Elohim Bijbel

Maleachi 3

123

De bode van het verbond, de tienden en de dag die komt

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De bode van het verbond

1„Zie, Ik zend Mijn bode, en hij zal de weg voor Mij banen. Plotseling zal naar Zijn tempel komen de Heer die jullie zoeken, en de bode van het verbond die jullie begeren. Zie, hij komt, zegt Yahweh van de legermachten.”
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie Mij
שֹׁלֵחַ֙
(sholeach)
zend Ik
מַלְאָכִ֔י
(malakhi)
Mijn bode
וּפִנָּה
(ufina)
en hij zal banen
דֶ֖רֶךְ
(derekh)
een weg
לְפָנָ֑י
(lefanay)
voor Mij
וּפִתְאֹם֩
(ufitom)
en plotseling
יָב֨וֹא
(yavo)
zal komen
אֶל
(el)
naar
הֵיכָל֜וֹ
(heikhalo)
Zijn tempel
הָאָד֣וֹן
(haadon)
de Heer
אֲשֶׁר
(asher)
die
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
מְבַקְשִׁ֗ים
(mevaqshim)
zoeken
וּמַלְאַ֨ךְ
(umalakh)
en de bode van
הַבְּרִ֜ית
(haberit)
het verbond
אֲשֶׁר
(asher)
die
אַתֶּ֤ם
(atem)
jullie
חֲפֵצִים֙
(chafetsim)
begeren
הִנֵּה
(hine)
zie
בָ֔א
(ba)
hij komt
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַלְאָכִי (mal’akhi), ‘Mijn bode’: hetzelfde woord als de naam ‘Maleachi’ in 1:1.

Of de profeet hier bedoeld wordt, laat de tekst open.

Vergelijk Jes. 40:3, waar de weg van Yahweh gebaand wordt.

Zie ook Matt. 11:10, Mark. 1:2 en Luc. 7:27.

הָאָדוֹן (ha’adon), ‘de Heer’: met het lidwoord, een titel voor Yahweh (zie Jes. 1:24 en 3:1). Het Hebreeuws zegt niet of ‘de Heer’ en ‘de bode van het verbond’ dezelfde zijn of twee verschillende. Wij laten het open. Daarom schrijven wij ‘Zijn tempel’ met een hoofdletter (de tempel van de Heer), maar ‘hij’ bij de bode met een kleine letter.

הֵיכָל (heikhal), ‘tempel’: zoals in Hag. 2:15.

מַלְאַךְ הַבְּרִית (mal’akh habberit), ‘de bode van het verbond’: een bode die het verbond bewaakt of vernieuwt. Vergelijk Mal. 2:4–8.

2Wie kan de dag van zijn komst verdragen? Wie kan blijven staan wanneer hij verschijnt? Want hij is als het vuur van een smelter en als de zeep van wassers.
וּמִ֤י
(umi)
en wie
מְכַלְכֵּל֙
(mekhalkel)
kan verdragen
אֶת
(et)
(obj.)
י֣וֹם
(yom)
de dag van
בּוֹא֔וֹ
(boo)
zijn komst
וּמִ֥י
(umi)
en wie
הָעֹמֵ֖ד
(haomed)
kan blijven staan
בְּהֵרָֽאוֹת֑וֹ
(beheraoto)
wanneer hij verschijnt
כִּֽי
(ki)
want
הוּא֙
(hu)
hij
כְּאֵ֣שׁ
(keesh)
is als het vuur van
מְצָרֵ֔ף
(metsaref)
een smelter
וּכְבֹרִ֖ית
(ukhevorit)
en als de zeep van
מְכַבְּסִֽים
(mekhabesim)
wassers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֹּרִית (borit), ‘zeep’: een schoonmaakmiddel, zoals in Jer. 2:22.

Het beeld van de smelter en de wasser: vuur en zeep die reinigen, maar ook pijn doen.

Vanaf dit vers tot en met vers 4 spreekt de profeet over de bode en de Heer (derde persoon). Het staat daarom zwart.

3Hij zal zitten als smelter en reiniger van zilver. Hij zal de zonen van Levi reinigen en hen zuiveren als goud en als zilver. Zij zullen voor Yahweh mensen zijn die een graanoffer aanbieden in gerechtigheid.
וְיָשַׁ֨ב
(veyashav)
en hij zal zitten
מְצָרֵ֤ף
(metsaref)
als smelter
וּמְטַהֵר֙
(umetaher)
en reiniger van
כֶּ֔סֶף
(kesef)
zilver
וְטִהַ֤ר
(vetihar)
en hij zal reinigen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
לֵוִי֙
(levi)
Levi
וְזִקַּ֣ק
(veziqaq)
en hij zal zuiveren
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
כַּזָּהָ֖ב
(kazahav)
als goud
וְכַכָּ֑סֶף
(vekhakasef)
en als zilver
וְהָיוּ֙
(vehayu)
en zij zullen zijn
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
מַגִּישֵׁ֥י
(magishei)
die aanbieden
מִנְחָ֖ה
(mincha)
een graanoffer
בִּצְדָקָֽה
(bitsdaqa)
in gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְצָרֵף (metsaref), ‘smelter’: iemand die metaal zuivert door het te smelten.

Zie ook Jes. 1:25.

בְּנֵי לֵוִי (benei Levi), ‘de zonen van Levi’: de priesters en Levieten. Zij worden gezuiverd, zodat hun offers weer aanvaard worden (vergelijk 1:10–11).

בִּצְדָקָה (bitsdaqah), ‘in gerechtigheid’: tsedaqah is ‘gerechtigheid’.

4Dan zal het graanoffer van Juda en Jeruzalem Yahweh aangenaam zijn, zoals in de dagen van lang geleden en zoals in de jaren van vroeger.
וְעָֽרְבָה֙
(veareva)
en zal aangenaam zijn
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
aan Yahweh
מִנְחַ֥ת
(minchat)
het graanoffer van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וִירֽוּשָׁלִָ֑ם
(virushaliam)
en Jeruzalem
כִּימֵ֣י
(kimei)
zoals de dagen van
עוֹלָ֔ם
(olam)
lang geleden
וּכְשָׁנִ֖ים
(ukheshanim)
en zoals jaren
קַדְמֹנִיּֽוֹת
(qadmoniyot)
van vroeger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

כִּימֵי עוֹלָם (kimei olam), ‘zoals in de dagen van lang geleden’: het woord עוֹלָם (olam) betekent hier niet ‘eeuwig’ maar ‘lang geleden, oudtijds’.

Zo staat het ook in Micha 7:14.

Ik kom naar jullie toe voor het recht

5„Ik zal naar jullie toe komen voor het recht. Ik zal een snelle getuige zijn tegen de tovenaars, tegen de overspelers, tegen wie vals zweren, tegen wie de huurling zijn loon onthouden, tegen wie weduwe en wees onderdrukken, tegen wie de vreemdeling opzij duwen en tegen wie Mij niet vrezen, zegt Yahweh van de legermachten.
וְקָרַבְתִּ֣י
(veqaravti)
en Ik zal naderen
אֲלֵיכֶם֮
(aleikhem)
tot jullie
לַמִּשְׁפָּט֒
(lamishpat)
voor het recht
וְהָיִ֣יתִי
(vehayiti)
en Ik zal zijn
עֵ֣ד
(ed)
een getuige
מְמַהֵ֗ר
(memaher)
snel
בַּֽמְכַשְּׁפִים֙
(bamkhashefim)
tegen de tovenaars
וּבַמְנָ֣אֲפִ֔ים
(uvamnaafim)
en tegen de overspelers
וּבַנִּשְׁבָּעִ֖ים
(uvanishbaim)
en tegen wie zweren
לַשָּׁ֑קֶר
(lashaqer)
vals
וּבְעֹשְׁקֵ֣י
(uveosheqei)
en tegen wie onderdrukken
שְׂכַר
(sekhar)
het loon van
שָׂ֠כִיר
(sakhir)
de huurling
אַלְמָנָ֨ה
(almana)
de weduwe
וְיָת֤וֹם
(veyatom)
en de wees
וּמַטֵּי
(umatei)
en tegen wie opzij duwen
גֵר֙
(ger)
de vreemdeling
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יְרֵא֔וּנִי
(yereuni)
vrezen Mij
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: hier de rechtspraak.

Yahweh komt als rechter en als getuige.

מְכַשְּׁפִים (mekhashefim), ‘tovenaars’: zie Deut. 18:10–12. De zonden die volgen zijn tegen God (tovenarij, valse eed), tegen de naaste (overspel) en tegen de zwakken (loon, weduwe, wees, vreemdeling).

מַטֵּי גֵר (mattei ger), ‘die de vreemdeling opzij duwen’: letterlijk ‘die de vreemdeling buigen’. Vergelijk Deut. 24:17, ‘het recht van een vreemdeling verdraaien’.

Vanaf hier spreekt Yahweh weer zelf; de woorden staan rood.

6Want Ik, Yahweh, ben niet veranderd, en jullie, zonen van Jakob, zijn niet vernietigd.
כִּ֛י
(ki)
want
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁנִ֑יתִי
(shaniti)
ben veranderd
וְאַתֶּ֥ם
(veatem)
en jullie
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
לֹ֥א
(lo)
niet
כְלִיתֶֽם
(kelitem)
zijn vernietigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹא שָׁנִיתִי (lo shaniti), ‘Ik ben niet veranderd’: dat Yahweh niet verandert, is de reden dat het volk niet is vernietigd (zo verbinden wij de twee helften).

Vergelijk Num. 23:19.

כְלִיתֶם (khelitem), ‘jullie zijn vernietigd’: ‘zonen van Jakob’ verwijst terug naar 1:2.

Keer terug naar Mij

7Vanaf de dagen van jullie vaders zijn jullie van Mijn voorschriften afgeweken en hebben jullie ze niet bewaard. Keer terug naar Mij, en Ik zal naar jullie terugkeren, zegt Yahweh van de legermachten. En jullie zeggen: ‘Waarin zullen wij terugkeren?’
לְמִימֵ֨י
(lemimei)
vanaf de dagen van
אֲבֹתֵיכֶ֜ם
(avoteikhem)
jullie vaders
סַרְתֶּ֤ם
(sartem)
zijn jullie afgeweken
מֵֽחֻקַּי֙
(mechuqay)
van Mijn voorschriften
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
שְׁמַרְתֶּ֔ם
(shemartem)
hebben jullie bewaard
שׁ֤וּבוּ
(shuvu)
keer terug
אֵלַי֙
(elay)
naar Mij
וְאָשׁ֣וּבָה
(veashuva)
en Ik zal terugkeren
אֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
naar jullie
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וַאֲמַרְתֶּ֖ם
(vaamartem)
en jullie zeggen
בַּמֶּ֥ה
(bame)
waarin
נָשֽׁוּב
(nashuv)
zullen wij terugkeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוּבוּ אֵלַי וְאָשׁוּבָה אֲלֵיכֶם (shuvu elai ve’ashuvah alekhem), ‘keer terug naar Mij, en Ik zal naar jullie terugkeren’: dezelfde woorden als in Zach. 1:3.

Het werkwoord שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’, is het kernwoord.

בַּמֶּה (bammeh), ‘waarin?’: het refrein; zie de uitleg bij 1:2.

Berooft een mens Elohim?

8Berooft een mens Elohim? Want jullie beroven Mij. En jullie zeggen: ‘Waarin hebben wij U beroofd?’ In de tiende en de heffing.
הֲיִקְבַּ֨ע
(hayiqba)
berooft
אָדָ֜ם
(adam)
een mens
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
כִּ֤י
(ki)
want
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
קֹבְעִ֣ים
(qoveim)
beroven
אֹתִ֔י
(oti)
Mij
וַאֲמַרְתֶּ֖ם
(vaamartem)
en jullie zeggen
בַּמֶּ֣ה
(bame)
waarin
קְבַעֲנ֑וּךָ
(qevaanukha)
hebben wij U beroofd
הַֽמַּעֲשֵׂ֖ר
(hamaaser)
de tiende
וְהַתְּרוּמָֽה
(vehateruma)
en de heffing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָבַע (qava), ‘beroven’: een zeldzaam werkwoord; het staat ook in Spr. 22:23 (‘berooft’).

De betekenis is niet helemaal zeker; ‘beroven’ past bij de tekst.

מַעֲשֵׂר (ma’aser), ‘de tiende’, en תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’: de tiende van de opbrengst, bestemd voor de Levieten (Lev. 27:30–32; Num. 18:21–28; Deut. 14:22–29). Zie ook Neh. 10:38–39 (NL 10:37–38) en 13:10–12.

9Met de vloek zijn jullie vervloekt, en Mij beroven jullie, heel de natie.
בַּמְּאֵרָה֙
(bameera)
met de vloek
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
נֵֽאָרִ֔ים
(nearim)
zijn vervloekt
וְאֹתִ֖י
(veoti)
en Mij
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
קֹבְעִ֑ים
(qoveim)
beroven
הַגּ֖וֹי
(hagoy)
de natie
כֻּלּֽוֹ
(kulo)
heel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַגּוֹי כֻּלּוֹ (haggoy kullo), ‘heel de natie’: het hele volk, niet alleen de priesters.

10Breng heel de tiende naar het schathuis, zodat er voedsel is in Mijn huis. Beproef Mij daarmee toch, zegt Yahweh van de legermachten. Zal Ik dan niet de sluizen van de hemel voor jullie openen en zegen over jullie uitgieten, tot het meer dan genoeg is?
הָבִ֨יאוּ
(haviu)
breng
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הַֽמַּעֲשֵׂ֜ר
(hamaaser)
de tiende
אֶל
(el)
naar
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הָאוֹצָ֗ר
(haotsar)
het schathuis
וִיהִ֥י
(vihi)
zodat er is
טֶ֨רֶף֙
(teref)
voedsel
בְּבֵיתִ֔י
(beveiti)
in Mijn huis
וּבְחָנ֤וּנִי
(uvechanuni)
en beproef Mij
נָא֙
(na)
toch
בָּזֹ֔את
(bazot)
hiermee
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אִם
(im)
of
לֹ֧א
(lo)
niet
אֶפְתַּ֣ח
(eftach)
Ik zal openen
לָכֶ֗ם
(lakhem)
voor jullie
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
אֲרֻבּ֣וֹת
(arubot)
de sluizen van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וַהֲרִיקֹתִ֥י
(vahariqoti)
en Ik zal uitgieten
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
בְּרָכָ֖ה
(berakha)
zegen
עַד
(ad)
tot
בְּלִי
(beli)
zonder
דָֽי
(day)
genoeg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּית הָאוֹצָר (beit ha’otsar), ‘schathuis’: de voorraadkamers van de tempel (Neh. 10:39, NL 10:38; 13:12).

טֶרֶף (teref), ‘voedsel’: letterlijk ‘prooi’ of ‘wat gegrepen wordt’. Hier is het voedsel voor de priesters en Levieten.

אֲרֻבּוֹת הַשָּׁמַיִם (arubbot hashshamayim), ‘de sluizen van de hemel’: zoals in Gen. 7:11. De regen komt als zegen.

עַד בְּלִי דָי (ad beli dai), ‘tot het meer dan genoeg is’: letterlijk ‘tot zonder genoeg’. De uitdrukking is zeldzaam; men vertaalt ook ‘tot er geen ruimte meer is’.

אִם לֹא (im lo), ‘of niet’: een formule voor een nadrukkelijke vraag. Wij vertalen: ‘zal Ik dan niet … openen?’

11Ik zal voor jullie de verslinder bestraffen. Hij zal de vrucht van de grond niet voor jullie verderven. En de wijnstok in het veld zal voor jullie zijn vruchten niet verliezen, zegt Yahweh van de legermachten.
וְגָעַרְתִּ֤י
(vegaarti)
en Ik zal bestraffen
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
בָּֽאֹכֵ֔ל
(baokhel)
de verslinder
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יַשְׁחִ֥ת
(yashchit)
zal hij verderven
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
אֶת
(et)
(obj.)
פְּרִ֣י
(peri)
de vrucht van
הָאֲדָמָ֑ה
(haadama)
de grond
וְלֹא
(velo)
en niet
תְשַׁכֵּ֨ל
(teshakel)
zal verliezen
לָכֶ֤ם
(lakhem)
voor jullie
הַגֶּ֨פֶן֙
(hagefen)
de wijnstok
בַּשָּׂדֶ֔ה
(basade)
in het veld
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאֹכֵל (ha’okhel), ‘de verslinder’: letterlijk ‘de etende’.

Het is niet de sprinkhaan met een vaste naam (zoals in Joël 1:4), maar een plaag die oogst opeet.

תְשַׁכֵּל (teshakkel), ‘zal verliezen’: letterlijk ‘zal kinderloos zijn’. De wijnstok verliest zijn vrucht niet.

12Alle volken zullen jullie gelukkig prijzen, want jullie zullen een land van behagen zijn, zegt Yahweh van de legermachten.”
וְאִשְּׁר֥וּ
(veisheru)
en zullen gelukkig prijzen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
de volken
כִּֽי
(ki)
want
תִהְי֤וּ
(tihyu)
jullie zullen zijn
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
אֶ֣רֶץ
(erets)
een land van
חֵ֔פֶץ
(chefets)
behagen
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶרֶץ חֵפֶץ (erets chefets), ‘een land van behagen’: hetzelfde woord als in 1:10 (‘geen behagen in jullie’).

Wat Yahweh daar niet vond, vindt Hij dan wel.

אִשְּׁרוּ (ishsheru), ‘zij zullen gelukkig prijzen’: van אָשַׁר (ashar). Hetzelfde werkwoord staat in vers 15 (‘wij prijzen gelukkig’): de volken prijzen Israël zoals Israël nu de hoogmoedigen prijst.

Hier eindigt de rede die in vers 5 begon.

Jullie woorden zijn hard tegen Mij

13„Jullie woorden zijn hard tegen Mij geweest, zegt Yahweh. En jullie zeggen: ‘Wat hebben wij onder elkaar tegen U gezegd?’
חָזְק֥וּ
(chazequ)
zijn hard geweest
עָלַ֛י
(alay)
tegen Mij
דִּבְרֵיכֶ֖ם
(divreikhem)
jullie woorden
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַאֲמַרְתֶּ֕ם
(vaamartem)
en jullie zeggen
מַה
(ma)
wat
נִּדְבַּ֖רְנוּ
(nidbarnu)
hebben wij gesproken
עָלֶֽיךָ
(aleikha)
tegen U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָזְקוּ עָלַי דִּבְרֵיכֶם (chazeku alai divrekhem), ‘jullie woorden zijn hard tegen Mij geweest’: letterlijk ‘jullie woorden zijn sterk tegen Mij geweest’.

נִדְבַּרְנוּ (nidbarnu), ‘wij hebben onder elkaar gesproken’: een wederkerige vorm, zoals in vers 16.

14Jullie hebben gezegd: ‘Het is zinloos om Elohim te dienen. Wat is de winst dat wij Zijn opdracht hebben bewaard en in rouw hebben rondgelopen voor het aangezicht van Yahweh van de legermachten?
אֲמַרְתֶּ֕ם
(amartem)
jullie hebben gezegd
שָׁ֖וְא
(shave)
zinloos
עֲבֹ֣ד
(avod)
het dienen van
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
וּמַה
(uma)
en wat
בֶּ֗צַע
(betsa)
winst
כִּ֤י
(ki)
dat
שָׁמַ֨רְנוּ֙
(shamarnu)
wij hebben bewaard
מִשְׁמַרְתּ֔וֹ
(mishmarto)
Zijn opdracht
וְכִ֤י
(vekhi)
en dat
הָלַ֨כְנוּ֙
(halakhnu)
wij zijn gegaan
קְדֹ֣רַנִּ֔ית
(qedoranit)
in rouw
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁמַרְתּוֹ (mishmarto), ‘Zijn opdracht’: wat Hij te bewaren had gegeven; ook ‘wachtdienst’ of ‘voorschrift’.

קְדֹרַנִּית (qedorannit), ‘in rouw’: een zeldzaam woord dat verder niet voorkomt. Het hangt samen met een stam voor ‘donker’; men denkt aan rouwkleding of een sombere houding.

בֶּצַע (betsa), ‘winst’: wat het oplevert.

15En nu prijzen wij de hoogmoedigen gelukkig. Ook wie goddeloosheid doen, gedijen. Ook hebben zij Elohim beproefd, en zij zijn ontkomen.’”
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
אֲנַ֖חְנוּ
(anachnu)
wij
מְאַשְּׁרִ֣ים
(measherim)
prijzen gelukkig
זֵדִ֑ים
(zedim)
de hoogmoedigen
גַּם
(gam)
ook
נִבְנוּ֙
(nivnu)
zijn gebouwd
עֹשֵׂ֣י
(osei)
die doen
רִשְׁעָ֔ה
(risha)
goddeloosheid
גַּ֧ם
(gam)
ook
בָּחֲנ֛וּ
(bachanu)
hebben beproefd
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
וַיִּמָּלֵֽטוּ
(vayimaletu)
en zijn ontkomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִבְנוּ (nivnu), ‘gedijen’: letterlijk ‘zij zijn gebouwd’.

בָּחֲנוּ (bachanu), ‘zij hebben beproefd’: hetzelfde werkwoord als in vers 10. Mensen dagen Elohim uit, en zij komen er ongestraft van af.

Het gedenkboek

16Toen spraken zij die Yahweh vrezen met elkaar, ieder met zijn naaste. Yahweh lette op en hoorde het. Een gedenkboek werd voor Zijn aangezicht geschreven voor wie Yahweh vrezen en voor wie aan Zijn naam denken.
אָ֧ז
(az)
toen
נִדְבְּר֛וּ
(nidberu)
spraken met elkaar
יִרְאֵ֥י
(yirei)
zij die vrezen
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
met
רֵעֵ֑הוּ
(reehu)
zijn naaste
וַיַּקְשֵׁ֤ב
(vayaqshev)
en lette op
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּשְׁמָ֔ע
(vayishma)
en hoorde
וַ֠יִּכָּתֵב
(vayikatev)
en werd geschreven
סֵ֣פֶר
(sefer)
een boek van
זִכָּר֤וֹן
(zikaron)
gedachtenis
לְפָנָיו֙
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
לְיִרְאֵ֣י
(leyirei)
voor wie vrezen
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּלְחֹשְׁבֵ֖י
(ulechoshevei)
en voor wie denken aan
שְׁמֽוֹ
(shemo)
Zijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִדְבְּרוּ (nidberu), ‘zij spraken met elkaar’: dezelfde vorm als in vers 13.

Daar sprak men tegen Yahweh, hier spreken de God-vrezenden met elkaar.

סֵפֶר זִכָּרוֹן (sefer zikkaron), ‘een boek van gedachtenis’: een gedenkboek. Vergelijk Est. 6:1 en Exod. 32:32.

חֹשְׁבֵי שְׁמוֹ (choshevei shemo), ‘wie aan Zijn naam denken’: van חָשַׁב (chashav), ‘denken, achten’.

Vers 16 is verhalend en staat zwart: het is de profeet die vertelt. In vers 17 spreekt Yahweh weer zelf.

Zij zullen van Mij zijn

17„Zij zullen van Mij zijn, zegt Yahweh van de legermachten, op de dag die Ik maak, Mijn eigen bezit. Ik zal hen sparen, zoals een man zijn zoon spaart die hem dient.
וְהָ֣יוּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לִ֗י
(li)
voor Mij
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
לַיּ֕וֹם
(layom)
op de dag
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
עֹשֶׂ֣ה
(ose)
maak
סְגֻלָּ֑ה
(segula)
een eigen bezit
וְחָמַלְתִּ֣י
(vechamalti)
en Ik zal sparen
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
hen
כַּֽאֲשֶׁר֙
(kaasher)
zoals
יַחְמֹ֣ל
(yachmol)
spaart
אִ֔ישׁ
(ish)
een man
עַל
(al)
over
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
הָעֹבֵ֥ד
(haoved)
die dient
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סְגֻלָּה (segullah), ‘eigen bezit’: hetzelfde woord als in Exod. 19:5 en Deut. 7:6.

Het is een kostbaar bezit van een koning.

לַיּוֹם אֲשֶׁר אֲנִי עֹשֶׂה (layyom asher ani oseh), ‘op de dag die Ik maak’: letterlijk ‘voor de dag die Ik maak’. Het kan ook betekenen ‘op de dag dat Ik handel’ of ‘wanneer Ik hen tot eigen bezit maak’. Wij houden de letterlijke vorm. Dezelfde uitdrukking staat in vers 21.

חָמַל (chamal), ‘sparen’: medelijden hebben en niet straffen.

18Dan zullen jullie weer het verschil zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze, tussen wie Elohim dient en wie Hem niet dient.
וְשַׁבְתֶּם֙
(veshavtem)
en jullie zullen terugkeren
וּרְאִיתֶ֔ם
(ureitem)
en zien
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
צַדִּ֖יק
(tsadiq)
de rechtvaardige
לְרָשָׁ֑ע
(lerasha)
en de goddeloze
בֵּ֚ין
(bein)
tussen
עֹבֵ֣ד
(oved)
wie dient
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
לַאֲשֶׁ֖ר
(laasher)
en wie
לֹ֥א
(lo)
niet
עֲבָדֽוֹ
(avado)
Hem dient
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְשַׁבְתֶּם (veshavtem), ‘jullie zullen terugkeren’: dezelfde stam שׁוּב (shuv) als in vers 7; hier betekent het ‘weer zien’, dus ‘nogmaals’.

De dag die komt

19Want zie, de dag komt, brandend als een oven. Alle hoogmoedigen en allen die goddeloosheid doen, zullen stoppels zijn. De dag die komt, zal hen in brand zetten, zegt Yahweh van de legermachten, zodat hij hun noch wortel noch tak overlaat.
כִּֽי
(ki)
want
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
הַיּוֹם֙
(hayom)
de dag
בָּ֔א
(ba)
komt
בֹּעֵ֖ר
(boer)
brandend
כַּתַּנּ֑וּר
(katanur)
als een oven
וְהָי֨וּ
(vehayu)
en zullen zijn
כָל
(kal)
alle
זֵדִ֜ים
(zedim)
hoogmoedigen
וְכָל
(vekhal)
en alle
עֹשֵׂ֤ה
(ose)
die doen
רִשְׁעָה֙
(risha)
goddeloosheid
קַ֔שׁ
(qash)
stoppels
וְלִהַ֨ט
(velihat)
en zal in brand zetten
אֹתָ֜ם
(otam)
hen
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַבָּ֗א
(haba)
die komt
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
יַעֲזֹ֥ב
(yaazov)
zal laten
לָהֶ֖ם
(lahem)
hun
שֹׁ֥רֶשׁ
(shoresh)
wortel
וְעָנָֽף
(veanaf)
en tak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Hebreeuwse tekst heeft in dit boek drie hoofdstukken.

Hebr. 3:19–24 is in de Nederlandse telling 4:1–6.

בֹּעֵר כַּתַּנּוּר (bo’er kattannur), ‘brandend als een oven’: een bakoven of smeltoven.

זֵדִים (zedim), ‘hoogmoedigen’: dezelfde mensen als in vers 15.

קַשׁ (qash), ‘stoppels’: zoals in Exod. 15:7.

שֹׁרֶשׁ וְעָנָף (shoresh ve’anaf), ‘wortel en tak’: niets blijft over, niet de wortel onder de grond en niet de tak erboven.

20Maar voor jullie die Mijn naam vrezen, zal de zon van gerechtigheid opgaan, met genezing in haar vleugels. Jullie zullen uitgaan en springen als kalveren uit de stal.
וְזָרְחָ֨ה
(vezarecha)
en zal opgaan
לָכֶ֜ם
(lakhem)
voor jullie
יִרְאֵ֤י
(yirei)
die vrezen
שְׁמִי֙
(shemi)
Mijn naam
שֶׁ֣מֶשׁ
(shemesh)
de zon van
צְדָקָ֔ה
(tsedaqa)
gerechtigheid
וּמַרְפֵּ֖א
(umarpe)
en genezing
בִּכְנָפֶ֑יהָ
(bikhnafeiha)
in haar vleugels
וִֽיצָאתֶ֥ם
(vitsatem)
en jullie zullen uitgaan
וּפִשְׁתֶּ֖ם
(ufishtem)
en springen
כְּעֶגְלֵ֥י
(keeglei)
als kalveren van
מַרְבֵּֽק
(marbeq)
de stal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׁמֶשׁ צְדָקָה (shemesh tsedaqah), ‘zon van gerechtigheid’: de zon is hier een beeld voor de komst van recht en heil.

Het woord כְּנָפֶיהָ (kenafeha), ‘haar vleugels’, zijn de uitgespreide stralen of randen van de zon.

Een gevleugelde zonneschijf is in het oude Nabije Oosten een bekend beeld (uit het geheugen, niet gecontroleerd).

מַרְפֵּא (marpe), ‘genezing’.

פּוּשׁ (push), ‘springen’: het werkwoord is zeldzaam; kalveren springen uit de stal als ze vrij zijn.

מַרְבֵּק (marbeq), ‘stal’: een plaats waar vee gevoerd en vetgemest wordt. In 1 Sam. 28:24 staat het in ‘gemest kalf’.

21Jullie zullen de goddelozen vertrappen, want zij zullen as zijn onder de zolen van jullie voeten, op de dag die Ik maak, zegt Yahweh van de legermachten.”
וְעַסּוֹתֶ֣ם
(veasotem)
en jullie zullen vertrappen
רְשָׁעִ֔ים
(reshaim)
de goddelozen
כִּֽי
(ki)
want
יִהְי֣וּ
(yihyu)
zij zullen zijn
אֵ֔פֶר
(efer)
as
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
כַּפּ֣וֹת
(kapot)
de zolen van
רַגְלֵיכֶ֑ם
(ragleikhem)
jullie voeten
בַּיּוֹם֙
(bayom)
op de dag
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
עֹשֶׂ֔ה
(ose)
maak
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָסַס (asas), ‘vertrappen’: een zeldzaam werkwoord, dat in dit boek alleen hier staat.

Het gaat om vertrappen onder de voeten.

אֵפֶר (efer), ‘as’: de goddelozen zijn verbrand en er blijft as van over.

Gedenk de wet van Mozes

22„Gedenk de wet van Mozes, Mijn knecht, die Ik hem op Horeb gebood voor heel Israël: voorschriften en rechtsregels.
זִכְר֕וּ
(zikhru)
gedenk
תּוֹרַ֖ת
(torat)
de wet van
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
עַבְדִּ֑י
(avdi)
Mijn knecht
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
צִוִּ֨יתִי
(tsiviti)
Ik gebood
אוֹת֤וֹ
(oto)
hem
בְחֹרֵב֙
(bechorev)
op Horeb
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
חֻקִּ֖ים
(chuqim)
voorschriften
וּמִשְׁפָּטִֽים
(umishpatim)
en rechtsregels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Horeb (traditioneel; ligging omstreden): De Horeb is de berg van Elohim, ook Sinaï genoemd.

Van oudsher wordt hij gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

Die ligging is omstreden.

Uitleg

תּוֹרַת מֹשֶׁה (torat Mosheh), ‘de wet van Mozes’: hier staat ‘Mijn knecht’ (עַבְדִּי, avdi), met een kleine letter.

In Joz. 1:2 staat voor hetzelfde woord ‘Mijn dienaar’; in de profeten schrijven wij ‘knecht’.

חֹרֵב (Choreb), ‘Horeb’: de berg Sinaï (Exod. 3:1; Deut. 4:10). Wij schrijven ‘Horeb’, zoals in Deuteronomium.

חֻקִּים וּמִשְׁפָּטִים (chuqqim umishpatim), ‘voorschriften en rechtsregels’: zoals in Deut. 4:5.

23Zie, Ik zend jullie Elia, de profeet, voordat de dag van Yahweh komt, de grote en vreeswekkende.
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
אָֽנֹכִי֙
(anokhi)
Ik
שֹׁלֵ֣חַ
(sholeach)
zend
לָכֶ֔ם
(lakhem)
aan jullie
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
אֵלִיָּ֣ה
(eliya)
Elia
הַנָּבִ֑יא
(hanavi)
de profeet
לִפְנֵ֗י
(lifnei)
voordat
בּ֚וֹא
(bo)
komt
י֣וֹם
(yom)
de dag van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הַגָּד֖וֹל
(hagadol)
de grote
וְהַנּוֹרָֽא
(vehanora)
en de vreeswekkende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵלִיָּה (Eliyyah), ‘Elia’: de profeet uit 1 Kon. 17 tot 2 Kon. 2.

Hij werd levend opgenomen (2 Kon. 2:11).

Zie ook Matt. 11:14, 17:10–13 en Luc. 1:17.

יוֹם יְהוָה הַגָּדוֹל וְהַנּוֹרָא (yom Yahweh haggadol vehannora), ‘de dag van Yahweh, de grote en vreeswekkende’: zoals in Joël 3:4 (NL 2:31).

24Hij zal het hart van de vaders terugbrengen naar de zonen en het hart van de zonen naar hun vaders. Anders kom Ik en sla Ik het land met de ban.”
וְהֵשִׁ֤יב
(veheshiv)
en hij zal terugbrengen
לֵב
(lev)
het hart van
אָבוֹת֙
(avot)
vaders
עַל
(al)
naar
בָּנִ֔ים
(banim)
zonen
וְלֵ֥ב
(velev)
en het hart van
בָּנִ֖ים
(banim)
zonen
עַל
(al)
naar
אֲבוֹתָ֑ם
(avotam)
hun vaders
פֶּן
(pen)
opdat niet
אָב֕וֹא
(avo)
Ik kom
וְהִכֵּיתִ֥י
(vehikeiti)
en Ik sla
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
חֵֽרֶם
(cherem)
met de ban
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵרֶם (cherem), ‘ban’: wat aan Yahweh is gewijd om vernietigd te worden (Lev. 27:28–29).

Het land wordt dan met de ban geslagen.

Dit is het laatste vers van het boek en het laatste vers van de profeten. Het Hebreeuws sluit af met het woord ‘ban’. Zie ook Luc. 1:17.