Elohim Bijbel

Jeremia 2

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

Yahweh klaagt Zijn volk aan: de bron verlaten en putten uitgehakt

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De trouw van je jeugd

1Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Ga en roep in de oren van Jeruzalem: ‘Zo zegt Yahweh: Ik denk aan de trouw van je jeugd, de liefde van je bruidstijd. Je ging achter Mij aan in de woestijn, in een land waar niet gezaaid werd.
הָלֹ֡ךְ
(halokh)
ga
וְקָֽרָאתָ֩
(veqarata)
en roep
בְאָזְנֵ֨י
(beazenei)
in de oren van
יְרוּשָׁלִַ֜ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
זָכַ֤רְתִּי
(zakharti)
Ik denk aan
לָךְ֙
(lakh)
voor jou
חֶ֣סֶד
(chesed)
de trouw van
נְעוּרַ֔יִךְ
(neurayikh)
je jeugd
אַהֲבַ֖ת
(ahavat)
de liefde van
כְּלוּלֹתָ֑יִךְ
(kelulotayikh)
je bruidstijd
לֶכְתֵּ֤ךְ
(lekhtekh)
toen je ging
אַחֲרַי֙
(acharay)
achter Mij
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in een land
לֹ֥א
(lo)
niet
זְרוּעָֽה
(zerua)
gezaaid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: de verbondstrouw van een bruid in haar jonge jaren.

Yahweh herinnert Zich hoe Israël Hem volgde.

כְּלוּלֹתָיִךְ (kelulot), ‘bruidstijd’: de tijd van verloving en bruid-zijn. Israël was in de woestijn als een bruid die haar bruidegom volgt.

Het bevel ‘Ga en roep’ en de aanhef ‘Zo zegt Yahweh’ zijn Yahweh’s woorden aan Jeremia. Ze staan daarom rood, met de boodschap als aanhaling erin. Vers 4 is de oproep van de profeet zelf.

3Israël was heilig voor Yahweh, het eerste van Zijn opbrengst. Allen die van hem aten, werden schuldig. Onheil kwam over hen, godsspraak van Yahweh.’”
קֹ֤דֶשׁ
(qodesh)
heilig
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
רֵאשִׁ֖ית
(reshit)
het eerste van
תְּבוּאָתֹ֑ה
(tevuato)
Zijn opbrengst
כָּל
(kal)
allen
אֹכְלָ֣יו
(okhelav)
die hem eten
יֶאְשָׁ֔מוּ
(yeshamu)
worden schuldig
רָעָ֛ה
(raa)
onheil
תָּבֹ֥א
(tavo)
komt
אֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
over hen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֵאשִׁית תְּבוּאָתֹה (reshit tevu’atoh), ‘het eerste van Zijn opbrengst’: de eerstelingen, het eerste deel van de oogst, dat aan Yahweh toebehoort (Deut. 18:4).

Zij zijn heilig: wie ervan eet zonder recht, wordt schuldig (Lev. 22:10).

Zo was Israël voor Yahweh.

Wie Israël ‘opat’, lag onder dezelfde schuld.

נְאֻם־יְהוָה (ne’um Yahweh): zie Jer. 1:8.

Wat hebben jullie vaders bij Mij gevonden?

4Hoor het woord van Yahweh, huis van Jakob en alle families van het huis van Israël.
שִׁמְע֥וּ
(shimu)
hoort
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
וְכָֽל
(vekhal)
en alle
מִשְׁפְּח֖וֹת
(mishpechot)
families van
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Zo zegt Yahweh: „Welk onrecht hebben jullie vaders bij Mij gevonden, dat zij ver van Mij zijn gegaan? Zij liepen achter de damp aan en werden zelf damp.
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
מַה
(ma)
wat
מָּצְא֨וּ
(matseu)
hebben gevonden
אֲבוֹתֵיכֶ֥ם
(avoteikhem)
jullie vaders
בִּי֙
(bi)
bij Mij
עָ֔וֶל
(avel)
onrecht
כִּ֥י
(ki)
dat
רָחֲק֖וּ
(rachaqu)
zij zijn ver weg gegaan
מֵעָלָ֑י
(mealay)
van Mij
וַיֵּֽלְכ֛וּ
(vayelekhu)
en zij liepen
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
הַהֶ֖בֶל
(hahevel)
de damp
וַיֶּהְבָּֽלוּ
(vayehbalu)
en werden damp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָוֶל (aval), ‘onrecht’: oneerlijkheid, een fout in iemand.

Yahweh vraagt wat Hij fout deed dat Zijn volk wegging.

הַהֶבֶל (hahevel), ‘de damp’: wat verdwijnt en niet vast te grijpen is, de afgoden. Dezelfde zin als in 2 Kon. 17:15: ‘zij liepen achter de damp aan en werden zelf damp’. Wie nietigheid volgt, wordt zelf nietig.

6Zij zeiden niet: ‘Waar is Yahweh, die ons uit het land Egypte heeft laten optrekken? Die ons door de woestijn heeft geleid, door een land van steppe en kuilen? Door een land van droogte en diepe schaduw, een land waar niemand doorheen trok en waar geen mens woonde?’
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אָמְר֔וּ
(ameru)
zij zeiden
אַיֵּ֣ה
(aye)
waar
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הַמַּעֲלֶ֥ה
(hamaale)
die deed optrekken
אֹתָ֖נוּ
(otanu)
ons
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
הַמּוֹלִ֨יךְ
(hamolikh)
die deed gaan
אֹתָ֜נוּ
(otanu)
ons
בַּמִּדְבָּ֗ר
(bamidbar)
in de woestijn
בְּאֶ֨רֶץ
(beerets)
in een land van
עֲרָבָ֤ה
(arava)
steppe
וְשׁוּחָה֙
(veshucha)
en kuilen
בְּאֶ֨רֶץ֙
(beerets)
in een land van
צִיָּ֣ה
(tsiya)
droogte
וְצַלְמָ֔וֶת
(vetsalmavet)
en diepe schaduw
בְּאֶ֗רֶץ
(beerets)
in een land
לֹֽא
(lo)
niet
עָ֤בַר
(avar)
trok door
בָּהּ֙
(bah)
daarin
אִ֔ישׁ
(ish)
man
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָשַׁ֥ב
(yashav)
woonde
אָדָ֖ם
(adam)
mens
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

וְצַלְמָוֶת (tsalmavet), ‘diepe schaduw’: ook te lezen als ‘schaduw van de dood’.

Zo ook Ps. 23:4.

עֲרָבָה וְשׁוּחָה (aravah veshuchah), ‘steppe en kuilen’: een dorre vlakte vol kuilen. Zo beschrijft Yahweh de weg door de woestijn die Hij Israël liet gaan. Zij vergaten Hem die hen leidde.

7Ik bracht jullie in een land van boomgaarden, om zijn vruchten en zijn goede dingen te eten. Maar jullie kwamen en maakten Mijn land onrein. Van Mijn erfdeel maakten jullie een gruwel.
וָאָבִ֤יא
(vaavi)
en Ik bracht
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
אֶל
(el)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
הַכַּרְמֶ֔ל
(hakarmel)
de boomgaarden
לֶאֱכֹ֥ל
(leekhol)
om te eten
פִּרְיָ֖הּ
(piryah)
zijn vrucht
וְטוּבָ֑הּ
(vetuvah)
en zijn goede
וַתָּבֹ֨אוּ֙
(vatavou)
en jullie kwamen
וַתְּטַמְּא֣וּ
(vatetameu)
en jullie maakten onrein
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצִ֔י
(artsi)
Mijn land
וְנַחֲלָתִ֥י
(venachalati)
en Mijn erfdeel
שַׂמְתֶּ֖ם
(samtem)
jullie maakten
לְתוֹעֵבָֽה
(letoeva)
tot een gruwel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶרֶץ הַכַּרְמֶל (erets hakarmel), ‘een land van boomgaarden’: karmel is hier een gewoon woord voor vruchtbaar tuinland, geen plaatsnaam.

Vergelijk Jes. 29:17 en 32:15.

וְנַחֲלָתִי (nachalati), ‘Mijn erfdeel’: het land is het bezit dat Yahweh aan Zijn volk gaf; Hij noemt het Zijn eigen land.

8De priesters zeiden niet: ‘Waar is Yahweh?’ Wie de wet hanteerden, kenden Mij niet. De herders kwamen tegen Mij in opstand. De profeten profeteerden door de Baäl en liepen achter dingen aan die niet baten.
הַכֹּהֲנִ֗ים
(hakohanim)
de priesters
לֹ֤א
(lo)
niet
אָֽמְרוּ֙
(ameru)
zeiden
אַיֵּ֣ה
(aye)
waar
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְתֹפְשֵׂ֤י
(vetofesei)
en de hanteerders van
הַתּוֹרָה֙
(hatora)
de wet
לֹ֣א
(lo)
niet
יְדָע֔וּנִי
(yedauni)
kenden Mij
וְהָרֹעִ֖ים
(veharoim)
en de herders
פָּ֣שְׁעוּ
(pasheu)
zijn in opstand gekomen
בִ֑י
(bi)
tegen Mij
וְהַנְּבִיאִים֙
(vehaneviim)
en de profeten
נִבְּא֣וּ
(nibeu)
profeteerden
בַבַּ֔עַל
(babaal)
door de Baäl
וְאַחֲרֵ֥י
(veacharei)
en achter
לֹֽא
(lo)
niet
יוֹעִ֖לוּ
(yoilu)
zij baten
הָלָֽכוּ
(halakhu)
zij liepen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְתֹפְשֵׂי הַתּוֹרָה (tofsei hatorah), ‘wie de wet hanteerden’: wie de wet vasthouden en onderwijzen, de schriftgeleerden en priesters.

וְהָרֹעִים (hare’im), ‘de herders’: zo heten de leiders van het volk, de koningen en oversten. Zie ook Jer. 10:21.

בַבַּעַל (babaal), ‘door de Baäl’: de Kanaänitische god. Het lidwoord staat in het Hebreeuws bij de naam; wij vertalen ‘de Baäl’.

Yahweh voert een rechtszaak

9Daarom voer Ik nog een rechtszaak tegen jullie, godsspraak van Yahweh. Ook tegen de zonen van jullie zonen voer Ik een rechtszaak.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
עֹ֛ד
(od)
nog
אָרִ֥יב
(ariv)
Ik voer een rechtszaak
אִתְּכֶ֖ם
(itekhem)
tegen jullie
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶת
(veet)
en tegen
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
בְנֵיכֶ֖ם
(beneikhem)
jullie zonen
אָרִֽיב
(ariv)
Ik voer een rechtszaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָרִיב (arib), ‘Ik voer een rechtszaak’: het werkwoord רִיב (riv) is het werkwoord van een rechtszaak.

Yahweh klaagt Zijn volk aan, zoals in Hos. 4:1 en Micha 6:2.

Ook de volgende generaties vallen eronder.

10Want steek over naar de kustlanden van Kittim en kijk. Stuur naar Kedar en let goed op. Kijk of er zoiets is gebeurd.
כִּ֣י
(ki)
want
עִבְר֞וּ
(ivru)
steekt over
אִיֵּ֤י
(iyei)
de kustlanden van
כִתִּיִּים֙
(kitiyim)
Kittim
וּרְא֔וּ
(ureu)
en kijkt
וְקֵדָ֛ר
(veqedar)
en naar Kedar
שִׁלְח֥וּ
(shilchu)
stuurt
וְהִֽתְבּוֹנְנ֖וּ
(vehitbonenu)
en let goed op
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וּרְא֕וּ
(ureu)
en kijkt
הֵ֥ן
(hen)
of
הָיְתָ֖ה
(hayeta)
is geschied
כָּזֹֽאת
(kazot)
zoals dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kittim: Kittim is waarschijnlijk Cyprus, of de kusten van de Middellandse Zee in het algemeen.

Zie Kedar (ligging onzeker): Kedar is een Arabisch nomadenvolk (Genesis 25:13), dat in de woestijn ten oosten en zuiden van Kanaän woonde, in het noordwesten van Arabië.

De precieze ligging is niet zeker.

Uitleg

אִיֵּי כִתִּיִּים (iyyei kittiyyim), ‘de kustlanden van Kittim’: Kittim ligt in het westen, waarschijnlijk Cyprus.

Kedar ligt in het oosten, in de woestijn van Arabië.

Beide windstreken worden genoemd: kijk overal.

Zie ook Jes. 23:12.

11Heeft ooit een volk goden geruild, terwijl het geen goden zijn? Maar Mijn volk heeft zijn heerlijkheid geruild voor wat niet baat.
הַהֵימִ֥יר
(haheimir)
heeft geruild
גּוֹי֙
(goy)
een volk
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
goden
וְהֵ֖מָּה
(vehema)
terwijl zij
לֹ֣א
(lo)
niet
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
goden
וְעַמִּ֛י
(veami)
en Mijn volk
הֵמִ֥יר
(hemir)
heeft geruild
כְּבוֹד֖וֹ
(kevodo)
zijn heerlijkheid
בְּל֥וֹא
(belo)
voor wat niet
יוֹעִֽיל
(yoil)
baat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּבוֹדוֹ (kevodo), ‘zijn heerlijkheid’: kavod betekent ‘gewicht, heerlijkheid’.

Hier is het waarschijnlijk Yahweh Zelf, de Heerlijkheid van Israël, die zij verruild hebben voor goden die niets betekenen.

Vergelijk Ps. 106:20.

Sommige oude vertalingen lezen ‘Mijn heerlijkheid’ voor ‘zijn heerlijkheid’. Wij volgen de Hebreeuwse tekst.

12Wees verbijsterd hierover, hemel. Huiver en wees geheel verwoest, godsspraak van Yahweh.
שֹׁ֥מּוּ
(shomu)
wees verbijsterd
שָׁמַ֖יִם
(shamayim)
hemelen
עַל
(al)
over
זֹ֑את
(zot)
dit
וְשַׂעֲר֛וּ
(vesaaru)
en huiver
חָרְב֥וּ
(charevu)
wees verwoest
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De bron verlaten

13Want twee kwaden heeft Mijn volk gedaan: Mij hebben zij verlaten, de bron van levend water. Zij hebben voor zichzelf waterputten uitgehakt, gebroken waterputten die het water niet kunnen vasthouden.
כִּֽי
(ki)
want
שְׁתַּ֥יִם
(shetayim)
twee
רָע֖וֹת
(raot)
kwaden
עָשָׂ֣ה
(asa)
heeft gedaan
עַמִּ֑י
(ami)
Mijn volk
אֹתִ֨י
(oti)
Mij
עָזְב֜וּ
(azevu)
zij hebben verlaten
מְק֣וֹר
(meqor)
bron van
מַ֣יִם
(mayim)
water
חַיִּ֗ים
(chayim)
levend
לַחְצֹ֤ב
(lachtsov)
om uit te hakken
לָהֶם֙
(lahem)
voor zichzelf
בֹּאר֔וֹת
(borot)
putten
בֹּארֹת֙
(borot)
putten
נִשְׁבָּרִ֔ים
(nishbarim)
gebroken
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
יָכִ֖לוּ
(yakhilu)
kunnen vasthouden
הַמָּֽיִם
(hamayim)
het water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְקוֹר מַיִם חַיִּים (meqor mayim chayyim), ‘bron van levend water’: levend water is stromend water uit een bron, vers en schoon.

Een put (bor) is slechts een opvangplaats voor regenwater.

Het beeld: Israël verliet de bron voor kapotte regenbakken.

בֹּארוֹת בֹּארֹת (bo’rot bo’rot): het woord staat twee keer achter elkaar, waarschijnlijk per ongeluk. Wij vertalen het één keer als ‘waterputten’.

Israël, een buit

14Is Israël een knecht, of een in huis geboren knecht? Waarom is hij tot buit geworden?
הַעֶ֨בֶד֙
(haeved)
de knecht
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אִם
(im)
of
יְלִ֥יד
(yelid)
geborene van
בַּ֖יִת
(bayit)
huis
ה֑וּא
(hu)
hij
מַדּ֖וּעַ
(madua)
waarom
הָיָ֥ה
(haya)
is hij geworden
לָבַֽז
(lavaz)
tot buit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְלִיד בַּיִת (yelid bayit), ‘een in huis geboren knecht’: een knecht die in het huis van zijn heer werd geboren (Gen. 14:14; 17:12).

Zo iemand blijft in het huis.

Waarom is Israël dan een buit geworden voor anderen?

Israël is geen knecht die geroofd mag worden; het is Yahweh’s eigen volk.

15Jonge leeuwen hebben tegen hem gebruld; zij hebben hun stem laten horen. Zij hebben zijn land tot een woestenij gemaakt. Zijn steden zijn in brand gestoken, zonder bewoner.
עָלָיו֙
(alav)
tegen hem
יִשְׁאֲג֣וּ
(yishagu)
brulden
כְפִרִ֔ים
(kefirim)
jonge leeuwen
נָתְנ֖וּ
(natenu)
zij lieten horen
קוֹלָ֑ם
(qolam)
hun stem
וַיָּשִׁ֤יתוּ
(vayashitu)
en zij maakten
אַרְצוֹ֙
(artso)
zijn land
לְשַׁמָּ֔ה
(leshama)
tot een woestenij
עָרָ֥יו
(arav)
zijn steden
נִצְּת֖וּ
(nitsetu)
zijn in brand gestoken
מִבְּלִ֥י
(mibeli)
zonder
יֹשֵֽׁב
(yoshev)
bewoner
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְפִרִים (kefirim), ‘jonge leeuwen’: de legers van de vijand, vergeleken met brullende leeuwen.

Lezing

In de geschreven tekst staat נצתה (nitsetah), ‘is in brand gestoken’ (enkelvoud, vrouwelijk); de overlevering leest נִצְּתוּ (nitsetsu), ‘zijn in brand gestoken’ (meervoud).

Wij volgen de lezing.

16Ook de zonen van Nof en Tachpanches weiden je kruin af.
גַּם
(gam)
ook
בְּנֵי
(benei)
zonen van
נֹ֖ף
(nof)
Nof
וְתַחְפַּנְחֵ֑ס
(vetachpanches)
en Tachpanches
יִרְע֖וּךְ
(yirukh)
weiden af
קָדְקֹֽד
(qadeqod)
je kruin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nof (Memfis): Memfis (Mof) was een oude hoofdstad van Egypte, bij Mit Rahina, ten zuiden van het huidige Caïro, aan de Nijl.

Zie Tachpanches (Tell Defenneh): Tachpanches (Tafnes, Daphne) was een grensvesting in het oostelijke Nijldelta, bij het huidige Tell Defenneh, waar Judese vluchtelingen zich vestigden.

Uitleg

נֹף (Nof), ‘Nof’: dat is Memfis, de oude hoofdstad van Egypte.

וְתַחְפַּנְחֵס (Tachpanches) is een grensstad in het oosten van de Nijldelta.

Beide steden staan voor Egypte.

יִרְעוּךְ קָדְקֹד (yir’ukha qodqod), ‘weiden je kruin af’: het werkwoord kan ‘weiden, afgrazen’ betekenen, maar ook ‘verbrijzelen’ (van רָעַע, ra’a). De betekenis is niet helemaal zeker. In beide gevallen wordt Juda door Egypte kaal gemaakt of gebroken.

17Heb je dit niet over jezelf gebracht, doordat je Yahweh, je Elohim, hebt verlaten, in de tijd dat Hij je leidde op de weg?
הֲלוֹא
(halo)
niet
זֹ֖את
(zot)
dit
תַּעֲשֶׂה
(taase)
doe je
לָּ֑ךְ
(lakh)
voor jezelf
עָזְבֵךְ֙
(azevekh)
jouw verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהַ֔יִךְ
(elohayikh)
je Elohim
בְּעֵ֖ת
(beet)
in de tijd dat
מוֹלִיכֵ֥ךְ
(molikhekh)
Hij je leidde
בַּדָּֽרֶךְ
(badarekh)
op de weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De rede wijst terug op de beelden van vers 13: wie de bron verlaat, brengt dorst over zichzelf.

De ‘weg’ is de weg die Yahweh Israël leidde, door de woestijn naar het land.

18En nu, wat heb je te zoeken op de weg naar Egypte, om het water van de Sihor te drinken? En wat heb je te zoeken op de weg naar Assyrië, om het water van de rivier te drinken?
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
מַה
(ma)
wat
לָּךְ֙
(lakh)
voor jou
לְדֶ֣רֶךְ
(lederekh)
op de weg naar
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
לִשְׁתּ֖וֹת
(lishtot)
om te drinken
מֵ֣י
(mei)
water van
שִׁח֑וֹר
(shichor)
de Sihor
וּמַה
(uma)
en wat
לָּךְ֙
(lakh)
voor jou
לְדֶ֣רֶךְ
(lederekh)
op de weg naar
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
לִשְׁתּ֖וֹת
(lishtot)
om te drinken
מֵ֥י
(mei)
water van
נָהָֽר
(nahar)
de rivier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Sihor (Nijl; ligging onzeker): Sihor is een naam van de Nijl of van een arm van de Nijl in Egypte (Jozua 13:3).

De precieze betekenis is niet zeker.

Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

שִׁחוֹר (shichor), ‘de Sihor’: een naam voor de Nijl of een arm van de Nijl (Joz. 13:3).

‘De rivier’ (hanahar) is de Eufraat.

Israël zoekt hulp bij Egypte en Assyrië in plaats van bij Yahweh.

19Je eigen kwaad zal je tuchtigen en je afvalligheden zullen je terechtwijzen. Weet en zie: kwaad en bitter is het dat je Yahweh, je Elohim, verlaat. Ontzag voor Mij is niet bij je, godsspraak van Heer Yahweh van de legermachten.
תְּיַסְּרֵ֣ךְ
(teyaserekh)
zal je tuchtigen
רָעָתֵ֗ךְ
(raatekh)
je kwaad
וּמְשֻֽׁבוֹתַ֨יִךְ֙
(umeshuvotayikh)
en je afvalligheden
תּוֹכִחֻ֔ךְ
(tokhichukh)
zullen je terechtwijzen
וּדְעִ֤י
(udei)
en weet
וּרְאִי֙
(urei)
en zie
כִּי
(ki)
dat
רַ֣ע
(ra)
kwaad
וָמָ֔ר
(vamar)
en bitter
עָזְבֵ֖ךְ
(azevekh)
je verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֑יִךְ
(elohayikh)
je Elohim
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
פַחְדָּתִי֙
(pachdati)
Mijn ontzag
אֵלַ֔יִךְ
(elayikh)
bij jou
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה צְבָאוֹת (Adonai Yahweh Tsevaot), ‘Heer Yahweh van de legermachten’: voor ‘Heer Yahweh’ zie Jer. 1:6.

צְבָאוֹת (tsevaot) betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’.

Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’.

Zie ook Ps. 24:10.

וּמְשֻׁבוֹתַיִךְ (umeshuvotayikh), ‘je afvalligheden’: meshuvah is het wegkeren van Yahweh. Het is een afleiding van het werkwoord שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’, maar hier gaat het om het terugwijken.

פַחְדָּתִי (pachdati), ‘Mijn ontzag’: de vrees voor Yahweh. Wie Hem verlaat, heeft die vrees niet meer.

Een edele wijnstok, ontaard

20Want van oudsher heb Ik je juk gebroken en je banden verscheurd. Maar jij zei: ‘Ik zal niet overtreden.’ Want op elke hoge heuvel en onder elke groene boom leg jij je neer als een hoer.
כִּ֣י
(ki)
want
מֵעוֹלָ֞ם
(meolam)
van oudsher
שָׁבַ֣רְתִּי
(shavarti)
Ik heb gebroken
עֻלֵּ֗ךְ
(ulekh)
je juk
נִתַּ֨קְתִּי֙
(nitaqti)
Ik heb verscheurd
מוֹסְרֹתַ֔יִךְ
(moserotayikh)
je banden
וַתֹּאמְרִ֖י
(vatomri)
en je zei
לֹ֣א
(lo)
niet
אֶעֱב֑וֹר
(eevor)
ik zal overtreden
כִּ֣י
(ki)
want
עַֽל
(al)
op
כָּל
(kal)
elke
גִּבְעָ֞ה
(giva)
heuvel
גְּבֹהָ֗ה
(gevoha)
hoge
וְתַ֨חַת֙
(vetachat)
en onder
כָּל
(kal)
elke
עֵ֣ץ
(ets)
boom
רַעֲנָ֔ן
(raanan)
groen
אַ֖תְּ
(at)
jij
צֹעָ֥ה
(tsoa)
leg je neer
זֹנָֽה
(zona)
hoer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֻלֵּךְ (alekh), ‘je juk’ en מוֹסְרֹתַיִךְ (moserotayikh), ‘je banden’: Yahweh had Israël bevrijd van het juk van Egypte (Lev. 26:13).

Daarna verbrak Israël zijn banden met Hem zelf.

צֹעָה זֹנָה (tsoah zonah), ‘leg je neer als een hoer’: het werkwoord צָעָה (tsa’ah) betekent ‘zich buigen, zich neerleggen’. Op de hoge plaatsen en onder de groene bomen werd Baäl vereerd.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is אעבד (e’evod), ‘ik zal dienen’; de te lezen vorm (qere) is אֶעֱבוֹר (e’evor), ‘ik zal overtreden’.

Wij volgen de qere.

Het ketiv past bij het beeld van het juk: ‘Ik zal niet dienen’.

21Ik had je geplant als een edele wijnstok, helemaal van zaad van waarheid. Hoe ben je dan voor Mij veranderd in de ontaarde ranken van een vreemde wijnstok?
וְאָֽנֹכִי֙
(veanokhi)
en Ik
נְטַעְתִּ֣יךְ
(netatikh)
Ik had je geplant
שֹׂרֵ֔ק
(soreq)
edele wijnstok
כֻּלֹּ֖ה
(kulo)
geheel
זֶ֣רַע
(zera)
zaad van
אֱמֶ֑ת
(emet)
waarheid
וְאֵיךְ֙
(veeikh)
en hoe
נֶהְפַּ֣כְתְּ
(nehpakht)
ben je veranderd
לִ֔י
(li)
voor Mij
סוּרֵ֖י
(surei)
ontaarde ranken van
הַגֶּ֥פֶן
(hagefen)
de wijnstok
נָכְרִיָּֽה
(nakheriya)
vreemde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׂרֵק (sorek), ‘edele wijnstok’: een wijnstok met donkerrode druiven, de beste soort.

Vergelijk Jes. 5:2.

זֶרַע אֱמֶת (zera emet), ‘zaad van waarheid’: echt, betrouwbaar zaad, zonder onzuiverheid.

סוּרֵי (sur), ‘ontaarde ranken’: ranken van een wijnstok die niet meer goed zijn. De betekenis is niet helemaal zeker. De vreemde wijnstok is de afvalligheid van Israël zelf.

22Al zou je je wassen met soda en veel zeep voor jezelf nemen, je schuld blijft als een vlek voor Mij, godsspraak van Heer Yahweh.
כִּ֤י
(ki)
want
אִם
(im)
al
תְּכַבְּסִי֙
(tekhabesi)
je wast jezelf
בַּנֶּ֔תֶר
(baneter)
met soda
וְתַרְבִּי
(vetarbi)
en je neemt veel
לָ֖ךְ
(lakh)
voor jezelf
בֹּרִ֑ית
(borit)
zeep
נִכְתָּ֤ם
(nikhtam)
is een vlek
עֲוֺנֵךְ֙
(avonekh)
je schuld
לְפָנַ֔י
(lefanay)
voor Mij
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּנֶּתֶר (neter), ‘soda’: een mineraal zout, gebruikt als zeepmiddel (vergelijk Spr. 25:20).

בֹּרִית (borit), ‘zeep’: dit woord komt ook voor in Mal. 3:2.

נִכְתָּם (nikhtam), ‘is een vlek’: dit werkwoord komt alleen hier voor. Het betekent waarschijnlijk ‘gevlekt, gemerkt’. De schuld laat zich niet wegwassen.

De naam ‘Heer Yahweh’ (Adonai Yahweh): zie Jer. 1:6.

„Ik ben niet onrein geworden”

23Hoe kun je zeggen: ‘Ik ben niet onrein geworden, ik ben de Baäls niet nagelopen’? Kijk naar je weg in het dal. Erken wat je gedaan hebt, jij snelle jonge kameelmerrie, die kris kras rondrent op haar wegen.
אֵ֣יךְ
(eikh)
hoe
תֹּאמְרִ֞י
(tomri)
zeg je
לֹ֣א
(lo)
niet
נִטְמֵ֗אתִי
(nitmeti)
ben ik onrein geworden
אַחֲרֵ֤י
(acharei)
achter
הַבְּעָלִים֙
(habealim)
de Baäls
לֹ֣א
(lo)
niet
הָלַ֔כְתִּי
(halakhti)
ben ik gegaan
רְאִ֤י
(rei)
kijk
דַרְכֵּךְ֙
(darkekh)
je weg
בַּגַּ֔יְא
(bagay)
in het dal
דְּעִ֖י
(dei)
weet
מֶ֣ה
(me)
wat
עָשִׂ֑ית
(asit)
je hebt gedaan
בִּכְרָ֥ה
(bikhra)
jonge kameelmerrie
קַלָּ֖ה
(qala)
snelle
מְשָׂרֶ֥כֶת
(mesarekhet)
die kris kras loopt
דְּרָכֶֽיהָ
(derakheiha)
haar wegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּגַּיְא (bagay), ‘in het dal’: waarschijnlijk het dal van Ben-Hinnom bij Jeruzalem, waar afgoden werden vereerd (vergelijk Jer. 7:31); de tekst noemt geen naam.

Het werkwoord ‘onrein worden’ (טָמֵא, tame) staat in het Hebreeuws ook voor afgodendienst.

בִּכְרָה קַלָּה (bikrah qallah), ‘snelle jonge kameelmerrie’: een jong dier in de bronsttijd, dat onrustig kris kras loopt en geen richting houdt.

24Een wilde ezelin, gewend aan de woestijn, snuift in de begeerte van haar ziel de wind op, in haar brunst. Wie kan haar tegenhouden? Allen die haar zoeken, hoeven zich niet te vermoeien. In haar maand zullen ze haar vinden.
פֶּ֣רֶה
(pere)
wilde ezelin
לִמֻּ֣ד
(limud)
gewend aan
מִדְבָּ֗ר
(midbar)
de woestijn
בְּאַוַּ֤ת
(beavat)
in de begeerte van
נַפְשָׁהּ֙
(nafshah)
haar ziel
שָׁאֲפָ֣ה
(shaafa)
snuift
ר֔וּחַ
(ruach)
wind
תַּאֲנָתָ֖הּ
(taanatah)
in haar brunst
מִ֣י
(mi)
wie
יְשִׁיבֶ֑נָּה
(yeshivena)
kan haar tegenhouden
כָּל
(kal)
allen
מְבַקְשֶׁ֨יהָ֙
(mevaqsheiha)
die haar zoeken
לֹ֣א
(lo)
niet
יִיעָ֔פוּ
(yiafu)
hoeven zich te vermoeien
בְּחָדְשָׁ֖הּ
(bechadeshah)
in haar maand
יִמְצָאֽוּנְהָ
(yimtsauneha)
zullen ze haar vinden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֶּרֶה (pereh), ‘wilde ezelin’: zie ook Job 39:5.

תַּאֲנָתָהּ (ta’anatah), ‘haar brunst’: een woord dat alleen hier voorkomt; de betekenis is niet helemaal zeker.

Waarschijnlijk is het ‘haar paartijd’.

De wilde ezelin is een beeld van Israël: onbedwingbaar in haar begeerte. Wie haar zoekt, hoeft zich niet te vermoeien. In haar maand loopt zij hem vanzelf tegemoet.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is נפשו (nafsho), ‘zijn ziel’; de te lezen vorm (qere) is נַפְשָׁהּ (nafshah), ‘haar ziel’.

Wij volgen de qere.

25Houd je voet terug van blootsvoets lopen en je keel van dorst. Maar jij zei: ‘Het is hopeloos! Nee, want ik heb vreemden liefgehad, en achter hen aan zal ik gaan.’
מִנְעִ֤י
(mini)
houd terug
רַגְלֵךְ֙
(raglekh)
je voet
מִיָּחֵ֔ף
(miyachef)
van blootsvoets lopen
וּגְרוֹנֵ֖ךְ
(ugeronekh)
en je keel
מִצִּמְאָ֑ה
(mitsima)
van dorst
וַתֹּאמְרִ֣י
(vatomri)
maar je zei
נוֹאָ֔שׁ
(noash)
hopeloos
ל֕וֹא
(lo)
nee
כִּֽי
(ki)
want
אָהַ֥בְתִּי
(ahavti)
ik heb liefgehad
זָרִ֖ים
(zarim)
vreemden
וְאַחֲרֵיהֶ֥ם
(veachareihem)
en achter hen
אֵלֵֽךְ
(elekh)
zal ik gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De eerste helft is een waarschuwing: wie rondloopt zonder schoenen en zonder water raakt uitgeput.

Het beeld staat voor het najagen van vreemde goden.

Het volk antwoordt: נוֹאָשׁ לוֹא (no’ash lo), ‘het is hopeloos, nee’.

Het is te laat om terug te keren, zeggen zij.

Dezelfde woorden staan in Jer. 18:12.

Beschaamd als een dief

26Zoals een dief zich schaamt als hij wordt betrapt, zo staat het huis van Israël beschaamd: zij, hun koningen, hun oversten, hun priesters en hun profeten.
כְּבֹ֤שֶׁת
(kevoshet)
zoals de schaamte van
גַּנָּב֙
(ganav)
een dief
כִּ֣י
(ki)
als
יִמָּצֵ֔א
(yimatse)
hij wordt gevonden
כֵּ֥ן
(ken)
zo
הֹבִ֖ישׁוּ
(hovishu)
zijn beschaamd
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
הֵ֤מָּה
(hema)
zij
מַלְכֵיהֶם֙
(malkheihem)
hun koningen
שָֽׂרֵיהֶ֔ם
(sareihem)
hun oversten
וְכֹהֲנֵיהֶ֖ם
(vekhohaneihem)
en hun priesters
וּנְבִיאֵיהֶֽם
(unevieihem)
en hun profeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Zij zeggen tegen het hout: ‘Jij bent mijn vader’, en tegen de steen: ‘Jij hebt ons gebaard.’ Want zij hebben Mij de rug toegekeerd en niet het gezicht. Maar in de tijd van hun onheil zeggen zij: ‘Sta op en red ons.’
אֹמְרִ֨ים
(omerim)
zeggend
לָעֵ֜ץ
(laets)
tegen het hout
אָ֣בִי
(avi)
mijn vader
אַ֗תָּה
(ata)
jij
וְלָאֶ֨בֶן֙
(velaeven)
en tegen de steen
אַ֣תְּ
(at)
jij
יְלִדְתָּ֔נוּ
(yelidtanu)
je hebt ons gebaard
כִּֽי
(ki)
want
פָנ֥וּ
(panu)
zij keerden
אֵלַ֛י
(elay)
naar Mij
עֹ֖רֶף
(oref)
nek
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
פָנִ֑ים
(panim)
gezicht
וּבְעֵ֤ת
(uveet)
en in de tijd van
רָֽעָתָם֙
(raatam)
hun onheil
יֹֽאמְר֔וּ
(yomru)
zij zeggen
ק֖וּמָה
(quma)
sta op
וְהוֹשִׁיעֵֽנוּ
(vehoshienu)
en red ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵץ (ets), ‘hout’, en אֶבֶן (even), ‘steen’: houten en stenen afgodsbeelden.

Het hout is mannelijk (‘vader’), de steen vrouwelijk (‘gebaard’).

Zij noemen de beelden hun ouders, terwijl Yahweh hen schiep.

עֹרֶף (oref), ‘nek’: wie de nek toekeert, draait zich om. Wij vertalen ‘de rug toekeren’.

Lezing

In de geschreven tekst staat ילדתני (yelidtini), ‘je hebt mij gebaard’; de overlevering leest יְלִדְתָּנוּ (yelidtanu), ‘je hebt ons gebaard’.

Wij volgen de lezing.

28Waar zijn dan je goden, die je voor jezelf gemaakt hebt? Laat hen opstaan, als zij je kunnen redden in de tijd van je onheil. Want zoveel als je steden zijn, zoveel zijn je goden geweest, Juda.
וְאַיֵּ֤ה
(veaye)
en waar
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je goden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשִׂ֣יתָ
(asita)
je hebt gemaakt
לָּ֔ךְ
(lakh)
voor jou
יָק֕וּמוּ
(yaqumu)
laten zij opstaan
אִם
(im)
als
יוֹשִׁיע֖וּךָ
(yoshiukha)
zij je zullen redden
בְּעֵ֣ת
(beet)
in de tijd van
רָעָתֶ֑ךָ
(raatekha)
je onheil
כִּ֚י
(ki)
want
מִסְפַּ֣ר
(mispar)
het aantal van
עָרֶ֔יךָ
(areikha)
je steden
הָי֥וּ
(hayu)
zijn geweest
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je goden
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tekst herhaalt de spot van vers 27: in de nood zeggen zij tegen Yahweh ‘sta op en red ons’, maar Yahweh zegt: laat jullie zelfgemaakte goden opstaan.

Het aantal van de goden is zo groot als het aantal steden.

Zie ook Jer. 11:13.

Waarom een rechtszaak tegen Mij?

29Waarom voeren jullie een rechtszaak tegen Mij? Jullie allen zijn tegen Mij in opstand gekomen, godsspraak van Yahweh.
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
תָרִ֖יבוּ
(tarivu)
voeren jullie een rechtszaak
אֵלָ֑י
(elay)
tegen Mij
כֻּלְּכֶ֛ם
(kulekhem)
jullie allen
פְּשַׁעְתֶּ֥ם
(peshatem)
zijn in opstand gekomen
בִּ֖י
(bi)
tegen Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Tevergeefs heb Ik jullie zonen geslagen. Zij namen geen tucht aan. Jullie zwaard heeft jullie profeten verslonden als een verwoestende leeuw.
לַשָּׁוְא֙
(lashave)
tevergeefs
הִכֵּ֣יתִי
(hikeiti)
Ik sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵיכֶ֔ם
(beneikhem)
jullie zonen
מוּסָ֖ר
(musar)
tucht
לֹ֣א
(lo)
niet
לָקָ֑חוּ
(laqachu)
zij namen aan
אָכְלָ֧ה
(akhela)
heeft verslonden
חַרְבְּכֶ֛ם
(charbekhem)
jullie zwaard
נְבִֽיאֵיכֶ֖ם
(nevieikhem)
jullie profeten
כְּאַרְיֵ֥ה
(kearye)
als een leeuw
מַשְׁחִֽית
(mashchit)
verderver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Jullie, generatie, let op het woord van Yahweh! Ben Ik een woestijn geweest voor Israël, of een land van diepe duisternis? Waarom zegt Mijn volk: ‘Wij zwerven vrij rond, wij komen niet meer naar U’?
הַדּ֗וֹר
(hador)
de generatie
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
רְא֣וּ
(reu)
ziet
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הֲמִדְבָּ֤ר
(hamidbar)
een woestijn
הָיִ֨יתִי֙
(hayiti)
ben Ik geweest
לְיִשְׂרָאֵ֔ל
(leyisrael)
voor Israël
אִ֛ם
(im)
of
אֶ֥רֶץ
(erets)
een land van
מַאְפֵּ֖לְיָ֑ה
(mapeleya)
diepe duisternis
מַדּ֜וּעַ
(madua)
waarom
אָמְר֤וּ
(ameru)
zeggen
עַמִּי֙
(ami)
Mijn volk
רַ֔דְנוּ
(radnu)
wij zwerven vrij rond
לֽוֹא
(lo)
niet
נָב֥וֹא
(navo)
wij komen
ע֖וֹד
(od)
meer
אֵלֶֽיךָ
(eleikha)
naar U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַאְפֵּלְיָה (ma’afelyah), ‘diepe duisternis’: een samenstelling van de woorden ‘duisternis’ en ‘Jah’, die de diepste duisternis uitdrukt.

רַדְנוּ (radnu), ‘wij zwerven vrij rond’: het werkwoord רוּד (rud) betekent ‘rondzwerven’. Zij noemen zich vrij: zij hebben Yahweh niet meer nodig.

32Vergeet een maagd haar sieraad, een bruid haar sjerpen? Maar Mijn volk heeft Mij vergeten, dagen zonder tal.
הֲתִשְׁכַּ֤ח
(hatishkach)
vergeet
בְּתוּלָה֙
(betula)
een maagd
עֶדְיָ֔הּ
(edyah)
haar sieraad
כַּלָּ֖ה
(kala)
een bruid
קִשֻּׁרֶ֑יהָ
(qishureiha)
haar sjerpen
וְעַמִּ֣י
(veami)
maar Mijn volk
שְׁכֵח֔וּנִי
(shekhechuni)
hebben Mij vergeten
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
אֵ֥ין
(ein)
niet
מִסְפָּֽר
(mispar)
tal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Bloed aan je slippen

33Wat richt je je weg goed in om liefde te zoeken! Daarom heb je zelfs de slechte vrouwen je wegen geleerd.
מַה
(ma)
wat
תֵּיטִ֥בִי
(teitivi)
maak je goed
דַּרְכֵּ֖ךְ
(darkekh)
je weg
לְבַקֵּ֣שׁ
(levaqesh)
om te zoeken
אַהֲבָ֑ה
(ahava)
liefde
לָכֵן֙
(lakhen)
daarom
גַּ֣ם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(obj.)
הָרָע֔וֹת
(haraot)
de slechte vrouwen
לִמַּ֖דְתְּ
(limadt)
je hebt geleerd
אֶת
(et)
(obj.)
דְּרָכָֽיִךְ
(derakhayikh)
je wegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָרָעוֹת (hara’ot), ‘de slechte vrouwen’: letterlijk ‘de kwade’ (vrouwelijk meervoud).

Het kan ook ‘de kwade dingen’ betekenen.

Wij nemen ‘de slechte vrouwen’: zelfs zij kunnen van jou leren.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is למדתי (limmadti), ‘ik heb geleerd’; de te lezen vorm (qere) is לִמַּדְתְּ (limmadt), ‘je hebt geleerd’.

Wij volgen de qere.

34Ook aan je slippen is het bloed gevonden van de levens van onschuldige armen. Niet bij een inbraak heb Ik hen gevonden, maar bij dit alles.
גַּ֤ם
(gam)
ook
בִּכְנָפַ֨יִךְ֙
(bikhnafayikh)
aan je slippen
נִמְצְא֔וּ
(nimtseu)
zijn gevonden
דַּ֛ם
(dam)
bloed van
נַפְשׁ֥וֹת
(nafshot)
levens van
אֶבְיוֹנִ֖ים
(evyonim)
armen
נְקִיִּ֑ים
(neqiyim)
onschuldigen
לֹֽא
(lo)
niet
בַמַּחְתֶּ֥רֶת
(bamachteret)
bij inbraak
מְצָאתִ֖ים
(metsatim)
heb Ik hen gevonden
כִּ֥י
(ki)
maar
עַל
(al)
op
כָּל
(kal)
al
אֵֽלֶּה
(ele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּמַּחְתֶּרֶת (bamachteret), ‘bij een inbraak’: wie een dief bij een inbraak doodslaat, is daar volgens Exod. 22:1 niet bloedschuldig aan.

Deze armen waren geen inbrekers; hun bloed is dus onschuldig vergoten.

מְצָאתִים (metsatim), ‘Ik heb hen gevonden’: de slotzin (‘maar bij dit alles’) is kort en moeilijk. Mogelijk betekent hij ‘ondanks dit alles’. De betekenis is niet helemaal zeker.

„Ik ben onschuldig”

35Maar je zei: ‘Ik ben onschuldig. Zijn toorn is zeker van mij afgekeerd.’ Zie, Ik treed met je in het gericht, omdat je zegt: ‘Ik heb niet gezondigd.’
וַתֹּֽאמְרִי֙
(vatomri)
en je zei
כִּ֣י
(ki)
maar
נִקֵּ֔יתִי
(niqeiti)
ben onschuldig
אַ֛ךְ
(akh)
zeker
שָׁ֥ב
(shav)
is afgekeerd
אַפּ֖וֹ
(apo)
Zijn toorn
מִמֶּ֑נִּי
(mimeni)
van mij
הִנְנִי֙
(hinni)
zie Mij
נִשְׁפָּ֣ט
(nishpat)
Ik ga in het gericht
אוֹתָ֔ךְ
(otakh)
met jou
עַל
(al)
omdat
אָמְרֵ֖ךְ
(amerekh)
je zegt
לֹ֥א
(lo)
niet
חָטָֽאתִי
(chatati)
heb ik gezondigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִשְׁפָּט (nishpat), ‘Ik treed in het gericht’: Yahweh brengt de zaak voor de rechter.

Hij zelf is rechter en partij.

אַפּוֹ (apo), ‘Zijn toorn’: het volk spreekt hier over Yahweh in de derde persoon.

36Hoe lichtvaardig ben je, dat je zo van weg verandert! Ook voor Egypte zul je beschaamd staan, zoals je voor Assyrië beschaamd stond.
מַה
(ma)
wat
תֵּזְלִ֥י
(tezeli)
ben je lichtzinnig
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
לְשַׁנּ֣וֹת
(leshanot)
om te veranderen
אֶת
(et)
(obj.)
דַּרְכֵּ֑ךְ
(darkekh)
je weg
גַּ֤ם
(gam)
ook
מִמִּצְרַ֨יִם֙
(mimitsrayim)
voor Egypte
תֵּב֔וֹשִׁי
(tevoshi)
zul je beschaamd staan
כַּאֲשֶׁר
(kaasher)
zoals
בֹּ֖שְׁתְּ
(bosht)
je beschaamd stond
מֵאַשּֽׁוּר
(meashur)
voor Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

תֵּזְלִי (tezli), ‘ben je lichtzinnig’: het werkwoord זָלַל (zalal) betekent ‘licht zijn, gering zijn’.

Israël verandert van weg zonder nadenken, nu eens naar Egypte, dan weer naar Assyrië.

37Ook van daar zul je weggaan, met je handen op je hoofd. Want Yahweh heeft verworpen waarop je vertrouwt, en je zult er geen succes mee hebben.
גַּ֣ם
(gam)
ook
מֵאֵ֥ת
(meet)
van
זֶה֙
(ze)
deze
תֵּֽצְאִ֔י
(tetsei)
zul je uitgaan
וְיָדַ֖יִךְ
(veyadayikh)
en je handen
עַל
(al)
op
רֹאשֵׁ֑ךְ
(roshekh)
hoofd
כִּֽי
(ki)
want
מָאַ֤ס
(maas)
heeft verworpen
יְהֹוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּמִבְטַחַ֔יִךְ
(bemivtachayikh)
je vertrouwen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תַצְלִ֖יחִי
(tatslichi)
zul je slagen
לָהֶֽם
(lahem)
daarmee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Handen op het hoofd zijn een gebaar van rouw en schaamte (2 Sam. 13:19).

Egypte zal Juda net zo teleurstellen als Assyrië (vers 36).