Elohim Bijbel

1 Samuël 5

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

De ark van Elohim in het land van de Filistijnen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De ark in het huis van Dagon

1De Filistijnen hadden de ark van Elohim genomen. Zij brachten haar van Ebenezer naar Asdod.
וּפְלִשְׁתִּים֙
(ufelishtim)
en de Filistijnen
לָֽקְח֔וּ
(laqechu)
hadden genomen
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
de Elohim
וַיְבִאֻ֛הוּ
(vayviuhu)
en zij brachten haar
מֵאֶ֥בֶן
(meeven)
van Eben
הָעֵ֖זֶר
(haezer)
Ezer
אַשְׁדּֽוֹדָה
(ashdoda)
naar Asdod
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Asdod ligt bij Tel Asdod, aan de kust van Israël.

Ebenezer ligt waarschijnlijk dicht bij Afek (1 Sam. 4:1), maar de ligging is onzeker.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

אֶבֶן הָעֵזֶר (even ha-ezer), ‘steen van de hulp’.

De naam komt ook voor in 1 Sam. 7:12.

2De Filistijnen namen de ark van Elohim en brachten haar naar het huis van Dagon. Zij zetten haar naast Dagon.
וַיִּקְח֤וּ
(vayiqchu)
en namen
פְלִשְׁתִּים֙
(pelishtim)
de Filistijnen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
וַיָּבִ֥יאוּ
(vayaviu)
en zij brachten
אֹת֖וֹ
(oto)
haar
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
דָּג֑וֹן
(dagon)
Dagon
וַיַּצִּ֥יגוּ
(vayatsigu)
en zij zetten
אֹת֖וֹ
(oto)
haar
אֵ֥צֶל
(etsel)
naast
דָּגֽוֹן
(dagon)
Dagon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

דָּגוֹן (Dagon) is een god van de Filistijnen.

De betekenis van de naam is onzeker.

Hij wordt wel verbonden met het woord voor ‘graan’ en met het woord voor ‘vis’.

3De Asdodieten stonden de volgende dag vroeg op. Zie, Dagon lag voorover op de grond, voor de ark van Yahweh. Zij namen Dagon en zetten hem terug op zijn plaats.
וַיַּשְׁכִּ֤מוּ
(vayashkimu)
en stonden vroeg op
אַשְׁדּוֹדִים֙
(ashdodim)
de Asdodieten
מִֽמָּחֳרָ֔ת
(mimachorat)
de volgende dag
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
דָג֗וֹן
(dagon)
Dagon
נֹפֵ֤ל
(nofel)
gevallen
לְפָנָיו֙
(lefanav)
op zijn gezicht
אַ֔רְצָה
(artsa)
naar de grond
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּקְחוּ֙
(vayiqchu)
en zij namen
אֶת
(et)
(obj.)
דָּג֔וֹן
(dagon)
Dagon
וַיָּשִׁ֥בוּ
(vayashivu)
en zetten terug
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
לִמְקוֹמֽוֹ
(limqomo)
op zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Zij stonden de volgende ochtend vroeg op. Zie, Dagon lag voorover op de grond, voor de ark van Yahweh. Het hoofd van Dagon en de twee handpalmen van zijn handen lagen afgehouwen op de drempel. Alleen Dagon bleef van hem over.
וַיַּשְׁכִּ֣מוּ
(vayashkimu)
en zij stonden vroeg op
בַבֹּקֶר֮
(baboqer)
in de ochtend
מִֽמָּחֳרָת֒
(mimachorat)
de volgende dag
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
דָג֗וֹן
(dagon)
Dagon
נֹפֵ֤ל
(nofel)
gevallen
לְפָנָיו֙
(lefanav)
op zijn gezicht
אַ֔רְצָה
(artsa)
naar de grond
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְרֹ֨אשׁ
(verosh)
en het hoofd van
דָּג֜וֹן
(dagon)
Dagon
וּשְׁתֵּ֣י
(ushtei)
en de twee
כַּפּ֣וֹת
(kapot)
handpalmen van
יָדָ֗יו
(yadav)
zijn handen
כְּרֻתוֹת֙
(kerutot)
afgehouwen
אֶל
(el)
op
הַמִּפְתָּ֔ן
(hamiftan)
de drempel
רַ֥ק
(raq)
alleen
דָּג֖וֹן
(dagon)
Dagon
נִשְׁאַ֥ר
(nishar)
bleef over
עָלָֽיו
(alav)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִפְתָּן (miftan), ‘drempel’.

Lezing

Letterlijk staat er: ‘alleen Dagon bleef op hem over’.

Waarschijnlijk is bedoeld: alleen het deel van het beeld dat niet was afgehouwen, de romp.

Dat is niet zeker.

Wij blijven bij de letterlijke tekst.

5Daarom treden de priesters van Dagon en iedereen die het huis van Dagon binnengaat, niet op de drempel van Dagon in Asdod. Dat is zo tot op deze dag.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֡ן
(ken)
(zo)
לֹֽא
(lo)
niet
יִדְרְכוּ֩
(yidrekhu)
treden
כֹהֲנֵ֨י
(kohanei)
de priesters van
דָג֜וֹן
(dagon)
Dagon
וְכָֽל
(vekhal)
en allen
הַבָּאִ֧ים
(habaim)
die binnengaan in
בֵּית
(beit)
het huis van
דָּג֛וֹן
(dagon)
Dagon
עַל
(al)
op
מִפְתַּ֥ן
(miftan)
de drempel van
דָּג֖וֹן
(dagon)
Dagon
בְּאַשְׁדּ֑וֹד
(beashdod)
in Asdod
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo.

Uitleg

עַד הַיּוֹם הַזֶּה (ad hayom hazzeh), ‘tot op deze dag’: de schrijver vertelt dat de gewoonte er in zijn tijd nog was.

De hand van Yahweh in Asdod

6De hand van Yahweh werd zwaar over de Asdodieten. Hij verwoestte hen en sloeg hen met gezwellen, Asdod en haar gebied.
וַתִּכְבַּ֧ד
(vatikhbad)
en werd zwaar
יַד
(yad)
de hand van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
over
הָאַשְׁדּוֹדִ֖ים
(haashdodim)
de Asdodieten
וַיְשִׁמֵּ֑ם
(vayshimem)
en Hij verwoestte hen
וַיַּ֤ךְ
(vayakh)
en Hij sloeg
אֹתָם֙
(otam)
hen
בַּטְּחֹרִ֔ים
(batechorim)
met gezwellen
אֶת
(et)
(obj.)
אַשְׁדּ֖וֹד
(ashdod)
Asdod
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גְּבוּלֶֽיהָ
(gevuleiha)
haar gebied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo.

Uitleg

וַתִּכְבַּד (vattikbad), ‘werd zwaar’: hetzelfde werkwoord als in Exod. 7:14 (‘het hart van de farao is zwaar’).

Het wordt ook gebruikt voor de hand van Elohim in 5:11.

וַיְשִׁמֵּם (vayeshimmem), ‘Hij verwoestte hen’: Hij maakte hen ontzet en ten einde raad.

Lezing

In de tekst (ketiv) staat עפלים (ofalim); de lezing (qere) is טחרים (techorim).

Wij volgen de lezing en vertalen ‘gezwellen’, zoals in Deut. 28:27.

Dit geldt ook voor 5:9 en 5:12.

7De mannen van Asdod zagen dat het zo ging. Zij zeiden: „De ark van de Elohim van Israël mag niet bij ons blijven. Want Zijn hand is hard over ons en over Dagon, onze god.”
וַיִּרְא֥וּ
(vayiru)
en zagen
אַנְשֵֽׁי
(anshei)
de mannen van
אַשְׁדּ֖וֹד
(ashdod)
Asdod
כִּֽי
(ki)
dat
כֵ֑ן
(ken)
zo
וְאָמְר֗וּ
(veameru)
en zij zeiden
לֹֽא
(lo)
niet
יֵשֵׁ֞ב
(yeshev)
zal blijven
אֲר֨וֹן
(aron)
de ark van
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
עִמָּ֔נוּ
(imanu)
bij ons
כִּֽי
(ki)
want
קָשְׁתָ֤ה
(qasheta)
is hard geworden
יָדוֹ֙
(yado)
Zijn hand
עָלֵ֔ינוּ
(aleinu)
over ons
וְעַ֖ל
(veal)
en over
דָּג֥וֹן
(dagon)
Dagon
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze god
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo.

De ark wordt van stad tot stad gebracht

8Zij stuurden bericht en verzamelden alle vorsten van de Filistijnen bij zich. Zij zeiden: „Wat moeten wij doen met de ark van de Elohim van Israël?” Zij zeiden: „Laat de ark van de Elohim van Israël naar Gat rondgebracht worden.” Toen brachten zij de ark van de Elohim van Israël rond.
וַיִּשְׁלְח֡וּ
(vayishlechu)
en zij stuurden
וַיַּאַסְפוּ֩
(vayaasfu)
en verzamelden
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
סַרְנֵ֨י
(sarnei)
vorsten van
פְלִשְׁתִּ֜ים
(pelishtim)
de Filistijnen
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
naar zich
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zij zeiden
מַֽה
(ma)
wat
נַּעֲשֶׂ֗ה
(naase)
zullen wij doen
לַֽאֲרוֹן֙
(laaron)
met de ark van
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zij zeiden
גַּ֣ת
(gat)
naar Gat
יִסֹּ֔ב
(yisov)
laat rondgebracht worden
אֲר֖וֹן
(aron)
de ark van
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיַּסֵּ֕בּוּ
(vayasebu)
en zij brachten rond
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֖וֹן
(aron)
de ark van
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gat ligt waarschijnlijk bij Tel es-Safi, in Israël.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

סַרְנֵי פְלִשְׁתִּים (sarnei Peleshtim), ‘vorsten van de Filistijnen’: de vijf vorsten van de steden Asdod, Gaza, Askelon, Gat en Ekron (Joz. 13:3).

יָסֹב (yasov), ‘laat rondgebracht worden’: het werkwoord סָבַב (savav) betekent ‘rondgaan’ of ‘laten rondgaan’. De ark gaat van stad tot stad.

9Nadat zij de ark hadden rondgebracht, was de hand van Yahweh tegen de stad. Er ontstond een zeer grote verwarring. Hij sloeg de mannen van de stad, van klein tot groot. Bij hen braken gezwellen uit.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het gebeurde
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
nadat
הֵסַ֣בּוּ
(hesabu)
zij hadden rondgebracht
אֹת֗וֹ
(oto)
haar
וַתְּהִ֨י
(vatehi)
en was
יַד
(yad)
de hand van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּעִיר֙
(bair)
tegen de stad
מְהוּמָה֙
(mehuma)
verwarring
גְּדוֹלָ֣ה
(gedola)
grote
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וַיַּךְ֙
(vayakh)
en Hij sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
de mannen van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
מִקָּטֹ֖ן
(miqaton)
van klein
וְעַד
(vead)
tot
גָּד֑וֹל
(gadol)
groot
וַיִּשָּׂתְר֥וּ
(vayisateru)
en braken uit
לָהֶ֖ם
(lahem)
bij hen
טְחֹרִֽים
(techorim)
gezwellen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּשָּׂתְרוּ (vayyissateru), ‘braken uit’: de betekenis van dit werkwoord is niet helemaal zeker.

Ekron roept om hulp

10Zij stuurden de ark van Elohim naar Ekron. Toen de ark van Elohim in Ekron kwam, riepen de Ekronieten om hulp. Zij zeiden: „Zij hebben de ark van de Elohim van Israël naar mij toe gebracht, om mij en mijn volk te doden!”
וַֽיְשַׁלְּח֛וּ
(vayshalechu)
en zij stuurden
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֥וֹן
(aron)
de ark van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
de Elohim
עֶקְר֑וֹן
(eqron)
naar Ekron
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het gebeurde
כְּב֨וֹא
(kevo)
toen kwam
אֲר֤וֹן
(aron)
de ark van
הָאֱלֹהִים֙
(haElohim)
de Elohim
עֶקְר֔וֹן
(eqron)
in Ekron
וַיִּזְעֲק֨וּ
(vayizaqu)
en riepen om hulp
הָֽעֶקְרֹנִ֜ים
(haeqronim)
de Ekronieten
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
הֵסַ֤בּוּ
(hesabu)
zij hebben rondgebracht
אֵלַי֙
(elay)
naar mij
אֶת
(et)
(obj.)
אֲרוֹן֙
(aron)
de ark van
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לַהֲמִיתֵ֖נִי
(lahamiteni)
om mij te doden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַמִּֽי
(ami)
mijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ekron ligt waarschijnlijk bij Tel Miqne, in Israël.

11Zij stuurden bericht en verzamelden alle vorsten van de Filistijnen. Zij zeiden: „Stuur de ark van de Elohim van Israël weg. Laat hem terugkeren naar zijn plaats. Dan zal hij mij en mijn volk niet doden.” Want in heel de stad was een dodelijke verwarring. De hand van Elohim was daar zeer zwaar.
וַיִּשְׁלְח֨וּ
(vayishlechu)
en zij stuurden
וַיַּאַסְפ֜וּ
(vayaasfu)
en verzamelden
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
סַרְנֵ֣י
(sarnei)
vorsten van
פְלִשְׁתִּ֗ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zij zeiden
שַׁלְּח֞וּ
(shalechu)
stuur weg
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֨וֹן
(aron)
de ark van
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וְיָשֹׁ֣ב
(veyashov)
en laat terugkeren
לִמְקֹמ֔וֹ
(limqomo)
naar zijn plaats
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָמִ֥ית
(yamit)
zal doden
אֹתִ֖י
(oti)
mij
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַמִּ֑י
(ami)
mijn volk
כִּֽי
(ki)
want
הָיְתָ֤ה
(hayeta)
was
מְהֽוּמַת
(mehumat)
verwarring van
מָ֨וֶת֙
(mavet)
dood
בְּכָל
(bekhal)
in heel
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
כָּבְדָ֥ה
(kaveda)
zwaar was
מְאֹ֛ד
(meod)
zeer
יַ֥ד
(yad)
de hand van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
de Elohim
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

מְהוּמַת מָוֶת (mehumat mavet), ‘verwarring van dood’: een angst en een slag waaraan mensen sterven.

Vergelijk Joz. 10:10, waar Yahweh de vijand ‘in verwarring bracht’.

12De mannen die niet stierven, werden met gezwellen geslagen. De noodkreet van de stad steeg op naar de hemel.
וְהָֽאֲנָשִׁים֙
(vehaanashim)
en de mannen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
מֵ֔תוּ
(metu)
stierven
הֻכּ֖וּ
(huku)
werden geslagen
בַּטְּחֹרִ֑ים
(batechorim)
met gezwellen
וַתַּ֛עַל
(vataal)
en steeg op
שַֽׁוְעַ֥ת
(shavat)
de noodkreet van
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
naar de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)