Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Drie tekenen voor Mozes
1Mozes antwoordde: „Maar zie, zij zullen mij niet geloven en niet naar mijn stem luisteren, want zij zullen zeggen: ‘Yahweh is jou niet verschenen.’”
וַיַּ֤עַן
(vayaan)
en antwoordde
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
וַיֹּ֔אמֶר
(vayomer)
en zei
וְהֵן֙
(vehen)
maar zie
לֹֽא
(lo)
niet
יַאֲמִ֣ינוּ
(yaaminu)
zullen zij geloven
לִ֔י
(li)
mij
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִשְׁמְע֖וּ
(yishmeu)
zullen zij luisteren
בְּקֹלִ֑י
(beqoli)
naar mijn stem
כִּ֣י
(ki)
want
יֹֽאמְר֔וּ
(yomru)
zij zullen zeggen
לֹֽא
(lo)
niet
נִרְאָ֥ה
(nira)
is verschenen
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
aan jou
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Yahweh zei verder tot hem: „Steek toch je hand in je borstvouw.” Hij stak zijn hand in zijn borstvouw en trok haar eruit, en zie, zijn hand was melaats, wit als sneeuw.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
ל֜וֹ
(lo)
tot hem
ע֗וֹד
(od)
verder
הָֽבֵא
(have)
breng
נָ֤א
(na)
toch
יָֽדְךָ֙
(yadekha)
je hand
בְּחֵיקֶ֔ךָ
(becheiqekha)
in je borstvouw
וַיָּבֵ֥א
(vayave)
en hij bracht
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
בְּחֵיק֑וֹ
(becheiqo)
in zijn borstvouw
וַיּ֣וֹצִאָ֔הּ
(vayotsiah)
en trok haar eruit
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
מְצֹרַ֥עַת
(metsoraat)
melaats
כַּשָּֽׁלֶג
(kashaleg)
als sneeuw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צָרַעַת (tsara‘at), hier ‘melaats’, is een huidziekte die ook andere aandoeningen dan lepra omvat (Lev. 13).
De hand wordt ‘wit als sneeuw’ en daarna weer gezond: het teken wijst op Yahweh’s macht over ziekte en genezing.
7Hij zei: „Steek je hand weer in je borstvouw.” Hij stak zijn hand weer in zijn borstvouw en trok haar eruit, en zie, zij was weer als zijn eigen vlees.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
הָשֵׁ֤ב
(hashev)
breng terug
יָֽדְךָ֙
(yadekha)
je hand
אֶל
(el)
naar
חֵיקֶ֔ךָ
(cheiqekha)
je borstvouw
וַיָּ֥שֶׁב
(vayashev)
en hij bracht terug
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
אֶל
(el)
naar
חֵיק֑וֹ
(cheiqo)
zijn borstvouw
וַיּֽוֹצִאָהּ֙
(vayotsiah)
en trok haar eruit
מֵֽחֵיק֔וֹ
(mecheiqo)
uit zijn borstvouw
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
שָׁ֖בָה
(shava)
zij was teruggekeerd
כִּבְשָׂרֽוֹ
(kivsaro)
als zijn vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9En als zij ook deze twee tekenen niet geloven en niet naar je stem luisteren, neem dan water uit de Nijl en giet het op het droge. Het water dat je uit de Nijl neemt, zal op het droge bloed worden.”
וְהָיָ֡ה
(vehaya)
en het zal zijn
אִם
(im)
indien
לֹ֣א
(lo)
niet
יַאֲמִ֡ינוּ
(yaaminu)
zij geloven
גַּם֩
(gam)
ook
לִשְׁנֵ֨י
(lishnei)
aan deze twee
הָאֹת֜וֹת
(haotot)
tekenen
הָאֵ֗לֶּה
(haele)
deze
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יִשְׁמְעוּן֙
(yishmeun)
zij luisteren
לְקֹלֶ֔ךָ
(leqolekha)
naar je stem
וְלָקַחְתָּ֙
(velaqachta)
dan zul je nemen
מִמֵּימֵ֣י
(mimeimei)
van het water van
הַיְאֹ֔ר
(hayor)
de Nijl
וְשָׁפַכְתָּ֖
(veshafakhta)
en je zult gieten
הַיַּבָּשָׁ֑ה
(hayabasha)
op het droge
וְהָי֤וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
הַמַּ֨יִם֙
(hamayim)
het water
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
תִּקַּ֣ח
(tiqach)
je neemt
מִן
(min)
uit
הַיְאֹ֔ר
(hayor)
de Nijl
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en zullen worden
לְדָ֖ם
(ledam)
tot bloed
בַּיַּבָּֽשֶׁת
(bayabashet)
op het droge
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.
10Mozes zei tot Yahweh: „Ach, mijn Heer, ik ben geen man van woorden, niet sinds gisteren, niet sinds eergisteren, en ook niet sinds U tot Uw dienaar spreekt. Want ik ben zwaar van mond en zwaar van tong.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
בִּ֣י
(bi)
ach
אֲדֹנָי֒
(adonay)
mijn Heer
לֹא֩
(lo)
niet
אִ֨ישׁ
(ish)
man van
דְּבָרִ֜ים
(devarim)
woorden
אָנֹ֗כִי
(anokhi)
ik
גַּ֤ם
(gam)
ook
מִתְּמוֹל֙
(mitemol)
sinds gisteren
גַּ֣ם
(gam)
ook
מִשִּׁלְשֹׁ֔ם
(mishilshom)
sinds eergisteren
גַּ֛ם
(gam)
ook
מֵאָ֥ז
(meaz)
sinds
דַּבֶּרְךָ
(daberkha)
U spreekt
אֶל
(el)
tot
עַבְדֶּ֑ךָ
(avdekha)
Uw dienaar
כִּ֧י
(ki)
want
כְבַד
(kevad)
zwaar van
פֶּ֛ה
(pe)
mond
וּכְבַ֥ד
(ukhevad)
en zwaar van
לָשׁ֖וֹן
(lashon)
tong
אָנֹֽכִי
(anokhi)
ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’, is hoe Mozes Yahweh aanspreekt.
Mozes’ bezwaar is dat hij ‘zwaar van mond en tong’ is. De tekst zegt niet wat dat precies betekent (stotteren, traag spreken of onhandig met woorden). Zie ook 6:12, 30.
13Hij zei: „Ach, mijn Heer, zend toch wie U maar wilt zenden.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
בִּ֣י
(bi)
ach
אֲדֹנָ֑י
(adonay)
mijn Heer
שְֽׁלַֽח
(shelach)
zend
נָ֖א
(na)
toch
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
תִּשְׁלָֽח
(tishlach)
U zult zenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
שְׁלַח־נָא בְּיַד־תִּשְׁלָח (shelach-na beyad-tishlach) is letterlijk ‘zend toch door de hand van wie U zendt’.
Dat kan ‘door wie U maar wilt’ betekenen of ‘door een ander’.
Wij kiezen het eerste, dat het dichtst bij de woorden blijft; het tweede, ‘zend toch een ander’, is de gangbare opvatting en past bij de toorn van vers 14.
14Toen ontbrandde de toorn van Yahweh tegen Mozes en Hij zei: „Is er niet Aäron, je broer, de Leviet? Ik weet dat hij goed kan spreken. En zie, hij komt je ook tegemoet; als hij je ziet, zal hij zich in zijn hart verheugen.
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֨ף
(af)
de toorn van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּמֹשֶׁ֗ה
(bemoshe)
tegen Mozes
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en Hij zei
הֲלֹ֨א
(halo)
is niet
אַהֲרֹ֤ן
(aharon)
Aäron
אָחִ֨יךָ֙
(achikha)
je broer
הַלֵּוִ֔י
(halevi)
de Leviet
יָדַ֕עְתִּי
(yadati)
Ik weet
כִּֽי
(ki)
dat
דַבֵּ֥ר
(daber)
spreken
יְדַבֵּ֖ר
(yedaber)
kan hij spreken
ה֑וּא
(hu)
hij
וְגַ֤ם
(vegam)
en ook
הִנֵּה
(hine)
zie
הוּא֙
(hu)
hij
יֹצֵ֣א
(yotse)
trekt uit
לִקְרָאתֶ֔ךָ
(liqratekha)
je tegemoet
וְרָאֲךָ֖
(veraakha)
en zal je zien
וְשָׂמַ֥ח
(vesamach)
en zich verheugen
בְּלִבּֽוֹ
(belibo)
in zijn hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Aäron wordt ‘de Leviet’ genoemd.
Dat kan zijn afkomst zijn, maar ook zijn latere rol.
18Mozes ging en keerde terug naar Jeter, zijn schoonvader, en zei tot hem: „Laat mij toch teruggaan naar mijn broers in Egypte om te zien of zij nog leven.” Jetro zei tot Mozes: „Ga in vrede.”
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en ging
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
וַיָּ֣שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
אֶל
(el)
naar
יֶ֣תֶר
(yeter)
Jeter
חֹֽתְנ֗וֹ
(choteno)
zijn schoonvader
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לוֹ֙
(lo)
tot hem
אֵ֣לֲכָה
(elakha)
laat mij gaan
נָּ֗א
(na)
toch
וְאָשׁ֨וּבָה֙
(veashuva)
en terugkeren
אֶל
(el)
naar
אַחַ֣י
(achay)
mijn broers
אֲשֶׁר
(asher)
die
בְּמִצְרַ֔יִם
(bemitsrayim)
in Egypte zijn
וְאֶרְאֶ֖ה
(veere)
en zien
הַעוֹדָ֣ם
(haodam)
of nog
חַיִּ֑ים
(chayim)
leven
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
יִתְר֛וֹ
(yitro)
Jetro
לְמֹשֶׁ֖ה
(lemoshe)
tot Mozes
לֵ֥ךְ
(lekh)
ga
לְשָׁלֽוֹם
(leshalom)
in vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
Jeter (יֶתֶר, yeter) en Jetro (יִתְרוֹ, yitro) zijn twee vormen van dezelfde naam; zie 3:1 en 18:1.
21Yahweh zei tot Mozes: „Als je teruggaat naar Egypte, zorg dan dat je alle wonderen die Ik in je hand heb gelegd, voor de farao doet. Maar Ik zal zijn hart sterk maken, en hij zal het volk niet laten gaan.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁה֒
(moshe)
Mozes
בְּלֶכְתְּךָ֙
(belekhtekha)
als je gaat
לָשׁ֣וּב
(lashuv)
terug te keren
מִצְרַ֔יְמָה
(mitsrayma)
naar Egypte
רְאֵ֗ה
(ree)
zie
כָּל
(kal)
alle
הַמֹּֽפְתִים֙
(hamofetim)
de wonderen
אֲשֶׁר
(asher)
die
שַׂ֣מְתִּי
(samti)
Ik heb gelegd
בְיָדֶ֔ךָ
(beyadekha)
in je hand
וַעֲשִׂיתָ֖ם
(vaasitam)
en doe ze
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
פַרְעֹ֑ה
(paro)
de farao
וַאֲנִי֙
(vaani)
en Ik
אֲחַזֵּ֣ק
(achazeq)
zal sterk maken
אֶת
(et)
(obj.)
לִבּ֔וֹ
(libo)
zijn hart
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יְשַׁלַּ֖ח
(yeshalach)
zal hij laten gaan
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
Yahweh kondigt aan dat Hij het hart van de farao zal sterk maken (חָזַק, chazaq).
Later wordt hetzelfde gezegd van de farao zelf (8:15, 28).
23Ik heb tot je gezegd: Laat Mijn zoon gaan, opdat hij Mij dient. Maar je hebt geweigerd hem te laten gaan. Zie, Ik zal je zoon doden, je eerstgeborene.’”
וָאֹמַ֣ר
(vaomar)
en Ik zeg
אֵלֶ֗יךָ
(eleikha)
tot jou
שַׁלַּ֤ח
(shalach)
laat gaan
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנִי֙
(beni)
Mijn zoon
וְיַֽעַבְדֵ֔נִי
(veyaavdeni)
opdat hij Mij dient
וַתְּמָאֵ֖ן
(vatemaen)
maar je weigert
לְשַׁלְּח֑וֹ
(leshalecho)
hem te laten gaan
הִנֵּה֙
(hine)
zie
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
Ik
הֹרֵ֔ג
(horeg)
ga doden
אֶת
(et)
(obj.)
בִּנְךָ֖
(binkha)
je zoon
בְּכֹרֶֽךָ
(bekhorekha)
je eerstgeborene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Sippora nam een scherpe steen, sneed de voorhuid van haar zoon af, raakte daarmee zijn voeten aan en zei: „Want een bloedbruidegom ben jij voor mij.”
וַתִּקַּ֨ח
(vatiqach)
en nam
צִפֹּרָ֜ה
(tsipora)
Sippora
צֹ֗ר
(tsor)
een scherpe steen
וַתִּכְרֹת֙
(vatikhrot)
en sneed af
אֶת
(et)
(obj.)
עָרְלַ֣ת
(arelat)
de voorhuid van
בְּנָ֔הּ
(benah)
haar zoon
וַתַּגַּ֖ע
(vataga)
en raakte
לְרַגְלָ֑יו
(leraglav)
zijn voeten
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en zei
כִּ֧י
(ki)
want
חֲתַן
(chatan)
bruidegom van
דָּמִ֛ים
(damim)
bloed
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
לִֽי
(li)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צֹר (tsor) is een scherp steentje of mesje.
De besnijdenis is het teken van het verbond (Gen. 17:10–14); blijkbaar had Mozes zijn zoon niet besneden.
Lezing
‘Zijn voeten’ is onduidelijk: de voeten van het kind, van Mozes of van Yahweh’s engel; de Griekse vertaling heeft ‘en viel voor zijn voeten’.
31Het volk geloofde. Zij hoorden dat Yahweh de zonen van Israël had bezocht en hun ellende had gezien, en zij bogen en wierpen zich neer.
וַֽיַּאֲמֵ֖ן
(vayaamen)
en geloofde
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַֽיִּשְׁמְע֡וּ
(vayishmeu)
en zij hoorden
כִּֽי
(ki)
dat
פָקַ֨ד
(paqad)
bezocht had
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וְכִ֤י
(vekhi)
en dat
רָאָה֙
(raa)
Hij gezien had
אֶת
(et)
(obj.)
עָנְיָ֔ם
(aneyam)
hun ellende
וַֽיִּקְּד֖וּ
(vayiqedu)
en zij bogen
וַיִּֽשְׁתַּחֲוּֽוּ
(vayishtachauu)
en wierpen zich neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De zonen van Israël geloven het teken en buigen zich voor Yahweh: Hij heeft hen ‘bezocht’ (פָּקַד, paqad), hetzelfde woord dat in Gen. 50:24–25 met ‘zich ontfermen’ is vertaald.