Elohim Bijbel

Exodus 4

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

De tekenen, Aäron en de nacht in de herberg

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Drie tekenen voor Mozes

1Mozes antwoordde: „Maar zie, zij zullen mij niet geloven en niet naar mijn stem luisteren, want zij zullen zeggen: ‘Yahweh is jou niet verschenen.’”
וַיַּ֤עַן
(vayaan)
en antwoordde
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
וַיֹּ֔אמֶר
(vayomer)
en zei
וְהֵן֙
(vehen)
maar zie
לֹֽא
(lo)
niet
יַאֲמִ֣ינוּ
(yaaminu)
zullen zij geloven
לִ֔י
(li)
mij
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִשְׁמְע֖וּ
(yishmeu)
zullen zij luisteren
בְּקֹלִ֑י
(beqoli)
naar mijn stem
כִּ֣י
(ki)
want
יֹֽאמְר֔וּ
(yomru)
zij zullen zeggen
לֹֽא
(lo)
niet
נִרְאָ֥ה
(nira)
is verschenen
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
aan jou
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Yahweh zei tot hem: „Wat is dat in je hand?” Hij zei: „Een staf.”
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֛יו
(elav)
tot hem
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מַה
(ma)
wat
זֶּ֣ה
(ze)
dit
בְיָדֶ֑ךָ
(beyadekha)
in je hand
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
מַטֶּֽה
(mate)
een staf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Hij zei: „Werp hem op de grond.” Hij wierp hem op de grond, en hij werd een slang, en Mozes vluchtte voor hem.
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en Hij zei
הַשְׁלִיכֵ֣הוּ
(hashlikhehu)
werp hem
אַ֔רְצָה
(artsa)
op de grond
וַיַּשְׁלִיכֵ֥הוּ
(vayashlikhehu)
en hij wierp hem
אַ֖רְצָה
(artsa)
op de grond
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en hij werd
לְנָחָ֑שׁ
(lenachash)
tot een slang
וַיָּ֥נָס
(vayanas)
en vluchtte
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
מִפָּנָֽיו
(mipanav)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Yahweh zei tot Mozes: „Steek je hand uit en grijp hem bij zijn staart.” Hij stak zijn hand uit en greep hem, en hij werd een staf in zijn hand.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
שְׁלַח֙
(shelach)
steek uit
יָֽדְךָ֔
(yadekha)
je hand
וֶאֱחֹ֖ז
(veechoz)
en grijp
בִּזְנָב֑וֹ
(biznavo)
bij zijn staart
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en hij stak uit
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
וַיַּ֣חֲזֶק
(vayachazeq)
en greep
בּ֔וֹ
(bo)
hem
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en hij werd
לְמַטֶּ֖ה
(lemate)
tot een staf
בְּכַפּֽוֹ
(bekhapo)
in zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5„Zo zullen zij geloven dat Yahweh, Elohim van hun vaderen, Elohim van Abraham, Elohim van Isaak en Elohim van Jakob, jou is verschenen.”
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
יַאֲמִ֔ינוּ
(yaaminu)
zij geloven
כִּֽי
(ki)
dat
נִרְאָ֥ה
(nira)
is verschenen
אֵלֶ֛יךָ
(eleikha)
aan jou
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
אֲבֹתָ֑ם
(avotam)
hun vaderen
אֱלֹהֵ֧י
(elohei)
Elohim van
אַבְרָהָ֛ם
(avraham)
Abraham
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
יִצְחָ֖ק
(yitschaq)
Isaak
וֵאלֹהֵ֥י
(velohei)
en Elohim van
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Yahweh zei verder tot hem: „Steek toch je hand in je borstvouw.” Hij stak zijn hand in zijn borstvouw en trok haar eruit, en zie, zijn hand was melaats, wit als sneeuw.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
ל֜וֹ
(lo)
tot hem
ע֗וֹד
(od)
verder
הָֽבֵא
(have)
breng
נָ֤א
(na)
toch
יָֽדְךָ֙
(yadekha)
je hand
בְּחֵיקֶ֔ךָ
(becheiqekha)
in je borstvouw
וַיָּבֵ֥א
(vayave)
en hij bracht
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
בְּחֵיק֑וֹ
(becheiqo)
in zijn borstvouw
וַיּ֣וֹצִאָ֔הּ
(vayotsiah)
en trok haar eruit
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
מְצֹרַ֥עַת
(metsoraat)
melaats
כַּשָּֽׁלֶג
(kashaleg)
als sneeuw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צָרַעַת (tsara‘at), hier ‘melaats’, is een huidziekte die ook andere aandoeningen dan lepra omvat (Lev. 13).

De hand wordt ‘wit als sneeuw’ en daarna weer gezond: het teken wijst op Yahweh’s macht over ziekte en genezing.

7Hij zei: „Steek je hand weer in je borstvouw.” Hij stak zijn hand weer in zijn borstvouw en trok haar eruit, en zie, zij was weer als zijn eigen vlees.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
הָשֵׁ֤ב
(hashev)
breng terug
יָֽדְךָ֙
(yadekha)
je hand
אֶל
(el)
naar
חֵיקֶ֔ךָ
(cheiqekha)
je borstvouw
וַיָּ֥שֶׁב
(vayashev)
en hij bracht terug
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
אֶל
(el)
naar
חֵיק֑וֹ
(cheiqo)
zijn borstvouw
וַיּֽוֹצִאָהּ֙
(vayotsiah)
en trok haar eruit
מֵֽחֵיק֔וֹ
(mecheiqo)
uit zijn borstvouw
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
שָׁ֖בָה
(shava)
zij was teruggekeerd
כִּבְשָׂרֽוֹ
(kivsaro)
als zijn vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8„Als zij je niet geloven en niet luisteren naar de stem van het eerste teken, dan zullen zij de stem van het laatste teken geloven.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
אִם
(im)
indien
לֹ֣א
(lo)
niet
יַאֲמִ֣ינוּ
(yaaminu)
zij geloven
לָ֔ךְ
(lakh)
je
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִשְׁמְע֔וּ
(yishmeu)
luisteren
לְקֹ֖ל
(leqol)
naar de stem van
הָאֹ֣ת
(haot)
het teken
הָרִאשׁ֑וֹן
(harishon)
het eerste
וְהֶֽאֱמִ֔ינוּ
(veheeminu)
dan zullen zij geloven
לְקֹ֖ל
(leqol)
de stem van
הָאֹ֥ת
(haot)
het teken
הָאַחֲרֽוֹן
(haacharon)
het laatste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9En als zij ook deze twee tekenen niet geloven en niet naar je stem luisteren, neem dan water uit de Nijl en giet het op het droge. Het water dat je uit de Nijl neemt, zal op het droge bloed worden.”
וְהָיָ֡ה
(vehaya)
en het zal zijn
אִם
(im)
indien
לֹ֣א
(lo)
niet
יַאֲמִ֡ינוּ
(yaaminu)
zij geloven
גַּם֩
(gam)
ook
לִשְׁנֵ֨י
(lishnei)
aan deze twee
הָאֹת֜וֹת
(haotot)
tekenen
הָאֵ֗לֶּה
(haele)
deze
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יִשְׁמְעוּן֙
(yishmeun)
zij luisteren
לְקֹלֶ֔ךָ
(leqolekha)
naar je stem
וְלָקַחְתָּ֙
(velaqachta)
dan zul je nemen
מִמֵּימֵ֣י
(mimeimei)
van het water van
הַיְאֹ֔ר
(hayor)
de Nijl
וְשָׁפַכְתָּ֖
(veshafakhta)
en je zult gieten
הַיַּבָּשָׁ֑ה
(hayabasha)
op het droge
וְהָי֤וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
הַמַּ֨יִם֙
(hamayim)
het water
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
תִּקַּ֣ח
(tiqach)
je neemt
מִן
(min)
uit
הַיְאֹ֔ר
(hayor)
de Nijl
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en zullen worden
לְדָ֖ם
(ledam)
tot bloed
בַּיַּבָּֽשֶׁת
(bayabashet)
op het droge
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

Mozes’ bezwaar en Aäron

10Mozes zei tot Yahweh: „Ach, mijn Heer, ik ben geen man van woorden, niet sinds gisteren, niet sinds eergisteren, en ook niet sinds U tot Uw dienaar spreekt. Want ik ben zwaar van mond en zwaar van tong.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
בִּ֣י
(bi)
ach
אֲדֹנָי֒
(adonay)
mijn Heer
לֹא֩
(lo)
niet
אִ֨ישׁ
(ish)
man van
דְּבָרִ֜ים
(devarim)
woorden
אָנֹ֗כִי
(anokhi)
ik
גַּ֤ם
(gam)
ook
מִתְּמוֹל֙
(mitemol)
sinds gisteren
גַּ֣ם
(gam)
ook
מִשִּׁלְשֹׁ֔ם
(mishilshom)
sinds eergisteren
גַּ֛ם
(gam)
ook
מֵאָ֥ז
(meaz)
sinds
דַּבֶּרְךָ
(daberkha)
U spreekt
אֶל
(el)
tot
עַבְדֶּ֑ךָ
(avdekha)
Uw dienaar
כִּ֧י
(ki)
want
כְבַד
(kevad)
zwaar van
פֶּ֛ה
(pe)
mond
וּכְבַ֥ד
(ukhevad)
en zwaar van
לָשׁ֖וֹן
(lashon)
tong
אָנֹֽכִי
(anokhi)
ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’, is hoe Mozes Yahweh aanspreekt.

Mozes’ bezwaar is dat hij ‘zwaar van mond en tong’ is. De tekst zegt niet wat dat precies betekent (stotteren, traag spreken of onhandig met woorden). Zie ook 6:12, 30.

11Yahweh zei tot hem: „Wie heeft de mens een mond gegeven? Of wie maakt stom of doof, ziend of blind? Ben Ik het niet, Yahweh?
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
מִ֣י
(mi)
wie
שָׂ֣ם
(sam)
gaf
פֶּה֮
(pe)
een mond
לָֽאָדָם֒
(laadam)
aan de mens
א֚וֹ
(o)
of
מִֽי
(mi)
wie
יָשׂ֣וּם
(yasum)
maakt
אִלֵּ֔ם
(ilem)
stom
א֣וֹ
(o)
of
חֵרֵ֔שׁ
(cheresh)
doof
א֥וֹ
(o)
of
פִקֵּ֖חַ
(piqeach)
ziend
א֣וֹ
(o)
of
עִוֵּ֑ר
(iver)
blind
הֲלֹ֥א
(halo)
niet
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh legt Zich als schepper van mond, oor en oog bekend (vergelijk Ps. 94:9; Spr. 20:12).

Hij is het die stom of doof maakt en ziend of blind.

12Ga nu. Ik zal met je mond zijn en Ik zal je onderwijzen wat je moet spreken.”
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
לֵ֑ךְ
(lekh)
ga
וְאָנֹכִי֙
(veanokhi)
en Ik
אֶֽהְיֶ֣ה
(ehye)
zal zijn
עִם
(im)
met
פִּ֔יךָ
(pikha)
je mond
וְהוֹרֵיתִ֖יךָ
(vehoreitikha)
en Ik zal je onderwijzen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
תְּדַבֵּֽר
(tedaber)
je moet spreken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Hij zei: „Ach, mijn Heer, zend toch wie U maar wilt zenden.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
בִּ֣י
(bi)
ach
אֲדֹנָ֑י
(adonay)
mijn Heer
שְֽׁלַֽח
(shelach)
zend
נָ֖א
(na)
toch
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
תִּשְׁלָֽח
(tishlach)
U zult zenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

שְׁלַח־נָא בְּיַד־תִּשְׁלָח (shelach-na beyad-tishlach) is letterlijk ‘zend toch door de hand van wie U zendt’.

Dat kan ‘door wie U maar wilt’ betekenen of ‘door een ander’.

Wij kiezen het eerste, dat het dichtst bij de woorden blijft; het tweede, ‘zend toch een ander’, is de gangbare opvatting en past bij de toorn van vers 14.

14Toen ontbrandde de toorn van Yahweh tegen Mozes en Hij zei: „Is er niet Aäron, je broer, de Leviet? Ik weet dat hij goed kan spreken. En zie, hij komt je ook tegemoet; als hij je ziet, zal hij zich in zijn hart verheugen.
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֨ף
(af)
de toorn van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּמֹשֶׁ֗ה
(bemoshe)
tegen Mozes
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en Hij zei
הֲלֹ֨א
(halo)
is niet
אַהֲרֹ֤ן
(aharon)
Aäron
אָחִ֨יךָ֙
(achikha)
je broer
הַלֵּוִ֔י
(halevi)
de Leviet
יָדַ֕עְתִּי
(yadati)
Ik weet
כִּֽי
(ki)
dat
דַבֵּ֥ר
(daber)
spreken
יְדַבֵּ֖ר
(yedaber)
kan hij spreken
ה֑וּא
(hu)
hij
וְגַ֤ם
(vegam)
en ook
הִנֵּה
(hine)
zie
הוּא֙
(hu)
hij
יֹצֵ֣א
(yotse)
trekt uit
לִקְרָאתֶ֔ךָ
(liqratekha)
je tegemoet
וְרָאֲךָ֖
(veraakha)
en zal je zien
וְשָׂמַ֥ח
(vesamach)
en zich verheugen
בְּלִבּֽוֹ
(belibo)
in zijn hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Aäron wordt ‘de Leviet’ genoemd.

Dat kan zijn afkomst zijn, maar ook zijn latere rol.

Zie 6:16–20 voor de afstamming.

15Je zult tot hem spreken en de woorden in zijn mond leggen. Ik zal met je mond en met zijn mond zijn en jullie onderwijzen wat jullie moeten doen.
וְדִבַּרְתָּ֣
(vedibarta)
en je zult spreken
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
וְשַׂמְתָּ֥
(vesamta)
en leg
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
בְּפִ֑יו
(befiv)
in zijn mond
וְאָנֹכִ֗י
(veanokhi)
en Ik
אֶֽהְיֶ֤ה
(ehye)
zal zijn
עִם
(im)
met
פִּ֨יךָ֙
(pikha)
je mond
וְעִם
(veim)
en met
פִּ֔יהוּ
(pihu)
zijn mond
וְהוֹרֵיתִ֣י
(vehoreiti)
en Ik zal onderwijzen
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
תַּעֲשֽׂוּן
(taasun)
jullie moeten doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Hij zal voor jou tot het volk spreken. Hij zal voor jou tot een mond zijn, en jij zult voor hem tot een god zijn.
וְדִבֶּר
(vediber)
en hij zal spreken
ה֥וּא
(hu)
hij
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
אֶל
(el)
tot
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וְהָ֤יָה
(vehaya)
en het zal zijn
הוּא֙
(hu)
hij
יִֽהְיֶה
(yihye)
hij zal zijn
לְּךָ֣
(lekha)
voor jou
לְפֶ֔ה
(lefe)
tot een mond
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
תִּֽהְיֶה
(tihye)
zult zijn
לּ֥וֹ
(lo)
voor hem
לֵֽאלֹהִֽים
(lElohim)
tot een god
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Aäron wordt Mozes’ ‘mond’ en Mozes ‘een god’ voor hem: Mozes spreekt namens Elohim, Aäron namens Mozes (vergelijk 7:1).

17En deze staf moet je in je hand nemen; daarmee zul je de tekenen doen.”
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמַּטֶּ֥ה
(hamate)
de staf
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
תִּקַּ֣ח
(tiqach)
zul je nemen
בְּיָדֶ֑ךָ
(beyadekha)
in je hand
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarmee
תַּעֲשֶׂה
(taase)
je zult doen
בּ֖וֹ
(bo)
daarmee
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֹתֹֽת
(haotot)
de tekenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Mozes keert terug naar Egypte

18Mozes ging en keerde terug naar Jeter, zijn schoonvader, en zei tot hem: „Laat mij toch teruggaan naar mijn broers in Egypte om te zien of zij nog leven.” Jetro zei tot Mozes: „Ga in vrede.”
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en ging
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
וַיָּ֣שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
אֶל
(el)
naar
יֶ֣תֶר
(yeter)
Jeter
חֹֽתְנ֗וֹ
(choteno)
zijn schoonvader
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לוֹ֙
(lo)
tot hem
אֵ֣לֲכָה
(elakha)
laat mij gaan
נָּ֗א
(na)
toch
וְאָשׁ֨וּבָה֙
(veashuva)
en terugkeren
אֶל
(el)
naar
אַחַ֣י
(achay)
mijn broers
אֲשֶׁר
(asher)
die
בְּמִצְרַ֔יִם
(bemitsrayim)
in Egypte zijn
וְאֶרְאֶ֖ה
(veere)
en zien
הַעוֹדָ֣ם
(haodam)
of nog
חַיִּ֑ים
(chayim)
leven
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
יִתְר֛וֹ
(yitro)
Jetro
לְמֹשֶׁ֖ה
(lemoshe)
tot Mozes
לֵ֥ךְ
(lekh)
ga
לְשָׁלֽוֹם
(leshalom)
in vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Jeter (יֶתֶר, yeter) en Jetro (יִתְרוֹ, yitro) zijn twee vormen van dezelfde naam; zie 3:1 en 18:1.

19Yahweh zei tot Mozes in Midian: „Ga, keer terug naar Egypte, want alle mannen die je het leven wilden ontnemen, zijn dood.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
בְּמִדְיָ֔ן
(bemidyan)
in Midian
לֵ֖ךְ
(lekh)
ga
שֻׁ֣ב
(shuv)
keer terug
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
naar Egypte
כִּי
(ki)
want
מֵ֨תוּ֙
(metu)
zijn gestorven
כָּל
(kal)
alle
הָ֣אֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
הַֽמְבַקְשִׁ֖ים
(hamvaqshim)
die zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשֶֽׁךָ
(nafshekha)
je leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Dit herinnert aan Matt. 2:20: ‘want zij die het leven van het kind zochten, zijn gestorven’.

20Mozes nam zijn vrouw en zijn zonen, zette hen op een ezel en keerde terug naar het land Egypte. Mozes nam de staf van Elohim in zijn hand.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
אִשְׁתּ֣וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָ֗יו
(banav)
zijn zonen
וַיַּרְכִּבֵם֙
(vayarkivem)
en liet hen rijden
עַֽל
(al)
op
הַחֲמֹ֔ר
(hachamor)
de ezel
וַיָּ֖שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
אַ֣רְצָה
(artsa)
naar het land
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וַיִּקַּ֥ח
(vayiqach)
en nam
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
מַטֵּ֥ה
(mate)
de staf van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
בְּיָדֽוֹ
(beyado)
in zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

‘Zijn zonen’ zijn Gersom en Eliëzer (18:3–4).

‘De staf van Elohim’ is dezelfde staf als in vers 2; hij wordt daar ‘staf’ genoemd.

21Yahweh zei tot Mozes: „Als je teruggaat naar Egypte, zorg dan dat je alle wonderen die Ik in je hand heb gelegd, voor de farao doet. Maar Ik zal zijn hart sterk maken, en hij zal het volk niet laten gaan.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁה֒
(moshe)
Mozes
בְּלֶכְתְּךָ֙
(belekhtekha)
als je gaat
לָשׁ֣וּב
(lashuv)
terug te keren
מִצְרַ֔יְמָה
(mitsrayma)
naar Egypte
רְאֵ֗ה
(ree)
zie
כָּל
(kal)
alle
הַמֹּֽפְתִים֙
(hamofetim)
de wonderen
אֲשֶׁר
(asher)
die
שַׂ֣מְתִּי
(samti)
Ik heb gelegd
בְיָדֶ֔ךָ
(beyadekha)
in je hand
וַעֲשִׂיתָ֖ם
(vaasitam)
en doe ze
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
פַרְעֹ֑ה
(paro)
de farao
וַאֲנִי֙
(vaani)
en Ik
אֲחַזֵּ֣ק
(achazeq)
zal sterk maken
אֶת
(et)
(obj.)
לִבּ֔וֹ
(libo)
zijn hart
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יְשַׁלַּ֖ח
(yeshalach)
zal hij laten gaan
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Yahweh kondigt aan dat Hij het hart van de farao zal sterk maken (חָזַק, chazaq).

Later wordt hetzelfde gezegd van de farao zelf (8:15, 28).

Zie 7:3.

22Dan moet je tot de farao zeggen: ‘Zo zegt Yahweh: Israël is Mijn zoon, Mijn eerstgeborene.
וְאָמַרְתָּ֖
(veamarta)
en zeg
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹ֑ה
(paro)
de farao
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּנִ֥י
(beni)
Mijn zoon
בְכֹרִ֖י
(bekhori)
Mijn eerstgeborene
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Israël is Mijn zoon, Mijn eerstgeborene’: Israël wordt hier als Yahweh’s eigen zoon genoemd.

Hos. 11:1 zegt iets vergelijkbaars (‘uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen’), en Matt. 2:15 past dat toe op Yeshua.

23Ik heb tot je gezegd: Laat Mijn zoon gaan, opdat hij Mij dient. Maar je hebt geweigerd hem te laten gaan. Zie, Ik zal je zoon doden, je eerstgeborene.’”
וָאֹמַ֣ר
(vaomar)
en Ik zeg
אֵלֶ֗יךָ
(eleikha)
tot jou
שַׁלַּ֤ח
(shalach)
laat gaan
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנִי֙
(beni)
Mijn zoon
וְיַֽעַבְדֵ֔נִי
(veyaavdeni)
opdat hij Mij dient
וַתְּמָאֵ֖ן
(vatemaen)
maar je weigert
לְשַׁלְּח֑וֹ
(leshalecho)
hem te laten gaan
הִנֵּה֙
(hine)
zie
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
Ik
הֹרֵ֔ג
(horeg)
ga doden
אֶת
(et)
(obj.)
בִּנְךָ֖
(binkha)
je zoon
בְּכֹרֶֽךָ
(bekhorekha)
je eerstgeborene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh ontmoet Mozes in de herberg

24Onderweg, in de herberg, ontmoette Yahweh hem en zocht hem te doden.
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het geschiedde
בַדֶּ֖רֶךְ
(baderekh)
onderweg
בַּמָּל֑וֹן
(bamalon)
in de herberg
וַיִּפְגְּשֵׁ֣הוּ
(vayifgeshehu)
en ontmoette hem
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיְבַקֵּ֖שׁ
(vayvaqesh)
en zocht
הֲמִיתֽוֹ
(hamito)
hem te doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers en de volgende twee zijn moeilijk.

‘Hem’ in ‘ontmoette hem’ en ‘hem te doden’ is niet duidelijk: het kan Mozes zijn of zijn zoon.

Dat Yahweh dit doet, past bij 4:23: de eerstgeborene is in gevaar.

25Sippora nam een scherpe steen, sneed de voorhuid van haar zoon af, raakte daarmee zijn voeten aan en zei: „Want een bloedbruidegom ben jij voor mij.”
וַתִּקַּ֨ח
(vatiqach)
en nam
צִפֹּרָ֜ה
(tsipora)
Sippora
צֹ֗ר
(tsor)
een scherpe steen
וַתִּכְרֹת֙
(vatikhrot)
en sneed af
אֶת
(et)
(obj.)
עָרְלַ֣ת
(arelat)
de voorhuid van
בְּנָ֔הּ
(benah)
haar zoon
וַתַּגַּ֖ע
(vataga)
en raakte
לְרַגְלָ֑יו
(leraglav)
zijn voeten
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en zei
כִּ֧י
(ki)
want
חֲתַן
(chatan)
bruidegom van
דָּמִ֛ים
(damim)
bloed
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
לִֽי
(li)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צֹר (tsor) is een scherp steentje of mesje.

De besnijdenis is het teken van het verbond (Gen. 17:10–14); blijkbaar had Mozes zijn zoon niet besneden.

Lezing

‘Zijn voeten’ is onduidelijk: de voeten van het kind, van Mozes of van Yahweh’s engel; de Griekse vertaling heeft ‘en viel voor zijn voeten’.

Wij laten de onduidelijkheid van de tekst staan.

26Toen liet Hij van hem af. Toen zei zij ‘bloedbruidegom’, vanwege de besnijdenis.
וַיִּ֖רֶף
(vayiref)
en Hij liet af
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
van hem
אָ֚ז
(az)
toen
אָֽמְרָ֔ה
(amera)
zei zij
חֲתַ֥ן
(chatan)
bruidegom van
דָּמִ֖ים
(damim)
bloed
לַמּוּלֹֽת
(lamulot)
vanwege de besnijdenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲתַן־דָּמִים (chatan-damim), ‘bloedbruidegom’, wordt hier uitgelegd door ‘vanwege de besnijdenis’ (לַמּוּלֹת, lamulot).

De betekenis van de uitdrukking is onzeker.

Mozes en Aäron bij de oudsten van Israël

27Yahweh zei tot Aäron: „Ga Mozes tegemoet, de woestijn in.” Hij ging en ontmoette hem bij de berg van Elohim en kuste hem.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
לֵ֛ךְ
(lekh)
ga
לִקְרַ֥את
(liqrat)
tegemoet
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
הַמִּדְבָּ֑רָה
(hamidbara)
de woestijn in
וַיֵּ֗לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
וַֽיִּפְגְּשֵׁ֛הוּ
(vayifgeshehu)
en ontmoette hem
בְּהַ֥ר
(behar)
bij de berg van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
וַיִּשַּׁק
(vayishaq)
en kuste
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Aäron ontmoet Mozes bij ‘de berg van Elohim’ (Horeb), waar Mozes Yahweh zag (3:1).

28Mozes vertelde Aäron alle woorden van Yahweh, die hem had gezonden, en alle tekenen die Hij hem had opgedragen.
וַיַּגֵּ֤ד
(vayaged)
en vertelde
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
לְאַֽהֲרֹ֔ן
(leaharon)
aan Aäron
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שְׁלָח֑וֹ
(shelacho)
Hem gezonden had
וְאֵ֥ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
הָאֹתֹ֖ת
(haotot)
de tekenen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
צִוָּֽהוּ
(tsivahu)
Hij hem geboden had
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Mozes en Aäron gingen en verzamelden alle oudsten van de zonen van Israël.
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
וְאַהֲרֹ֑ן
(veaharon)
en Aäron
וַיַּ֣אַסְפ֔וּ
(vayaasfu)
en zij verzamelden
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
זִקְנֵ֖י
(ziqnei)
de oudsten van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Aäron sprak alle woorden die Yahweh tot Mozes had gesproken, en deed de tekenen voor de ogen van het volk.
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֔ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁר
(asher)
die
דִּבֶּ֥ר
(diber)
gesproken had
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָאֹתֹ֖ת
(haotot)
de tekenen
לְעֵינֵ֥י
(leeinei)
voor de ogen van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEx 4:16
31Het volk geloofde. Zij hoorden dat Yahweh de zonen van Israël had bezocht en hun ellende had gezien, en zij bogen en wierpen zich neer.
וַֽיַּאֲמֵ֖ן
(vayaamen)
en geloofde
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַֽיִּשְׁמְע֡וּ
(vayishmeu)
en zij hoorden
כִּֽי
(ki)
dat
פָקַ֨ד
(paqad)
bezocht had
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וְכִ֤י
(vekhi)
en dat
רָאָה֙
(raa)
Hij gezien had
אֶת
(et)
(obj.)
עָנְיָ֔ם
(aneyam)
hun ellende
וַֽיִּקְּד֖וּ
(vayiqedu)
en zij bogen
וַיִּֽשְׁתַּחֲוּֽוּ
(vayishtachauu)
en wierpen zich neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zonen van Israël geloven het teken en buigen zich voor Yahweh: Hij heeft hen ‘bezocht’ (פָּקַד, paqad), hetzelfde woord dat in Gen. 50:24–25 met ‘zich ontfermen’ is vertaald.