Elohim Bijbel

1 Samuël 16

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

David wordt gezalfd; hij komt bij Saul

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yahweh stuurt Samuël naar Isaï

1Yahweh zei tegen Samuël: „Hoelang rouw jij nog om Saul, terwijl Ik hem heb verworpen als koning over Israël? Vul je hoorn met olie en ga. Ik stuur je naar Isaï, de Betlehemiet. Want Ik heb een koning voor Mij gezien onder zijn zonen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
שְׁמוּאֵ֗ל
(shemuel)
Samuël
עַד
(ad)
tot
מָתַי֙
(matay)
wanneer
אַתָּה֙
(ata)
jij
מִתְאַבֵּ֣ל
(mitabel)
rouwt
אֶל
(el)
om
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en Ik
מְאַסְתִּ֔יו
(meastiv)
heb hem verworpen
מִמְּלֹ֖ךְ
(mimelokh)
als koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
מַלֵּ֨א
(male)
vul
קַרְנְךָ֜
(qarnekha)
je hoorn
שֶׁ֗מֶן
(shemen)
met olie
וְלֵ֤ךְ
(velekh)
en ga
אֶֽשְׁלָחֲךָ֙
(eshlachakha)
Ik zal je sturen
אֶל
(el)
naar
יִשַׁ֣י
(yishay)
Isaï
בֵּֽית
(beit)
Bet
הַלַּחְמִ֔י
(halachmi)
de Lechemiet
כִּֽי
(ki)
want
רָאִ֧יתִי
(raiti)
Ik heb gezien
בְּבָנָ֛יו
(bevanav)
onder zijn zonen
לִ֖י
(li)
voor Mij
מֶֽלֶךְ
(melekh)
een koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betlehem is het huidige Bethlehem, ongeveer 9 kilometer ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).

Isaï is de kleinzoon van Boaz en Ruth; zie Ruth 4:17–22.

Uitleg

קֶרֶן (qeren), ‘hoorn’: een dierenhoorn waarin olie werd bewaard, zoals in 1 Kon. 1:39.

רָאִיתִי (ra’iti), ‘Ik heb gezien’: ‘zien’ betekent hier uitkiezen: Yahweh heeft zich uit de zonen van Isaï een koning uitgezocht. Wij houden het woord ‘gezien’, omdat het in 16:7 belangrijk is.

De woorden van Yahweh in 16:1–3, 16:7 en 16:12 staan rood. Samuëls eigen woorden in 16:2 en 16:4–5 staan zwart.

2Samuël zei: „Hoe kan ik gaan? Saul zal het horen en mij doden.” Yahweh zei: „Neem een jonge koe van het rund in je hand en zeg: ‘Ik ben gekomen om aan Yahweh te offeren.’
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
אֵ֣יךְ
(eikh)
hoe
אֵלֵ֔ךְ
(elekh)
kan ik gaan
וְשָׁמַ֥ע
(veshama)
en zal horen
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
וַהֲרָגָ֑נִי
(vaharagani)
en doodt mij
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
עֶגְלַ֤ת
(eglat)
een jonge koe van
בָּקָר֙
(baqar)
het rund
תִּקַּ֣ח
(tiqach)
neem
בְּיָדֶ֔ךָ
(beyadekha)
in je hand
וְאָ֣מַרְתָּ֔
(veamarta)
en zeg
לִזְבֹּ֥חַ
(lizboach)
om te offeren
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
aan Yahweh
בָּֽאתִי
(bati)
ben ik gekomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh draagt Samuël op een offer te brengen.

Het offer vindt echt plaats (16:5).

Het Hebreeuws zegt ‘een jonge koe van het rund’ (עֶגְלַת בָּקָר, eglat baqar).

3Roep Isaï bij het slachtoffer. Dan laat Ik je weten wat je moet doen. Je moet voor Mij zalven wie Ik je zal noemen.”
וְקָרָ֥אתָ
(veqarata)
en roep
לְיִשַׁ֖י
(leyishay)
Isaï
בַּזָּ֑בַח
(bazavach)
bij het slachtoffer
וְאָֽנֹכִ֗י
(veanokhi)
en Ik
אוֹדִֽיעֲךָ֙
(odiakha)
zal je laten weten
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲשֶֽׁר
(asher)
wat
תַּעֲשֶׂ֔ה
(taase)
je moet doen
וּמָשַׁחְתָּ֣
(umashachta)
en zalf
לִ֔י
(li)
voor Mij
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wie
אֹמַ֖ר
(omar)
Ik zal zeggen
אֵלֶֽיךָ
(eleikha)
tot je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Samuël in Betlehem

4Samuël deed wat Yahweh had gesproken en kwam in Betlehem. De oudsten van de stad kwamen bevend naar hem toe en zeiden: „Komt u in vrede?”
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en deed
שְׁמוּאֵ֗ל
(shemuel)
Samuël
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
דִּבֶּ֣ר
(diber)
sprak
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en kwam
בֵּ֣ית
(beit)
Bet
לָ֑חֶם
(lachem)
Lechem
וַיֶּחֶרְד֞וּ
(vayecherdu)
en beefden
זִקְנֵ֤י
(ziqnei)
de oudsten van
הָעִיר֙
(hair)
de stad
לִקְרָאת֔וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zeiden
שָׁלֹ֥ם
(shalom)
vrede
בּוֹאֶֽךָ
(boekha)
uw komst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

וַיֶּחֶרְדוּ (wayecheredu), ‘zij beefden’: de oudsten van de stad waren bang voor Samuël.

Zij vroegen of hij in vrede kwam.

Het Hebreeuws gebruikt het enkelvoud ‘hij zei’; wij vertalen het als meervoud, omdat de oudsten spreken.

5Hij zei: „In vrede. Ik ben gekomen om aan Yahweh te offeren. Heilig jullie en kom met mij mee naar het slachtoffer.” Hij heiligde Isaï en zijn zonen en riep hen bij het slachtoffer.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שָׁל֗וֹם
(shalom)
vrede
לִזְבֹּ֤חַ
(lizboach)
om te offeren
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
aan Yahweh
בָּ֔אתִי
(bati)
ben ik gekomen
הִֽתְקַדְּשׁ֔וּ
(hitqadeshu)
heilig jullie
וּבָאתֶ֥ם
(uvatem)
en kom
אִתִּ֖י
(iti)
met mij
בַּזָּ֑בַח
(bazavach)
bij het slachtoffer
וַיְקַדֵּ֤שׁ
(vayqadesh)
en heiligde
אֶת
(et)
(obj.)
יִשַׁי֙
(yishay)
Isaï
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָ֔יו
(banav)
zijn zonen
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en riep
לָהֶ֖ם
(lahem)
hen
לַזָּֽבַח
(lazavach)
bij het slachtoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Toen zij kwamen, zag hij Eliab. Hij zei: „Zeker, voor het aangezicht van Yahweh staat Zijn gezalfde.”
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בְּבוֹאָ֔ם
(bevoam)
toen zij kwamen
וַיַּ֖רְא
(vayar)
en hij zag
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלִיאָ֑ב
(eliav)
Eliab
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
אַ֛ךְ
(akh)
zeker
נֶ֥גֶד
(neged)
voor
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מְשִׁיחֽוֹ
(meshicho)
Zijn gezalfde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְשִׁיחוֹ (meshicho), ‘Zijn gezalfde’: de gezalfde van Yahweh.

Eliab is de oudste zoon van Isaï (1 Sam. 17:13).

„Yahweh ziet naar het hart”

7Yahweh zei tegen Samuël: „Kijk niet naar zijn uiterlijk en niet naar zijn lange gestalte. Want Ik heb hem verworpen. Want niet zoals de mens ziet, ziet Yahweh. Want de mens ziet wat voor ogen is, maar Yahweh ziet naar het hart.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
שְׁמוּאֵ֗ל
(shemuel)
Samuël
אַל
(al)
niet
תַּבֵּ֧ט
(tabet)
kijk
אֶל
(el)
naar
מַרְאֵ֛הוּ
(marehu)
zijn uiterlijk
וְאֶל
(veel)
en naar
גְּבֹ֥הַּ
(gevoha)
de hoogte van
קוֹמָת֖וֹ
(qomato)
zijn gestalte
כִּ֣י
(ki)
want
מְאַסְתִּ֑יהוּ
(meastihu)
Ik heb hem verworpen
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֗א
(lo)
niet
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
zoals
יִרְאֶה֙
(yire)
ziet
הָאָדָ֔ם
(haadam)
de mens
כִּ֤י
(ki)
want
הָֽאָדָם֙
(haadam)
de mens
יִרְאֶ֣ה
(yire)
ziet
לַעֵינַ֔יִם
(laeinayim)
naar de ogen
וַיהוָ֖ה
(vaYahweh)
maar Yahweh
יִרְאֶ֥ה
(yire)
ziet
לַלֵּבָֽב
(lalevav)
naar het hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt ‘de mens ziet naar de ogen’ (לַעֵינַיִם, la’einayim) en ‘Yahweh ziet naar het hart’ (לַלֵּבָב, lalevav).

Het hart is in het Hebreeuws de plaats van denken en willen.

Wij houden ‘zien’ steeds hetzelfde.

8Isaï riep Abinadab en liet hem voor Samuël langsgaan. Hij zei: „Ook deze heeft Yahweh niet uitgekozen.”
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en riep
יִשַׁי֙
(yishay)
Isaï
אֶל
(el)
tot
אֲבִ֣ינָדָ֔ב
(avinadav)
Abinadab
וַיַּעֲבִרֵ֖הוּ
(vayaavirehu)
en liet hem langsgaan
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
שְׁמוּאֵ֑ל
(shemuel)
Samuël
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
גַּם
(gam)
ook
בָּזֶ֖ה
(baze)
deze
לֹֽא
(lo)
niet
בָחַ֥ר
(bachar)
heeft uitgekozen
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Isaï liet Samma langsgaan. Hij zei: „Ook deze heeft Yahweh niet uitgekozen.”
וַיַּעֲבֵ֥ר
(vayaaver)
en liet langsgaan
יִשַׁ֖י
(yishay)
Isaï
שַׁמָּ֑ה
(shama)
Samma
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
גַּם
(gam)
ook
בָּזֶ֖ה
(baze)
deze
לֹא
(lo)
niet
בָחַ֥ר
(bachar)
heeft uitgekozen
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Samma (שַׁמָּה, Sjamma) is een zoon van Isaï, de derde.

Zie ook 1 Sam. 17:13.

10Isaï liet zeven van zijn zonen voor Samuël langsgaan. Samuël zei tegen Isaï: „Yahweh heeft hen niet uitgekozen.”
וַיַּעֲבֵ֥ר
(vayaaver)
en liet langsgaan
יִשַׁ֛י
(yishay)
Isaï
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
בָּנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
שְׁמוּאֵ֑ל
(shemuel)
Samuël
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tegen
יִשַׁ֔י
(yishay)
Isaï
לֹא
(lo)
niet
בָחַ֥ר
(bachar)
heeft uitgekozen
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּאֵֽלֶּה
(baele)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De jongste zoon

11Samuël zei tegen Isaï: „Zijn dit alle jongens?” Hij zei: „Er is nog de jongste. Zie, hij hoedt de kudde.” Samuël zei tegen Isaï: „Stuur iemand en laat hem halen. Want wij gaan niet zitten tot hij hier komt.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵ֣ל
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tegen
יִשַׁי֮
(yishay)
Isaï
הֲתַ֣מּוּ
(hatamu)
zijn ze compleet
הַנְּעָרִים֒
(hanearim)
de jongens
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ע֚וֹד
(od)
nog
שָׁאַ֣ר
(shaar)
is overgebleven
הַקָּטָ֔ן
(haqatan)
de jongste
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
רֹעֶ֖ה
(roe)
hij hoedt
בַּצֹּ֑אן
(batson)
de kudde
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵ֤ל
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tegen
יִשַׁי֙
(yishay)
Isaï
שִׁלְחָ֣ה
(shilcha)
stuur
וְקָחֶ֔נּוּ
(veqachenu)
en laat hem halen
כִּ֥י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
נָסֹ֖ב
(nasov)
gaan wij zitten
עַד
(ad)
totdat
בֹּא֥וֹ
(boo)
hij komt
פֹֽה
(po)
hier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַתַּמּוּ (hatammu), ‘zijn ze compleet’: zijn alle jongens hier?

Het Hebreeuws gebruikt het werkwoord ‘voltooid zijn’.

נָסֹב (nasov), ‘gaan zitten’: ‘rondgaan’ of ‘aan tafel gaan’, rond het slachtofferfeest. Zij gaan pas zitten als David er is.

12Isaï stuurde iemand en liet hem brengen. Hij was roodachtig, met mooie ogen en een goed uiterlijk. Yahweh zei: „Sta op, zalf hem, want dit is hij.”
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en stuurde
וַיְבִיאֵ֨הוּ֙
(vayviehu)
en liet hem brengen
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
אַדְמוֹנִ֔י
(admoni)
roodachtig
עִם
(im)
met
יְפֵ֥ה
(yefe)
mooi van
עֵינַ֖יִם
(einayim)
ogen
וְט֣וֹב
(vetov)
en goed
רֹ֑אִי
(roi)
om te zien
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
ק֥וּם
(qum)
sta op
מְשָׁחֵ֖הוּ
(meshachehu)
zalf hem
כִּֽי
(ki)
want
זֶ֥ה
(ze)
deze
הֽוּא
(hu)
is hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַדְמוֹנִי (admoni), ‘roodachtig’: rossig van haar of van huid.

Dit wordt ook van Ezau gezegd (Gen. 25:25).

Het Hebreeuws noemt de naam van de jongste zoon nog niet. Hij wordt pas in 16:13 ‘David’ genoemd.

David wordt gezalfd

13Samuël nam de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. De Geest van Yahweh kwam krachtig over David, vanaf die dag en verder. Samuël stond op en ging naar Rama.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
שְׁמוּאֵ֜ל
(shemuel)
Samuël
אֶת
(et)
(obj.)
קֶ֣רֶן
(qeren)
de hoorn van
הַשֶּׁ֗מֶן
(hashemen)
de olie
וַיִּמְשַׁ֣ח
(vayimshach)
en zalfde
אֹתוֹ֮
(oto)
hem
בְּקֶ֣רֶב
(beqerev)
te midden van
אֶחָיו֒
(echav)
zijn broers
וַתִּצְלַ֤ח
(vatitslach)
en kwam krachtig
רֽוּחַ
(ruach)
de Geest van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
over
דָּוִ֔ד
(david)
David
מֵהַיּ֥וֹם
(mehayom)
vanaf de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
וָמָ֑עְלָה
(vamaela)
en verder
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en ging
הָרָמָֽתָה
(haramata)
naar Rama
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker.

In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden.

Uitleg

וַתִּצְלַח (wattitslach), ‘kwam krachtig’: van het werkwoord צָלַח (tsalach).

Het werd ook gezegd van Simson (Richt. 14:6) en van Saul (1 Sam. 10:6).

Het zalven met olie is hier een teken van de uitverkiezing. David wordt in 16:13 gezalfd, maar hij wordt pas veel later koning (2 Sam. 2:4; 5:3).

Een boze geest van Yahweh bij Saul

14De Geest van Yahweh week van Saul, en een boze geest van Yahweh joeg hem schrik aan.
וְר֧וּחַ
(veruach)
en de Geest van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
סָ֖רָה
(sara)
week
מֵעִ֣ם
(meim)
van bij
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וּבִֽעֲתַ֥תּוּ
(uviatatu)
en joeg schrik aan hem
רֽוּחַ
(ruach)
een geest
רָעָ֖ה
(raa)
boze
מֵאֵ֥ת
(meet)
van bij
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ רָעָה מֵאֵת יְהוָה (ruach ra’a me’et Yahweh), ‘een boze geest van Yahweh’: een boze geest die van Yahweh komt.

Het Hebreeuws zegt niet meer over wat voor wezen het is.

Wij vertalen letterlijk.

Hetzelfde woord רָעָה (ra’a) kan ook ‘kwaad’ of ‘ellendig’ betekenen.

Zie ook Richt. 9:23.

בִּעֲתַתּוּ (bi’atatu), ‘joeg hem schrik aan’: een angst die Saul overviel.

15De dienaren van Saul zeiden tegen hem: „Zie toch, een boze geest van Elohim jaagt u schrik aan.
וַיֹּאמְר֥וּ
(vayomru)
en zeiden
עַבְדֵֽי
(avdei)
de dienaren van
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
אֵלָ֑יו
(elav)
tegen hem
הִנֵּה
(hine)
zie
נָ֧א
(na)
toch
רֽוּחַ
(ruach)
een geest van
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
רָעָ֖ה
(raa)
boze
מְבַעִתֶּֽךָ
(mevaitekha)
jaagt u schrik aan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In 16:15–16 zeggen de dienaren ‘een boze geest van Elohim’.

In 16:14 staat ‘van Yahweh’.

Wij vertalen steeds zoals het Hebreeuws zegt.

16Laat onze heer toch zeggen dat uw dienaren, die voor u staan, een man zoeken die kan spelen op de lier. Als de boze geest van Elohim over u komt, zal hij met zijn hand spelen, en het zal goed met u zijn.”
יֹאמַר
(yomar)
laat zeggen
נָ֤א
(na)
toch
אֲדֹנֵ֨נוּ֙
(adonenu)
onze heer
עֲבָדֶ֣יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
לְפָנֶ֔יךָ
(lefaneikha)
voor u
יְבַקְשׁ֕וּ
(yevaqshu)
zij zoeken
אִ֕ישׁ
(ish)
een man
יֹדֵ֖עַ
(yodea)
die kan
מְנַגֵּ֣ן
(menagen)
spelen
בַּכִּנּ֑וֹר
(bakinor)
op de lier
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
בִּֽהְי֨וֹת
(bihyot)
als er is
עָלֶ֤יךָ
(aleikha)
over u
רֽוּחַ
(ruach)
een geest van
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
רָעָ֔ה
(raa)
boze
וְנִגֵּ֥ן
(venigen)
dan zal hij spelen
בְּיָד֖וֹ
(beyado)
met zijn hand
וְט֥וֹב
(vetov)
en goed
לָֽךְ
(lakh)
voor u
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’: een snaarinstrument dat men met de hand bespeelt (16:23).

17Saul zei tegen zijn dienaren: „Zoek voor mij toch een man die goed kan spelen en breng hem bij mij.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tegen
עֲבָדָ֑יו
(avadav)
zijn dienaren
רְאוּ
(reu)
zoek
נָ֣א
(na)
toch
לִ֗י
(li)
voor mij
אִ֚ישׁ
(ish)
een man
מֵיטִ֣יב
(meitiv)
die goed is
לְנַגֵּ֔ן
(lenagen)
in spelen
וַהֲבִיאוֹתֶ֖ם
(vahaviotem)
en breng hem
אֵלָֽי
(elay)
naar mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws heeft hier ‘breng hen’ (וַהֲבִיאוֹתֶם).

Wij vertalen ‘breng hem’, omdat het om één man gaat.

David komt bij Saul

18Een van de jongens antwoordde: „Zie, ik heb een zoon van Isaï, de Betlehemiet, gezien. Hij kan spelen. Hij is een krachtige held en een man van de oorlog, verstandig in spreken en mooi van gedaante. En Yahweh is met hem.”
וַיַּעַן֩
(vayaan)
en antwoordde
אֶחָ֨ד
(echad)
een
מֵהַנְּעָרִ֜ים
(mehanearim)
van de jongens
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
רָאִ֜יתִי
(raiti)
ik heb gezien
בֵּ֣ן
(ben)
een zoon
לְיִשַׁי֮
(leyishay)
van Isaï
בֵּ֣ית
(beit)
Bet
הַלַּחְמִי֒
(halachmi)
de Lechemiet
יֹדֵ֣עַ
(yodea)
die weet
נַ֠גֵּן
(nagen)
te spelen
וְגִבּ֨וֹר
(vegibor)
en een held van
חַ֜יִל
(chayil)
kracht
וְאִ֧ישׁ
(veish)
en een man van
מִלְחָמָ֛ה
(milchama)
oorlog
וּנְב֥וֹן
(unevon)
en verstandig van
דָּבָ֖ר
(davar)
spraak
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en een man van
תֹּ֑אַר
(toar)
gedaante
וַיהוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

גִּבּוֹר חַיִל (gibbor chayil), ‘krachtige held’: een dappere man.

Zie ook Ruth 2:1.

אִישׁ תֹּאַר (isj to’ar), ‘mooi van gedaante’: letterlijk ‘man van gedaante’.

19Saul stuurde boden naar Isaï en zei: „Stuur je zoon David, die bij de kudde is, naar mij.”
וַיִּשְׁלַ֥ח
(vayishlach)
en stuurde
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
מַלְאָכִ֖ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
naar
יִשָׁ֑י
(yishay)
Isaï
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
שִׁלְחָ֥ה
(shilcha)
stuur
אֵלַ֛י
(elay)
naar mij
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֥ד
(david)
David
בִּנְךָ֖
(binkha)
je zoon
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בַּצֹּֽאן
(batson)
bij de kudde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Isaï nam een ezel met brood, een zak wijn en één geitenbokje. Hij stuurde die met zijn zoon David naar Saul.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
יִשַׁ֜י
(yishay)
Isaï
חֲמ֥וֹר
(chamor)
een ezel
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
brood
וְנֹ֣אד
(venod)
en een zak van
יַ֔יִן
(yayin)
wijn
וּגְדִ֥י
(ugedi)
en een bokje van
עִזִּ֖ים
(izim)
geiten
אֶחָ֑ד
(echad)
één
וַיִּשְׁלַ֛ח
(vayishlach)
en stuurde
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
דָּוִ֥ד
(david)
David
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
אֶל
(el)
naar
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21David kwam bij Saul en stond voor hem. Saul kreeg hem zeer lief, en hij werd zijn wapendrager.
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en kwam
דָוִד֙
(david)
David
אֶל
(el)
naar
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וַֽיַּעֲמֹ֖ד
(vayaamod)
en stond
לְפָנָ֑יו
(lefanav)
voor hem
וַיֶּאֱהָבֵ֣הֽוּ
(vayeehavehu)
en hij kreeg hem lief
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וַֽיְהִי
(vayhi)
en hij werd
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
נֹשֵׂ֥א
(nose)
drager van
כֵלִֽים
(kelim)
wapens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֹשֵׂא כֵלִים (nose kelim), ‘wapendrager’: letterlijk ‘drager van gerei’.

Hetzelfde woord als in 14:1.

22Saul stuurde naar Isaï en zei: „Laat David voor mij blijven staan, want hij heeft gunst gevonden in mijn ogen.”
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en stuurde
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
naar
יִשַׁ֖י
(yishay)
Isaï
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
יַעֲמָד
(yaamad)
laat staan
נָ֤א
(na)
toch
דָוִד֙
(david)
David
לְפָנַ֔י
(lefanay)
voor mij
כִּֽי
(ki)
want
מָ֥צָא
(matsa)
heeft gevonden
חֵ֖ן
(chen)
gunst
בְּעֵינָֽי
(beeinay)
in mijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵן (chen), ‘gunst’: wij houden de vaste weergave.

23Telkens wanneer de geest van Elohim over Saul kwam, nam David de lier en speelde met zijn hand. Dan kreeg Saul ruimte, het ging goed met hem, en de boze geest week van hem.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
בִּֽהְי֤וֹת
(bihyot)
als er is
רֽוּחַ
(ruach)
een geest van
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
over
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וְלָקַ֥ח
(velaqach)
en nam
דָּוִ֛ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
הַכִּנּ֖וֹר
(hakinor)
de lier
וְנִגֵּ֣ן
(venigen)
en speelde
בְּיָד֑וֹ
(beyado)
met zijn hand
וְרָוַ֤ח
(veravach)
en kreeg ruimte
לְשָׁאוּל֙
(leshaul)
voor Saul
וְט֣וֹב
(vetov)
en goed
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
וְסָ֥רָה
(vesara)
en week
מֵעָלָ֖יו
(mealav)
van hem
ר֥וּחַ
(ruach)
de geest
הָרָעָֽה
(haraa)
de boze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְרָוַח (werawach), ‘kreeg ruimte’: van רֶוַח (revach), ‘ruimte’, ‘adempauze’, ‘verlichting’.

Zie ook Exod. 8:11.

Lezing

Het Hebreeuws heeft hier ‘de geest van Elohim’ zonder het woord ‘boze’.

Het verband met 16:15–16 en het slot van dit vers laat zien dat het de boze geest is.

Wij vertalen zoals het Hebreeuws is.