en een garnizoen van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
אָ֖ז
(az)
toen
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in Bet
לָֽחֶם
(lachem)
Lechem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betlehem ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).

Dat is zeker.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

נְצִיב (netsiv), ‘garnizoen’: het woord kan ook een bevelhebber van een bezettingsmacht betekenen. 2 Sam. 23:14 heeft een ander woord (מַצַּב, matsav).

17David verlangde en zei: „Wie geeft mij water te drinken uit de put van Betlehem, die bij de poort is?”
וַיִּתְאָ֥יו
(vayitav)
en verlangde
דָּוִ֖יד
(david)
David
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
מִ֚י
(mi)
wie
יַשְׁקֵ֣נִי
(yashqeni)
geeft mij te drinken
מַ֔יִם
(mayim)
water
מִבּ֥וֹר
(mibor)
uit de put van
בֵּֽית
(beit)
Bet
לֶ֖חֶם
(lechem)
Lechem
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בַּשָּֽׁעַר
(bashaar)
bij de poort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

Dit verhaal loopt parallel met 2 Sam. 23:15–17.

18De drie braken door het kamp van de Filistijnen heen. Zij putten water uit de put van Betlehem, die bij de poort is. Zij namen het mee en brachten het naar David. Maar David wilde het niet drinken. Hij goot het uit als plengoffer voor Yahweh.
וַיִּבְקְע֨וּ
(vayivqeu)
en braken door
הַשְּׁלֹשָׁ֜ה
(hashelosha)
de drie
בְּמַחֲנֵ֣ה
(bemachane)
het kamp van
פְלִשְׁתִּ֗ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיִּֽשְׁאֲבוּ
(vayishavu)
en putten
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
מִבּ֤וֹר
(mibor)
uit de put van
בֵּֽית
(beit)
Bet
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
Lechem
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּשַּׁ֔עַר
(bashaar)
bij de poort
וַיִּשְׂא֖וּ
(vayisu)
en droegen
וַיָּבִ֣אוּ
(vayaviu)
en brachten
אֶל
(el)
naar
דָּוִ֑יד
(david)
David
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אָבָ֤ה
(ava)
wilde
דָוִיד֙
(david)
David
לִשְׁתּוֹתָ֔ם
(lishtotam)
het te drinken
וַיְנַסֵּ֥ךְ
(vaynasekh)
en goot als plengoffer uit
אֹתָ֖ם
(otam)
het
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

וַיְנַסֵּךְ (wayenasek), ‘goot uit als plengoffer’: het water was voor David te kostbaar om zelf te drinken.

Hij gaf het aan Yahweh.

Zie Num. 28:7.

19Hij zei: „Het is ondenkbaar voor mij, voor mijn Elohim, dit te doen! Zou ik het bloed van deze mannen drinken, ten koste van hun leven? Want ten koste van hun leven hebben zij het gebracht.” Hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden.
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en zei
חָלִילָה֩
(chalila)
ondenkbaar
לִּ֨י
(li)
voor mij
מֵאֱלֹהַ֜י
(meelohay)
van mijn Elohim
מֵעֲשׂ֣וֹת
(measot)
om te doen
זֹ֗את
(zot)
dit
הֲדַ֣ם
(hadam)
het bloed van
הָאֲנָשִׁים֩
(haanashim)
de mannen
הָאֵ֨לֶּה
(haele)
deze
אֶשְׁתֶּ֤ה
(eshte)
zal ik drinken
בְנַפְשׁוֹתָם֙
(benafshotam)
met hun levens
כִּ֣י
(ki)
want
בְנַפְשׁוֹתָ֣ם
(benafshotam)
met hun levens
הֱבִיא֔וּם
(hevium)
brachten zij het
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אָבָ֖ה
(ava)
wilde hij
לִשְׁתּוֹתָ֑ם
(lishtotam)
het te drinken
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
עָשׂ֔וּ
(asu)
deden
שְׁלֹ֖שֶׁת
(sheloshet)
drie
הַגִּבּוֹרִֽים
(hagiborim)
de helden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֵאֱלֹהַי (me’elohai), ‘voor mijn Elohim’: David zegt dat hij zo iets niet kan doen met het oog op zijn Elohim. 2 Sam. 23:17 heeft hier ‘Yahweh’.

בְנַפְשׁוֹתָם (venafshotam), ‘ten koste van hun leven’: letterlijk ‘met hun levens’. Wij vertalen zo dat het bij de bedoeling past: de mannen hadden hun leven gewaagd.

Abisai en Benaja

20Abisai, de broer van Joab, was het hoofd van de Drie. Hij zwaaide zijn speer over 300 gesneuvelden. Hij had een naam onder de Drie.
וְאַבְשַׁ֣י
(veavshay)
en Abisai
אֲחִֽי
(achi)
broer van
יוֹאָ֗ב
(yoav)
Joab
ה֤וּא
(hu)
hij
הָיָה֙
(haya)
was
רֹ֣אשׁ
(rosh)
hoofd van
הַשְּׁלוֹשָׁ֔ה
(hashelosha)
de Drie
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
עוֹרֵ֣ר
(orer)
zwaaide
אֶת
(et)
(obj.)
חֲנִית֔וֹ
(chanito)
zijn speer
עַל
(al)
over
שְׁלֹ֥שׁ
(shelosh)
drie
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
חָלָ֑ל
(chalal)
gesneuvelde
וְלוֹ
(velo)
en voor hem
שֵׁ֖ם
(shem)
naam
בַּשְּׁלוֹשָֽׁה
(bashelosha)
onder de Drie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Abisai staat ook in 2 Sam. 23:18–19.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘en niet’ (וְלֹא); het qere heeft ‘en voor hem’ (וְלוֹ).

Wij volgen het qere: ‘hij had een naam’.

21Hij werd meer geëerd dan twee van de Drie. Hij werd hun bevelhebber. Maar tot de Drie kwam hij niet.
מִן
(min)
uit
הַשְּׁלוֹשָׁ֤ה
(hashelosha)
de Drie
בַשְּׁנַ֨יִם֙
(bashenayim)
bij de twee
נִכְבָּ֔ד
(nikhbad)
geëerd
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en werd
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לְשָׂ֑ר
(lesar)
tot bevelhebber
וְעַד
(vead)
en tot
הַשְּׁלוֹשָׁ֖ה
(hashelosha)
de Drie
לֹֽא
(lo)
niet
בָֽא
(ba)
kwam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws is hier moeilijk: מִן הַשְּׁלוֹשָׁה בַּשְּׁנַיִם נִכְבָּד (min hashloshah bashnayim nikbad), letterlijk ‘uit de Drie, bij de twee, geëerd’. 2 Sam. 23:19 heeft ‘de meest geëerde van de Drie’.

Wij vertalen ‘meer geëerd dan twee van de Drie’.

Dat is onzeker.

‘De Drie’ in dit vers zijn de eerste Drie (vers 11–14). Abisai kwam daar niet bij.

22Benaja, de zoon van Jojada, was de zoon van een krijger, rijk aan daden, uit Kabseël. Hij versloeg de twee Ariëls van Moab. Ook ging hij naar beneden en versloeg de leeuw midden in de put, op een dag met sneeuw.
בְּנָיָ֨ה
(benaya)
Benaja
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָדָ֧ע
(yehoyada)
Jojada
בֶּן
(ben)
zoon van
אִֽישׁ
(ish)
man van
חַ֛יִל
(chayil)
kracht
רַב
(rav)
veel
פְּעָלִ֖ים
(pealim)
daden
מִֽן
(min)
uit
קַבְצְאֵ֑ל
(qavtseel)
Kabseël
ה֣וּא
(hu)
hij
הִכָּ֗ה
(hika)
sloeg
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
שְׁנֵ֤י
(shenei)
twee
אֲרִיאֵל֙
(ariel)
Ariël
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וְ֠הוּא
(vehu)
en hij
יָרַ֞ד
(yarad)
ging af
וְהִכָּ֧ה
(vehika)
en sloeg
אֶֽת
(et)
(obj.)
הָאֲרִ֛י
(haari)
de leeuw
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
midden in
הַבּ֖וֹר
(habor)
de put
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
הַשָּֽׁלֶג
(hashaleg)
de sneeuw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kabseël lag in het zuiden van Juda (Joz. 15:21).

De precieze ligging is onzeker.

Uitleg

אֲרִיאֵל (Ariël): de betekenis is onzeker.

Het kan ‘leeuw van Elohim’ of ‘haard van Elohim’ zijn, of een titel van twee sterke mannen uit Moab.

Zie 2 Sam. 23:20.

23Hij versloeg ook een Egyptenaar, een man van 5 el lang. De Egyptenaar had een speer in zijn hand, zo dik als een weversbalk. Benaja ging met een staf naar hem toe. Hij rukte de speer uit de hand van de Egyptenaar en doodde hem met zijn eigen speer.
וְהֽוּא
(vehu)
en hij
הִכָּה֩
(hika)
sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִ֨ישׁ
(haish)
de man
הַמִּצְרִ֜י
(hamitsri)
Egyptische
אִ֥ישׁ
(ish)
man van
מִדָּ֣ה
(mida)
maat
חָמֵ֣שׁ
(chamesh)
vijf
בָּאַמָּ֗ה
(baama)
in de el
וּבְיַ֨ד
(uveyad)
en in de hand van
הַמִּצְרִ֤י
(hamitsri)
de Egyptenaar
חֲנִית֙
(chanit)
speer
כִּמְנ֣וֹר
(kimnor)
als een weversbalk
אֹרְגִ֔ים
(oregim)
van wevers
וַיֵּ֥רֶד
(vayered)
en ging af
אֵלָ֖יו
(elav)
naar hem
בַּשָּׁ֑בֶט
(bashavet)
met een staf
וַיִּגְזֹ֤ל
(vayigzol)
en rukte weg
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַחֲנִית֙
(hachanit)
de speer
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
הַמִּצְרִ֔י
(hamitsri)
de Egyptenaar
וַיַּהַרְגֵ֖הוּ
(vayahargehu)
en doodde hem
בַּחֲנִיתֽוֹ
(bachanito)
met zijn speer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een el is ongeveer 45 cm.

Een man van 5 el is dus ongeveer 2,25 meter lang. 2 Sam. 23:21 zegt ‘een man van indrukwekkende gestalte’.

מְנוֹר אֹרְגִים (menor orgim), ‘weversbalk’: de dikke balk van een weefgetouw. Hetzelfde beeld staat bij de speer van Goliat (1 Sam. 17:7).

24Dit deed Benaja, de zoon van Jojada. Hij had een naam onder de drie helden.
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
עָשָׂ֔ה
(asa)
deed
בְּנָיָ֖הוּ
(benayahu)
Benaja
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָדָ֑ע
(yehoyada)
Jojada
וְלוֹ
(velo)
en voor hem
שֵׁ֖ם
(shem)
naam
בִּשְׁלוֹשָׁ֥ה
(bishlosha)
onder de drie
הַגִּבֹּרִֽים
(hagiborim)
de helden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Zie, hij was meer geëerd dan de dertig. Maar tot de Drie kwam hij niet. David stelde hem aan over zijn lijfwacht.
מִן
(min)
uit
הַשְּׁלוֹשִׁ֗ים
(hasheloshim)
de dertig
הִנּ֤וֹ
(hino)
zie
נִכְבָּד֙
(nikhbad)
geëerd
ה֔וּא
(hu)
hij
וְאֶל
(veel)
en tot
הַשְּׁלוֹשָׁ֖ה
(hashelosha)
de Drie
לֹא
(lo)
niet
בָ֑א
(ba)
kwam
וַיְשִׂימֵ֥הוּ
(vaysimehu)
en stelde hem aan
דָוִ֖יד
(david)
David
עַל
(al)
over
מִשְׁמַעְתּֽוֹ
(mishmato)
zijn lijfwacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁמַעְתּוֹ (mishma’to), ‘zijn lijfwacht’: het woord komt ook voor in 1 Sam. 22:14 en 2 Sam. 23:23.

De betekenis is niet zeker.

Lezing

הִנּוֹ (hinno): een vorm van הִנֵּה (hinneh), ‘zie’.

Wij vertalen ‘zie’. 2 Sam. 23:23 heeft hier geen ‘zie’.

De andere helden van het leger

26De helden van de krijgsmacht waren: Asaël, de broer van Joab, Elchanan, de zoon van Dodo, uit Betlehem,
וְגִבּוֹרֵ֖י
(vegiborei)
en helden van
הַחֲיָלִ֑ים
(hachayalim)
de krijgsmacht
עֲשָׂה
(asa)
Asa
אֵל֙
(el)
El
אֲחִ֣י
(achi)
broer van
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
אֶלְחָנָ֥ן
(elchanan)
Elchanan
בֶּן
(ben)
zoon van
דּוֹד֖וֹ
(dodo)
Dodo
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit Bet
לָֽחֶם
(lachem)
Lechem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

Vanaf hier loopt de lijst parallel met 2 Sam. 23:24–39.

Kronieken noemt ze ‘de helden van de krijgsmacht’; Samuël noemt ze ‘de dertig’.

Veel namen zijn anders gespeld of anders.

Wij houden de Kronieken-vorm en noemen bij elk vers de verschillen.

Asaël werd gedood door Abner (2 Sam. 2:18–23). Zijn naam staat hier toch vooraan, zoals in 2 Sam. 23:24.

27Sjammot de Harorit, Chelets de Peloniet,
שַׁמּוֹת֙
(shamot)
Sjammot
הַהֲרוֹרִ֔י
(haharori)
de Harorit
חֶ֖לֶץ
(chelets)
Chelets
הַפְּלוֹנִֽי
(hapeloni)
de Peloniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Sjammot de Harorit heet in 2 Sam. 23:25 ‘Samma de Harodiet’.

Chelets de Peloniet heet in 2 Sam. 23:26 ‘Chelets de Paltiet’.

Wij houden de Kronieken-vorm.

28Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa, Abiëzer uit Anatot,
עִירָ֤א
(ira)
Ira
בֶן
(ben)
zoon van
עִקֵּשׁ֙
(iqesh)
Ikkes
הַתְּקוֹעִ֔י
(hateqoi)
de man uit Tekoa
אֲבִיעֶ֖זֶר
(aviezer)
Abiëzer
הָעֲנְּתוֹתִֽי
(haanetoti)
de man uit Anatot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tekoa ligt ongeveer 10 km ten zuiden van Betlehem (Khirbet Tuqu, Westelijke Jordaanoever).

Dat is zeker.

Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem.

Anatot ligt ten noordoosten van Jeruzalem (Anata, Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk.

Uitleg

Zie 2 Sam. 23:26–27.

29Sibbechai de Chusatiet, Ilai de Achochiet,
סִבְּכַי֙
(sibekhay)
Sibbechai
הַחֻ֣שָׁתִ֔י
(hachushati)
de Chusatiet
עִילַ֖י
(ilay)
Ilai
הָאֲחוֹחִֽי
(haachochi)
de Achochiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Sibbechai de Chusatiet staat in 2 Sam. 21:18 en 2 Sam. 23:27 (daar ‘Mebunnai’).

Ilai de Achochiet staat op de plaats van ‘Zalmon de Achochiet’ in 2 Sam. 23:28.

30Maharai uit Netofa, Cheled, de zoon van Baäna, uit Netofa,
מַהְרַי֙
(mahray)
Maharai
הַנְּטֹ֣פָתִ֔י
(hanetofati)
de Netofatiet
חֵ֥לֶד
(cheled)
Cheled
בֶּֽן
(ben)
zoon van
בַּֽעֲנָ֖ה
(baana)
Baäna
הַנְּטוֹפָתִֽי
(hanetofati)
de Netofatiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Netofa lag in het bergland bij Betlehem.

De precieze ligging is onzeker.

Uitleg

Cheled heet in 2 Sam. 23:29 ‘Cheleb’.

Zie ook Maharai in 2 Sam. 23:28.

31Ittai, de zoon van Ribai, uit Gibea van de zonen van Benjamin, Benaja uit Piraton,
אִיתַ֣י
(itay)
Ittai
בֶּן
(ben)
zoon van
רִיבַ֗י
(rivay)
Ribai
מִגִּבְעַת֙
(migivat)
uit Gibea
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֔ן
(binyamin)
Benjamin
בְּנָיָ֖ה
(benaya)
Benaja
הַפִּרְעָתֹנִֽי
(hapiratoni)
de Piratoniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gibea van Benjamin is waarschijnlijk Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).

Dat is waarschijnlijk.

Piraton lag in het bergland van Efraïm (Richt. 12:15).

32Churai uit de beekdalen van Gaäs, Abiël de Arbatiet,
חוּרַי֙
(churay)
Churai
מִנַּ֣חֲלֵי
(minachalei)
uit de beekdalen van
גָ֔עַשׁ
(gaash)
Gaäs
אֲבִיאֵ֖ל
(aviel)
Abiël
הָעַרְבָתִֽי
(haarvati)
de Arbatiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De beekdalen van Gaäs liggen in het bergland van Efraïm (Joz. 24:30).

De ligging is onzeker.

Zie Beekdalen van Gaäs (ligging onzeker): De berg en de beekdalen van Gaäs lagen in het bergland van Efraïm, bij Timnat-Serach.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

Churai heet in 2 Sam. 23:30 ‘Hiddai’.

Abiël de Arbatiet heet in 2 Sam. 23:31 ‘Abi-Albon de Arbatiet’.

33Azmavet de Bacharumiet, Eljachba de Saälboniet,
עַזְמָ֨וֶת֙
(azmavet)
Azmavet
הַבַּ֣חֲרוּמִ֔י
(habacharumi)
de Bacharumiet
אֶלְיַחְבָּ֖א
(elyachba)
Eljachba
הַשַּׁעַלְבֹנִֽי
(hashaalvoni)
de Saälboniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Bacharumiet staat in 2 Sam. 23:31 als ‘de Barchumiet’.

Wij houden de Kronieken-spelling.

Eljachba de Saälboniet staat ook in 2 Sam. 23:32.

34de zonen van Hasjem de Gizoniet, Jonatan, de zoon van Sjage, de Harariet,
בְּנֵ֗י
(benei)
de zonen van
הָשֵׁם֙
(hashem)
Hasjem
הַגִּ֣זוֹנִ֔י
(hagizoni)
de Gizoniet
יוֹנָתָ֥ן
(yonatan)
Jonatan
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁגֵ֖ה
(shage)
Sjage
הַהֲרָרִֽי
(haharari)
de Harariet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי הָשֵׁם (bene hashem), ‘de zonen van Hasjem’.

In 2 Sam. 23:32 staat ‘de zonen van Jasjen’.

Of Hasjem en Jasjen dezelfde naam zijn, is onzeker.

Wij houden de Kronieken-vorm.

Jonatan, de zoon van Sjage, de Harariet, staat in 2 Sam. 23:33 als ‘Samma de Harariet’. Ook hier is de verhouding tussen de namen onzeker.

35Achiam, de zoon van Sachar, de Harariet, Elifal, de zoon van Ur,
אֲחִיאָ֧ם
(achiam)
Achiam
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׂכָ֛ר
(sakhar)
Sachar
הַהֲרָרִ֖י
(haharari)
de Harariet
אֱלִיפַ֥ל
(elifal)
Elifal
בֶּן
(ben)
zoon van
אֽוּר
(ur)
Ur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Achiam heet in 2 Sam. 23:33 ‘Achiam, de zoon van Sjarar’.

Elifal, de zoon van Ur, staat op de plaats van ‘Elifelet, de zoon van Achasbai’ in 2 Sam. 23:34.

36Chefer de Mecheratiet, Achia de Peloniet,
חֵ֚פֶר
(chefer)
Chefer
הַמְּכֵ֣רָתִ֔י
(hamekherati)
de Mecheratiet
אֲחִיָּ֖ה
(achiya)
Achia
הַפְּלֹנִֽי
(hapeloni)
de Peloniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In 2 Sam. 23:34 staan op deze plaats ‘de Maachatiet’ en ‘Eliam, de zoon van Ahitofel de Giloniet’.

Kronieken heeft hier Chefer en Achia.

Wij vertalen wat er staat.

37Chetsro de Karmeliet, Naarai, de zoon van Ezbai,
חֶצְרוֹ֙
(chetsro)
Chetsro
הַֽכַּרְמְלִ֔י
(hakarmeli)
de Karmeliet
נַעֲרַ֖י
(naaray)
Naarai
בֶּן
(ben)
zoon van
אֶזְבָּֽי
(ezbay)
Ezbai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Chetsro de Karmeliet staat in 2 Sam. 23:35 als ‘Chesrai de Karmeliet’.

Naarai, de zoon van Ezbai, staat op de plaats van ‘Paärai de Arbiet’.

38Joël, de broer van Natan, Mibchar, de zoon van Hagri,
יוֹאֵל֙
(yoel)
Joël
אֲחִ֣י
(achi)
broer van
נָתָ֔ן
(natan)
Natan
מִבְחָ֖ר
(mivchar)
Mibchar
בֶּן
(ben)
zoon van
הַגְרִֽי
(hagri)
Hagri
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Joël, de broer van Natan, en Mibchar, de zoon van Hagri, staan op de plaats van ‘Jigal, de zoon van Natan’ en ‘Bani de Gadiet’ in 2 Sam. 23:36.

Of het om dezelfde mannen gaat, is niet zeker.

39Zelek de Ammoniet, Nacharai uit Beërot, de wapendrager van Joab, de zoon van Zeruja,
צֶ֖לֶק
(tseleq)
Zelek
הָעַמּוֹנִ֑י
(haamoni)
de Ammoniet
נַחְרַי֙
(nachray)
Nacharai
הַבֵּ֣רֹתִ֔י
(haberoti)
de Beërotiet
נֹשֵׂ֕א
(nose)
drager van
כְּלֵ֖י
(kelei)
de wapens van
יוֹאָ֥ב
(yoav)
Joab
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרוּיָֽה
(tseruya)
Zeruja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Beërot lag in Benjamin; de ligging is onzeker (misschien el-Bireh, Westelijke Jordaanoever).

Uitleg

Zelek de Ammoniet en Nacharai staan ook in 2 Sam. 23:37.

Joab, de zoon van Zeruja, was de legeraanvoerder van David.

40Ira de Jitriet, Gareb de Jitriet,
עִירָא֙
(ira)
Ira
הַיִּתְרִ֔י
(hayitri)
de Jitriet
גָּרֵ֖ב
(garev)
Gareb
הַיִּתְרִֽי
(hayitri)
de Jitriet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Nog meer helden

41Uria de Hethiet, Zabad, de zoon van Achlai,
אֽוּרִיָּה֙
(uriya)
Uria
הַחִתִּ֔י
(hachiti)
de Hethiet
זָבָ֖ד
(zavad)
Zabad
בֶּן
(ben)
zoon van
אַחְלָֽי
(achlay)
Achlai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Met Uria de Hethiet eindigt de lijst van 2 Sam. 23:39.

Daar staat: ‘In totaal waren het er 37.’

Kronieken heeft daarna nog meer namen (vers 41–47), die niet in Samuël staan.

42Adina, de zoon van Sjiza, de Rubeniet, hoofd van de Rubenieten, en dertig bij hem,
עֲדִינָ֨א
(adina)
Adina
בֶן
(ben)
zoon van
שִׁיזָ֜א
(shiza)
Sjiza
הָרֽאוּבֵנִ֗י
(haruveni)
de Rubeniet
רֹ֛אשׁ
(rosh)
hoofd van
לָרֽאוּבֵנִ֖י
(laruveni)
de Rubenieten
וְעָלָ֥יו
(vealav)
en over hem
שְׁלוֹשִֽׁים
(sheloshim)
dertig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

וְעָלָיו שְׁלוֹשִׁים (ve’alaw sheloshim), letterlijk ‘en over hem dertig’.

Wij vertalen ‘en dertig bij hem’.

De betekenis is niet zeker: het kan gaan om een groep van dertig mannen onder zijn bevel.

43Chanan, de zoon van Maächa, en Josafat de Mitniet,
חָנָן֙
(chanan)
Chanan
בֶּֽן
(ben)
zoon van
מַעֲכָ֔ה
(maakha)
Maächa
וְיוֹשָׁפָ֖ט
(veyoshafat)
en Josafat
הַמִּתְנִֽי
(hamitni)
de Mitniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44Uzzia de Asjterathiet, Sjama en Jeïël, de zonen van Chotam de Aroëriet,
עֻזִיָּ֖א
(uziya)
Uzzia
הָעֲשְׁתְּרָתִ֑י
(haashterati)
de Asjterathiet
שָׁמָע֙
(shama)
Sjama
וִֽיעִיאֵ֔ל
(viiel)
en Jeïël
בְּנֵ֖י
(benei)
zonen van
חוֹתָ֥ם
(chotam)
Chotam
הָעֲרֹעֵרִֽי
(haaroeri)
de Aroëriet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Asjterathiet komt waarschijnlijk uit Asjtarot in Basan (Joz. 12:4).

Dat is niet zeker.

Welk Aroër met ‘de Aroëriet’ bedoeld is, is ook niet zeker.

Zie ookJoz 12:4
45Jediaël, de zoon van Simri, en zijn broer Jocha de Titsiet,
יְדִֽיעֲאֵל֙
(yediael)
Jediaël
בֶּן
(ben)
zoon van
שִׁמְרִ֔י
(shimri)
Simri
וְיֹחָ֥א
(veyocha)
en Jocha
אָחִ֖יו
(achiv)
zijn broer
הַתִּיצִֽי
(hatitsi)
de Titsiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
46Eliël de Machawiet, Jeribai en Josjavia, de zonen van Elnaam, en Jitma de Moabiet,
אֱלִיאֵל֙
(eliel)
Eliël
הַֽמַּחֲוִ֔ים
(hamachavim)
de Machawiet
וִירִיבַ֥י
(virivay)
en Jeribai
וְיוֹשַׁוְיָ֖ה
(veyoshavya)
en Josjavia
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
אֶלְנָ֑עַם
(elnaam)
Elnaam
וְיִתְמָ֖ה
(veyitma)
en Jitma
הַמּוֹאָבִֽי
(hamoavi)
de Moabiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
47Eliël, Obed en Jaäsiël de Metsobaïet.
אֱלִיאֵ֣ל
(eliel)
Eliël
וְעוֹבֵ֔ד
(veoved)
en Obed
וְיַעֲשִׂיאֵ֖ל
(veyaasiel)
en Jaäsiël
הַמְּצֹבָיָֽה
(hametsovaya)
de Metsobaïet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמְּצֹבָיָה (hametsobaya): het is niet duidelijk of dit een plaatsnaam is of een afstammingsnaam.

Wij vertalen ‘de Metsobaïet’.