Jozua volgt Mozes op; de wet wordt opgeschreven en het lied wordt gegeven
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Mozes' laatste woorden: Yahweh zelf gaat voor hen uit
1Mozes ging en sprak deze woorden tot heel Israël.
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en ging
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
וַיְדַבֵּ֛ר
(vaydaber)
en sprak
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֥ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Wij volgen de Masoretische tekst: ‘Mozes ging’.
Enkele oude teksten (waaronder de Septuaginta en handschriften uit Qumran) lezen ‘Mozes voltooide’.
Het verschil is klein: in beide gevallen spreekt Mozes de laatste woorden tot het volk.
2Hij zei tegen hen: „Ik ben vandaag 120 jaar oud. Ik kan niet meer uitgaan en inkomen. Yahweh heeft tegen mij gezegd: ‘Je zult deze Jordaan niet oversteken.’
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶ֗ם
(alehem)
tot hen
בֶּן
(ben)
zoon van
מֵאָה֩
(mea)
honderd
וְעֶשְׂרִ֨ים
(veesrim)
en twintig
שָׁנָ֤ה
(shana)
jaar
אָנֹכִי֙
(anokhi)
ik
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
לֹא
(lo)
niet
אוּכַ֥ל
(ukhal)
ik kan
ע֖וֹד
(od)
meer
לָצֵ֣את
(latset)
om uit te gaan
וְלָב֑וֹא
(velavo)
en om binnen te komen
וַֽיהוָה֙
(vaYahweh)
en Yahweh
אָמַ֣ר
(amar)
heeft gezegd
אֵלַ֔י
(elay)
tegen mij
לֹ֥א
(lo)
niet
תַעֲבֹ֖ר
(taavor)
je zult oversteken
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּ֥ן
(hayarden)
de Jordaan
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Uitleg
לָצֵאת וְלָבוֹא (latset velavo), ‘uitgaan en inkomen’: het gewone leven en werk, ook als leider van het volk.
Mozes zegt niet dat zijn kracht weg is (Deut. 34:7), maar dat hij niet meer de leider is die hen het land in brengt.
Yahweh heeft dit eerder gezegd: Deut. 3:27 en Num. 20:12.
3Yahweh, jullie Elohim, Hij zal voor jullie uit oversteken. Hij zal deze volken voor jullie vernietigen en jullie zullen hen verdrijven. Jozua zal voor jullie uit oversteken, zoals Yahweh gesproken heeft.
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֜יךָ
(eloheikha)
je Elohim
ה֣וּא
(hu)
Hij
עֹבֵ֣ר
(over)
oversteekt
לְפָנֶ֗יךָ
(lefaneikha)
voor je uit
הֽוּא
(hu)
Hij
יַשְׁמִ֞יד
(yashmid)
zal vernietigen
אֶת
(et)
(obj.)
הַגּוֹיִ֥ם
(hagoyim)
de volken
הָאֵ֛לֶּה
(haele)
deze
מִלְּפָנֶ֖יךָ
(milefaneikha)
voor je
וִֽירִשְׁתָּ֑ם
(virishtam)
en jullie zullen hen verdrijven
יְהוֹשֻׁ֗עַ
(yehoshua)
Jozua
ה֚וּא
(hu)
hij
עֹבֵ֣ר
(over)
oversteekt
לְפָנֶ֔יךָ
(lefaneikha)
voor je uit
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
heeft gesproken
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָבַר (avar), ‘oversteken’: het gaat om de overgang over de Jordaan.
Wij houden steeds hetzelfde woord, ook in vers 2 en 13.
יָרַשׁ (yarash), ‘in bezit nemen’: met volken als voorwerp betekent het hun plaats innemen. Wij vertalen daarom ‘verdrijven’, zoals in Deut. 7:17.
6Wees sterk en moedig. Wees niet bang en schrik niet voor hen. Want Yahweh, jullie Elohim, Hij is het die met jullie meegaat. Hij zal jullie niet loslaten en jullie niet verlaten.”
חִזְק֣וּ
(chizqu)
weest sterk
וְאִמְצ֔וּ
(veimtsu)
en weest moedig
אַל
(al)
niet
תִּֽירְא֥וּ
(tireu)
jullie zullen vrezen
וְאַל
(veal)
en niet
תַּעַרְצ֖וּ
(taartsu)
jullie zullen schrikken
מִפְּנֵיהֶ֑ם
(mipeneihem)
voor hen
כִּ֣י
(ki)
want
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֗יךָ
(eloheikha)
je Elohim
ה֚וּא
(hu)
Hij
הַהֹלֵ֣ךְ
(haholekh)
die gaat
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
met je
לֹ֥א
(lo)
niet
יַרְפְּךָ֖
(yarpekha)
Hij zal je loslaten
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יַעַזְבֶֽךָּ
(yaazveka)
Hij zal je verlaten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Mozes riep Jozua en zei tegen hem voor de ogen van heel Israël: „Wees sterk en moedig. Want jij zult met dit volk het land binnengaan dat Yahweh hun vaders gezworen heeft hun te geven. En jij zult het hun als erfdeel geven.
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en riep
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
לִֽיהוֹשֻׁ֗עַ
(lihoshua)
tot Jozua
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֜יו
(elav)
tot hem
לְעֵינֵ֣י
(leeinei)
voor de ogen van
כָל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֘ל
(yisrael)
Israël
חֲזַ֣ק
(chazaq)
wees sterk
וֶאֱמָץ֒
(veemats)
en wees moedig
כִּ֣י
(ki)
want
אַתָּ֗ה
(ata)
jij
תָּבוֹא֙
(tavo)
zult binnengaan
אֶת
(et)
met
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
אֶל
(el)
naar
הָאָ֕רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
נִשְׁבַּ֧ע
(nishba)
zwoer
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לַאֲבֹתָ֖ם
(laavotam)
aan hun vaders
לָתֵ֣ת
(latet)
om te geven
לָהֶ֑ם
(lahem)
aan hen
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
תַּנְחִילֶ֥נָּה
(tanchilena)
zult het als erfdeel geven
אוֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָחַל (nachal) in de hifil, ‘als erfdeel geven’: het land verdelen als erfdeel.
Zie Num. 27:18–23 en Deut. 3:28 voor de opdracht aan Jozua.
De wet wordt opgeschreven en elke zeven jaar voorgelezen
9Mozes schreef deze wet op. Hij gaf haar aan de priesters, de zonen van Levi, die de ark van het verbond van Yahweh dragen, en aan alle oudsten van Israël.
וַיִּכְתֹּ֣ב
(vayikhtov)
en schreef
מֹשֶׁה֮
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
הַתּוֹרָ֣ה
(hatora)
de wet
הַזֹּאת֒
(hazot)
deze
וַֽיִּתְּנָ֗הּ
(vayitenah)
en gaf haar
אֶל
(el)
aan
הַכֹּהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
לֵוִ֔י
(levi)
Levi
הַנֹּ֣שְׂאִ֔ים
(hanoseim)
die dragen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֖וֹן
(aron)
de ark van
בְּרִ֣ית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶל
(veel)
en aan
כָּל
(kal)
al
זִקְנֵ֖י
(ziqnei)
de oudsten van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderwijs’.
Het is wat Mozes heeft opgeschreven; zie ook Deut. 30:10 en 31:24–26.
11wanneer heel Israël komt om het aangezicht van Yahweh, jullie Elohim, te zien op de plaats die Hij kiest, moeten jullie deze wet hardop lezen voor heel Israël.
בְּב֣וֹא
(bevo)
wanneer komt
כָל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
לֵרָאוֹת֙
(leraot)
om te zien
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵי֙
(penei)
het aangezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
בַּמָּק֖וֹם
(bamaqom)
op de plaats
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יִבְחָ֑ר
(yivchar)
Hij zal kiezen
תִּקְרָ֞א
(tiqra)
je zult lezen
אֶת
(et)
(obj.)
הַתּוֹרָ֥ה
(hatora)
de wet
הַזֹּ֛את
(hazot)
deze
נֶ֥גֶד
(neged)
voor
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּאָזְנֵיהֶֽם
(beazeneihem)
in hun oren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּאָזְנֵיהֶם (be’aznehem), letterlijk ‘in hun oren’: zo dat zij het horen.
Wij vertalen ‘hardop’.
לִרְאוֹת אֶת־פְּנֵי יְהוָה (lir’ot et penei Yahweh), ‘het aangezicht van Yahweh zien’: voor Hem verschijnen op de plaats die Hij kiest (Deut. 12:5; 16:16).
12Roep het volk bijeen: de mannen, de vrouwen en de kinderen, en de vreemdeling die in jullie poorten is. Zo zullen zij horen en leren Yahweh, jullie Elohim, te vrezen, en zorgvuldig alle woorden van deze wet te doen.
הַקְהֵ֣ל
(haqhel)
roep bijeen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
הָֽאֲנָשִׁ֤ים
(haanashim)
de mannen
וְהַנָּשִׁים֙
(vehanashim)
en de vrouwen
וְהַטַּ֔ף
(vehataf)
en de kinderen
וְגֵרְךָ֖
(vegerekha)
en je vreemdeling
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בִּשְׁעָרֶ֑יךָ
(bishareikha)
in je poorten
לְמַ֨עַן
(lemaan)
opdat
יִשְׁמְע֜וּ
(yishmeu)
zij zullen horen
וּלְמַ֣עַן
(ulemaan)
en opdat
יִלְמְד֗וּ
(yilmedu)
zij zullen leren
וְיָֽרְאוּ֙
(veyareu)
en zullen vrezen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
וְשָֽׁמְר֣וּ
(veshameru)
en zullen houden
לַעֲשׂ֔וֹת
(laasot)
om te doen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
woorden van
הַתּוֹרָ֥ה
(hatora)
de wet
הַזֹּֽאת
(hazot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
טַף (taf), ‘kinderen’: letterlijk de kleine kinderen.
13Ook hun zonen, die het niet kennen, zullen het horen. Zij zullen leren Yahweh, jullie Elohim, te vrezen, al de dagen dat jullie leven op de grond. Jullie gaan daarheen, over de Jordaan, om die in bezit te nemen.”
וּבְנֵיהֶ֞ם
(uveneihem)
en hun zonen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יָדְע֗וּ
(yadeu)
kennen
יִשְׁמְעוּ֙
(yishmeu)
zullen horen
וְלָ֣מְד֔וּ
(velamedu)
en zullen leren
לְיִרְאָ֖ה
(leyira)
om te vrezen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֑ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִ֗ים
(hayamim)
de dagen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אַתֶּ֤ם
(atem)
jullie
חַיִּים֙
(chayim)
levend
עַל
(al)
op
הָ֣אֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אַתֶּ֜ם
(atem)
jullie
עֹבְרִ֧ים
(overim)
oversteken
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּ֛ן
(hayarden)
de Jordaan
שָׁ֖מָּה
(shama)
daarheen
לְרִשְׁתָּֽהּ
(lerishtah)
om die in bezit te nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Yahweh roept Mozes en Jozua naar de tent van samenkomst
14Yahweh zei tegen Mozes: „Zie, je dagen om te sterven zijn nabij. Roep Jozua en stel jullie op in de tent van samenkomst, dan zal Ik hem opdracht geven.” Mozes en Jozua gingen en stelden zich op in de tent van samenkomst.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
הֵ֣ן
(hen)
zie
קָרְב֣וּ
(qarevu)
zijn nabij gekomen
יָמֶיךָ֮
(yameikha)
je dagen
לָמוּת֒
(lamut)
om te sterven
קְרָ֣א
(qera)
roep
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוֹשֻׁ֗עַ
(yehoshua)
Jozua
וְהִֽתְיַצְּב֛וּ
(vehityatsevu)
en stel jullie op
בְּאֹ֥הֶל
(beohel)
in de tent van
מוֹעֵ֖ד
(moed)
samenkomst
וַאֲצַוֶּ֑נּוּ
(vaatsavenu)
en Ik zal hem opdracht geven
וַיֵּ֤לֶךְ
(vayelekh)
en ging
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
וִֽיהוֹשֻׁ֔עַ
(vihoshua)
en Jozua
וַיִּֽתְיַצְּב֖וּ
(vayityatsevu)
en zij stelden zich op
בְּאֹ֥הֶל
(beohel)
in de tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֹהֶל מוֹעֵד (ohel mo’ed), ‘tent van samenkomst’, zoals in Exod. 33:7.
16Yahweh zei tegen Mozes: „Zie, jij gaat liggen bij je vaders. Dan zal dit volk opstaan en hoereren achter de vreemde goden van het land waar het naartoe gaat, in zijn midden. Het zal Mij verlaten en Mijn verbond verbreken, dat Ik met hen gesloten heb.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
הִנְּךָ֥
(hinekha)
zie jou
שֹׁכֵ֖ב
(shokhev)
liggend
עִם
(im)
bij
אֲבֹתֶ֑יךָ
(avoteikha)
je vaders
וְקָם֩
(veqam)
en zal opstaan
הָעָ֨ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֜ה
(haze)
dit
וְזָנָ֣ה
(vezana)
en zal hoereren
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de goden van
נֵֽכַר
(nekhar)
vreemde
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waar
ה֤וּא
(hu)
dit volk
בָא
(ba)
gaat
שָׁ֨מָּה֙
(shama)
daarheen
בְּקִרְבּ֔וֹ
(beqirbo)
in zijn midden
וַעֲזָבַ֕נִי
(vaazavani)
en zal Mij verlaten
וְהֵפֵר֙
(vehefer)
en zal verbreken
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִיתִ֔י
(beriti)
Mijn verbond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
כָּרַ֖תִּי
(karati)
Ik sloot
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֹׁכֵב עִם־אֲבֹתֶיךָ (shokhev im avotekha), ‘liggen bij je vaders’: sterven.
Zie ook Num. 27:13, waar ‘verzameld worden bij je volk’ staat.
זָנָה (zanah), ‘hoereren’: trouweloos zijn tegenover Yahweh door andere goden te dienen, zoals in Num. 25:1.
17Op die dag zal Mijn toorn tegen hen ontbranden. Ik zal hen verlaten en Mijn aangezicht voor hen verbergen. Zij zullen worden verslonden, en vele rampen en benauwdheden zullen hen treffen. Op die dag zullen zij zeggen: ‘Is het niet omdat mijn Elohim niet in mijn midden is, dat deze rampen mij getroffen hebben?’
וְחָרָ֣ה
(vechara)
en zal ontbranden
אַפִּ֣י
(api)
Mijn toorn
ב֣וֹ
(bo)
tegen hem
בַיּוֹם
(bayom)
op de dag
הַ֠הוּא
(hahu)
die
וַעֲזַבְתִּ֞ים
(vaazavtim)
en Ik zal hen verlaten
וְהִסְתַּרְתִּ֨י
(vehistarti)
en Ik zal verbergen
פָנַ֤י
(panay)
Mijn aangezicht
מֵהֶם֙
(mehem)
voor hen
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en hij zal worden
לֶֽאֱכֹ֔ל
(leekhol)
tot verslinden
וּמְצָאֻ֛הוּ
(umetsauhu)
en zullen hem treffen
רָע֥וֹת
(raot)
rampen
רַבּ֖וֹת
(rabot)
vele
וְצָר֑וֹת
(vetsarot)
en benauwdheden
וְאָמַר֙
(veamar)
en hij zal zeggen
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
הֲלֹ֗א
(halo)
is het niet
עַ֣ל
(al)
omdat
כִּֽי
(ki)
dat
אֵ֤ין
(ein)
niet is
אֱלֹהַי֙
(elohay)
mijn Elohim
בְּקִרְבִּ֔י
(beqirbi)
in mijn midden
מְצָא֖וּנִי
(metsauni)
hebben mij getroffen
הָרָע֥וֹת
(haraot)
de rampen
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַסְתֵּר פָּנִים (haster panim), ‘het aangezicht verbergen’: Yahweh trekt Zich terug uit de nabijheid van het volk.
Zie ook vers 18.
De woorden tussen ‘ ’ zijn het citaat van het volk zelf: zij zullen in hun nood de oorzaak herkennen.
19Schrijf nu dit lied voor jullie op en leer het de zonen van Israël. Leg het in hun mond, zodat dit lied voor Mij een getuige is tegen de zonen van Israël.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
כִּתְב֤וּ
(kitvu)
schrijft
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
אֶת
(et)
(obj.)
הַשִּׁירָ֣ה
(hashira)
het lied
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
וְלַמְּדָ֥הּ
(velamedah)
en leer het
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
שִׂימָ֣הּ
(simah)
leg het
בְּפִיהֶ֑ם
(befihem)
in hun mond
לְמַ֨עַן
(lemaan)
opdat
תִּהְיֶה
(tihye)
zal zijn
לִּ֜י
(li)
voor Mij
הַשִּׁירָ֥ה
(hashira)
het lied
הַזֹּ֛את
(hazot)
dit
לְעֵ֖ד
(leed)
tot getuige
בִּבְנֵ֥י
(bivnei)
onder de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het lied is het Lied van Mozes in Deut. 32.
Het moet in de mond van het volk blijven als getuige (vers 21).
20Want Ik zal hen brengen naar de grond die Ik hun vaders gezworen heb, overvloeiend van melk en honing. Zij zullen eten, verzadigd en vet worden. Dan keren zij zich tot andere goden, dienen hen, minachten Mij en verbreken Mijn verbond.
כִּֽי
(ki)
want
אֲבִיאֶ֜נּוּ
(avienu)
Ik zal hem brengen
אֶֽל
(el)
naar
הָאֲדָמָ֣ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁר
(asher)
die
נִשְׁבַּ֣עְתִּי
(nishbati)
Ik heb gezworen
לַאֲבֹתָ֗יו
(laavotav)
aan zijn vaders
זָבַ֤ת
(zavat)
overvloeiend van
חָלָב֙
(chalav)
melk
וּדְבַ֔שׁ
(udevash)
en honing
וְאָכַ֥ל
(veakhal)
en hij zal eten
וְשָׂבַ֖ע
(vesava)
en verzadigd worden
וְדָשֵׁ֑ן
(vedashen)
en vet worden
וּפָנָ֞ה
(ufana)
en zich wenden
אֶל
(el)
tot
אֱלֹהִ֤ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִים֙
(acherim)
andere
וַעֲבָד֔וּם
(vaavadum)
en zij zullen hen dienen
וְנִ֣אֲצ֔וּנִי
(veniatsuni)
en zij zullen Mij minachten
וְהֵפֵ֖ר
(vehefer)
en zij zullen verbreken
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִיתִֽי
(beriti)
Mijn verbond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִאֵץ (ni’ets), ‘minachten’: verachten, met minachting behandelen.
21Wanneer vele rampen en benauwdheden hen treffen, zal dit lied voor hen als getuige antwoorden. Want het zal niet vergeten worden uit de mond van hun nageslacht. Want Ik ken hun neiging, wat zij vandaag doen, voordat Ik hen naar het land breng dat Ik gezworen heb.”
וְ֠הָיָה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
wanneer
תִמְצֶ֨אןָ
(timtsena)
zullen treffen
אֹת֜וֹ
(oto)
hem
רָע֣וֹת
(raot)
rampen
רַבּוֹת֮
(rabot)
vele
וְצָרוֹת֒
(vetsarot)
en benauwdheden
וְ֠עָנְתָה
(veaneta)
en zal antwoorden
הַשִּׁירָ֨ה
(hashira)
het lied
הַזֹּ֤את
(hazot)
dit
לְפָנָיו֙
(lefanav)
voor hem
לְעֵ֔ד
(leed)
tot getuige
כִּ֛י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
תִשָּׁכַ֖ח
(tishakhach)
het zal vergeten worden
מִפִּ֣י
(mipi)
uit de mond van
זַרְע֑וֹ
(zaro)
zijn nageslacht
כִּ֧י
(ki)
want
יָדַ֣עְתִּי
(yadati)
Ik ken
אֶת
(et)
(obj.)
יִצְר֗וֹ
(yitsro)
zijn neiging
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
ה֤וּא
(hu)
hij
עֹשֶׂה֙
(ose)
doet
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
בְּטֶ֣רֶם
(beterem)
voordat
אֲבִיאֶ֔נּוּ
(avienu)
Ik hem breng
אֶל
(el)
naar
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
נִשְׁבָּֽעְתִּי
(nishbati)
Ik heb gezworen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יֵצֶר (yetser), ‘neiging’: wat iemand van binnen vormt of voor zich ziet; ook ‘wat men bedenkt’ (Gen. 6:5; 8:21).
23Yahweh gaf Jozua, de zoon van Nun, opdracht en zei: „Wees sterk en moedig. Want jij zult de zonen van Israël brengen naar het land dat Ik hun gezworen heb, en Ik zal met je zijn.”
וַיְצַ֞ו
(vaytsav)
en gaf opdracht
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוֹשֻׁ֣עַ
(yehoshua)
Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נ֗וּן
(nun)
Nun
וַיֹּאמֶר֮
(vayomer)
en zei
חֲזַ֣ק
(chazaq)
wees sterk
וֶֽאֱמָץ֒
(veemats)
en wees moedig
כִּ֣י
(ki)
want
אַתָּ֗ה
(ata)
jij
תָּבִיא֙
(tavi)
zult brengen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נִשְׁבַּ֣עְתִּי
(nishbati)
Ik heb gezworen
לָהֶ֑ם
(lahem)
aan hen
וְאָנֹכִ֖י
(veanokhi)
en Ik
אֶֽהְיֶ֥ה
(ehye)
zal zijn
עִמָּֽךְ
(imakh)
met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws noemt het onderwerp van ‘gaf opdracht’ niet.
Wij lezen Yahweh, omdat de woorden ‘het land dat Ik hun gezworen heb’ en ‘Ik zal met je zijn’ uit Yahwehs mond komen (Deut. 31:7–8 en Exod. 3:12).
27Want ik ken jullie opstandigheid en jullie harde nek. Zie, nu ik vandaag nog bij jullie leef, zijn jullie opstandig geweest tegen Yahweh. Hoeveel te meer na mijn dood!
כִּ֣י
(ki)
want
אָנֹכִ֤י
(anokhi)
ik
יָדַ֨עְתִּי֙
(yadati)
ken
אֶֽת
(et)
(obj.)
מֶרְיְךָ֔
(meryekha)
je opstandigheid
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
עָרְפְּךָ֖
(arpekha)
je nek
הַקָּשֶׁ֑ה
(haqashe)
de harde
הֵ֣ן
(hen)
zie
בְּעוֹדֶנִּי֩
(beodeni)
terwijl ik nog
חַ֨י
(chay)
leef
עִמָּכֶ֜ם
(imakhem)
met jullie
הַיּ֗וֹם
(hayom)
vandaag
מַמְרִ֤ים
(mamrim)
opstandig
הֱיִתֶם֙
(heyitem)
zijn jullie geweest
עִם
(im)
tegen
יְהֹוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאַ֖ף
(veaf)
en hoeveel meer
כִּי
(ki)
als
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
na
מוֹתִֽי
(moti)
mijn dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֹרֶף קָשֶׁה (oref qasheh), ‘harde nek’: dat wil zeggen halsstarrig, zoals in Exod. 32:9.
28Roep alle oudsten van jullie stammen en jullie opzichters bij mij bijeen. Dan zal ik deze woorden voor hun oren spreken en de hemel en de aarde als getuigen tegen hen oproepen.
הַקְהִ֧ילוּ
(haqhilu)
verzamel
אֵלַ֛י
(elay)
bij mij
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
זִקְנֵ֥י
(ziqnei)
oudsten van
שִׁבְטֵיכֶ֖ם
(shivteikhem)
jullie stammen
וְשֹׁטְרֵיכֶ֑ם
(veshotereikhem)
en jullie opzichters
וַאֲדַבְּרָ֣ה
(vaadabera)
en ik zal spreken
בְאָזְנֵיהֶ֗ם
(beazeneihem)
in hun oren
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
וְאָעִ֣ידָה
(veaida)
en ik zal tot getuige nemen
בָּ֔ם
(bam)
tegen hen
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֹׁטְרִים (shoterim), ‘opzichters’, zoals in Deut. 1:15.
29Want ik weet dat jullie na mijn dood zeker zullen verderven en afwijken van de weg die ik jullie geboden heb. Dan zal het kwaad jullie treffen in de laatste dagen, omdat jullie doen wat kwaad is in de ogen van Yahweh. Om Hem tot toorn te prikkelen met het werk van jullie handen.”
כִּ֣י
(ki)
want
יָדַ֗עְתִּי
(yadati)
ik ken
אַחֲרֵ֤י
(acharei)
na
מוֹתִי֙
(moti)
mijn dood
כִּֽי
(ki)
dat
הַשְׁחֵ֣ת
(hashchet)
zeker verderven
תַּשְׁחִת֔וּן
(tashchitun)
jullie zullen verderven
וְסַרְתֶּ֣ם
(vesartem)
en jullie zullen afwijken
מִן
(min)
van
הַדֶּ֔רֶךְ
(haderekh)
de weg
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
צִוִּ֖יתִי
(tsiviti)
ik heb geboden
אֶתְכֶ֑ם
(etkhem)
jullie
וְקָרָ֨את
(veqarat)
en zal treffen
אֶתְכֶ֤ם
(etkhem)
jullie
הָֽרָעָה֙
(haraa)
het kwaad
בְּאַחֲרִ֣ית
(beacharit)
in het einde van
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
כִּֽי
(ki)
omdat
תַעֲשׂ֤וּ
(taasu)
jullie zullen doen
אֶת
(et)
(obj.)
הָרַע֙
(hara)
het kwaad
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהַכְעִיס֖וֹ
(lehakhiso)
om Hem te prikkelen
בְּמַעֲשֵׂ֥ה
(bemaase)
met het werk van
יְדֵיכֶֽם
(yedeikhem)
jullie handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּאַחֲרִית הַיָּמִים (be’acharit hayamim), ‘in de laatste dagen’: de tijd in de toekomst; zie Gen. 49:1.