Yahweh laat Zich niet raadplegen: de geschiedenis van Israëls opstand en de nieuwe uittocht
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De oudsten komen Yahweh raadplegen
1Het was in het zevende jaar, in de vijfde maand, op de tiende van de maand. Enkele mannen van de oudsten van Israël kwamen om Yahweh te raadplegen. Zij gingen voor mij zitten.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בַּשָּׁנָ֣ה
(bashana)
in het jaar
הַשְּׁבִיעִ֗ית
(hasheviit)
zevende
בַּֽחֲמִשִׁי֙
(bachamishi)
in de vijfde
בֶּעָשׂ֣וֹר
(beasor)
op de tiende
לַחֹ֔דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
בָּ֧אוּ
(bau)
kwamen
אֲנָשִׁ֛ים
(anashim)
mannen
מִזִּקְנֵ֥י
(miziqnei)
van de oudsten van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לִדְרֹ֣שׁ
(lidrosh)
om te raadplegen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֵּשְׁב֖וּ
(vayeshevu)
en zaten
לְפָנָֽי
(lefanay)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בַּשָּׁנָה הַשְּׁבִיעִית (bashshanah hashshevi’it), ‘in het zevende jaar’: het Hebreeuws zegt niet vanaf welk moment wordt geteld.
In dit boek worden jaren geteld vanaf de wegvoering van koning Jojachin (Ezech. 1:2).
Het zevende jaar valt dan bijna een jaar na het visioen van Ezech. 8:1.
לִדְרֹשׁ אֶת־יְהוָה (lidrosh et Yahweh), ‘om Yahweh te raadplegen’: het werkwoord דָּרַשׁ (darash) betekent ‘zoeken, raadplegen’; men wil door een profeet een woord van Yahweh krijgen. Het werkwoord komt in vers 3 en 31 terug.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3„Mensenkind, spreek tot de oudsten van Israël en zeg tot hen: Zo zegt Heer Yahweh: ‘Komen jullie om Mij te raadplegen? Zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: Ik zal Mij door jullie niet laten raadplegen.’
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mensen
דַּבֵּ֞ר
(daber)
spreek
אֶת
(et)
(obj.)
זִקְנֵ֤י
(ziqnei)
oudsten van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הֲלִדְרֹ֥שׁ
(halidrosh)
om te raadplegen
אֹתִ֖י
(oti)
Mij
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
בָּאִ֑ים
(baim)
komen
חַי
(chay)
leven
אָ֨נִי֙
(ani)
Ik
אִם
(im)
als
אִדָּרֵ֣שׁ
(idaresh)
laat Ik Mij raadplegen
לָכֶ֔ם
(lakhem)
door jullie
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 2:4.
נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11.
אִם־אִדָּרֵשׁ לָכֶם (im iddaresh lakhem), ‘Ik zal Mij door jullie niet laten raadplegen’: na een eed betekent ‘indien’ een sterke ontkenning. Dit is de kern van het hoofdstuk. In vers 31 klinkt hetzelfde.
5Zeg tot hen: Zo zegt Heer Yahweh: ‘Op de dag dat Ik Israël koos, hief Ik Mijn hand op voor het nageslacht van het huis van Jakob. Ik maakte Mij aan hen bekend in het land Egypte. Ik hief Mijn hand voor hen op en zei: „Ik ben Yahweh, jullie Elohim.”
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tot hen
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
בְּיוֹם֙
(beyom)
op de dag
בָּחֳרִ֣י
(bachori)
Ik koos
בְיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
Israël
וָאֶשָּׂ֣א
(vaesa)
en Ik hief op
יָדִ֗י
(yadi)
Mijn hand
לְזֶ֨רַע֙
(lezera)
voor het nageslacht van
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יַֽעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וָאִוָּדַ֥ע
(vaivada)
en Ik maakte Mij bekend
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וָאֶשָּׂ֨א
(vaesa)
en Ik hief op
יָדִ֤י
(yadi)
Mijn hand
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
בְּיוֹם בָּחֳרִי בְּיִשְׂרָאֵל (beyom bochri beYisra’el), ‘op de dag dat Ik Israël koos’: de uitverkiezing wordt hier in Egypte geplaatst.
Ze hoort bij de uittocht, niet bij Abraham.
וָאֶשָּׂא יָדִי (va’essa yadi), ‘en Ik hief Mijn hand op’: een eed; zie Exod. 6:8, Num. 14:30 en Deut. 32:40. Deze uitdrukking komt in dit hoofdstuk steeds terug (vers 5, 6, 15, 23, 28, 42).
Het Hebreeuws van dit vers heeft een lange inleiding voor de woorden ‘Ik ben Yahweh, jullie Elohim’. Wij laten de volgorde van het Hebreeuws staan.
6Op die dag hief Ik Mijn hand voor hen op om hen uit het land Egypte te leiden. Ik zou hen brengen naar een land dat Ik voor hen had uitgezocht. Het is een land dat overvloeit van melk en honing, de pracht van alle landen.
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
נָשָׂ֤אתִי
(nasati)
Ik hief op
יָדִי֙
(yadi)
Mijn hand
לָהֶ֔ם
(lahem)
voor hen
לְהֽוֹצִיאָ֖ם
(lehotsiam)
om hen te leiden
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֶל
(el)
naar
אֶ֜רֶץ
(erets)
een land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
תַּ֣רְתִּי
(tarti)
Ik had uitgezocht
לָהֶ֗ם
(lahem)
voor hen
זָבַ֤ת
(zavat)
vloeiend van
חָלָב֙
(chalav)
melk
וּדְבַ֔שׁ
(udevash)
en honing
צְבִ֥י
(tsevi)
pracht
הִ֖יא
(hi)
het is
לְכָל
(lekhal)
van alle
הָאֲרָצֽוֹת
(haaratsot)
landen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
תַּרְתִּי (tarti), ‘Ik had uitgezocht’: het werkwoord תּוּר (tur) betekent ‘verkennen, uitspieden’; het wordt gebruikt voor de verkenners van Num. 13:2.
Yahweh heeft het land vooraf onderzocht en uitgekozen.
זָבַת חָלָב וּדְבָשׁ (zavat chalav udevash), ‘overvloeiend van melk en honing’: zoals in Exod. 3:8.
צְבִי (tsevi), ‘pracht’: hetzelfde woord betekent ‘gazelle’, het mooiste dier. Het land is de pracht van alle landen.
8Maar zij waren Mij weerspannig en wilden niet naar Mij luisteren. Niemand wierp de gruwelbeelden van zijn ogen weg. De mestgoden van Egypte lieten zij niet los. Toen zei Ik dat Ik Mijn woede over hen zou uitgieten. Ik zou Mijn toorn tegen hen laten uitwerken, midden in het land Egypte.
וַיַּמְרוּ
(vayamru)
en zij waren weerspannig
בִ֗י
(bi)
tegen Mij
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
אָבוּ֙
(avu)
wilden
לִּשְׁמֹ֣עַ
(lishmoa)
luisteren
אֵלַ֔י
(elay)
naar Mij
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
שִׁקּוּצֵ֤י
(shiqutsei)
gruwelbeelden van
עֵֽינֵיהֶם֙
(eineihem)
hun ogen
לֹ֣א
(lo)
niet
הִשְׁלִ֔יכוּ
(hishlikhu)
wierpen weg
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גִּלּוּלֵ֥י
(gilulei)
mestgoden van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
לֹ֣א
(lo)
niet
עָזָ֑בוּ
(azavu)
lieten zij los
וָאֹמַ֞ר
(vaomar)
en Ik zei
לִשְׁפֹּ֧ךְ
(lishpokh)
om uit te storten
חֲמָתִ֣י
(chamati)
Mijn woede
עֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
over hen
לְכַלּ֤וֹת
(lekhalot)
om te laten uitwerken
אַפִּי֙
(api)
Mijn toorn
בָּהֶ֔ם
(bahem)
tegen hen
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
te midden van
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
וָאֹמֶר לִשְׁפֹּךְ חֲמָתִי (va’omar lishpokh chamati), ‘en Ik zei dat Ik Mijn woede zou uitgieten’: Yahweh overwoog het oordeel in Egypte te voltrekken.
Er staat geen zin die zegt dat Hij het uitsprak; het is Zijn besluit.
לְכַלּוֹת אַפִּי (lekhallot appi), ‘om Mijn toorn te laten uitwerken’: letterlijk ‘om Mijn toorn te voleindigen’.
9Maar Ik handelde omwille van Mijn naam. Die mocht niet ontheiligd worden voor de ogen van de volken te midden van wie zij waren. Voor hun ogen had Ik Mij immers aan hen bekend gemaakt, door hen uit het land Egypte te leiden.
וָאַ֨עַשׂ֙
(vaaas)
en Ik handelde
לְמַ֣עַן
(lemaan)
omwille van
שְׁמִ֔י
(shemi)
Mijn naam
לְבִלְתִּ֥י
(levilti)
opdat niet
הֵחֵ֛ל
(hechel)
zou worden ontheiligd
לְעֵינֵ֥י
(leeinei)
voor de ogen van
הַגּוֹיִ֖ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
בְתוֹכָ֑ם
(betokham)
te midden van hen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waaraan
נוֹדַ֤עְתִּי
(nodati)
Ik Mij bekend maakte
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
aan hen
לְעֵ֣ינֵיהֶ֔ם
(leeineihem)
voor hun ogen
לְהוֹצִיאָ֖ם
(lehotsiam)
door hen te leiden
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
וָאַעַשׂ לְמַעַן שְׁמִי (va’a’as lema’an shemi), ‘en Ik handelde omwille van Mijn naam’: hier, en in vers 14 en 22, houdt Yahweh Zich in omdat Zijn naam bij de volken niet ontheiligd mag worden.
Hij redt Israël niet om Israëls verdienste.
לְבִלְתִּי הֵחֵל (levilti hechel), ‘opdat niet zou worden ontheiligd’: het werkwoord חָלַל (chalal) betekent ‘ontheiligen, profaan maken’. Hetzelfde werkwoord staat bij de sabbatten (vers 13, 16, 21, 24).
13Maar het huis van Israël was Mij weerspannig in de woestijn. Zij leefden niet naar Mijn voorschriften en verwierpen Mijn rechtsregels, die een mens doet en daardoor leeft. Mijn sabbatten ontheiligden zij zeer. Toen zei Ik dat Ik Mijn woede in de woestijn over hen zou uitgieten, om hen te vernietigen.
וַיַּמְרוּ
(vayamru)
en zij waren weerspannig
בִ֨י
(bi)
tegen Mij
בֵֽית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
בַּמִּדְבָּ֗ר
(bamidbar)
in de woestijn
בְּחֻקּוֹתַ֨י
(bechuqotay)
in Mijn voorschriften
לֹא
(lo)
niet
הָלָ֜כוּ
(halakhu)
liepen zij
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִשְׁפָּטַ֣י
(mishpatay)
Mijn rechtsregels
מָאָ֗סוּ
(maasu)
verwierpen zij
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
יַעֲשֶׂ֨ה
(yaase)
doet
אֹתָ֤ם
(otam)
hen
הָֽאָדָם֙
(haadam)
de mens
וָחַ֣י
(vachay)
en leeft
בָּהֶ֔ם
(bahem)
door hen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שַׁבְּתֹתַ֖י
(shabetotay)
Mijn sabbatten
חִלְּל֣וּ
(chilelu)
ontheiligden zij
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וָאֹמַ֞ר
(vaomar)
en Ik zei
לִשְׁפֹּ֨ךְ
(lishpokh)
om uit te storten
חֲמָתִ֧י
(chamati)
Mijn woede
עֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
over hen
בַּמִּדְבָּ֖ר
(bamidbar)
in de woestijn
לְכַלּוֹתָֽם
(lekhalotam)
om hen te vernietigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיַּמְרוּ בִי (vayyamru vi), ‘zij waren Mij weerspannig’: het werkwoord מָרָה (marah) betekent ‘opstandig zijn’.
Het woord is verwant met ‘het weerspannige huis’ in Ezech. 2:5.
לְכַלּוֹתָם (lekhallotam), ‘om hen te vernietigen’: dit is het werkwoord כָּלָה (kalah), ‘ten einde brengen’. In vers 17 zegt Yahweh dat Hij hen niet ‘ten einde’ bracht.
15Ook hief Ik Mijn hand voor hen op in de woestijn: Ik zou hen niet brengen naar het land dat Ik hun had gegeven. Het is een land dat overvloeit van melk en honing, de pracht van alle landen.
וְגַם
(vegam)
en ook
אֲנִ֗י
(ani)
Ik
נָשָׂ֧אתִי
(nasati)
hief op
יָדִ֛י
(yadi)
Mijn hand
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
בַּמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
לְבִלְתִּי֩
(levilti)
om niet
הָבִ֨יא
(havi)
te brengen
אוֹתָ֜ם
(otam)
hen
אֶל
(el)
naar
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָתַ֗תִּי
(natati)
Ik gaf
זָבַ֤ת
(zavat)
vloeiend van
חָלָב֙
(chalav)
melk
וּדְבַ֔שׁ
(udevash)
en honing
צְבִ֥י
(tsevi)
pracht
הִ֖יא
(hi)
het is
לְכָל
(lekhal)
van alle
הָאֲרָצֽוֹת
(haaratsot)
landen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is de tweede eed in de woestijn: het geslacht dat uit Egypte kwam, zal het land niet binnengaan.
16Want zij verwierpen Mijn rechtsregels, leefden niet naar Mijn voorschriften en ontheiligden Mijn sabbatten. Hun hart ging immers achter hun mestgoden aan.
יַ֜עַן
(yaan)
omdat
בְּמִשְׁפָּטַ֣י
(bemishpatay)
Mijn rechtsregels
מָאָ֗סוּ
(maasu)
verwierpen zij
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֻקּוֹתַי֙
(chuqotay)
Mijn voorschriften
לֹא
(lo)
niet
הָלְכ֣וּ
(halekhu)
liepen zij
בָהֶ֔ם
(bahem)
daarin
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שַׁבְּתוֹתַ֖י
(shabetotay)
Mijn sabbatten
חִלֵּ֑לוּ
(chilelu)
ontheiligden zij
כִּ֛י
(ki)
want
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
גִלּוּלֵיהֶ֖ם
(giluleihem)
hun mestgoden
לִבָּ֥ם
(libam)
hun hart
הֹלֵֽךְ
(holekh)
ging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Ik zei tot hun zonen in de woestijn: „Volg niet de voorschriften van jullie vaders, bewaar hun rechtsregels niet en maak jullie niet onrein met hun mestgoden.
וָאֹמַ֤ר
(vaomar)
en Ik zei
אֶל
(el)
tot
בְּנֵיהֶם֙
(beneihem)
hun zonen
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
בְּחוּקֵּ֤י
(bechuqei)
in de voorschriften van
אֲבֽוֹתֵיכֶם֙
(avoteikhem)
jullie vaders
אַל
(al)
niet
תֵּלֵ֔כוּ
(telekhu)
wandelt
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִשְׁפְּטֵיהֶ֖ם
(mishpeteihem)
hun rechtsregels
אַל
(al)
niet
תִּשְׁמֹ֑רוּ
(tishmoru)
bewaart
וּבְגִלּוּלֵיהֶ֖ם
(uvegiluleihem)
en met hun mestgoden
אַל
(al)
niet
תִּטַּמָּֽאוּ
(titamau)
maakt jullie onrein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf dit vers gaat het over het volgende geslacht, de zonen.
Wat Yahweh tot hen zegt, staat binnen een eigen aanhaling.
21Maar de zonen waren Mij weerspannig. Zij leefden niet naar Mijn voorschriften. Zij bewaarden Mijn rechtsregels niet om ze te doen, die een mens doet en daardoor leeft. Mijn sabbatten ontheiligden zij. Toen zei Ik dat Ik Mijn woede over hen zou uitgieten. Ik zou Mijn toorn tegen hen laten uitwerken in de woestijn.
וַיַּמְרוּ
(vayamru)
en zij waren weerspannig
בִ֣י
(bi)
tegen Mij
הַבָּנִ֗ים
(habanim)
de zonen
בְּחֻקּוֹתַ֣י
(bechuqotay)
in Mijn voorschriften
לֹֽא
(lo)
niet
הָ֠לָכוּ
(halakhu)
liepen zij
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִשְׁפָּטַ֨י
(mishpatay)
Mijn rechtsregels
לֹא
(lo)
niet
שָׁמְר֜וּ
(shameru)
bewaarden zij
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te doen
אוֹתָ֗ם
(otam)
ze
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
יַעֲשֶׂ֨ה
(yaase)
doet
אוֹתָ֤ם
(otam)
hen
הָֽאָדָם֙
(haadam)
de mens
וָחַ֣י
(vachay)
en leeft
בָּהֶ֔ם
(bahem)
door hen
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁבְּתוֹתַ֖י
(shabetotay)
Mijn sabbatten
חִלֵּ֑לוּ
(chilelu)
ontheiligden zij
וָאֹמַ֞ר
(vaomar)
en Ik zei
לִשְׁפֹּ֧ךְ
(lishpokh)
om uit te storten
חֲמָתִ֣י
(chamati)
Mijn woede
עֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
over hen
לְכַלּ֥וֹת
(lekhalot)
om te laten uitwerken
אַפִּ֛י
(api)
Mijn toorn
בָּ֖ם
(bam)
tegen hen
בַּמִּדְבָּֽר
(bamidbar)
in de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het patroon van vers 13 keert terug bij de zonen: opstand, een besluit om te straffen en daarna ingehouden toorn omwille van Yahweh’s naam (vers 22).
22Maar Ik trok Mijn hand terug en handelde omwille van Mijn naam. Die mocht niet ontheiligd worden voor de ogen van de volken voor wier ogen Ik hen had geleid.
וַהֲשִׁבֹ֨תִי֙
(vahashivoti)
en Ik trok terug
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִ֔י
(yadi)
Mijn hand
וָאַ֖עַשׂ
(vaaas)
en Ik handelde
לְמַ֣עַן
(lemaan)
omwille van
שְׁמִ֑י
(shemi)
Mijn naam
לְבִלְתִּ֤י
(levilti)
opdat niet
הֵחֵל֙
(hechel)
zou worden ontheiligd
לְעֵינֵ֣י
(leeinei)
voor de ogen van
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁר
(asher)
voor wie
הוֹצֵ֥אתִי
(hotseti)
Ik had geleid
אוֹתָ֖ם
(otam)
hen
לְעֵינֵיהֶֽם
(leeineihem)
voor hun ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Want zij hadden Mijn rechtsregels niet gedaan, Mijn voorschriften verworpen en Mijn sabbatten ontheiligd. Hun ogen waren gericht op de mestgoden van hun vaders.
יַ֜עַן
(yaan)
omdat
מִשְׁפָּטַ֤י
(mishpatay)
Mijn rechtsregels
לֹֽא
(lo)
niet
עָשׂוּ֙
(asu)
deden zij
וְחֻקּוֹתַ֣י
(vechuqotay)
en Mijn voorschriften
מָאָ֔סוּ
(maasu)
verwierpen zij
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שַׁבְּתוֹתַ֖י
(shabetotay)
Mijn sabbatten
חִלֵּ֑לוּ
(chilelu)
ontheiligden zij
וְאַחֲרֵי֙
(veacharei)
en achter
גִּלּוּלֵ֣י
(gilulei)
de mestgoden van
אֲבוֹתָ֔ם
(avotam)
hun vaders
הָי֖וּ
(hayu)
waren
עֵינֵיהֶֽם
(eineihem)
hun ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Ik maakte hen onrein door hun gaven, doordat zij alles wat de moederschoot opent, lieten overgaan. Zo sloeg Ik hen met ontzetting, opdat zij zouden weten dat Ik Yahweh ben.’
וָאֲטַמֵּ֤א
(vaatame)
en Ik maakte onrein
אוֹתָם֙
(otam)
hen
בְּמַתְּנוֹתָ֔ם
(bematenotam)
door hun gaven
בְּהַעֲבִ֖יר
(behaavir)
doordat zij lieten overgaan
כָּל
(kal)
alles
פֶּ֣טֶר
(peter)
wat opent
רָ֑חַם
(racham)
de moederschoot
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
אֲשִׁמֵּ֔ם
(ashimem)
Ik hen met ontzetting sloeg
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
opdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
יֵֽדְע֔וּ
(yedeu)
zij zouden weten
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פֶּטֶר רֶחֶם (peter rechem), ‘wat de moederschoot opent’: de eerstgeborene, zoals in Exod. 13:2.
De uitdrukking ‘lieten overgaan’ wijst op het kind door het vuur laten gaan (vers 31).
לְמַעַן אֲשִׁמֵּם (lema’an ashimmem), ‘opdat Ik hen met ontzetting sloeg’: het werkwoord שָׁמֵם (shamem) betekent ‘verwoest, ontzet zijn’. De bedoeling is dat zij zich van Hem bewust worden.
Hier eindigt de eerste toespraak over de geschiedenis (vers 5–26).
27Daarom, spreek tot het huis van Israël, mensenkind, en zeg tot hen: Zo zegt Heer Yahweh: ‘Ook hierin hebben jullie vaders Mij gelasterd door ontrouw aan Mij te plegen.
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
דַּבֵּ֨ר
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
בֵּ֤ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֔ם
(adam)
mensen
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tot hen
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
ע֗וֹד
(od)
nog
זֹ֚את
(zot)
dit
גִּדְּפ֤וּ
(gidefu)
lasterden
אוֹתִי֙
(oti)
Mij
אֲב֣וֹתֵיכֶ֔ם
(avoteikhem)
jullie vaders
בְּמַעֲלָ֥ם
(bemaalam)
door te handelen
בִּ֖י
(bi)
tegen Mij
מָֽעַל
(maal)
ontrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Ik bracht hen naar het land waarover Ik Mijn hand had opgeheven om het hun te geven. Zij zagen elke hoge heuvel en elke bladerrijke boom. Daar slachtten zij hun slachtoffers. Daar gaven zij hun ergernis wekkende offergave. Daar legden zij hun aangename geur neer. Daar goten zij hun plengoffers uit.
וָאֲבִיאֵם֙
(vaaviem)
en Ik bracht hen
אֶל
(el)
naar
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waarover
נָשָׂ֨אתִי֙
(nasati)
Ik hief op
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִ֔י
(yadi)
Mijn hand
לָתֵ֥ת
(latet)
om te geven
אוֹתָ֖הּ
(otah)
het
לָהֶ֑ם
(lahem)
aan hen
וַיִּרְאוּ֩
(vayiru)
en zij zagen
כָל
(kal)
elke
גִּבְעָ֨ה
(giva)
heuvel
רָמָ֜ה
(rama)
hoge
וְכָל
(vekhal)
en elke
עֵ֣ץ
(ets)
boom
עָבֹ֗ת
(avot)
bladerrijke
וַיִּזְבְּחוּ
(vayizbechu)
en zij slachtten
שָׁ֤ם
(sham)
daar
אֶת
(et)
(obj.)
זִבְחֵיהֶם֙
(zivcheihem)
hun slachtoffers
וַיִּתְּנוּ
(vayitenu)
en zij gaven
שָׁם֙
(sham)
daar
כַּ֣עַס
(kaas)
ergernis van
קָרְבָּנָ֔ם
(qarbanam)
hun offergave
וַיָּשִׂ֣ימוּ
(vayasimu)
en zij legden
שָׁ֗ם
(sham)
daar
רֵ֚יחַ
(reiach)
geur van
נִיח֣וֹחֵיהֶ֔ם
(nichocheihem)
hun aangename
וַיַּסִּ֥יכוּ
(vayasikhu)
en zij goten uit
שָׁ֖ם
(sham)
daar
אֶת
(et)
(obj.)
נִסְכֵּיהֶֽם
(niskeihem)
hun plengoffers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גִּבְעָה רָמָה (givah ramah), ‘hoge heuvel’, en עֵץ עָבֹת (ets avot), ‘bladerrijke boom’: de plaatsen van de afgodsdienst; zie 2 Kon. 17:10.
כַּעַס קָרְבָּנָם (ka’as qorbanam), ‘hun ergernis wekkende offergave’: het offer dat Yahweh tot ergernis is.
רֵיחַ נִיחוֹחֵיהֶם (reach nichochehem), ‘hun aangename geur’: dezelfde uitdrukking als bij de offers voor Yahweh (Lev. 1:9). Hier brengen zij haar aan andere goden.
30Daarom, zeg tot het huis van Israël: Zo zegt Heer Yahweh: ‘Maken jullie je onrein op de weg van jullie vaders? Lopen jullie hoererend achter hun gruwelbeelden aan?
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
אֱמֹ֣ר
(emor)
zeg
אֶל
(el)
tot
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הַבְּדֶ֥רֶךְ
(habederekh)
op de weg van
אֲבֽוֹתֵיכֶ֖ם
(avoteikhem)
jullie vaders
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
נִטְמְאִ֑ים
(nitmeim)
maken jullie onrein
וְאַחֲרֵ֥י
(veacharei)
en achter
שִׁקּוּצֵיהֶ֖ם
(shiqutseihem)
hun gruwelbeelden
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
זֹנִֽים
(zonim)
hoereren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זֹנִים (zonim), ‘hoererend’: het werkwoord זָנָה (zanah) wordt in de profeten voor afgoderij gebruikt, zoals in Hos. 4:12.
Wij laten de letterlijke vertaling staan.
שִׁקּוּצֵיהֶם (shiqqutseihem), ‘hun gruwelbeelden’: zie vers 7.
31Wanneer jullie jullie gaven brengen en jullie zonen door het vuur laten gaan, maken jullie je tot op heden onrein met al jullie mestgoden. Zou Ik Mij dan door jullie laten raadplegen, huis van Israël? Zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: Ik zal Mij door jullie niet laten raadplegen.
וּבִשְׂאֵ֣ת
(uviset)
en bij het brengen van
מַתְּנֹֽתֵיכֶ֡ם
(matenoteikhem)
jullie gaven
בְּֽהַעֲבִיר֩
(behaavir)
bij het laten overgaan
בְּנֵיכֶ֨ם
(beneikhem)
jullie zonen
בָּאֵ֜שׁ
(baesh)
door het vuur
אַתֶּם֩
(atem)
jullie
נִטְמְאִ֤֨ים
(nitmeim)
maken jullie onrein
לְכָל
(lekhal)
met al
גִּלּֽוּלֵיכֶם֙
(giluleikhem)
jullie mestgoden
עַד
(ad)
tot
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
וַאֲנִ֛י
(vaani)
en Ik
אִדָּרֵ֥שׁ
(idaresh)
zou Mij laten raadplegen
לָכֶ֖ם
(lakhem)
door jullie
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
חַי
(chay)
leven
אָ֗נִי
(ani)
Ik
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
als
אִדָּרֵ֖שׁ
(idaresh)
laat Ik Mij raadplegen
לָכֶֽם
(lakhem)
door jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּהַעֲבִיר בְּנֵיכֶם בָּאֵשׁ (beha’avir beneikhem ba’esh), ‘door jullie zonen door het vuur te laten gaan’: kinderoffers voor een andere god; zie 2 Kon. 17:17 en 2 Kon. 23:10.
De vraag ‘Zou Ik Mij dan door jullie laten raadplegen?’ en de eed erna beantwoorden de vraag van vers 1–3.
32Wat in jullie geest opkomt, zal helemaal niet gebeuren. Jullie zeggen: „Laten wij zijn als de volken, als de families van de landen, en hout en steen dienen.”
וְהָֽעֹלָה֙
(vehaola)
en wat opkomt
עַל
(al)
in
ר֣וּחֲכֶ֔ם
(ruchakhem)
jullie geest
הָי֖וֹ
(hayo)
zijn
לֹ֣א
(lo)
niet
תִֽהְיֶ֑ה
(tihye)
zal gebeuren
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
אֹמְרִ֗ים
(omerim)
zeggen
נִֽהְיֶ֤ה
(nihye)
laten wij zijn
כַגּוֹיִם֙
(kagoyim)
als de volken
כְּמִשְׁפְּח֣וֹת
(kemishpechot)
als de families van
הָאֲרָצ֔וֹת
(haaratsot)
de landen
לְשָׁרֵ֖ת
(lesharet)
om te dienen
עֵ֥ץ
(ets)
hout
וָאָֽבֶן
(vaaven)
en steen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָעֹלָה עַל־רוּחֲכֶם (ha’olah al ruchakhem), ‘wat in jullie geest opkomt’: het plan dat de ballingen koesteren.
Zij willen zo worden als de volken om hen heen.
Yahweh zegt dat dit niet zal gebeuren.
לְשָׁרֵת עֵץ וָאָבֶן (leshaaret ets va’aven), ‘hout en steen dienen’: afgoden van hout en steen; vergelijk Deut. 28:36.
33Zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: zeker, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgegoten woede zal Ik over jullie regeren.
חַי
(chay)
leven
אָ֕נִי
(ani)
Ik
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
als
לֹ֠א
(lo)
niet
בְּיָ֨ד
(beyad)
met hand
חֲזָקָ֜ה
(chazaqa)
sterke
וּבִזְר֧וֹעַ
(uvizroa)
en met arm
נְטוּיָ֛ה
(netuya)
uitgestrekte
וּבְחֵמָ֥ה
(uvechema)
en met woede
שְׁפוּכָ֖ה
(shefukha)
uitgegoten
אֶמְל֥וֹךְ
(emlokh)
zal Ik regeren
עֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
over jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּיָד חֲזָקָה וּבִזְרוֹעַ נְטוּיָה (beyad chazaqah uvizro’a netuyah), ‘met sterke hand en uitgestrekte arm’: de woorden van de eerste uittocht (Deut. 26:8).
Hier worden ze gebruikt voor de tweede.
אֶמְלוֹךְ (emlokh), ‘Ik zal regeren’: Yahweh wordt zelf koning over hen. Hij regeert met uitgegoten woede.
34Ik zal jullie wegleiden uit de volken en jullie bijeenbrengen uit de landen waarover jullie verstrooid zijn. Dat doe Ik met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgegoten woede.
וְהוֹצֵאתִ֤י
(vehotseti)
en Ik zal leiden
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
מִן
(min)
uit
הָ֣עַמִּ֔ים
(haamim)
de volken
וְקִבַּצְתִּ֣י
(veqibatsti)
en Ik zal bijeenbrengen
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
מִן
(min)
uit
הָ֣אֲרָצ֔וֹת
(haaratsot)
de landen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarover
נְפוֹצֹתֶ֖ם
(nefotsotem)
jullie verstrooid zijn
בָּ֑ם
(bam)
daarin
בְּיָ֤ד
(beyad)
met hand
חֲזָקָה֙
(chazaqa)
sterke
וּבִזְר֣וֹעַ
(uvizroa)
en met arm
נְטוּיָ֔ה
(netuya)
uitgestrekte
וּבְחֵמָ֖ה
(uvechema)
en met woede
שְׁפוּכָֽה
(shefukha)
uitgegoten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37Ik zal jullie onder de staf laten doorgaan en jullie brengen onder de band van het verbond.
וְהַעֲבַרְתִּ֥י
(vehaavarti)
en Ik zal laten doorgaan
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
הַשָּׁ֑בֶט
(hashavet)
de staf
וְהֵבֵאתִ֥י
(veheveti)
en Ik zal brengen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
בְּמָסֹ֥רֶת
(bemasoret)
in de band van
הַבְּרִֽית
(haberit)
het verbond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תַּחַת הַשָּׁבֶט (tachat hashshavet), ‘onder de staf’: de herder telt zijn schapen als ze onder zijn staf doorgaan (Lev. 27:32).
Zo telt Yahweh wie bij Hem hoort.
בִּמְסֹרֶת הַבְּרִית (bimsoret haberit), ‘onder de band van het verbond’: het woord מָסֹרֶת (masoret) komt alleen hier voor; de betekenis ‘band, verplichting’ is niet zeker.
38Ik zal uit jullie midden de opstandigen en de overtreders tegen Mij zuiveren. Uit het land waar zij als vreemdelingen wonen, zal Ik hen wegleiden. Naar de grond van Israël zullen zij niet komen. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.
וּבָרוֹתִ֣י
(uvaroti)
en Ik zal zuiveren
מִכֶּ֗ם
(mikem)
uit jullie midden
הַמֹּרְדִ֤ים
(hamoredim)
de opstandigen
וְהַפּֽוֹשְׁעִים֙
(vehaposheim)
en de overtreders
בִּ֔י
(bi)
tegen Mij
מֵאֶ֤רֶץ
(meerets)
uit het land van
מְגֽוּרֵיהֶם֙
(megureihem)
hun vreemdelingschap
אוֹצִ֣יא
(otsi)
Ik zal leiden
אוֹתָ֔ם
(otam)
hen
וְאֶל
(veel)
maar naar
אַדְמַ֥ת
(admat)
grond van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֹ֣א
(lo)
niet
יָב֑וֹא
(yavo)
zullen zij komen
וִֽידַעְתֶּ֖ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בָּרוֹתִי (barothi), ‘Ik zal zuiveren’: het werkwoord בָּרַר (barar) betekent ‘uitzoeken, zuiveren’, een scheiding tussen wie trouw is en wie niet.
De opstandigen komen niet in het land (vergelijk Num. 14:29–30).
39En jullie, huis van Israël, zo zegt Heer Yahweh: ga heen, dien ieder zijn mestgoden. En daarna, wanneer jullie niet naar Mij luisteren: Mijn heilige naam zullen jullie niet meer ontheiligen met jullie gaven en jullie mestgoden.
וְאַתֶּ֨ם
(veatem)
en jullie
בֵּֽית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהֹוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אִ֤ישׁ
(ish)
ieder
גִּלּוּלָיו֙
(gilulav)
zijn mestgoden
לְכ֣וּ
(lekhu)
gaat
עֲבֹ֔דוּ
(avodu)
dient
וְאַחַ֕ר
(veachar)
en daarna
אִם
(im)
als
אֵינְכֶ֖ם
(einekhem)
niet jullie zijn
שֹׁמְעִ֣ים
(shomeim)
luisterend
אֵלָ֑י
(elay)
naar Mij
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שֵׁ֤ם
(shem)
naam van
קָדְשִׁי֙
(qadeshi)
Mijn heiligheid
לֹ֣א
(lo)
niet
תְחַלְּלוּ
(techalelu)
zullen jullie ontheiligen
ע֔וֹד
(od)
meer
בְּמַתְּנֽוֹתֵיכֶ֖ם
(bematenoteikhem)
met jullie gaven
וּבְגִלּוּלֵיכֶֽם
(uvegiluleikhem)
en met jullie mestgoden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws van dit vers is moeilijk.
Letterlijk staat er: ‘Jullie, huis van Israël, zo zegt Heer Yahweh: ieder gaat zijn mestgoden dienen, en daarna, als jullie niet naar Mij luisteren, en Mijn heilige naam ontheiligen jullie niet meer.’
Het kan een bittere uitnodiging zijn (‘ga maar’) of een woord dat voortzet met de belofte van vers 40.
40Want op Mijn heilige berg, op de hoge berg van Israël, godsspraak van Heer Yahweh: daar zal heel het huis van Israël Mij dienen, allen in het land. Daar zal Ik hen gunstig aannemen. Daar zal Ik jullie heffingen zoeken en de eerste van jullie gaven, met al jullie heilige dingen.
כִּ֣י
(ki)
want
בְהַר
(behar)
op de berg van
קָדְשִׁ֞י
(qadeshi)
Mijn heiligheid
בְּהַ֣ר
(behar)
op de berg van
מְר֣וֹם
(merom)
hoogte van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
שָׁ֣ם
(sham)
daar
יַעַבְדֻ֜נִי
(yaavduni)
zal Mij dienen
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֧ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
כֻּלֹּ֖ה
(kulo)
allen
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
in het land
שָׁ֣ם
(sham)
daar
אֶרְצֵ֔ם
(ertsem)
zal Ik hen aannemen
וְשָׁ֞ם
(vesham)
en daar
אֶדְר֣וֹשׁ
(edrosh)
zal Ik zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
תְּרוּמֹֽתֵיכֶ֗ם
(terumoteikhem)
jullie heffingen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
רֵאשִׁ֛ית
(reshit)
eerste van
מַשְׂאוֹתֵיכֶ֖ם
(masoteikhem)
jullie gaven
בְּכָל
(bekhal)
met al
קָדְשֵׁיכֶֽם
(qadesheikhem)
jullie heilige dingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַר מְרוֹם יִשְׂרָאֵל (har merom Yisra’el), ‘de hoge berg van Israël’: zoals in Ezech. 17:23.
Het is Sion.
אֶרְצֵם (ertsem), ‘Ik zal hen aannemen’: het werkwoord רָצָה (ratsah) betekent ‘gunstig aannemen, welgevallen hebben’; de vorm is ongewoon geschreven.
תְּרוּמֹתֵיכֶם (terumotekhem), ‘jullie heffingen’: wat men voor Yahweh afzondert (zoals Lev. 22:12). רֵאשִׁית מַשְּׂאוֹתֵיכֶם (reshit massot’ekhem), ‘de eerste van jullie gaven’: de eerstelingen.
41Als een aangename geur zal Ik jullie gunstig aannemen. Dat gebeurt wanneer Ik jullie uit de volken leid en jullie bijeenbreng uit de landen waarover jullie verstrooid waren. Dan zal Ik Mij in jullie heilig tonen voor de ogen van de volken.
בְּרֵ֣יחַ
(bereiach)
als de geur van
נִיחֹחַ֮
(nichoach)
aangename
אֶרְצֶ֣ה
(ertse)
zal Ik aannemen
אֶתְכֶם֒
(etkhem)
jullie
בְּהוֹצִיאִ֤י
(behotsii)
wanneer Ik leid
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
מִן
(min)
uit
הָ֣עַמִּ֔ים
(haamim)
de volken
וְקִבַּצְתִּ֣י
(veqibatsti)
en bijeenbreng
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
מִן
(min)
uit
הָ֣אֲרָצ֔וֹת
(haaratsot)
de landen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarover
נְפֹצֹתֶ֖ם
(nefotsotem)
jullie verstrooid zijn
בָּ֑ם
(bam)
daarin
וְנִקְדַּשְׁתִּ֥י
(veniqdashti)
en Ik zal Mij heilig tonen
בָכֶ֖ם
(bakhem)
in jullie
לְעֵינֵ֥י
(leeinei)
voor de ogen van
הַגּוֹיִֽם
(hagoyim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּרֵיחַ נִיחֹחַ (bereach nichoach), ‘als een aangename geur’: het beeld van een geslaagd offer; vergelijk vers 28.
Nu is Israël zelf de aangename geur.
וְנִקְדַּשְׁתִּי בָכֶם (venikdashti vakhem), ‘en Ik zal Mij in jullie heilig tonen’: de volken zien dat Yahweh heilig is door wat Hij met Israël doet. Zie ook Ezech. 36:23.
42Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben. Dat gebeurt wanneer Ik jullie breng naar de grond van Israël. Dat is het land waarover Ik Mijn hand heb opgeheven om het aan jullie vaders te geven.
וִֽידַעְתֶּם֙
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּהֲבִיאִ֥י
(bahavii)
wanneer Ik breng
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
אֶל
(el)
naar
אַדְמַ֣ת
(admat)
grond van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waarover
נָשָׂ֨אתִי֙
(nasati)
Ik hief op
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִ֔י
(yadi)
Mijn hand
לָתֵ֥ת
(latet)
om te geven
אוֹתָ֖הּ
(otah)
het
לַאֲבֽוֹתֵיכֶֽם
(laavoteikhem)
aan jullie vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43Daar zullen jullie terugdenken aan jullie wegen en aan al jullie daden waardoor jullie je onrein hebben gemaakt. Jullie zullen walgen van jezelf om al het kwaad dat jullie deden.
וּזְכַרְתֶּם
(uzekhartem)
en jullie zullen terugdenken
שָׁ֗ם
(sham)
daar
אֶת
(et)
(obj.)
דַּרְכֵיכֶם֙
(darkheikhem)
jullie wegen
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
עֲלִיל֣וֹתֵיכֶ֔ם
(aliloteikhem)
jullie daden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waardoor
נִטְמֵאתֶ֖ם
(nitmetem)
jullie jullie onrein maakten
בָּ֑ם
(bam)
daardoor
וּנְקֹֽטֹתֶם֙
(uneqototem)
en jullie zullen walgen
בִּפְנֵיכֶ֔ם
(bifneikhem)
van jullie gezichten
בְּכָל
(bekhal)
om al
רָעוֹתֵיכֶ֖ם
(raoteikhem)
jullie kwaad
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עֲשִׂיתֶֽם
(asitem)
jullie deden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וּנְקֹטֹתֶם בִּפְנֵיכֶם (unqotottem bifneikhem), ‘jullie zullen walgen van jezelf’: letterlijk ‘jullie zullen jezelf in jullie gezichten verafschuwen’.
44Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben. Dat gebeurt wanneer Ik omwille van Mijn naam met jullie handel. Niet naar jullie boze wegen en niet naar jullie verdorven daden, huis van Israël, godsspraak van Heer Yahweh.’”
וִֽידַעְתֶּם֙
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּעֲשׂוֹתִ֥י
(baasoti)
wanneer Ik handel
אִתְּכֶ֖ם
(itekhem)
met jullie
לְמַ֣עַן
(lemaan)
omwille van
שְׁמִ֑י
(shemi)
Mijn naam
לֹא֩
(lo)
niet
כְדַרְכֵיכֶ֨ם
(kedarkheikhem)
naar jullie wegen
הָרָעִ֜ים
(haraim)
de boze
וְכַעֲלִילֽוֹתֵיכֶ֤ם
(vekhaaliloteikhem)
en naar jullie daden
הַנִּשְׁחָתוֹת֙
(hanishchatot)
de verdorven
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְמַעַן שְׁמִי (lema’an shemi), ‘omwille van Mijn naam’: de redenering van vers 9, 14 en 22 komt nu bij het slot.
Het nieuwe begin is niet een verdienste van Israël, maar Yahweh’s trouw aan Zijn naam.
Hier eindigt de toespraak die in vers 3 begon. De Nederlandse telling rekent het volgende woord van Yahweh (Hebreeuws 21:1–5) nog tot dit hoofdstuk: NL 20:45–49.