Elohim Bijbel

Psalmen 129

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Vaak benauwd, nooit overwonnen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Van jongs af belaagd, nooit overwonnen

1Een lied van de opgangen. Laat Israël nu zeggen: „Vaak hebben zij mij van jongs af aan benauwd.
שִׁ֗יר
(shir)
lied van
הַֽמַּ֫עֲל֥וֹת
(hamaalot)
de opgangen
רַ֭בַּת
(rabat)
vaak
צְרָר֣וּנִי
(tseraruni)
hebben zij mij benauwd
מִנְּעוּרַ֑י
(mineuray)
van mijn jeugd af
יֹֽאמַר
(yomar)
laat zeggen
נָ֝א
(na)
toch
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Van jongs af’ (מִנְּעוּרַי, minne’urai) is het volk Israël dat over zijn begintijd als volk spreekt.

Wij laten de aanhalingstekens lopen tot het einde van vers 4, want de zin ‘Yahweh is rechtvaardig’ hoort bij wat Israël zegt.

2Vaak hebben zij mij van jongs af aan benauwd, maar zij hebben mij niet overmeesterd.
רַ֭בַּת
(rabat)
vaak
צְרָר֣וּנִי
(tseraruni)
hebben zij mij benauwd
מִנְּעוּרָ֑י
(mineuray)
van mijn jeugd af
גַּ֝ם
(gam)
toch
לֹא
(lo)
niet
יָ֥כְלוּ
(yakhelu)
hebben zij overmeesterd
לִֽי
(li)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Ploegers hebben op mijn rug geploegd. Zij hebben hun voren lang getrokken.
עַל
(al)
over
גַּ֭בִּי
(gabi)
mijn rug
חָרְשׁ֣וּ
(chareshu)
hebben geploegd
חֹרְשִׁ֑ים
(choreshim)
ploegers
הֶ֝אֱרִ֗יכוּ
(heerikhu)
hebben lang gemaakt
לְמַעֲנִיתָֽם
(lemaanitam)
hun voren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De ploegers die op de rug ploegen: het beeld van striemen van de zweep.

De ‘voren’ (מַעֲנִיָּה, ma’anyah) zijn de lange sporen van de ploeg.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is למענותם (lema’anotam).

De te lezen vorm (qere) is למעניתם (lema’anitam), ‘hun voren’.

Wij volgen de qere.

4Yahweh is rechtvaardig. Hij heeft de touwen van de goddelozen doorgesneden.”
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צַדִּ֑יק
(tsadiq)
rechtvaardig
קִ֝צֵּ֗ץ
(qitsets)
heeft doorgesneden
עֲב֣וֹת
(avot)
touwen van
רְשָׁעִֽים
(reshaim)
goddelozen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲבוֹת (avot), ‘touwen’: waarmee de goddelozen de ploegdieren (Israël) vastbinden.

Yahweh snijdt die door.

Wie Sion haten, verdorren

5Laten zij beschaamd worden en achteruit wijken, allen die Sion haten.
יֵ֭בֹשׁוּ
(yevoshu)
laten beschaamd worden
וְיִסֹּ֣גוּ
(veyisogu)
en laten terugwijken
אָח֑וֹר
(achor)
achteruit
כֹּ֝֗ל
(kol)
alle
שֹׂנְאֵ֥י
(soneei)
haters van
צִיּֽוֹן
(tsiyon)
Sion
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

6Laten zij zijn als gras op de daken, dat verdort voordat het opschiet.
יִ֭הְיוּ
(yihyu)
laten zijn
כַּחֲצִ֣יר
(kachatsir)
als gras van
גַּגּ֑וֹת
(gagot)
daken
שֶׁקַּדְמַ֖ת
(sheqadmat)
dat voordat
שָׁלַ֣ף
(shalaf)
het opschiet
יָבֵֽשׁ
(yavesh)
verdort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁלַף (shalaf) betekent ‘uittrekken’ en ook ‘opschieten’ (zoals een spruit).

Gras op een dak heeft geen diepe wortel en verdort snel.

Wij vertalen ‘opschieten’; een andere mogelijkheid is ‘voordat men het uittrekt’.

7Daarmee vult de maaier zijn hand niet, en wie schoven bindt zijn armvol niet.
שֶׁלֹּ֤א
(shelo)
waarmee niet
מִלֵּ֖א
(mile)
vult
כַפּ֥וֹ
(kapo)
zijn hand
קוֹצֵ֗ר
(qotser)
maaier
וְחִצְנ֥וֹ
(vechitsno)
en zijn armvol
מְעַמֵּֽר
(meamer)
binder van schoven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8En de voorbijgangers zeggen niet: „De zegen van Yahweh zij met jullie. Wij zegenen jullie in de naam van Yahweh.”
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
אָֽמְר֨וּ
(ameru)
zeggen
הָעֹבְרִ֗ים
(haoverim)
de voorbijgangers
בִּרְכַּֽת
(birkat)
zegen van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲלֵיכֶ֑ם
(aleikhem)
over jullie
בֵּרַ֥כְנוּ
(berakhnu)
wij zegenen
אֶ֝תְכֶ֗ם
(etkhem)
jullie
בְּשֵׁ֣ם
(beshem)
in de naam van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Bij de oogst groette men elkaar met een zegen (vergelijk Ruth 2:4).

Dit gras krijgt zo’n groet niet.