Elohim Bijbel

1 Koningen 22

12345678910111213141516171819202122

Micha en de dood van Achab

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Josafat bij Achab

1Drie jaar lang was er geen oorlog tussen Aram en Israël.
וַיֵּשְׁב֖וּ
(vayeshevu)
en zij bleven
שָׁלֹ֣שׁ
(shalosh)
drie
שָׁנִ֑ים
(shanim)
jaren
אֵ֚ין
(ein)
niet is
מִלְחָמָ֔ה
(milchama)
oorlog
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
אֲרָ֖ם
(aram)
Aram
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De drie jaren vrede volgen op het verbond van Achab en Ben-Hadad in 1 Kon. 20:34.

2In het derde jaar ging Josafat, de koning van Juda, naar de koning van Israël.
וַיְהִ֖י
(vayhi)
en het was
בַּשָּׁנָ֣ה
(bashana)
in het jaar
הַשְּׁלִישִׁ֑ית
(hashelishit)
de derde
וַיֵּ֛רֶד
(vayered)
en ging af
יְהוֹשָׁפָ֥ט
(yehoshafat)
Josafat
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
אֶל
(el)
naar
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3De koning van Israël zei tegen zijn dienaren: „Weten jullie niet dat Ramot in Gilead van ons is? Wij blijven stil en nemen het niet terug uit de hand van de koning van Aram.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
עֲבָדָ֔יו
(avadav)
zijn dienaren
הַיְדַעְתֶּ֕ם
(haydatem)
weten jullie
כִּֽי
(ki)
dat
לָ֖נוּ
(lanu)
van ons
רָמֹ֣ת
(ramot)
Ramot
גִּלְעָ֑ד
(gilad)
Gilead
וַאֲנַ֣חְנוּ
(vaanachnu)
en wij
מַחְשִׁ֔ים
(machshim)
zwijgend
מִקַּ֣חַת
(miqachat)
om te nemen
אֹתָ֔הּ
(otah)
het
מִיַּ֖ד
(miyad)
uit de hand van
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָֽם
(aram)
Aram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ramot in Gilead lag in het noorden van Gilead, aan de oostkant van de Jordaan.

De ligging is niet zeker; vaak wordt gedacht aan Tell Ramith of aan Ramtha, in het noorden van het huidige Jordanië.

Het was een vrijstad (Deut. 4:43; Joz. 20:8).

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

4Hij zei tegen Josafat: „Wil je met mij meegaan om te strijden bij Ramot in Gilead?” Josafat zei tegen de koning van Israël: „Ik ben als u, mijn volk is als uw volk, mijn paarden zijn als uw paarden.”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tot
יְה֣וֹשָׁפָ֔ט
(yehoshafat)
Josafat
הֲתֵלֵ֥ךְ
(hatelekh)
ga je
אִתִּ֛י
(iti)
met mij
לַמִּלְחָמָ֖ה
(lamilchama)
tot strijd
רָמֹ֣ת
(ramot)
Ramot
גִּלְעָ֑ד
(gilad)
Gilead
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהֽוֹשָׁפָט֙
(yehoshafat)
Josafat
אֶל
(el)
tot
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כָּמ֧וֹנִי
(kamoni)
zoals ik
כָמ֛וֹךָ
(kamokha)
zoals jij
כְּעַמִּ֥י
(keami)
zoals mijn volk
כְעַמֶּ֖ךָ
(keamekha)
zoals jouw volk
כְּסוּסַ֥י
(kesusay)
zoals mijn paarden
כְּסוּסֶֽיךָ
(kesuseikha)
zoals jouw paarden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië.

Dit is niet zeker.

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

De profeten van Achab

5Josafat zei tegen de koning van Israël: „Vraag toch eerst vandaag naar het woord van Yahweh.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוֹשָׁפָ֖ט
(yehoshafat)
Josafat
אֶל
(el)
tot
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
דְּרָשׁ
(derash)
vraag
נָ֥א
(na)
toch
כַיּ֖וֹם
(kayom)
vandaag
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבַ֥ר
(devar)
woord van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Josafat vraagt eerst naar het woord van Yahweh.

Daarna pas gaat hij verder met het plan van Achab.

Zie ook vers 7.

6De koning van Israël riep de profeten bijeen, ongeveer 400 man. Hij zei tegen hen: „Moet ik optrekken naar Ramot in Gilead om te strijden, of moet ik ervan afzien?” Zij zeiden: „Trek op. Mijn Heer zal het in de hand van de koning geven.”
וַיִּקְבֹּ֨ץ
(vayiqbots)
en verzamelde
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַנְּבִיאִים֮
(haneviim)
de profeten
כְּאַרְבַּ֣ע
(kearba)
ongeveer
מֵא֣וֹת
(meot)
vierhonderd
אִישׁ֒
(ish)
man
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶ֗ם
(alehem)
tot hen
הַאֵלֵ֞ךְ
(haelekh)
zal ik gaan
עַל
(al)
naar
רָמֹ֥ת
(ramot)
Ramot
גִּלְעָ֛ד
(gilad)
Gilead
לַמִּלְחָמָ֖ה
(lamilchama)
tot strijd
אִם
(im)
of
אֶחְדָּ֑ל
(echdal)
ik zal afzien
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zij zeiden
עֲלֵ֔ה
(ale)
trek op
וְיִתֵּ֥ן
(veyiten)
en zal geven
אֲדֹנָ֖י
(adonay)
Heer
בְּיַ֥ד
(beyad)
in de hand van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië.

Dit is niet zeker.

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Uitleg

אֲדֹנָי (adonai), ‘mijn Heer’: de profeten zeggen hier Adonai, niet Yahweh.

Josafat vraagt daarna of er ook nog een profeet van Yahweh is (vers 7).

In vers 12 gebruiken de profeten wel de Naam Yahweh.

Het getal 400 staat er met ‘ongeveer’ (כְּאַרְבַּע מֵאוֹת, ke'arba me'ot).

7Josafat zei: „Is er hier niet nog een profeet van Yahweh? Dan kunnen wij via hem vragen.”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
יְה֣וֹשָׁפָ֔ט
(yehoshafat)
Josafat
הַאֵ֨ין
(haein)
is er niet
פֹּ֥ה
(po)
hier
נָבִ֛יא
(navi)
profeet
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
van Yahweh
ע֑וֹד
(od)
nog
וְנִדְרְשָׁ֖ה
(venidresha)
en laten wij vragen
מֵאוֹתֽוֹ
(meoto)
via hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Josafat vraagt naar een ‘profeet van Yahweh’.

Hij wil dus ook nog raad van een profeet van Yahweh zelf.

Micha, de zoon van Jimla

8De koning van Israël zei tegen Josafat: „Er is nog één man door wie wij Yahweh kunnen raadplegen. Maar ik haat hem, want over mij profeteert hij nooit iets goeds, alleen kwaad. Het is Micha, de zoon van Jimla.” Josafat zei: „Laat de koning dat niet zeggen.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
אֶֽל
(el)
tot
יְהוֹשָׁפָ֡ט
(yehoshafat)
Josafat
ע֣וֹד
(od)
nog
אִישׁ
(ish)
man
אֶחָ֡ד
(echad)
een
לִדְרֹשׁ֩
(lidrosh)
om te vragen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵאֹת֜וֹ
(meoto)
via hem
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
שְׂנֵאתִ֗יו
(senetiv)
haat hem
כִּ֠י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
יִתְנַבֵּ֨א
(yitnabe)
profeteert
עָלַ֥י
(alay)
over mij
טוֹב֙
(tov)
goed
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
רָ֔ע
(ra)
kwaad
מִיכָ֖יְהוּ
(mikhayehu)
Micha
בֶּן
(ben)
zoon van
יִמְלָ֑ה
(yimla)
Jimla
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
יְה֣וֹשָׁפָ֔ט
(yehoshafat)
Josafat
אַל
(al)
niet
יֹאמַ֥ר
(yomar)
laat zeggen
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כֵּֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִיכָיְהוּ (mikhayehu), ‘Micha’: in de naam zit de Naam van Yahweh.

Wij schrijven ‘Micha’.

Hij is een andere man dan de profeet Micha van het boek Micha.

9De koning van Israël riep een hofdienaar en zei: „Haal snel Micha, de zoon van Jimla.”
וַיִּקְרָא֙
(vayiqra)
en riep
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
סָרִ֖יס
(saris)
hofdienaar
אֶחָ֑ד
(echad)
een
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
מַהֲרָ֖ה
(mahara)
haast
מִיכָ֥יְהוּ
(mikhayehu)
Micha
בֶן
(ben)
zoon van
יִמְלָֽה
(yimla)
Jimla
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סָרִיס (saris), ‘hofdienaar’: iemand in dienst van het hof.

Het woord kan ook ‘eunuch’ betekenen; wij kiezen het algemene ‘hofdienaar’.

10De koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, zaten ieder op zijn troon, gekleed in hun gewaden. Zij zaten op de dorsvloer, bij de ingang van de poort van Samaria. Alle profeten profeteerden voor hen.
וּמֶ֣לֶךְ
(umelekh)
en koning van
יִשְׂרָאֵ֡ל
(yisrael)
Israël
וִֽיהוֹשָׁפָ֣ט
(vihoshafat)
en Josafat
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֡ה
(yehuda)
Juda
יֹשְׁבִים֩
(yoshevim)
zittend
אִ֨ישׁ
(ish)
man
עַל
(al)
op
כִּסְא֜וֹ
(kiso)
zijn troon
מְלֻבָּשִׁ֤ים
(melubashim)
gekleed
בְּגָדִים֙
(begadim)
in gewaden
בְּגֹ֔רֶן
(begoren)
op de dorsvloer
פֶּ֖תַח
(petach)
ingang van
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
שֹׁמְר֑וֹן
(shomeron)
Samaria
וְכָ֨ל
(vekhal)
en alle
הַנְּבִיאִ֔ים
(haneviim)
de profeten
מִֽתְנַבְּאִ֖ים
(mitnabeim)
profeterend
לִפְנֵיהֶֽם
(lifneihem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Samaria: zie 1 Kon. 20:1.

De dorsvloer was een open plek bij de poort.

Uitleg

מְלֻבָּשִׁים בְּגָדִים (melubbashim begadim), ‘gekleed in gewaden’: de tekst zegt niet welke gewaden.

Wij voegen niets toe.

11Zedekia, de zoon van Kenaäna, maakte voor zich ijzeren hoorns. Hij zei: „Zo zegt Yahweh: ‘Hiermee stoot je Aram, tot zij vernietigd zijn.’”
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en maakte
ל֛וֹ
(lo)
voor zich
צִדְקִיָּ֥ה
(tsidqiya)
Zedekia
בֶֽן
(ben)
zoon van
כְּנַעֲנָ֖ה
(kenaana)
Kenaäna
קַרְנֵ֣י
(qarnei)
hoorns van
בַרְזֶ֑ל
(barzel)
ijzer
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּאֵ֛לֶּה
(beele)
hiermee
תְּנַגַּ֥ח
(tenagach)
zul je stoten
אֶת
(et)
(obj.)
אֲרָ֖ם
(aram)
Aram
עַד
(ad)
tot
כַּלֹּתָֽם
(kalotam)
hun vernietiging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zedekia citeert Yahweh.

Zijn woorden staan daarom niet in rood, maar in zwart met enkele aanhalingstekens, zoals bij de profeten in 1 Kon. 20:13.

De uitkomst laat zien dat zijn woorden niet uitkomen.

קַרְנֵי בַרְזֶל (qarnei barzel), ‘hoorns van ijzer’: een beeld van kracht, zoals de hoorns van een stier. Zie ook Deut. 33:17.

12Alle profeten profeteerden hetzelfde: „Trek op naar Ramot in Gilead en wees succesvol. Yahweh zal het in de hand van de koning geven.”
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַנְּבִאִ֔ים
(haneviim)
de profeten
נִבְּאִ֥ים
(nibeim)
profeteerden
כֵּ֖ן
(ken)
zo
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
עֲלֵ֞ה
(ale)
trek op
רָמֹ֤ת
(ramot)
Ramot
גִּלְעָד֙
(gilad)
Gilead
וְהַצְלַ֔ח
(vehatslach)
en wees succesvol
וְנָתַ֥ן
(venatan)
en zal geven
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַ֥ד
(beyad)
in de hand van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië.

Dit is niet zeker.

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Uitleg

De profeten noemen nu de Naam Yahweh.

Zij zeggen ‘wees succesvol’ (הַצְלַח, hatslach).

Wat zij zeggen, is gunstig voor de koning en past bij vers 6.

Micha spreekt

13De bode die Micha was gaan roepen, zei tegen hem: „Zie toch, de woorden van de profeten zijn met één mond goed voor de koning. Laat uw woord toch zijn als het woord van een van hen. Spreek goed.”
וְהַמַּלְאָ֞ךְ
(vehamalakh)
en de bode
אֲשֶׁר
(asher)
die
הָלַ֣ךְ
(halakh)
was gegaan
לִקְרֹ֣א
(liqro)
om te roepen
מִיכָ֗יְהוּ
(mikhayehu)
Micha
דִּבֶּ֤ר
(diber)
sprak
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּה
(hine)
zie
נָ֞א
(na)
toch
דִּבְרֵ֧י
(divrei)
woorden van
הַנְּבִיאִ֛ים
(haneviim)
de profeten
פֶּֽה
(pe)
mond
אֶחָ֥ד
(echad)
één
ט֖וֹב
(tov)
goed
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
יְהִֽי
(yehi)
laat zijn
נָ֣א
(na)
toch
דְבָרְךָ֗
(devarekha)
jouw woord
כִּדְבַ֛ר
(kidvar)
zoals het woord van
אַחַ֥ד
(achad)
een
מֵהֶ֖ם
(mehem)
van hen
וְדִבַּ֥רְתָּ
(vedibarta)
en spreek
טּֽוֹב
(tov)
goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘uw woorden’ (דבריך), het qere ‘uw woord’ (דְבָרְךָ).

Wij volgen het qere, dat past bij ‘een woord’ in de rest van de zin.

14Micha zei: „Zo waar Yahweh leeft: wat Yahweh tegen mij zegt, dat zal ik spreken.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
מִיכָ֑יְהוּ
(mikhayehu)
Micha
חַי
(chay)
leeft
יְהוָ֕ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֠י
(ki)
dat
אֶת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
יֹאמַ֧ר
(yomar)
zal zeggen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֖י
(elay)
tot mij
אֹת֥וֹ
(oto)
(obj.)-hem
אֲדַבֵּֽר
(adaber)
zal ik spreken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַי־יְהוָה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een eed.

Zie ook 1 Sam. 28:10.

15Hij kwam bij de koning. De koning zei tegen hem: „Micha, moeten wij optrekken naar Ramot in Gilead om te strijden, of moeten wij ervan afzien?” Hij zei tegen hem: „Trek op en wees succesvol. Yahweh zal het in de hand van de koning geven.”
וַיָּבוֹא֮
(vayavo)
en kwam
אֶל
(el)
naar
הַמֶּלֶךְ֒
(hamelekh)
de koning
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
מִיכָ֨יְהוּ֙
(mikhayehu)
Micha
הֲנֵלֵ֞ךְ
(hanelekh)
zullen wij gaan
אֶל
(el)
naar
רָמֹ֥ת
(ramot)
Ramot
גִּלְעָ֛ד
(gilad)
Gilead
לַמִּלְחָמָ֖ה
(lamilchama)
tot strijd
אִם
(im)
of
נֶחְדָּ֑ל
(nechdal)
zullen wij afzien
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
עֲלֵ֣ה
(ale)
trek op
וְהַצְלַ֔ח
(vehatslach)
en wees succesvol
וְנָתַ֥ן
(venatan)
en zal geven
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַ֥ד
(beyad)
in de hand van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië.

Dit is niet zeker.

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Lezing

Micha herhaalt hier de woorden van de andere profeten.

De koning reageert in vers 16 alsof hij niet de waarheid spreekt.

De tekst zegt niet hoe Micha het zegt; wij vertalen letterlijk.

16De koning zei tegen hem: „Hoe vaak moet ik je laten zweren dat je mij in de naam van Yahweh niets dan waarheid spreekt?”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עַד
(ad)
tot
כַּמֶּ֥ה
(kame)
hoeveel
פְעָמִ֖ים
(peamim)
keren
אֲנִ֣י
(ani)
ik
מַשְׁבִּעֶ֑ךָ
(mashbiekha)
laat je zweren
אֲ֠שֶׁר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
תְדַבֵּ֥ר
(tedaber)
je zult spreken
אֵלַ֛י
(elay)
tot mij
רַק
(raq)
alleen
אֱמֶ֖ת
(emet)
waarheid
בְּשֵׁ֥ם
(beshem)
in de naam van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het visioen van Micha

17Hij zei: „Ik zag heel Israël verspreid over de bergen, als schapen die geen herder hebben. Yahweh zei: ‘Dezen hebben geen heren. Laat ieder in vrede naar zijn huis terugkeren.’”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
רָאִ֤יתִי
(raiti)
ik zag
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
נְפֹצִ֣ים
(nefotsim)
verspreid
אֶל
(el)
naar
הֶהָרִ֔ים
(heharim)
de bergen
כַּצֹּ֕אן
(katson)
als schapen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אֵין
(ein)
niet is
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
רֹעֶ֑ה
(roe)
herder
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לֹֽא
(lo)
niet
אֲדֹנִ֣ים
(adonim)
heren
לָאֵ֔לֶּה
(laele)
voor dezen
יָשׁ֥וּבוּ
(yashuvu)
laten terugkeren
אִישׁ
(ish)
man
לְבֵית֖וֹ
(leveito)
naar zijn huis
בְּשָׁלֽוֹם
(beshalom)
in vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier vertelt Micha wat hij gezien heeft.

De woorden van Yahweh in dit visioen (vers 17, 20, 21 en 22) staan in rood.

De rest van het verhaal van Micha staat in zwart.

רֹעֶה (ro'eh), ‘herder’ en אֲדֹנִים (adonim), ‘heren’: het woord ‘heren’ staat in het meervoud. Wij vertalen letterlijk. ‘Als schapen die geen herder hebben’ staat ook in Num. 27:17.

18De koning van Israël zei tegen Josafat: „Heb ik je niet gezegd: Over mij profeteert hij nooit iets goeds, alleen kwaad?”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
יְהוֹשָׁפָ֑ט
(yehoshafat)
Josafat
הֲלוֹא֙
(halo)
niet
אָמַ֣רְתִּי
(amarti)
ik zei
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tot jou
לֽוֹא
(lo)
niet
יִתְנַבֵּ֥א
(yitnabe)
profeteert
עָלַ֛י
(alay)
over mij
ט֖וֹב
(tov)
goed
כִּ֥י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
רָֽע
(ra)
kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Micha zei: „Luister daarom naar het woord van Yahweh. Ik zag Yahweh zitten op Zijn troon. Heel het leger van de hemel stond bij Hem, aan Zijn rechterhand en aan Zijn linkerhand.
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָכֵ֖ן
(lakhen)
daarom
שְׁמַ֣ע
(shema)
luister
דְּבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
רָאִ֤יתִי
(raiti)
ik zag
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
יֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
zittend
עַל
(al)
op
כִּסְא֔וֹ
(kiso)
zijn troon
וְכָל
(vekhal)
en heel
צְבָ֤א
(tseva)
leger van
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
עֹמֵ֣ד
(omed)
staand
עָלָ֔יו
(alav)
bij Hem
מִימִינ֖וֹ
(mimino)
aan Zijn rechterhand
וּמִשְּׂמֹאלֽוֹ
(umisemolo)
en aan Zijn linkerhand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘leger van de hemel’: de hemelse wezens rondom de troon van Yahweh.

Dit gedeelte tot en met vers 23 beschrijft een visioen: Micha ziet Yahweh en Zijn raad.

20Yahweh zei: ‘Wie wil Achab overhalen, zodat hij optrekt en bij Ramot in Gilead valt?’ De een zei dit en de ander zei dat.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
מִ֤י
(mi)
wie
יְפַתֶּה֙
(yefate)
zal overhalen
אֶת
(et)
(obj.)
אַחְאָ֔ב
(achav)
Achab
וְיַ֕עַל
(veyaal)
en hij zal optrekken
וְיִפֹּ֖ל
(veyipol)
en vallen
בְּרָמֹ֣ת
(beramot)
bij Ramot
גִּלְעָ֑ד
(gilad)
Gilead
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
זֶה֙
(ze)
de een
בְּכֹ֔ה
(bekho)
zo
וְזֶ֥ה
(veze)
en de ander
אֹמֵ֖ר
(omer)
zei
בְּכֹֽה
(bekho)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië.

Dit is niet zeker.

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Uitleg

פָּתָה (patah), ‘overhalen’: iemand door woorden meekrijgen, ook door misleiding.

Dezelfde werkwoordsvorm staat in vers 21 en 22.

21Toen kwam de geest naar voren en ging staan voor het aangezicht van Yahweh. Hij zei: ‘Ik zal hem overhalen.’ Yahweh zei tegen hem: ‘Waarmee?’
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en kwam naar voren
הָר֗וּחַ
(haruach)
de geest
וַֽיַּעֲמֹד֙
(vayaamod)
en stond
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲנִ֣י
(ani)
ik
אֲפַתֶּ֑נּוּ
(afatenu)
ik zal hem overhalen
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
בַּמָּֽה
(bama)
waarmee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָרוּחַ (haruach), ‘de geest’: met het lidwoord, dus een bepaalde geest.

De tekst zegt niet welke geest het is en hoe hij heet.

Wij schrijven ‘geest’ met een kleine letter; het gaat niet om de Geest van Elohim.

22Hij zei: ‘Ik ga eropuit en word een leugengeest in de mond van al zijn profeten.’ Hij zei: ‘Je zult hem overhalen en je zult het ook kunnen. Ga eropuit en doe zo.’
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵצֵא֙
(etse)
ik zal uitgaan
וְהָיִ֨יתִי֙
(vehayiti)
en ik zal zijn
ר֣וּחַ
(ruach)
geest van
שֶׁ֔קֶר
(sheqer)
leugen
בְּפִ֖י
(befi)
in de mond van
כָּל
(kal)
alle
נְבִיאָ֑יו
(neviav)
zijn profeten
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
תְּפַתֶּה֙
(tefate)
je zult overhalen
וְגַם
(vegam)
en ook
תּוּכָ֔ל
(tukhal)
je zult kunnen
צֵ֖א
(tse)
ga uit
וַעֲשֵׂה
(vaase)
en doe
כֵֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ שֶׁקֶר (ruach sheqer), ‘leugengeest’: letterlijk ‘een geest van leugen’.

Yahweh stuurt de geest niet zomaar weg: Hij zegt ‘je zult het ook kunnen’ en vers 23 zegt dat Yahweh de leugengeest in de mond van de profeten heeft gegeven.

Wij vertalen letterlijk en leggen niets uit wat er niet staat.

Zie ook 1 Sam. 16:14 (‘een boze geest van Yahweh’).

De woorden van Yahweh in het visioen staan in rood, de woorden van de geest in zwart.

23Zie nu, Yahweh heeft een leugengeest gegeven in de mond van al deze profeten van u. En Yahweh heeft onheil over u gesproken.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
נָתַ֤ן
(natan)
heeft gegeven
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
ר֣וּחַ
(ruach)
geest van
שֶׁ֔קֶר
(sheqer)
leugen
בְּפִ֖י
(befi)
in de mond van
כָּל
(kal)
alle
נְבִיאֶ֣יךָ
(nevieikha)
uw profeten
אֵ֑לֶּה
(ele)
deze
וַֽיהוָ֔ה
(vaYahweh)
en Yahweh
דִּבֶּ֥ר
(diber)
heeft gesproken
עָלֶ֖יךָ
(aleikha)
over u
רָעָֽה
(raa)
onheil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Zedekia slaat Micha

24Zedekia, de zoon van Kenaäna, kwam naderbij en sloeg Micha op de kaak. Hij zei: „Langs welke weg is de Geest van Yahweh van mij weggegaan om met jou te spreken?”
וַיִּגַּשׁ֙
(vayigash)
en kwam naderbij
צִדְקִיָּ֣הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
בֶֽן
(ben)
zoon van
כְּנַעֲנָ֔ה
(kenaana)
Kenaäna
וַיַּכֶּ֥ה
(vayake)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
מִיכָ֖יְהוּ
(mikhayehu)
Micha
עַל
(al)
op
הַלֶּ֑חִי
(halechi)
de kaak
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵי
(ei)
waar
זֶ֨ה
(ze)
dit
עָבַ֧ר
(avar)
ging voorbij
רֽוּחַ
(ruach)
Geest van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵאִתִּ֖י
(meiti)
van mij
לְדַבֵּ֥ר
(ledaber)
om te spreken
אוֹתָֽךְ
(otakh)
met jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ יְהוָה (ruach Yahweh), ‘Geest van Yahweh’: Zedekia zegt dat de Geest van Yahweh bij hem was.

Hij geeft Micha daarmee een klap op de kaak.

Wij schrijven ‘Geest’ met een hoofdletter, omdat het gaat om de Geest van Yahweh.

25Micha zei: „Zie, je zult het zien op die dag, wanneer je een kamer binnen een kamer ingaat om je te verbergen.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מִיכָ֔יְהוּ
(mikhayehu)
Micha
הִנְּךָ֥
(hinekha)
zie jij
רֹאֶ֖ה
(roe)
ziend
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֑וּא
(hahu)
die
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
תָּבֹ֛א
(tavo)
je zult gaan
חֶ֥דֶר
(cheder)
kamer
בְּחֶ֖דֶר
(becheder)
in kamer
לְהֵחָבֵֽה
(lehechave)
om je te verbergen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶדֶר בְּחֶדֶר (cheder becheder), ‘kamer in kamer’: zie 1 Kon. 20:30.

Micha spreekt hier tot Zedekia (vers 24).

26De koning van Israël zei: „Neem Micha en breng hem terug naar Amon, de stadsoverste, en naar Joas, de zoon van de koning.
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
קַ֚ח
(qach)
neem
אֶת
(et)
(obj.)
מִיכָ֔יְהוּ
(mikhayehu)
Micha
וַהֲשִׁיבֵ֖הוּ
(vahashivehu)
en breng hem terug
אֶל
(el)
naar
אָמֹ֣ן
(amon)
Amon
שַׂר
(sar)
overste van
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וְאֶל
(veel)
en naar
יוֹאָ֖שׁ
(yoash)
Joas
בֶּן
(ben)
zoon van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֶּן־הַמֶּלֶךְ (ben hamelekh), ‘zoon van de koning’: de tekst zegt niet of dit een echte zoon is of een titel.

Wij vertalen letterlijk.

27Je moet zeggen: Zo zegt de koning: Zet deze man in de gevangenis. Geef hem brood van de nood en water van de nood, tot ik in vrede terugkom.”
וְאָמַרְתָּ֗
(veamarta)
en je zult zeggen
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שִׂ֥ימוּ
(simu)
zet
אֶת
(et)
(obj.)
זֶ֖ה
(ze)
deze
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
הַכֶּ֑לֶא
(hakele)
de gevangenis
וְהַאֲכִילֻ֨הוּ
(vehaakhiluhu)
en laat hem eten
לֶ֤חֶם
(lechem)
brood van
לַ֨חַץ֙
(lachats)
nood
וּמַ֣יִם
(umayim)
en water van
לַ֔חַץ
(lachats)
nood
עַ֖ד
(ad)
totdat
בֹּאִ֥י
(boi)
mijn komen
בְשָׁלֽוֹם
(beshalom)
in vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֶחֶם לַחַץ (lechem lachats), ‘brood van de nood’: een karig rantsoen, brood van onderdrukking.

Zie ook Jes. 30:20.

28Micha zei: „Als u werkelijk in vrede terugkeert, heeft Yahweh niet door mij gesproken.” Hij zei: „Luister, alle volken!”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מִיכָ֔יְהוּ
(mikhayehu)
Micha
אִם
(im)
als
שׁ֤וֹב
(shov)
terugkeren
תָּשׁוּב֙
(tashuv)
je zult terugkeren
בְּשָׁל֔וֹם
(beshalom)
in vrede
לֹֽא
(lo)
niet
דִבֶּ֥ר
(diber)
heeft gesproken
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּ֑י
(bi)
door mij
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שִׁמְע֖וּ
(shimu)
luister
עַמִּ֥ים
(amim)
volken
כֻּלָּֽם
(kulam)
allen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁמְעוּ עַמִּים כֻּלָּם (shim'u ammim kullam), ‘luister, alle volken’: dezelfde woorden staan in Micha 1:2.

De dood van Achab

29De koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, trokken op naar Ramot in Gilead.
וַיַּ֧עַל
(vayaal)
en trok op
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
וְיהוֹשָׁפָ֥ט
(veyhoshafat)
en Josafat
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
רָמֹ֥ת
(ramot)
Ramot
גִּלְעָֽד
(gilad)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië.

Dit is niet zeker.

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

30De koning van Israël zei tegen Josafat: „Ik ga mij verkleden en de strijd ingaan. Maar jij moet je eigen kleren aantrekken.” De koning van Israël verkleedde zich en ging de strijd in.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
יְהוֹשָׁפָ֗ט
(yehoshafat)
Josafat
הִתְחַפֵּשׂ֙
(hitchapes)
mij verkleden
וָבֹ֣א
(vavo)
en gaan
בַמִּלְחָמָ֔ה
(bamilchama)
in de strijd
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
לְבַ֣שׁ
(levash)
trek aan
בְּגָדֶ֑יךָ
(begadeikha)
je kleren
וַיִּתְחַפֵּשׂ֙
(vayitchapes)
en verkleedde zich
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיָּב֖וֹא
(vayavo)
en ging
בַּמִּלְחָמָֽה
(bamilchama)
in de strijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Achab verkleedt zich en laat Josafat zijn eigen kleren dragen.

De tekst zegt niet waarom.

31De koning van Aram had zijn tweeëndertig wagencommandanten bevolen: „Val niemand aan, klein of groot, behalve alleen de koning van Israël.”
וּמֶ֣לֶךְ
(umelekh)
en koning van
אֲרָ֡ם
(aram)
Aram
צִוָּ֣ה
(tsiva)
beval
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂרֵי֩
(sarei)
overste van
הָרֶ֨כֶב
(harekhev)
de wagens
אֲשֶׁר
(asher)
die
ל֜וֹ
(lo)
hem
שְׁלֹשִׁ֤ים
(sheloshim)
dertig
וּשְׁנַ֨יִם֙
(ushenayim)
en twee
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לֹ֚א
(lo)
niet
תִּלָּ֣חֲמ֔וּ
(tilachamu)
jullie zullen strijden
אֶת
(et)
(obj.)
קָטֹ֖ן
(qaton)
klein
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גָּד֑וֹל
(gadol)
groot
כִּ֛י
(ki)
maar
אִֽם
(im)
als
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְבַדּֽוֹ
(levado)
alleen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

De koning van Aram had 32 koningen bij zich (1 Kon. 20:1).

Hier zijn het 32 wagencommandanten.

32Toen de wagencommandanten Josafat zagen, zeiden zij: „Dat is vast de koning van Israël!” Zij zwenkten naar hem af om tegen hem te strijden. Josafat schreeuwde.
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het was
כִּרְאוֹת֩
(kirot)
toen zagen
שָׂרֵ֨י
(sarei)
overste van
הָרֶ֜כֶב
(harekhev)
de wagens
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוֹשָׁפָ֗ט
(yehoshafat)
Josafat
וְהֵ֤מָּה
(vehema)
en zij
אָֽמְרוּ֙
(ameru)
zeiden
אַ֣ךְ
(akh)
zeker
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
ה֔וּא
(hu)
hij
וַיָּסֻ֥רוּ
(vayasuru)
en zij zwenkten af
עָלָ֖יו
(alav)
naar hem
לְהִלָּחֵ֑ם
(lehilachem)
om te strijden
וַיִּזְעַ֖ק
(vayizaq)
en riep
יְהוֹשָׁפָֽט
(yehoshafat)
Josafat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Josafat schreeuwt.

De tekst zegt niet tot wie en wat hij roept.

33Toen de wagencommandanten zagen dat het niet de koning van Israël was, keerden zij zich van hem af.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כִּרְאוֹת֙
(kirot)
toen zagen
שָׂרֵ֣י
(sarei)
overste van
הָרֶ֔כֶב
(harekhev)
de wagens
כִּֽי
(ki)
dat
לֹא
(lo)
niet
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
ה֑וּא
(hu)
hij
וַיָּשׁ֖וּבוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
מֵאַחֲרָֽיו
(meacharav)
van achter hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Een man spande zijn boog zonder te mikken en trof de koning van Israël tussen de voegen en het pantser. Hij zei tegen zijn wagenmenner: „Draai om en breng mij uit het kamp, want ik ben gewond.”
וְאִ֗ישׁ
(veish)
en man
מָשַׁ֤ךְ
(mashakh)
trok
בַּקֶּ֨שֶׁת֙
(baqeshet)
de boog
לְתֻמּ֔וֹ
(letumo)
in zijn onschuld
וַיַּכֶּה֙
(vayake)
en trof
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
הַדְּבָקִ֖ים
(hadevaqim)
de voegen
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הַשִּׁרְיָ֑ן
(hashiryan)
het pantser
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לְרַכָּב֗וֹ
(lerakavo)
tot zijn wagenmenner
הֲפֹ֥ךְ
(hafokh)
keer om
יָדְךָ֛
(yadekha)
je hand
וְהוֹצִיאֵ֥נִי
(vehotsieni)
en breng mij uit
מִן
(min)
uit
הַֽמַּחֲנֶ֖ה
(hamachane)
het kamp
כִּ֥י
(ki)
want
הָחֳלֵֽיתִי
(hacholeiti)
ik ben gewond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

לְתֻמּוֹ (letummo), ‘zonder te mikken’: letterlijk ‘in zijn onschuld’ of ‘in zijn eenvoud’.

De man trof de koning dus zonder dat hij wist wie het was.

הַדְּבָקִים (hadvaqim), ‘de voegen’: de betekenis is niet zeker; het gaat om de plek waar de delen van het pantser (הַשִּׁרְיָן, hashiryan) samenkomen.

Vergelijk 1 Kon. 20:42: ‘jouw leven in de plaats van zijn leven’.

35De strijd werd heftig op die dag. De koning werd rechtop gehouden in zijn wagen, tegenover Aram. Hij stierf ’s avonds. Het bloed van de wond liep in de holte van de wagen.
וַתַּעֲלֶ֤ה
(vataale)
en nam toe
הַמִּלְחָמָה֙
(hamilchama)
de strijd
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
וְהַמֶּ֗לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
הָיָ֧ה
(haya)
was
מָעֳמָ֛ד
(maomad)
rechtgehouden
בַּמֶּרְכָּבָ֖ה
(bamerkava)
in de wagen
נֹ֣כַח
(nokhach)
tegenover
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
וַיָּ֣מָת
(vayamat)
en stierf
בָּעֶ֔רֶב
(baerev)
’s avonds
וַיִּ֥צֶק
(vayitseq)
en goot uit
דַּֽם
(dam)
bloed van
הַמַּכָּ֖ה
(hamaka)
de wond
אֶל
(el)
in
חֵ֥יק
(cheiq)
holte van
הָרָֽכֶב
(harakhev)
de wagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

חֵיק הָרֶכֶב (cheq harekhev), ‘de holte van de wagen’: de ruimte in de wagen waar de menner stond.

36Bij zonsondergang ging een kreet door het kamp: „Ieder naar zijn stad en ieder naar zijn land!”
וַיַּעֲבֹ֤ר
(vayaavor)
en ging door
הָרִנָּה֙
(harina)
de kreet
בַּֽמַּחֲנֶ֔ה
(bamachane)
in het kamp
כְּבֹ֥א
(kevo)
bij ondergang van
הַשֶּׁ֖מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
אִ֥ישׁ
(ish)
man
אֶל
(el)
naar
עִיר֖וֹ
(iro)
zijn stad
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en man
אֶל
(el)
naar
אַרְצֽוֹ
(artso)
zijn land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37De koning stierf. Zij brachten hem naar Samaria en begroeven de koning in Samaria.
וַיָּ֣מָת
(vayamat)
en stierf
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיָּב֖וֹא
(vayavo)
en kwam
שֹׁמְר֑וֹן
(shomeron)
Samaria
וַיִּקְבְּר֥וּ
(vayiqberu)
en zij begroeven
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בְּשֹׁמְרֽוֹן
(beshomeron)
in Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

38Men spoelde de wagen af bij de vijver van Samaria. De honden likten zijn bloed en de hoeren wasten zich, volgens het woord van Yahweh dat Hij had gesproken.
וַיִּשְׁטֹ֨ף
(vayishtof)
en men spoelde af
אֶת
(et)
(obj.)
הָרֶ֜כֶב
(harekhev)
de wagen
עַ֣ל
(al)
bij
בְּרֵכַ֣ת
(berekhat)
vijver van
שֹׁמְר֗וֹן
(shomeron)
Samaria
וַיָּלֹ֤קּוּ
(vayaloqu)
en likten
הַכְּלָבִים֙
(hakelavim)
de honden
אֶת
(et)
(obj.)
דָּמ֔וֹ
(damo)
zijn bloed
וְהַזֹּנ֖וֹת
(vehazonot)
en de hoeren
רָחָ֑צוּ
(rachatsu)
wasten
כִּדְבַ֥ר
(kidvar)
volgens het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
דִּבֵּֽר
(diber)
sprak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De vijver van Samaria: de ligging is niet bekend.

Hij lag bij de stad Samaria (zie 1 Kon. 20:1).

Zie Vijver van Samaria (ligging onzeker): De vijver van Samaria lag bij de stad Samaria.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

‘Volgens het woord van Yahweh’: zie 1 Kon. 21:19.

Daar noemt Yahweh de plaats waar de honden het bloed van Naboth likten (in Jizreël).

Hier gebeurt het in Samaria.

De tekst zegt alleen dat het volgens het woord van Yahweh was.

וְהַזֹּנוֹת רָחֲצוּ (vehazonot rachatsu), ‘de hoeren wasten zich’: de tekst zegt niet waarin zij zich wasten. Wij vertalen letterlijk.

Het einde van Achab

39De rest van de geschiedenis van Achab, alles wat hij deed, het ivoren huis dat hij bouwde en alle steden die hij bouwde: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Israël?
וְיֶתֶר֩
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֨י
(divrei)
zaken van
אַחְאָ֜ב
(achav)
Achab
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֗ה
(asa)
deed
וּבֵ֤ית
(uveit)
en huis van
הַשֵּׁן֙
(hashen)
het ivoor
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בָּנָ֔ה
(bana)
bouwde
וְכָל
(vekhal)
en alle
הֶעָרִ֖ים
(hearim)
de steden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּנָ֑ה
(bana)
bouwde
הֲלֽוֹא
(halo)
niet
הֵ֣ם
(hem)
zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
in
סֵ֛פֶר
(sefer)
boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
voor koningen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּית הַשֵּׁן (beit hashen), ‘het ivoren huis’: een paleis met ivoren versieringen.

Zie ook Amos 3:15.

דִּבְרֵי הַיָּמִים (divrei hayamim), ‘dagboek’: zie 1 Kon. 14:19.

40Achab ging liggen bij zijn vaderen. Zijn zoon Achazia werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֥ב
(vayishkav)
en lag
אַחְאָ֖ב
(achav)
Achab
עִם
(im)
met
אֲבֹתָ֑יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
אֲחַזְיָ֥הוּ
(achazyahu)
Achazia
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Josafat, koning van Juda

41Josafat, de zoon van Asa, werd koning over Juda in het vierde jaar van Achab, de koning van Israël.
וִיהֽוֹשָׁפָט֙
(vihoshafat)
en Josafat
בֶּן
(ben)
zoon van
אָסָ֔א
(asa)
Asa
מָלַ֖ךְ
(malakh)
werd koning
עַל
(al)
over
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in jaar
אַרְבַּ֔ע
(arba)
vier
לְאַחְאָ֖ב
(leachav)
van Achab
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42Josafat was 35 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 25 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Azuba, de dochter van Silhi.
יְהוֹשָׁפָ֗ט
(yehoshafat)
Josafat
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁלֹשִׁ֨ים
(sheloshim)
dertig
וְחָמֵ֤שׁ
(vechamesh)
en vijf
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
בְּמָלְכ֔וֹ
(bemalekho)
bij zijn koning worden
וְעֶשְׂרִ֤ים
(veesrim)
en twintig
וְחָמֵשׁ֙
(vechamesh)
en vijf
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
עֲזוּבָ֖ה
(azuva)
Azuba
בַּת
(bat)
dochter van
שִׁלְחִֽי
(shilchi)
Silhi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Josafats leeftijd en regeerperiode staan zoals in de Masoretische tekst.

Wij rekenen niet na.

43Hij liep in alles op de weg van zijn vader Asa. Hij week er niet van af. Hij deed wat juist is in de ogen van Yahweh.
וַיֵּ֗לֶךְ
(vayelekh)
en liep
בְּכָל
(bekhal)
in heel
דֶּ֛רֶךְ
(derekh)
weg van
אָסָ֥א
(asa)
Asa
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
לֹא
(lo)
niet
סָ֣ר
(sar)
week
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
van haar
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
הַיָּשָׁ֖ר
(hayashar)
het juiste
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44Alleen verdwenen de hoogten niet. Het volk bleef nog offers brengen en reukoffers laten opgaan op de hoogten.
אַ֥ךְ
(akh)
alleen
הַבָּמ֖וֹת
(habamot)
de hoogten
לֹֽא
(lo)
niet
סָ֑רוּ
(saru)
verdwenen
ע֥וֹד
(od)
nog
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
מְזַבְּחִ֥ים
(mezabechim)
offerend
וּֽמְקַטְּרִ֖ים
(umeqaterim)
en reukoffers brengend
בַּבָּמֽוֹת
(babamot)
op de hoogten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is in Nederlandse Bijbels het tweede deel van 1 Kon. 22:43.

Daardoor loopt de nummering van hier tot het einde van het hoofdstuk één vers verschillend.

De hoogten (bamot) waren plaatsen waar men buiten Jeruzalem offerde. Zie Deut. 12:2–14 en 1 Kon. 3:2.

45Josafat sloot vrede met de koning van Israël.
וַיַּשְׁלֵ֥ם
(vayashlem)
en sloot vrede
יְהוֹשָׁפָ֖ט
(yehoshafat)
Josafat
עִם
(im)
met
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hebreeuws 1 Kon. 22:45–54 is Nederlands 22:44–53.

Wij houden de Hebreeuwse nummering aan.

46De rest van de geschiedenis van Josafat, de macht die hij toonde en hoe hij streed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda?
וְיֶ֨תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֧י
(divrei)
zaken van
יְהוֹשָׁפָ֛ט
(yehoshafat)
Josafat
וּגְבוּרָת֥וֹ
(ugevurato)
en zijn macht
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשָׂ֖ה
(asa)
deed
וַאֲשֶׁ֣ר
(vaasher)
en die
נִלְחָ֑ם
(nilcham)
streed
הֲלֹֽא
(halo)
niet
הֵ֣ם
(hem)
zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
in
סֵ֛פֶר
(sefer)
boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
voor koningen van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
47Wat nog over was van de mannelijke tempelhoeren uit de dagen van zijn vader Asa, verwijderde hij uit het land.
וְיֶ֨תֶר֙
(veyeter)
en de rest van
הַקָּדֵ֔שׁ
(haqadesh)
de tempelhoer
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נִשְׁאַ֔ר
(nishar)
overbleef
בִּימֵ֖י
(bimei)
in de dagen van
אָסָ֣א
(asa)
Asa
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
בִּעֵ֖ר
(bier)
verwijderde hij
מִן
(min)
uit
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַקָּדֵשׁ (haqadesh), ‘de mannelijke tempelhoeren’: zoals in 1 Kon. 15:12.

48Er was toen geen koning in Edom. Een aangestelde regeerde als koning.
וּמֶ֥לֶךְ
(umelekh)
en koning
אֵ֛ין
(ein)
niet is
בֶּאֱד֖וֹם
(beedom)
in Edom
נִצָּ֥ב
(nitsav)
aangestelde
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

נִצָּב (nitsav), ‘aangestelde’: iemand die door een ander is aangesteld.

Edom stond onder Juda, zoals sinds David (2 Sam. 8:14).

49Josafat maakte schepen van Tarsis om naar Ofir te gaan, voor goud. Maar hij ging niet, want de schepen werden verbrijzeld bij Ezjon-Geber.
יְהוֹשָׁפָ֡ט
(yehoshafat)
Josafat
עָשָׂה֩
(asa)
maakte
אֳנִיּ֨וֹת
(oniyot)
schepen
תַּרְשִׁ֜ישׁ
(tarshish)
Tarsis
לָלֶ֧כֶת
(lalekhet)
om te gaan
אוֹפִ֛ירָה
(ofira)
naar Ofir
לַזָּהָ֖ב
(lazahav)
om goud
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
הָלָ֑ךְ
(halakh)
ging
כִּֽי
(ki)
want
נִשְׁבְּר֥וּ
(nishberu)
werden gebroken
אֳנִיּ֖וֹת
(oniyot)
schepen
בְּעֶצְי֥וֹן
(beetsyon)
bij Ezjon
גָּֽבֶר
(gaver)
Geber
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ezjon-Geber lag aan de noordpunt van de Rietzee, bij Elat, het huidige Aqaba/Elat.

Zie 1 Kon. 9:26.

De ligging van Ofir is onzeker.

Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker.

Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië.

Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld.

Uitleg

אֳנִיּוֹת תַּרְשִׁישׁ (oniyot tarshish), ‘schepen van Tarsis’: zeeschepen voor lange reizen.

De ligging van Tarsis is onzeker.

Lezing

Bij ‘werden verbrijzeld’ heeft het geschreven woord (ketiv) een enkelvoud (נשברה), het qere een meervoud (נִשְׁבְּרוּ).

Wij volgen het qere.

50Toen zei Achazia, de zoon van Achab, tegen Josafat: „Laat mijn dienaren met jouw dienaren in de schepen varen.” Maar Josafat wilde dat niet.
אָ֠ז
(az)
toen
אָמַ֞ר
(amar)
zei
אֲחַזְיָ֤הוּ
(achazyahu)
Achazia
בֶן
(ben)
zoon van
אַחְאָב֙
(achav)
Achab
אֶל
(el)
tot
יְה֣וֹשָׁפָ֔ט
(yehoshafat)
Josafat
יֵלְכ֧וּ
(yelekhu)
laten gaan
עֲבָדַ֛י
(avaday)
mijn dienaren
עִם
(im)
met
עֲבָדֶ֖יךָ
(avadeikha)
jouw dienaren
בָּאֳנִיּ֑וֹת
(baoniyot)
in de schepen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אָבָ֖ה
(ava)
wilde
יְהוֹשָׁפָֽט
(yehoshafat)
Josafat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
51Josafat ging liggen bij zijn vaderen. Hij werd begraven bij zijn vaderen in de stad van David, zijn vader. Zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֤ב
(vayishkav)
en lag
יְהֽוֹשָׁפָט֙
(yehoshafat)
Josafat
עִם
(im)
met
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּקָּבֵר֙
(vayiqaver)
en werd begraven
עִם
(im)
met
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
בְּעִ֖יר
(beir)
in stad van
דָּוִ֣ד
(david)
David
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
יְהוֹרָ֥ם
(yehoram)
Joram
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Joram (יְהוֹרָם, Yehoram) is hier de zoon van Josafat, koning van Juda.

Er is ook een Joram in Israël (zoon van Achab); zij zijn verschillende personen.

Achazia, koning van Israël

52Achazia, de zoon van Achab, werd koning over Israël in Samaria in het zeventiende jaar van Josafat, de koning van Juda. Hij was twee jaar koning over Israël.
אֲחַזְיָ֣הוּ
(achazyahu)
Achazia
בֶן
(ben)
zoon van
אַחְאָ֗ב
(achav)
Achab
מָלַ֤ךְ
(malakh)
werd koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
בְּשֹׁ֣מְר֔וֹן
(beshomeron)
in Samaria
בִּשְׁנַת֙
(bishnat)
in jaar
שְׁבַ֣ע
(sheva)
zeven
עֶשְׂרֵ֔ה
(esre)
tien
לִיהוֹשָׁפָ֖ט
(lihoshafat)
van Josafat
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיִּמְלֹ֥ךְ
(vayimlokh)
en regeerde
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
שְׁנָתָֽיִם
(shenatayim)
twee jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

53Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh. Hij liep op de weg van zijn vader, op de weg van zijn moeder en op de weg van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël liet zondigen.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwaad
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֵּ֗לֶךְ
(vayelekh)
en liep
בְּדֶ֤רֶךְ
(bederekh)
in de weg van
אָבִיו֙
(aviv)
zijn vader
וּבְדֶ֣רֶךְ
(uvederekh)
en in de weg van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
וּבְדֶ֨רֶךְ֙
(uvederekh)
en in de weg van
יָרָבְעָ֣ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָ֔ט
(nevat)
Nebat
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֶחֱטִ֖יא
(hecheti)
liet zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
54Hij diende de Baäl en wierp zich voor hem neer. Hij prikkelde Yahweh, de Elohim van Israël, tot toorn, helemaal zoals zijn vader had gedaan.
וַֽיַּעֲבֹד֙
(vayaavod)
en diende
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֔עַל
(habaal)
de Baäl
וַיִּֽשְׁתַּחֲוֶ֖ה
(vayishtachave)
en wierp zich neer
ל֑וֹ
(lo)
voor hem
וַיַּכְעֵ֗ס
(vayakhes)
en prikkelde tot toorn
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
zoals alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשָׂ֖ה
(asa)
deed
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּכְעֵס (vayakh'es), ‘hij prikkelde tot toorn’: zoals in 1 Kon. 21:22.