Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Kamperen bij de zee
1Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהֹוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Spreek tot de zonen van Israël: laat hen terugkeren en zich legeren voor Pi-Hachirot, tussen Migdol en de zee, tegenover Baäl-Sefon. Daartegenover moeten jullie je legeren, aan de zee.
דַּבֵּר֮
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
וְיָשֻׁ֗בוּ
(veyashuvu)
laat hen terugkeren
וְיַחֲנוּ֙
(veyachanu)
en legeren zich
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor
פִּ֣י
(pi)
de mond van
הַחִירֹ֔ת
(hachirot)
Hachirot
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
מִגְדֹּ֖ל
(migdol)
Migdol
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הַיָּ֑ם
(hayam)
de zee
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor
בַּ֣עַל
(baal)
Baäl
צְפֹ֔ן
(tsefon)
Sefon
נִכְח֥וֹ
(nikhcho)
er tegenover
תַחֲנ֖וּ
(tachanu)
zullen jullie kamperen
עַל
(al)
aan
הַיָּֽם
(hayam)
de zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Pi-Hachirot, Migdol en Baäl-Sefon lagen in het oostelijke deel van de Nijldelta of aan de rand van de woestijn, dicht bij de Rietzee; hun exacte ligging is onzeker.
Zie ook Num. 33:7.
Uitleg
Israël moet terugkeren (shuv) en zich legeren bij de zee.
Dat lijkt een verkeerde keuze, maar het is Yahweh’s plan (vers 3–4).
4Ik zal het hart van de farao sterk maken, en hij zal hen achtervolgen. Zo zal Ik verheerlijkt worden in de farao en in heel zijn leger, en de Egyptenaren zullen weten dat Ik Yahweh ben.” Zij deden zo.
וְחִזַּקְתִּ֣י
(vechizaqti)
en Ik zal sterk maken
אֶת
(et)
(obj.)
לֵב
(lev)
het hart van
פַּרְעֹה֮
(paro)
de farao
וְרָדַ֣ף
(veradaf)
en hij zal achtervolgen
אַחֲרֵיהֶם֒
(achareihem)
hen
וְאִכָּבְדָ֤ה
(veikaveda)
en Ik zal verheerlijkt worden
בְּפַרְעֹה֙
(befaro)
in de farao
וּבְכָל
(uvekhal)
en in heel
חֵיל֔וֹ
(cheilo)
zijn leger
וְיָדְע֥וּ
(veyadeu)
en zullen weten
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
de Egyptenaren
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּֽעֲשׂוּ
(vayaasu)
en zij deden
כֵֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het verheerlijken van Yahweh (כָּבֵד, kaved) in de farao staat tegenover het ‘zwaar maken’ van het hart van de farao in 7:14; 8:11.
5Toen men de koning van Egypte meldde dat het volk gevlucht was, veranderde het hart van de farao en van zijn dienaren jegens het volk. Zij zeiden: „Wat hebben wij gedaan, dat wij Israël van onze dienst hebben laten gaan?”
וַיֻּגַּד֙
(vayugad)
en werd gemeld
לְמֶ֣לֶךְ
(lemelekh)
aan de koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
כִּ֥י
(ki)
dat
בָרַ֖ח
(barach)
gevlucht was
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַ֠יֵּהָפֵךְ
(vayehafekh)
en werd veranderd
לְבַ֨ב
(levav)
het hart van
פַּרְעֹ֤ה
(paro)
de farao
וַעֲבָדָיו֙
(vaavadav)
en zijn dienaren
אֶל
(el)
jegens
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וַיֹּֽאמרוּ֙
(vayomru)
en zij zeiden
מַה
(ma)
wat
זֹּ֣את
(zot)
dit
עָשִׂ֔ינוּ
(asinu)
hebben wij gedaan
כִּֽי
(ki)
dat
שִׁלַּ֥חְנוּ
(shilachnu)
wij lieten gaan
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מֵעָבְדֵֽנוּ
(meavedenu)
van onze dienst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
8Yahweh maakte het hart van de farao, de koning van Egypte, sterk, en hij achtervolgde de zonen van Israël. De zonen van Israël trokken uit met opgeheven hand.
וַיְחַזֵּ֣ק
(vaychazeq)
en maakte sterk
יְהֹוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
לֵ֤ב
(lev)
het hart van
פַּרְעֹה֙
(paro)
de farao
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וַיִּרְדֹּ֕ף
(vayirdof)
en hij achtervolgde
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
יֹצְאִ֖ים
(yotseim)
uittrekkende
בְּיָ֥ד
(beyad)
met hand
רָמָֽה
(rama)
opgeheven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
בְּיָד רָמָה (beyad ramah), ‘met opgeheven hand’, kan ‘triomfantelijk’ of ‘vrijmoedig’ betekenen; het komt ook voor in Num. 33:3.
9De Egyptenaren achtervolgden hen en haalden hen in terwijl zij aan de zee gelegerd waren: alle paarden en wagens van de farao, zijn ruiters en zijn leger, bij Pi-Hachirot, tegenover Baäl-Sefon.
וַיִּרְדְּפ֨וּ
(vayirdefu)
en achtervolgden
מִצְרַ֜יִם
(mitsrayim)
de Egyptenaren
אַחֲרֵיהֶ֗ם
(achareihem)
hen
וַיַּשִּׂ֤יגוּ
(vayasigu)
en haalden in
אוֹתָם֙
(otam)
hen
חֹנִ֣ים
(chonim)
gelegerd
עַל
(al)
aan
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
כָּל
(kal)
alle
סוּס֙
(sus)
paard
רֶ֣כֶב
(rekhev)
wagen van
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
וּפָרָשָׁ֖יו
(ufarashav)
en zijn ruiters
וְחֵיל֑וֹ
(vecheilo)
en zijn leger
עַל
(al)
bij
פִּי֙
(pi)
de mond van
הַֽחִירֹ֔ת
(hachirot)
Hachirot
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
בַּ֥עַל
(baal)
Baäl
צְפֹֽן
(tsefon)
Sefon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Pi-Hachirot: Pi-Hachirot lag bij de Rietzee, tegenover Baäl-Sefon.
De precieze plaats is niet bekend.
Zie Baäl-Sefon: Baäl-Sefon lag bij de Rietzee, tegenover Pi-Hachirot.
10Toen de farao dichterbij kwam, sloegen de zonen van Israël hun ogen op, en zie, de Egyptenaren trokken achter hen aan. Zij werden zeer bang, en de zonen van Israël riepen tot Yahweh.
וּפַרְעֹ֖ה
(ufaro)
en de farao
הִקְרִ֑יב
(hiqriv)
kwam dichterbij
וַיִּשְׂאוּ֩
(vayisu)
en sloegen op
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֨ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
עֵינֵיהֶ֜ם
(eineihem)
hun ogen
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
מִצְרַ֣יִם
(mitsrayim)
de Egyptenaren
נֹסֵ֣עַ
(nosea)
trokken
אַחֲרֵיהֶ֗ם
(achareihem)
achter hen
וַיִּֽירְאוּ֙
(vayireu)
en zij vreesden
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וַיִּצְעֲק֥וּ
(vayitsaqu)
en riepen
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zij zeiden tot Mozes: „Waren er soms geen graven in Egypte, dat je ons hebt meegenomen om in de woestijn te sterven? Wat heb je ons aangedaan door ons uit Egypte te leiden?
וַיֹּאמְרוּ֮
(vayomru)
en zeiden
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁה֒
(moshe)
Mozes
הַֽמִבְּלִ֤י
(hamibeli)
was het omdat
אֵין
(ein)
er geen zijn
קְבָרִים֙
(qevarim)
graven
בְּמִצְרַ֔יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
לְקַחְתָּ֖נוּ
(leqachtanu)
dat je ons nam
לָמ֣וּת
(lamut)
om te sterven
בַּמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
מַה
(ma)
wat
זֹּאת֙
(zot)
dit
עָשִׂ֣יתָ
(asita)
heb je gedaan
לָּ֔נוּ
(lanu)
met ons
לְהוֹצִיאָ֖נוּ
(lehotsianu)
door ons uit te leiden
מִמִּצְרָֽיִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
De zonen van Israël beginnen te klagen.
Zij vergelijken het sterven in de woestijn met het leven in Egypte en spotten met Mozes.
12Is dit niet het woord dat wij in Egypte tot je spraken: ‘Laat ons met rust, laat ons Egypte dienen’? Want het is beter voor ons Egypte te dienen dan in de woestijn te sterven.”
הֲלֹא
(halo)
niet
זֶ֣ה
(ze)
dit
הַדָּבָ֗ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר֩
(asher)
dat
דִּבַּ֨רְנוּ
(dibarnu)
wij spraken
אֵלֶ֤יךָ
(eleikha)
tot jou
בְמִצְרַ֨יִם֙
(bemitsrayim)
in Egypte
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
חֲדַ֥ל
(chadal)
laat af
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
van ons
וְנַֽעַבְדָ֣ה
(venaavda)
en laten wij dienen
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
כִּ֣י
(ki)
want
ט֥וֹב
(tov)
beter
לָ֨נוּ֙
(lanu)
voor ons
עֲבֹ֣ד
(avod)
dienen
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
מִמֻּתֵ֖נוּ
(mimutenu)
dan ons sterven
בַּמִּדְבָּֽר
(bamidbar)
in de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
13Mozes zei tot het volk: „Wees niet bang. Blijf staan en zie de redding van Yahweh, die Hij vandaag voor jullie zal werken. Want de Egyptenaren die jullie vandaag zien, zullen jullie nooit meer zien, tot in eeuwigheid.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
הָעָם֮
(haam)
het volk
אַל
(al)
niet
תִּירָאוּ֒
(tirau)
vrees
הִֽתְיַצְב֗וּ
(hityatsvu)
ga staan
וּרְאוּ֙
(ureu)
en zie
אֶת
(et)
(obj.)
יְשׁוּעַ֣ת
(yeshuat)
de redding van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר
(asher)
die
יַעֲשֶׂ֥ה
(yaase)
Hij zal werken
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
כִּ֗י
(ki)
want
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
zoals
רְאִיתֶ֤ם
(reitem)
jullie hebben gezien
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
de Egyptenaren
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
לֹ֥א
(lo)
niet
תֹסִ֛יפוּ
(tosifu)
zullen jullie toevoegen
לִרְאֹתָ֥ם
(lirotam)
hen te zien
ע֖וֹד
(od)
nog
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Blijf staan en zie de redding van Yahweh’: Israël hoeft niet te vechten.
17Zie, Ik ga het hart van de Egyptenaren sterk maken, en zij zullen achter hen aan komen. Zo zal Ik verheerlijkt worden in de farao en in heel zijn leger, in zijn wagens en zijn ruiters.
וַאֲנִ֗י
(vaani)
en Ik
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie, Ik
מְחַזֵּק֙
(mechazeq)
maak sterk
אֶת
(et)
(obj.)
לֵ֣ב
(lev)
het hart van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
de Egyptenaren
וְיָבֹ֖אוּ
(veyavou)
en zij zullen komen
אַחֲרֵיהֶ֑ם
(achareihem)
achter hen
וְאִכָּבְדָ֤ה
(veikaveda)
en Ik zal verheerlijkt worden
בְּפַרְעֹה֙
(befaro)
in de farao
וּבְכָל
(uvekhal)
en in heel
חֵיל֔וֹ
(cheilo)
zijn leger
בְּרִכְבּ֖וֹ
(berikhbo)
in zijn wagens
וּבְפָרָשָֽׁיו
(uvefarashav)
en in zijn ruiters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19De engel van Elohim, die voor het kamp van Israël uit ging, trok weg en ging achter hen. Ook de wolkkolom trok van voor hen weg en ging achter hen staan.
וַיִּסַּ֞ע
(vayisa)
en trok weg
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
de engel van
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
Elohim
הַהֹלֵךְ֙
(haholekh)
die ging
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor
מַחֲנֵ֣ה
(machane)
het kamp van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en ging
מֵאַחֲרֵיהֶ֑ם
(meachareihem)
achter hen
וַיִּסַּ֞ע
(vayisa)
en trok weg
עַמּ֤וּד
(amud)
de zuil van
הֶֽעָנָן֙
(heanan)
de wolk
מִפְּנֵיהֶ֔ם
(mipeneihem)
van voor hen
וַיַּֽעֲמֹ֖ד
(vayaamod)
en ging staan
מֵאַחֲרֵיהֶֽם
(meachareihem)
achter hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De ‘engel van Elohim’ (מַלְאַךְ הָאֱלֹהִים, mal’akh ha’Elohim) en de wolkkolom zijn hier Yahweh’s aanwezigheid die het volk beschermt; zij gaan achter Israël staan.
20Hij kwam tussen het kamp van Egypte en het kamp van Israël. Er was wolk en duisternis, en de nacht werd verlicht. Heel die nacht kwam het ene kamp niet dichter bij het andere.
וַיָּבֹ֞א
(vayavo)
en kwam
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
מַחֲנֵ֣ה
(machane)
het kamp van
מִצְרַ֗יִם
(mitsrayim)
Egypte
וּבֵין֙
(uvein)
en tussen
מַחֲנֵ֣ה
(machane)
het kamp van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en was
הֶֽעָנָן֙
(heanan)
de wolk
וְהַחֹ֔שֶׁךְ
(vehachoshekh)
en de duisternis
וַיָּ֖אֶר
(vayaer)
en verlichtte
אֶת
(et)
(obj.)
הַלָּ֑יְלָה
(halayela)
de nacht
וְלֹא
(velo)
en niet
קָרַ֥ב
(qarav)
kwam dichtbij
זֶ֛ה
(ze)
deze
אֶל
(el)
tot
זֶ֖ה
(ze)
deze
כָּל
(kal)
heel
הַלָּֽיְלָה
(halayela)
de nacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
וַיְהִי הֶעָנָן וְהַחֹשֶׁךְ וַיָּאֶר אֶת־הַלָּיְלָה (vayehi he’anan vehachoshekh vaya’er et-hallailah) is moeilijk: ‘de wolk en de duisternis’ en toch ‘verlichtte de nacht’.
Dat kan betekenen: voor Egypte was de wolk duisternis, voor Israël verlichtte hij de nacht.
21Mozes strekte zijn hand uit over de zee. Yahweh liet de zee heel die nacht wegvloeien door een sterke oostenwind en maakte de zee tot droog land. De wateren werden gesplitst.
וַיֵּ֨ט
(vayet)
en strekte uit
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
יָדוֹ֮
(yado)
zijn hand
עַל
(al)
over
הַיָּם֒
(hayam)
de zee
וַיּ֣וֹלֶךְ
(vayolekh)
en liet gaan
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַ֠יָּם
(hayam)
de zee
בְּר֨וּחַ
(beruach)
door wind
קָדִ֤ים
(qadim)
oost
עַזָּה֙
(aza)
sterke
כָּל
(kal)
heel
הַלַּ֔יְלָה
(halayla)
de nacht
וַיָּ֥שֶׂם
(vayasem)
en maakte
אֶת
(et)
(obj.)
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
לֶחָרָבָ֑ה
(lecharava)
tot droog land
וַיִּבָּקְע֖וּ
(vayibaqeu)
en werden gesplitst
הַמָּֽיִם
(hamayim)
de wateren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De ‘oostenwind’ (רוּחַ קָדִים, ruach qadim) was ook de wind van de sprinkhanen (10:13).
25Hij nam de wielen van hun wagens weg, zodat zij met moeite voortgingen. De Egyptenaren zeiden: „Laten wij vluchten voor Israël, want Yahweh strijdt voor hen tegen Egypte.”
וַיָּ֗סַר
(vayasar)
en nam weg
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
אֹפַ֣ן
(ofan)
het wiel van
מַרְכְּבֹתָ֔יו
(markevotav)
zijn wagens
וַֽיְנַהֲגֵ֖הוּ
(vaynahagehu)
en liet ze rijden
בִּכְבֵדֻ֑ת
(bikhvedut)
met moeite
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מִצְרַ֗יִם
(mitsrayim)
Egypte
אָנ֨וּסָה֙
(anusa)
laten wij vluchten
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כִּ֣י
(ki)
want
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
נִלְחָ֥ם
(nilcham)
strijdt
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
בְּמִצְרָֽיִם
(bemitsrayim)
tegen Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
וַיָּסַר אֵת אֹפַן מַרְכְּבֹתָיו (vayasar et ofan markevotav), ‘hij nam het wiel van zijn wagens weg’; de Samaritaanse tekst en de Griekse vertaling lezen ‘hij bond vast’ (וַיֶּאְסֹר, vaye’sor), dus ‘zij sloegen de wielen vast’.
27Mozes strekte zijn hand uit over de zee. Bij het aanbreken van de morgen keerde de zee terug naar haar vaste plaats, terwijl de Egyptenaren er tegenaan vluchtten. Yahweh schudde de Egyptenaren midden in de zee af.
וַיֵּט֩
(vayet)
en strekte uit
מֹשֶׁ֨ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
יָד֜וֹ
(yado)
zijn hand
עַל
(al)
over
הַיָּ֗ם
(hayam)
de zee
וַיָּ֨שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
הַיָּ֜ם
(hayam)
de zee
לִפְנ֥וֹת
(lifnot)
bij het keren van
בֹּ֨קֶר֙
(boqer)
de morgen
לְאֵ֣יתָנ֔וֹ
(leeitano)
naar zijn gewone stroom
וּמִצְרַ֖יִם
(umitsrayim)
en de Egyptenaren
נָסִ֣ים
(nasim)
vluchtend
לִקְרָאת֑וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
וַיְנַעֵ֧ר
(vaynaer)
en schudde af
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
de Egyptenaren
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
in het midden van
הַיָּֽם
(hayam)
de zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְאֵיתָנוֹ (le’eitano), ‘naar zijn gewone stroom’ of ‘naar zijn vaste toestand’; zie ook Deut. 21:4 en Amos 5:24 (voor ‘altijd stromend’).
28De wateren keerden terug en bedekten de wagens en de ruiters van heel het leger van de farao dat achter hen aan de zee was ingegaan. Niet één van hen bleef over.
וַיָּשֻׁ֣בוּ
(vayashuvu)
en keerden terug
הַמַּ֗יִם
(hamayim)
de wateren
וַיְכַסּ֤וּ
(vaykhasu)
en bedekten
אֶת
(et)
(obj.)
הָרֶ֨כֶב֙
(harekhev)
de wagens
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַפָּ֣רָשִׁ֔ים
(haparashim)
de ruiters
לְכֹל֙
(lekhol)
van heel
חֵ֣יל
(cheil)
het leger van
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
הַבָּאִ֥ים
(habaim)
die kwamen
אַחֲרֵיהֶ֖ם
(achareihem)
achter hen
בַּיָּ֑ם
(bayam)
in de zee
לֹֽא
(lo)
niet
נִשְׁאַ֥ר
(nishar)
bleef over
בָּהֶ֖ם
(bahem)
van hen
עַד
(ad)
tot
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)