Elohim Bijbel

Psalmen 97

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Yahweh is koning, de Allerhoogste boven alle goden

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yahweh is koning

1Yahweh is koning! Laat de aarde juichen. Laten de vele eilanden zich verheugen.
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
מָ֭לָךְ
(malakh)
is koning
תָּגֵ֣ל
(tagel)
laat juichen
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
יִ֝שְׂמְח֗וּ
(yismechu)
laten zich verheugen
אִיִּ֥ים
(iyim)
eilanden
רַבִּֽים
(rabim)
vele
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִיִּים (iyyim), ‘eilanden’: ook ‘kustlanden’, de verre landen aan de zee.

De hele wereld wordt opgeroepen te juichen.

2Wolk en donkerte zijn rondom Hem. Gerechtigheid en recht zijn de grondslag van Zijn troon.
עָנָ֣ן
(anan)
wolk
וַעֲרָפֶ֣ל
(vaarafel)
en donkerte
סְבִיבָ֑יו
(sevivav)
rondom Hem
צֶ֥דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
וּ֝מִשְׁפָּ֗ט
(umishpat)
en recht
מְכ֣וֹן
(mekhon)
grondslag van
כִּסְאֽוֹ
(kiso)
Zijn troon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָנָן וַעֲרָפֶל (anan va’arafel), ‘wolk en donkerte’: zo verscheen Yahweh bij de Sinaï (Deut. 4:11).

מָכוֹן (makhon), ‘grondslag’: de vaste plaats waarop de troon rust. Zie ook Ps. 89:15.

3Vuur gaat voor Zijn aangezicht uit en zet Zijn tegenstanders rondom in vlammen.
אֵ֭שׁ
(esh)
vuur
לְפָנָ֣יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
תֵּלֵ֑ךְ
(telekh)
gaat
וּתְלַהֵ֖ט
(utelahet)
en zet in vlammen
סָבִ֣יב
(saviv)
rondom
צָרָֽיו
(tsarav)
Zijn tegenstanders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Zijn bliksems verlichten de wereld. De aarde ziet het en beeft.
הֵאִ֣ירוּ
(heiru)
verlichten
בְרָקָ֣יו
(beraqav)
Zijn bliksems
תֵּבֵ֑ל
(tevel)
de wereld
רָאֲתָ֖ה
(raata)
ziet het
וַתָּחֵ֣ל
(vatachel)
en beeft
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5De bergen smelten als was voor het aangezicht van Yahweh, voor het aangezicht van de Heer van heel de aarde.
הָרִ֗ים
(harim)
bergen
כַּדּוֹנַ֗ג
(kadonag)
als was
נָ֭מַסּוּ
(namasu)
smelten
מִלִּפְנֵ֣י
(milifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
מִ֝לִּפְנֵ֗י
(milifnei)
voor het aangezicht van
אֲד֣וֹן
(adon)
Heer van
כָּל
(kal)
heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָדוֹן (adon), ‘Heer’: hier de Heer van heel de aarde.

6De hemel maakt Zijn gerechtigheid bekend, en alle volken zien Zijn heerlijkheid.
הִגִּ֣ידוּ
(higidu)
maken bekend
הַשָּׁמַ֣יִם
(hashamayim)
de hemel
צִדְק֑וֹ
(tsidqo)
Zijn gerechtigheid
וְרָא֖וּ
(verau)
en zien
כָל
(kal)
alle
הָעַמִּ֣ים
(haamim)
volken
כְּבוֹדֽוֹ
(kevodo)
Zijn heerlijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Beschaamd staan de beelddienaars

7Beschaamd staan allen die beelden dienen, die zich beroemen op nietige goden. Buig je neer voor Hem, alle goden.
יֵבֹ֤שׁוּ
(yevoshu)
staan beschaamd
כָּל
(kal)
allen
עֹ֬בְדֵי
(ovedei)
dienaren van
פֶ֗סֶל
(pesel)
beelden
הַמִּֽתְהַלְלִ֥ים
(hamithallim)
die zich beroemen
בָּאֱלִילִ֑ים
(baelilim)
op nietige goden
הִשְׁתַּחֲווּ
(hishtachavu)
buigt je neer
ל֝וֹ
(lo)
voor Hem
כָּל
(kal)
alle
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
goden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֶּסֶל (pesel), ‘beeld’: een gesneden beeld (Exod. 20:4).

אֱלֹהִים (Elohim) in ‘alle goden’: de goden van de volken. Zij moeten zich voor Yahweh buigen.

8Sion hoorde het en verheugde zich. De dochters van Juda juichten om Uw rechtsuitspraken, Yahweh.
שָׁמְעָ֬ה
(shamea)
hoorde
וַתִּשְׂמַ֨ח
(vatismach)
en verheugde zich
צִיּ֗וֹן
(tsiyon)
Sion
וַ֭תָּגֵלְנָה
(vatagelena)
en juichten
בְּנ֣וֹת
(benot)
dochters van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
לְמַ֖עַן
(lemaan)
om
מִשְׁפָּטֶ֣יךָ
(mishpateikha)
Uw rechtsuitspraken
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מִשְׁפָּטֶיךָ (mishpatekha), ‘Uw rechtsuitspraken’: de daden en uitspraken waarmee Yahweh recht doet.

Het enkelvoud ‘recht’ staat in vers 2.

בְּנוֹת יְהוּדָה (benot Yehudah), ‘dochters van Juda’: de steden en dorpen van Juda.

9Want U, Yahweh, bent de Allerhoogste boven heel de aarde. U bent zeer hoog verheven boven alle goden.
כִּֽי
(ki)
want
אַתָּ֤ה
(ata)
U
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
עֶלְי֥וֹן
(elyon)
Allerhoogste
עַל
(al)
boven
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
מְאֹ֥ד
(meod)
zeer
נַ֝עֲלֵ֗יתָ
(naaleita)
zijt verheven
עַל
(al)
boven
כָּל
(kal)
alle
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
goden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶלְיוֹן (Eljon), ‘de Allerhoogste’: een titel voor Elohim als de hoogste.

Zie ook Gen. 14:18–22.

Licht voor de rechtvaardigen

10Jullie die Yahweh liefhebben: haat het kwaad. Hij bewaakt de zielen van Zijn getrouwen. Uit de hand van de goddelozen bevrijdt Hij hen.
אֹהֲבֵ֥י
(ohavei)
liefhebbers van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
שִׂנְא֫וּ
(sinu)
haat
רָ֥ע
(ra)
kwaad
שֹׁ֭מֵר
(shomer)
Hij bewaakt
נַפְשׁ֣וֹת
(nafshot)
zielen van
חֲסִידָ֑יו
(chasidav)
Zijn getrouwen
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
רְ֝שָׁעִ֗ים
(reshaim)
goddelozen
יַצִּילֵֽם
(yatsilem)
bevrijdt hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲסִידָיו (chasidav), ‘Zijn getrouwen’: van חֶסֶד (chesed), ‘trouw’ (verbondstrouw, goedertierenheid).

Het zijn zij die Yahweh trouw zijn en Zijn trouw ontvangen.

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het leven of de hele persoon.

11Licht is gezaaid voor de rechtvaardige, en vreugde voor wie oprecht van hart is.
א֭וֹר
(or)
licht
זָרֻ֣עַ
(zarua)
is gezaaid
לַצַּדִּ֑יק
(latsadiq)
voor de rechtvaardige
וּֽלְיִשְׁרֵי
(uleyishrei)
en voor oprechten van
לֵ֥ב
(lev)
hart
שִׂמְחָֽה
(simcha)
vreugde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זָרֻעַ (zaru’a), ‘gezaaid’: het licht is als zaad uitgestrooid voor de rechtvaardigen; het zal opkomen.

12Verheug jullie in Yahweh, rechtvaardigen, en loof Hem bij de gedachtenis aan Zijn heiligheid.
שִׂמְח֣וּ
(simchu)
verheugt jullie
צַ֭דִּיקִים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
בַּֽיהוָ֑ה
(baYahweh)
in Yahweh
וְ֝הוֹד֗וּ
(vehodu)
en looft
לְזֵ֣כֶר
(lezekher)
bij de gedachtenis aan
קָדְשֽׁוֹ
(qadesho)
Zijn heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זֵכֶר (zecher), ‘gedachtenis’: de naam waarmee Yahweh herinnerd en aangeroepen wordt (Exod. 3:15).