Elohim Bijbel

Psalmen 132

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Davids eed en Yahwehs eed aan David

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Davids eed

1Een lied van de opgangen. Denk eraan, Yahweh, aan David, aan al zijn ontberingen,
שִׁ֗יר
(shir)
lied van
הַֽמַּ֫עֲל֥וֹת
(hamaalot)
de opgangen
זְכוֹר
(zekhor)
gedenk
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
לְדָוִ֑ד
(ledavid)
aan David
אֵ֝ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
עֻנּוֹתֽוֹ
(unoto)
zijn ontberingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֻנּוֹתוֹ (unnoto), ‘zijn ontberingen’: de zware moeite en zorg die David droeg.

De betekenis van het woord is niet helemaal zeker.

De psalm sluit aan bij het verhaal van de ark (2 Sam. 6) en de belofte aan David (2 Sam. 7). De eed van David uit vers 3–5 staat niet in 2 Samuël.

2hoe hij Yahweh een eed zwoer en een gelofte deed aan de Machtige van Jakob:
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נִ֭שְׁבַּע
(nishba)
zwoer
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
aan Yahweh
נָ֝דַ֗ר
(nadar)
deed een gelofte
לַאֲבִ֥יר
(laavir)
aan de Machtige van
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲבִיר יַעֲקֹב (avir Ya’aqov), ‘de Machtige van Jakob’: een oude titel van Yahweh.

Zie Gen. 49:24.

3„Ik zal de tent van mijn huis zeker niet binnengaan. Ik zal zeker niet op het rustbed van mijn bed klimmen.
אִם
(im)
als
אָ֭בֹא
(avo)
ik ga
בְּאֹ֣הֶל
(beohel)
in tent van
בֵּיתִ֑י
(beiti)
mijn huis
אִם
(im)
als
אֶ֝עֱלֶ֗ה
(eele)
ik klim
עַל
(al)
op
עֶ֥רֶשׂ
(eres)
rustbed van
יְצוּעָֽי
(yetsuay)
mijn bed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִם (im), ‘als’: de vorm van een eed.

‘Als ik dat doe …’ betekent: ‘dat zal ik zeker niet doen’.

Wij geven de betekenis weer met ‘zeker niet’.

4Ik zal mijn ogen geen slaap geven, mijn oogleden geen sluimering,
אִם
(im)
als
אֶתֵּ֣ן
(eten)
ik geef
שְׁנַ֣ת
(shenat)
slaap
לְעֵינָ֑י
(leeinay)
aan mijn ogen
לְֽעַפְעַפַּ֥י
(leafapay)
aan mijn oogleden
תְּנוּמָֽה
(tenuma)
sluimering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5totdat ik een plaats voor Yahweh heb gevonden, woningen voor de Machtige van Jakob.”
עַד
(ad)
totdat
אֶמְצָ֣א
(emtsa)
ik vind
מָ֭קוֹם
(maqom)
plaats
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
מִ֝שְׁכָּנ֗וֹת
(mishkanot)
woningen
לַאֲבִ֥יר
(laavir)
voor de Machtige van
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁכְּנוֹת (mishkenot), ‘woningen’: meervoud van mishkan, de woning van Yahweh (vergelijk vers 7).

6Zie, wij hoorden ervan in Efrata. Wij vonden het in de velden van Jaär.
הִנֵּֽה
(hine)
zie
שְׁמַֽעֲנ֥וּהָ
(shemaanuha)
wij hoorden ervan
בְאֶפְרָ֑תָה
(beefrata)
in Efrata
מְ֝צָאנ֗וּהָ
(metsanuha)
wij vonden het
בִּשְׂדֵי
(bisdei)
in de velden van
יָֽעַר
(yaar)
Jaär
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Efrata is de streek rond Betlehem (Gen. 35:19).

Jaär betekent ‘bos’ en is waarschijnlijk een korte naam voor Kirjat-Jearim, ‘stad van de bossen’, waarschijnlijk Abu Gosh bij Deir el-Azhar, ongeveer 13 km ten westen van Jeruzalem (1 Sam. 7:1–2; 2 Sam. 6:2).

De ligging is niet helemaal zeker.

Uitleg

De uitgang -ha (‘het’) wijst waarschijnlijk naar de ark, die in Kirjat-Jearim stond (1 Sam. 7:1–2) en die David naar Jeruzalem bracht (2 Sam. 6).

Wat precies bedoeld is, is onzeker.

7Laten wij naar Zijn woningen gaan. Laten wij ons neerbuigen bij de voetenbank van Zijn voeten.
נָב֥וֹאָה
(navoa)
laten wij gaan
לְמִשְׁכְּנוֹתָ֑יו
(lemishkenotav)
naar Zijn woningen
נִ֝שְׁתַּחֲוֶ֗ה
(nishtachave)
laten wij ons neerbuigen
לַהֲדֹ֥ם
(lahadom)
bij de voetenbank van
רַגְלָֽיו
(raglav)
Zijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het gebed om Yahwehs komst

8Sta op, Yahweh, naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw sterkte.
קוּמָ֣ה
(quma)
sta op
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
לִמְנוּחָתֶ֑ךָ
(limnuchatekha)
naar Uw rustplaats
אַ֝תָּ֗ה
(ata)
U
וַאֲר֥וֹן
(vaaron)
en de ark van
עֻזֶּֽךָ
(uzekha)
Uw sterkte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Sta op, Yahweh’ klinkt als de roep van Mozes als de ark verder trok (Num. 10:35).

9Laat Uw priesters zich kleden in gerechtigheid, en laat Uw getrouwen jubelen.
כֹּהֲנֶ֥יךָ
(kohaneikha)
Uw priesters
יִלְבְּשׁוּ
(yilbeshu)
laten zich kleden
צֶ֑דֶק
(tsedeq)
in gerechtigheid
וַחֲסִידֶ֥יךָ
(vachasideikha)
en Uw getrouwen
יְרַנֵּֽנוּ
(yeranenu)
laten jubelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Om David, Uw dienaar, wijs het aangezicht van Uw gezalfde niet af.
בַּ֭עֲבוּר
(baavur)
omwille van
דָּוִ֣ד
(david)
David
עַבְדֶּ֑ךָ
(avdekha)
Uw dienaar
אַל
(al)
niet
תָּ֝שֵׁ֗ב
(tashev)
wijs af
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
מְשִׁיחֶֽךָ
(meshichekha)
Uw gezalfde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְשִׁיחֶךָ (meshichecha), ‘Uw gezalfde’: de koning uit het huis van David.

‘Het aangezicht afwijzen’ is letterlijk ‘het gezicht laten terugkeren’: een verzoek afwijzen.

Yahwehs eed aan David

11Yahweh heeft David een eed gezworen, een waarheid waarvan Hij niet terugkeert: „Een vrucht van je schoot zal Ik op je troon zetten.
נִשְׁבַּֽע
(nishba)
zwoer
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
לְדָוִ֡ד
(ledavid)
aan David
אֱמֶת֮
(emet)
waarheid
לֹֽא
(lo)
niet
יָשׁ֪וּב
(yashuv)
zal terugkeren
מִ֫מֶּ֥נָּה
(mimena)
ervan
מִפְּרִ֥י
(miperi)
van de vrucht van
בִטְנְךָ֑
(bitnekha)
uw schoot
אָ֝שִׁ֗ית
(ashit)
zal Ik zetten
לְכִסֵּא
(lekhise)
op de troon
לָֽךְ
(lakh)
voor jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt ‘van de vrucht van je schoot’: één uit het nageslacht van David, en zo steeds opnieuw.

Vergelijk 2 Sam. 7:12.

Lezing

Wij laten het rood beginnen bij ‘Een vrucht van je schoot’ en doorlopen tot en met vers 12: de inhoud van Yahwehs eed.

Vers 13 is weer de dichter.

Vers 14–18 zijn weer woorden van Yahweh.

12Als je zonen Mijn verbond houden en Mijn getuigenis dat Ik hun leer, dan zullen ook hun zonen voor altijd op je troon zitten.”
אִֽם
(im)
als
יִשְׁמְר֬וּ
(yishmeru)
zullen houden
בָנֶ֨יךָ
(baneikha)
je zonen
בְּרִיתִי֮
(beriti)
Mijn verbond
וְעֵדֹתִ֥י
(veedoti)
en Mijn getuigenis
ז֗וֹ
(zo)
dit
אֲלַ֫מְּדֵ֥ם
(alamedem)
dat Ik hun leer
גַּם
(gam)
ook
בְּנֵיהֶ֥ם
(beneihem)
hun zonen
עֲדֵי
(adei)
tot
עַ֑ד
(ad)
altijd
יֵ֝שְׁב֗וּ
(yeshevu)
zullen zitten
לְכִסֵּא
(lekhise)
op de troon
לָֽךְ
(lakh)
voor jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh kiest Sion

13Want Yahweh heeft Sion gekozen. Hij heeft het begeerd als Zijn woonplaats:
כִּֽי
(ki)
want
בָחַ֣ר
(bachar)
heeft gekozen
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּצִיּ֑וֹן
(betsiyon)
in Sion
אִ֝וָּ֗הּ
(ivah)
Hij heeft begeerd
לְמוֹשָׁ֥ב
(lemoshav)
als woonplaats
לֽוֹ
(lo)
voor Zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

14„Dit is Mijn rustplaats voor altijd. Hier zal Ik wonen, want Ik heb het begeerd.
זֹאת
(zot)
dit
מְנוּחָתִ֥י
(menuchati)
is Mijn rustplaats
עֲדֵי
(adei)
tot
עַ֑ד
(ad)
altijd
פֹּֽה
(po)
hier
אֵ֝שֵׁ֗ב
(eshev)
zal Ik wonen
כִּ֣י
(ki)
want
אִוִּתִֽיהָ
(ivitiha)
Ik heb haar begeerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 13 is de dichter: ‘Yahweh heeft Sion gekozen’.

Vanaf vers 14 spreekt Yahweh in de eerste persoon (‘Mijn rustplaats’).

Wij lezen dat als Zijn eigen woorden.

15Haar voorraad zal Ik rijkelijk zegenen. Haar armen zal Ik met brood verzadigen.
צֵ֭ידָהּ
(tseidah)
haar voorraad
בָּרֵ֣ךְ
(barekh)
rijkelijk
אֲבָרֵ֑ךְ
(avarekh)
zal Ik zegenen
אֶ֝בְיוֹנֶ֗יהָ
(evyoneiha)
haar armen
אַשְׂבִּ֥יעַֽ
(asbia)
zal Ik verzadigen
לָֽחֶם
(lachem)
met brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Haar priesters zal Ik kleden in redding, en haar getrouwen zullen luid jubelen.
וְֽ֭כֹהֲנֶיהָ
(vekhohaneiha)
en haar priesters
אַלְבִּ֣ישׁ
(albish)
zal Ik kleden
יֶ֑שַׁע
(yesha)
in redding
וַ֝חֲסִידֶ֗יהָ
(vachasideiha)
en haar getrouwen
רַנֵּ֥ן
(ranen)
jubelend
יְרַנֵּֽנוּ
(yeranenu)
zullen jubelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Daar zal Ik een hoorn voor David laten ontspruiten. Ik heb een lamp toegerust voor Mijn gezalfde.
שָׁ֤ם
(sham)
daar
אַצְמִ֣יחַ
(atsmiach)
zal Ik laten ontspruiten
קֶ֣רֶן
(qeren)
hoorn
לְדָוִ֑ד
(ledavid)
voor David
עָרַ֥כְתִּי
(arakhti)
Ik heb toegerust
נֵ֝֗ר
(ner)
lamp
לִמְשִׁיחִֽי
(limshichi)
voor Mijn gezalfde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֶרֶן (qeren), ‘hoorn’: een beeld van kracht (zie 1 Sam. 2:1, 10).

נֵר (ner), ‘lamp’: een beeld van een blijvende nazaat (zie 1 Kon. 11:36).

18Zijn vijanden zal Ik kleden in schaamte, maar op hem zal zijn kroon bloeien.”
א֭וֹיְבָיו
(oyevav)
zijn vijanden
אַלְבִּ֣ישׁ
(albish)
zal Ik kleden
בֹּ֑שֶׁת
(boshet)
in schaamte
וְ֝עָלָ֗יו
(vealav)
maar op hem
יָצִ֥יץ
(yatsits)
zal bloeien
נִזְרֽוֹ
(nizro)
zijn kroon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָצִיץ (yatsits), ‘bloeien’ of ‘schitteren’: verwant aan ציץ (tsits), ‘bloem’, ook de gouden ‘plaat’ op het hoofd van de priester (Exod. 28:36).

נֵזֶר (nezer), ‘kroon’: het teken van wijding of koningschap.