Elohim Bijbel

Jesaja 11

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

De twijg uit Isaï, de vrede in de schepping en de terugkeer van Gods volk

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Een twijg uit de stronk van Isaï

1Er komt een twijg voort uit de stronk van Isaï, en een scheut uit zijn wortels zal vrucht dragen.
וְיָצָ֥א
(veyatsa)
en komt voort
חֹ֖טֶר
(choter)
twijg
מִגֵּ֣זַע
(migeza)
uit de stronk van
יִשָׁ֑י
(yishay)
Isaï
וְנֵ֖צֶר
(venetser)
en een scheut
מִשָּׁרָשָׁ֥יו
(misharashav)
uit zijn wortels
יִפְרֶֽה
(yifre)
zal vrucht dragen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹטֶר (choter), ‘twijg’, גֵּזַע (geza), ‘stronk’, en נֵצֶר (netser), ‘scheut’: de stronk is wat overblijft van een omgehakte boom.

Het beeld sluit aan bij het omhakken van het woud in 10:33–34.

יִשַׁי (Yishai), ‘Isaï’: de vader van David (Ruth 4:22; 1 Sam. 16:1). Vers 10 wordt aangehaald in Rom. 15:12.

2De Geest van Yahweh zal op hem rusten: de Geest van wijsheid en inzicht, de Geest van raad en kracht, de Geest van kennis en van de vrees voor Yahweh.
וְנָחָ֥ה
(venacha)
en zal rusten
עָלָ֖יו
(alav)
op hem
ר֣וּחַ
(ruach)
Geest van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
ר֧וּחַ
(ruach)
Geest van
חָכְמָ֣ה
(chakhema)
wijsheid
וּבִינָ֗ה
(uvina)
en inzicht
ר֤וּחַ
(ruach)
Geest van
עֵצָה֙
(etsa)
raad
וּגְבוּרָ֔ה
(ugevura)
en kracht
ר֥וּחַ
(ruach)
Geest van
דַּ֖עַת
(daat)
kennis
וְיִרְאַ֥ת
(veyirat)
en vrees voor
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ (ruach), ‘Geest’: wij schrijven het woord in alle zes delen met een hoofdletter, omdat het Hebreeuws deze delen naast ‘de Geest van Yahweh’ zet: de Geest die op hem rust, is een Geest van wijsheid, inzicht, raad, kracht, kennis en vrees voor Yahweh.

יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘vrees voor Yahweh’: ontzag voor Hem. Het woord keert terug in vers 3.

עֵצָה (etsah), ‘raad’: zo vertalen wij etsah als het om mensen gaat, en ook hier als gave van de Geest. Bij Yahweh heet het ‘besluit’, zoals in Jes. 5:19.

3Zijn welbehagen zal zijn in de vrees voor Yahweh. Hij zal niet rechtspreken naar wat zijn ogen zien, en niet beslissen naar wat zijn oren horen.
וַהֲרִיח֖וֹ
(vaharicho)
en zijn welbehagen
בְּיִרְאַ֣ת
(beyirat)
in de vrees voor
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹֽא
(velo)
en niet
לְמַרְאֵ֤ה
(lemare)
naar wat zichtbaar is voor
עֵינָיו֙
(einav)
zijn ogen
יִשְׁפּ֔וֹט
(yishpot)
zal hij rechtspreken
וְלֹֽא
(velo)
en niet
לְמִשְׁמַ֥ע
(lemishma)
naar wat hoorbaar is voor
אָזְנָ֖יו
(azenav)
zijn oren
יוֹכִֽיחַ
(yokhiach)
zal hij beslissen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַהֲרִיחוֹ (vaharicho), ‘zijn welbehagen zal zijn’: het werkwoord betekent letterlijk ‘doen ruiken’.

Hier gaat het om zijn lust en vreugde.

Vergelijk de ‘aangename geur’ van het offer in Lev. 1:9.

יוֹכִיחַ (yokhiach), ‘beslissen’: zie bij vers 4.

4Hij zal met gerechtigheid rechtspreken over de armen en met eerlijkheid beslissen voor de ootmoedigen van het land. Hij zal de aarde slaan met de knuppel van zijn mond, en met de adem van zijn lippen zal hij de goddeloze doden.
וְשָׁפַ֤ט
(veshafat)
en zal rechtspreken
בְּצֶ֨דֶק֙
(betsedeq)
met gerechtigheid
דַּלִּ֔ים
(dalim)
over de armen
וְהוֹכִ֥יחַ
(vehokhiach)
en zal beslissen
בְּמִישׁ֖וֹר
(bemishor)
met eerlijkheid
לְעַנְוֵי
(leanvei)
voor de ootmoedigen van
אָ֑רֶץ
(arets)
het land
וְהִֽכָּה
(vehika)
en zal slaan
אֶ֨רֶץ֙
(erets)
de aarde
בְּשֵׁ֣בֶט
(beshevet)
met de knuppel van
פִּ֔יו
(piv)
zijn mond
וּבְר֥וּחַ
(uveruach)
en met de adem van
שְׂפָתָ֖יו
(sefatav)
zijn lippen
יָמִ֥ית
(yamit)
zal hij doden
רָשָֽׁע
(rasha)
de goddeloze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹכִיחַ (hokiach), ‘beslissen’: een zaak beslissen, terechtwijzen.

In Amos 5:10 vertalen wij hetzelfde werkwoord met ‘terechtwijzen’, want daar gaat het om wie in de poort iemand aanspreekt.

Hier gaat het om een uitspraak in een rechtszaak.

אֶרֶץ (arets) betekent ‘land’ en ‘aarde’. In dit vers staat het woord twee keer: ‘het land’ bij de ootmoedigen en ‘de aarde’ bij het slaan.

שֵׁבֶט (shevet), ‘knuppel’: zo vertalen wij ook in Jes. 10:5. De knuppel van zijn mond is zijn woord.

5Gerechtigheid zal de gordel van zijn heupen zijn, en betrouwbaarheid de gordel van zijn lendenen.
וְהָ֥יָה
(vehaya)
en zal zijn
צֶ֖דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
אֵז֣וֹר
(ezor)
gordel van
מָתְנָ֑יו
(matenav)
zijn heupen
וְהָאֱמוּנָ֖ה
(vehaemuna)
en de betrouwbaarheid
אֵז֥וֹר
(ezor)
gordel van
חֲלָצָֽיו
(chalatsav)
zijn lendenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱמוּנָה (emunah), ‘betrouwbaarheid’: wat vast en te vertrouwen is.

De wolf bij het lam

6De wolf verblijft als gast bij het lam, en het luipaard ligt bij het bokje. Het kalf, de jonge leeuw en het gemeste dier zijn samen, en een kleine jongen leidt hen.
וְגָ֤ר
(vegar)
en zal als gast verblijven
זְאֵב֙
(zeev)
wolf
עִם
(im)
bij
כֶּ֔בֶשׂ
(keves)
lam
וְנָמֵ֖ר
(venamer)
en luipaard
עִם
(im)
bij
גְּדִ֣י
(gedi)
bokje
יִרְבָּ֑ץ
(yirbats)
zal liggen
וְעֵ֨גֶל
(veegel)
en kalf
וּכְפִ֤יר
(ukhefir)
en jonge leeuw
וּמְרִיא֙
(umeri)
en gemest dier
יַחְדָּ֔ו
(yachdav)
samen
וְנַ֥עַר
(venaar)
en jongen
קָטֹ֖ן
(qaton)
klein
נֹהֵ֥ג
(noheg)
leidt
בָּֽם
(bam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָמֵר (namer), ‘luipaard’: zo vertalen wij ook in Hos. 13:7.

מְרִיא (meri), ‘gemest dier’: een gemest kalf of lam.

Dit beeld komt terug in Jes. 65:25.

7De koe en de beer grazen samen, hun jongen liggen samen neer, en de leeuw eet stro als het rund.
וּפָרָ֤ה
(ufara)
en koe
וָדֹב֙
(vadov)
en beer
תִּרְעֶ֔ינָה
(tireina)
zullen grazen
יַחְדָּ֖ו
(yachdav)
samen
יִרְבְּצ֣וּ
(yirbetsu)
zullen liggen
יַלְדֵיהֶ֑ן
(yaldeihen)
hun jongen
וְאַרְיֵ֖ה
(vearye)
en leeuw
כַּבָּקָ֥ר
(kabaqar)
als het rund
יֹֽאכַל
(yokhal)
zal eten
תֶּֽבֶן
(teven)
stro
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8De zuigeling speelt bij het gat van de adder, en het gespeende kind steekt zijn hand uit naar het hol van de giftige slang.
וְשִֽׁעֲשַׁ֥ע
(veshiasha)
en zal spelen
יוֹנֵ֖ק
(yoneq)
zuigeling
עַל
(al)
bij
חֻ֣ר
(chur)
gat van
פָּ֑תֶן
(paten)
adder
וְעַל֙
(veal)
en bij
מְאוּרַ֣ת
(meurat)
hol van
צִפְעוֹנִ֔י
(tsifoni)
giftige slang
גָּמ֖וּל
(gamul)
gespeend kind
יָד֥וֹ
(yado)
zijn hand
הָדָֽה
(hada)
steekt uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֶּתֶן (pethen), ‘adder’: zo vertalen wij ook in Ps. 58:5.

צִפְעוֹנִי (tsif'oni), ‘giftige slang’.

הָדָה (hadah), ‘steekt uit’: het werkwoord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker.

9„Zij zullen geen kwaad doen en geen verderf aanrichten op heel Mijn heilige berg.” Want de aarde is vol van de kennis van Yahweh, zoals de wateren de zee bedekken.
לֹֽא
(lo)
niet
יָרֵ֥עוּ
(yareu)
zullen kwaad doen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יַשְׁחִ֖יתוּ
(yashchitu)
zullen verderf aanrichten
בְּכָל
(bekhal)
op heel
הַ֣ר
(har)
berg van
קָדְשִׁ֑י
(qadeshi)
Mijn heiligheid
כִּֽי
(ki)
want
מָלְאָ֣ה
(malea)
is vol geworden
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
de aarde
דֵּעָה֙
(dea)
kennis van
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּמַּ֖יִם
(kamayim)
zoals de wateren
לַיָּ֥ם
(layam)
de zee
מְכַסִּֽים
(mekhasim)
bedekkend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier spreekt Yahweh zelf: ‘Mijn heilige berg’.

Daarom staat deze zin rood.

De rest van het vers is een woord van de profeet over Yahweh.

Dezelfde woorden staan in Jes. 65:25 (daar rood, met ‘zegt Yahweh’).

דֵּעָה אֶת יְהוָה (de'ah et Yahweh), ‘kennis van Yahweh’: Yahweh kennen. Vergelijk Hab. 2:14.

De wortel van Isaï, een banier voor de volken

10Het zal gebeuren op die dag: de wortel van Isaï, die als banier voor de volken staat, hem zullen de volken zoeken. En zijn rustplaats zal heerlijkheid zijn.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
שֹׁ֣רֶשׁ
(shoresh)
wortel van
יִשַׁ֗י
(yishay)
Isaï
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
עֹמֵד֙
(omed)
staat
לְנֵ֣ס
(lenes)
als banier van
עַמִּ֔ים
(amim)
volken
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
גּוֹיִ֣ם
(goyim)
volken
יִדְרֹ֑שׁוּ
(yidroshu)
zullen zoeken
וְהָיְתָ֥ה
(vehayeta)
en zal zijn
מְנֻחָת֖וֹ
(menuchato)
zijn rustplaats
כָּבֽוֹד
(kavod)
heerlijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁרֶשׁ יִשַׁי (shoresh Yishai), ‘de wortel van Isaï’: de oorsprong van het koningshuis; vergelijk vers 1.

נֵס (nes), ‘banier’: een teken op een hoogte, waar mensen zich om verzamelen. Vergelijk de slang op een paal in Num. 21:8.

יִדְרֹשׁוּ (yidroshu), ‘zullen zoeken’: darash, ‘zoeken’ of ‘raadplegen’; zie Amos 5:4.

מְנֻחָתוֹ (menuchato), ‘zijn rustplaats’: de plaats waar hij woont en regeert.

Yahweh haalt de overgeblevenen terug

11Het zal gebeuren op die dag: de Heer zal voor de tweede keer Zijn hand uitstrekken. Hij zal de overgeblevenen van Zijn volk verwerven. Zij blijven over uit Assyrië, uit Egypte, uit Patros, uit Kush, uit Elam, uit Sinear, uit Chamat en uit de eilanden van de zee.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
יוֹסִ֨יף
(yosif)
zal toevoegen
אֲדֹנָ֤י
(adonay)
de Heer
שֵׁנִית֙
(shenit)
voor de tweede keer
יָד֔וֹ
(yado)
Zijn hand
לִקְנ֖וֹת
(liqnot)
om te verwerven
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁאָ֣ר
(shear)
de overgeblevenen van
עַמּ֑וֹ
(amo)
Zijn volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יִשָּׁאֵר֩
(yishaer)
overblijven
מֵאַשּׁ֨וּר
(meashur)
uit Assyrië
וּמִמִּצְרַ֜יִם
(umimitsrayim)
en uit Egypte
וּמִפַּתְר֣וֹס
(umipatros)
en uit Patros
וּמִכּ֗וּשׁ
(umikush)
en uit Kush
וּמֵעֵילָ֤ם
(umeeilam)
en uit Elam
וּמִשִּׁנְעָר֙
(umishinar)
en uit Sinear
וּמֵ֣חֲמָ֔ת
(umechamat)
en uit Chamat
וּמֵאִיֵּ֖י
(umeiyei)
en uit de eilanden van
הַיָּֽם
(hayam)
de zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Patros (Opper-Egypte): Patros is Opper-Egypte, het zuiden van Egypte langs de Nijl, ten zuiden van de delta.

De grenzen zijn niet scherp te trekken.

Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan.

Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran.

Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië.

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: de titel staat hier zonder de naam Yahweh.

יוֹסִיף שֵׁנִית יָדוֹ (yosif shenit yado), ‘voor de tweede keer Zijn hand uitstrekken’: letterlijk ‘zal Zijn hand voor de tweede keer toevoegen’. De eerste keer was de uittocht uit Egypte; zie Exod. 15:16, waar Yahweh Zijn volk ‘verwerft’.

פַּתְרוֹס (Patros) is het zuiden van Egypte. כּוּשׁ (Kush) ligt ten zuiden van Egypte. עֵילָם (Elam) ligt in het oosten, שִׁנְעָר (Sinear) is Babylonië (Gen. 10:10).

אִיֵּי הַיָּם (iyyei hayyam), ‘de eilanden van de zee’: ook ‘de kustlanden van de zee’; het gaat om de landen aan de Middellandse Zee.

12Hij zal een banier opheffen voor de volken. Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooiden van Juda bijeenbrengen, uit de vier uithoeken van de aarde.
וְנָשָׂ֥א
(venasa)
en zal opheffen
נֵס֙
(nes)
banier
לַגּוֹיִ֔ם
(lagoyim)
voor de volken
וְאָסַ֖ף
(veasaf)
en zal verzamelen
נִדְחֵ֣י
(nidchei)
verdrevenen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וּנְפֻצ֤וֹת
(unefutsot)
en verstrooiden van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
יְקַבֵּ֔ץ
(yeqabets)
zal bijeenbrengen
מֵאַרְבַּ֖ע
(mearba)
uit vier
כַּנְפ֥וֹת
(kanfot)
uithoeken van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּנְפוֹת (kanfot), ‘uithoeken’: letterlijk ‘vleugels’.

‘De vier uithoeken van de aarde’ betekent: van overal.

13De afgunst van Efraïm zal wijken, en de benauwers van Juda zullen worden uitgeroeid. Efraïm zal Juda niet benijden, en Juda zal Efraïm niet benauwen.
וְסָ֨רָה֙
(vesara)
en zal wijken
קִנְאַ֣ת
(qinat)
afgunst van
אֶפְרַ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
וְצֹרְרֵ֥י
(vetsorerei)
en benauwers van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
יִכָּרֵ֑תוּ
(yikaretu)
zullen worden uitgeroeid
אֶפְרַ֨יִם֙
(efrayim)
Efraïm
לֹֽא
(lo)
niet
יְקַנֵּ֣א
(yeqane)
zal benijden
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וִֽיהוּדָ֖ה
(vihuda)
en Juda
לֹֽא
(lo)
niet
יָצֹ֥ר
(yatsor)
zal benauwen
אֶת
(et)
(obj.)
אֶפְרָֽיִם
(efrayim)
Efraïm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Efraïm is het noordelijke koninkrijk Israël, Juda het zuidelijke.

Sinds de scheiding (1 Kon. 12:16–19) waren zij vijanden.

Het werkwoord צָרַר (tsarar), ‘benauwen’, staat ook in Amos 5:12.

14Zij zullen vliegen op de schouder van de Filistijnen, naar het westen. Samen zullen zij de zonen van het oosten plunderen. Naar Edom en Moab zullen zij hun hand uitstrekken, en de zonen van Ammon zullen hun gehoorzamen.
וְעָפ֨וּ
(veafu)
en zij zullen vliegen
בְכָתֵ֤ף
(bekhatef)
op de schouder van
פְּלִשְׁתִּים֙
(pelishtim)
de Filistijnen
יָ֔מָּה
(yama)
naar het westen
יַחְדָּ֖ו
(yachdav)
samen
יָבֹ֣זּוּ
(yavozu)
zullen plunderen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
קֶ֑דֶם
(qedem)
het oosten
אֱד֤וֹם
(edom)
Edom
וּמוֹאָב֙
(umoav)
en Moab
מִשְׁל֣וֹח
(mishloch)
uitstrekking van
יָדָ֔ם
(yadam)
hun hand
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
עַמּ֖וֹן
(amon)
Ammon
מִשְׁמַעְתָּֽם
(mishmatam)
hun gehoorzaamheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Uitleg

בְכָתֵף (bekhatef), ‘op de schouder’: de schouder is de helling of flank van het land.

Het werkwoord עוּף (uf), ‘vliegen’, wekt het beeld van een vogel die neerstrijkt.

מִשְׁמַעְתָּם (mishma'tam), ‘hun gehoorzaamheid’: Ammon wordt hun onderdaan.

Een weg door de Rivier

15Yahweh zal de tong van de zee van Egypte met de ban slaan. Hij zal Zijn hand over de Rivier zwaaien met de gloed van Zijn adem, en haar slaan tot zeven beken. Hij zal hen in sandalen laten doortrekken.
וְהֶחֱרִ֣ים
(vehecherim)
en zal met de ban slaan
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
לְשׁ֣וֹן
(leshon)
de tong van
יָם
(yam)
zee van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְהֵנִ֥יף
(vehenif)
en zal zwaaien
יָד֛וֹ
(yado)
Zijn hand
עַל
(al)
over
הַנָּהָ֖ר
(hanahar)
de Rivier
בַּעְיָ֣ם
(bayam)
met de gloed van
רוּח֑וֹ
(rucho)
Zijn adem
וְהִכָּ֨הוּ֙
(vehikahu)
en zal haar slaan
לְשִׁבְעָ֣ה
(leshiva)
tot zeven
נְחָלִ֔ים
(nechalim)
beken
וְהִדְרִ֖יךְ
(vehidrikh)
en zal laten doortrekken
בַּנְּעָלִֽים
(banealim)
in sandalen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Zee van Egypte (Golf van Suez?; ligging onzeker): De ‘tong van de zee van Egypte’ is waarschijnlijk de Golf van Suez, de westelijke tak van de Rode Zee.

Dit is niet zeker.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Eufraat (de Rivier): ‘De Rivier’ is de Eufraat, de grote rivier in het noordoosten van het land.

De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.

Uitleg

הֶחֱרִים (hecherim), ‘met de ban slaan’: aan Yahweh wijden en daardoor vernietigen (Joz. 6:17).

לְשׁוֹן יָם מִצְרַיִם (leshon yam Mitsrayim), ‘de tong van de zee van Egypte’: waarschijnlijk de Golf van Suez, een arm van de Rode Zee. Dit is niet zeker.

הַנָּהָר (hannahar), ‘de Rivier’: de Eufraat.

בַּעְיָם (ba'yam), ‘met de gloed van’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker; ook ‘met geweld van’ is mogelijk.

16Er komt een gebaande weg voor de overgeblevenen van Zijn volk die overblijven uit Assyrië. Zo was er ook een voor Israël op de dag dat het uit het land Egypte optrok.
וְהָיְתָ֣ה
(vehayeta)
en zal zijn
מְסִלָּ֔ה
(mesila)
gebaande weg
לִשְׁאָ֣ר
(lishar)
voor de overgeblevenen van
עַמּ֔וֹ
(amo)
Zijn volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יִשָּׁאֵ֖ר
(yishaer)
overblijven
מֵֽאַשּׁ֑וּר
(meashur)
uit Assyrië
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
הָֽיְתָה֙
(hayeta)
was
לְיִשְׂרָאֵ֔ל
(leyisrael)
voor Israël
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
עֲלֹת֖וֹ
(aloto)
zijn optrekken
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

מְסִלָּה (mesillah), ‘gebaande weg’: een weg die is opgehoogd en vrijgemaakt.

Vergelijk de doortocht door de zee in Exod. 14:22.