Elohim Bijbel

1 Korintiërs 10

12345678910111213141516

De woestijngeneratie als waarschuwing, de tafel van de Heer en de tafel van demonen, eten en geweten

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De woestijngeneratie als voorbeeld

1Want ik wil niet dat jullie onwetend zijn, broers: onze vaders waren allen onder de wolk en allen gingen door de zee heen.
Οὐ
(Ou)
niet
θέλω
(thelo)
wil ik
γὰρ
(gar)
want
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἀγνοεῖν
(agnoein)
onwetend te zijn
ἀδελφοί
(adelphoi)
broers
ὅτι
(hoti)
dat
οἱ
(hoi)
de
πατέρες
(pateres)
vaders
ἡμῶν
(hemon)
onze
πάντες
(pantes)
allen
ὑπὸ
(hypo)
onder
τὴν
(ten)
de
νεφέλην
(nephelen)
wolk
ἦσαν
(esan)
waren
καὶ
(kai)
en
πάντες
(pantes)
allen
διὰ
(dia)
door
τῆς
(tes)
de
θαλάσσης
(thalasses)
zee
διῆλθον
(dielthon)
gingen heen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Rietzee (ligging onzeker): In 1 Korintiërs 10:1-2 verwijst Paulus naar de doortocht van Israël door de zee, de Rietzee.

De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez.

De precieze plaats van de doortocht is niet zeker.

Uitleg

ἀγνοέω (agnoeo), ‘niet weten, onwetend zijn’. ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: het Griekse woord omvat ook de zusters in de gemeente.

‘Onze vaders’: de generatie van de uittocht uit Egypte.

‘Onder de wolk’ en ‘door de zee’ verwijzen naar de uittocht: de wolk die het volk leidde en de doortocht door de zee.

Zie ook Exod. 13:21; Exod. 14:22; Exod. 14:29.

2En allen werden in Mozes gedoopt, in de wolk en in de zee.
καὶ
(kai)
en
πάντες
(pantes)
allen
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
Μωϋσῆν
(Moysen)
Mozes
ἐβαπτίσαντο
(ebaptisanto)
werden gedoopt
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
νεφέλῃ
(nephele)
wolk
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
θαλάσσῃ
(thalasse)
zee
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Rietzee (ligging onzeker): In 1 Korintiërs 10:1-2 verwijst Paulus naar de doortocht van Israël door de zee, de Rietzee.

De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez.

De precieze plaats van de doortocht is niet zeker.

Uitleg

βαπτίζω (baptizo), ‘dopen’: onderdompelen. εἰς τὸν Μωϋσῆν (eis ton Moysen), ‘in Mozes’: ook ‘tot Mozes’; Paulus stelt de doortocht door de zee naast de doop.

Exod. 14:31 zegt dat het volk ‘in Yahweh en in Mozes’ geloofde.

Zie ook Exod. 14:31; Rom. 6:3.

3En allen aten hetzelfde geestelijke voedsel.
καὶ
(kai)
en
πάντες
(pantes)
allen
τὸ
(to)
het
αὐτὸ
(auto)
zelfde
πνευματικὸν
(pneumatikon)
geestelijke
βρῶμα
(broma)
voedsel
ἔφαγον
(ephagon)
aten
Bron: SBLGNT
Uitleg

πνευματικός (pneumatikos), ‘geestelijk’: van de Geest gegeven. βρῶμα (broma), ‘voedsel’.

Het voedsel verwijst naar het manna.

Zie ook Exod. 16:4; Exod. 16:15; Exod. 16:35; Ps. 78:24.

4En allen dronken dezelfde geestelijke drank. Zij dronken namelijk uit een geestelijke rots die hen volgde. De rots nu was de Messias.
καὶ
(kai)
en
πάντες
(pantes)
allen
τὸ
(to)
het
αὐτὸ
(auto)
zelfde
πνευματικὸν
(pneumatikon)
geestelijke
ἔπιον
(epion)
dronken
πόμα
(poma)
drank
ἔπινον
(epinon)
dronken zij
γὰρ
(gar)
want
ἐκ
(ek)
uit
πνευματικῆς
(pneumatikes)
geestelijke
ἀκολουθούσης
(akolouthouses)
volgende
πέτρας
(petras)
rots
ἡ
(he)
de
πέτρα
(petra)
rots
δὲ
(de)
nu
ἦν
(en)
was
ὁ
(ho)
de
Χριστός
(Christos)
Messias
Bron: SBLGNT
Uitleg

πόμα (poma), ‘drank’. πέτρα (petra), ‘rots’.

Paulus noemt de rots geestelijk en zegt dat zij het volk ‘volgde’.

Dat staat niet in Exodus of Numeri; Paulus ziet in de rots een beeld van de Messias.

In Exod. 17:6 staat Yahweh zelf op de rots en komt water uit de rots; in Num. 20:11 slaat Mozes op de rots.

Zie ook Exod. 17:6; Num. 20:11; Ps. 78:15–16.

5Maar in de meesten van hen had Elohim geen welbehagen. Want zij werden in de woestijn neergestrekt.
ἀλλ’
(all’)
maar
οὐκ
(ouk)
niet
ἐν
(en)
in
τοῖς
(tois)
de
πλείοσιν
(pleiosin)
meesten
αὐτῶν
(auton)
van hen
ηὐδόκησεν
(eydokesen)
had welbehagen
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
κατεστρώθησαν
(katestrothesan)
werden neergestrekt
γὰρ
(gar)
want
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
ἐρήμῳ
(eremo)
woestijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

εὐδοκέω (eudokeo), ‘welbehagen hebben’. καταστρώννυμι (katastronnymi), ‘neerstrekken’: neerleggen, verspreid doen liggen; zo ‘lagen’ de doden in de woestijn.

Ons Hebreeuws heeft in Num. 14:16 ‘Hij heeft hen in de woestijn afgeslacht’ en in Num. 14:29 ‘in deze woestijn zullen jullie lijken vallen’.

Zie ook Num. 14:16; Num. 14:29; Num. 14:32.

6Deze dingen zijn voorbeelden voor ons geworden, opdat wij geen begeerders van het kwade zijn, zoals ook zij begeerden.
Ταῦτα
(Tauta)
deze dingen
δὲ
(de)
maar
τύποι
(typoi)
voorbeelden
ἡμῶν
(hemon)
van ons
ἐγενήθησαν
(egenethesan)
zijn geworden
εἰς
(eis)
tot
τὸ
(to)
het
μὴ
(me)
niet
εἶναι
(einai)
zijn
ἡμᾶς
(hemas)
wij
ἐπιθυμητὰς
(epithymetas)
begeerders
κακῶν
(kakon)
van kwaad
καθὼς
(kathos)
zoals
κἀκεῖνοι
(kakeinoi)
ook zij
ἐπεθύμησαν
(epethymesan)
begeerden
Bron: SBLGNT
Uitleg

τύπος (typos), ‘voorbeeld’: letterlijk ‘afdruk, vorm’; een gebeurtenis die als voorbeeld dient. ἐπιθυμητής (epithymetes), ‘begeerder’; ἐπιθυμέω (epithymeo), ‘begeren’.

Het Grieks noemt niet wat zij begeerden; vergelijk de verlangens naar vlees in de woestijn.

Zie ook Num. 11:4; Num. 11:34; Ps. 106:14.

7Word ook geen afgodendienaars, zoals sommigen van hen. Zoals geschreven staat: „Het volk ging zitten om te eten en te drinken, en zij stonden op om zich te vermaken.”
μηδὲ
(mede)
en ook niet
εἰδωλολάτραι
(eidololatrai)
afgodendienaars
γίνεσθε
(ginesthe)
word
καθώς
(kathos)
zoals
τινες
(tines)
sommigen
αὐτῶν
(auton)
van hen
ὥσπερ
(hosper)
zoals
γέγραπται
(gegraptai)
geschreven staat
Ἐκάθισεν
(Ekathisen)
ging zitten
ὁ
(ho)
het
λαὸς
(laos)
volk
φαγεῖν
(phagein)
te eten
καὶ
(kai)
en
πεῖν
(pein)
te drinken
καὶ
(kai)
en
ἀνέστησαν
(anestesan)
stonden op
παίζειν
(paizein)
zich te vermaken
Bron: SBLGNT
Uitleg

εἰδωλολάτρης (eidololatres), ‘afgodendienaar’.

Aanhaling van Exod. 32:6, het tweede deel.

Ons Hebreeuws heeft: ‘Het volk ging zitten om te eten en te drinken, en zij stonden op om zich te vermaken’.

De Griekse tekst heeft dezelfde woorden. παίζω (paizo), ‘spelen, zich vermaken’: ook ‘dansen’; de zin gaat over het feest voor het gouden kalf.

Het citaat staat zwart: Paulus haalt het aan.

Zie ook Exod. 32:6.

Zie ookEx 32:6
8En laten wij geen ontucht plegen, zoals sommigen van hen ontucht pleegden. Op één dag vielen er 23.000.
μηδὲ
(mede)
en ook niet
πορνεύωμεν
(porneuomen)
laten wij ontucht plegen
καθώς
(kathos)
zoals
τινες
(tines)
sommigen
αὐτῶν
(auton)
van hen
ἐπόρνευσαν
(eporneusan)
pleegden ontucht
καὶ
(kai)
en
ἔπεσαν
(epesan)
vielen
μιᾷ
(mia)
op één
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
εἴκοσι
(eikosi)
twintig
τρεῖς
(treis)
drie
χιλιάδες
(chiliades)
duizend
Bron: SBLGNT
Uitleg

πορνεύω (porneuo), ‘ontucht plegen’: seksuele immoraliteit in het algemeen.

Het Grieks heeft ‘23 duizend’.

Ons Hebreeuws heeft in Num. 25:9 ‘24.000 doden’ voor de plaag bij Baäl-Peor; Num. 25:1 spreekt van hoereren met de dochters van Moab.

Het verschil tussen 23.000 en 24.000 verklaart het Grieks niet.

Vergelijk Exod. 32:28, waar ongeveer drieduizend man vallen.

Zie ook Num. 25:1; Num. 25:9; Exod. 32:28.

9En laten wij de Messias niet op de proef stellen, zoals sommigen van hen Hem op de proef stelden en door de slangen omkwamen.
μηδὲ
(mede)
en ook niet
ἐκπειράζωμεν
(ekpeirazomen)
laten wij op de proef stellen
τὸν
(ton)
de
Χριστόν
(Christon)
Messias
καθώς
(kathos)
zoals
τινες
(tines)
sommigen
αὐτῶν
(auton)
van hen
ἐπείρασαν
(epeirasan)
stelden op de proef
καὶ
(kai)
en
ὑπὸ
(hypo)
door
τῶν
(ton)
de
ὄφεων
(opheon)
slangen
ἀπώλλυντο
(apollynto)
kwamen om
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐκπειράζω (ekpeirazo), ‘op de proef stellen’: de voorvoegsel ἐκ- versterkt het woord, ‘tot het uiterste op de proef stellen, tarten’; hetzelfde Griekse stam als πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’.

Het Grieks laat het voorwerp bij ‘zij stelden op de proef’ weg; wij vullen ‘Hem’ aan, de Messias. ὄφις (ofis), ‘slang’.

De gebeurtenis is die van de vurige slangen.

Lezing

De SBLGNT markeert hier een lezing.

Sommige oude handschriften hebben in plaats van ‘de Messias’ een ander woord; wij volgen de SBLGNT.

Zie ook Num. 21:5–7; Ps. 95:9.

10En mor ook niet, zoals sommigen van hen morden en door de verderver omkwamen.
μηδὲ
(mede)
en ook niet
γογγύζετε
(gongyzete)
mor
καθάπερ
(kathaper)
zoals
τινὲς
(tines)
sommigen
αὐτῶν
(auton)
van hen
ἐγόγγυσαν
(egongysan)
morden
καὶ
(kai)
en
ἀπώλοντο
(apolonto)
kwamen om
ὑπὸ
(hypo)
door
τοῦ
(tou)
de
ὀλοθρευτοῦ
(olothreutou)
verderver
Bron: SBLGNT
Uitleg

γογγύζω (gongyzo), ‘morren’. ὀλοθρευτής (olothreutes), ‘verderver’: een vernietigende kracht; ons Hebreeuws heeft in Exod. 12:23 ‘de verderver’ voor degene die Yahweh in Egypte niet in de huizen liet komen.

Paulus noemt niet welke gebeurtenis hij bedoelt; mogelijk is het het morren tegen Mozes en Aäron met de plaag die erop volgde.

Zie ook Exod. 12:23; Num. 17:6–15; in de Nederlandse telling is dit 16:41–50.

11Deze dingen overkwamen hen als voorbeeld. Ze zijn opgeschreven tot waarschuwing voor ons, voor wie de einden van de eeuwen gekomen zijn.
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
δὲ
(de)
maar
τυπικῶς
(typikos)
als voorbeeld
συνέβαινεν
(synebainen)
overkwamen
ἐκείνοις
(ekeinois)
hen
ἐγράφη
(egraphe)
zijn opgeschreven
δὲ
(de)
maar
πρὸς
(pros)
tot
νουθεσίαν
(nouthesian)
waarschuwing
ἡμῶν
(hemon)
van ons
εἰς
(eis)
voor
οὓς
(hous)
wie
τὰ
(ta)
de
τέλη
(tele)
einden
τῶν
(ton)
van de
αἰώνων
(aionon)
eeuwen
κατήντηκεν
(katenteken)
zijn gekomen
Bron: SBLGNT
Uitleg

τυπικῶς (typikos), ‘als voorbeeld’, van τύπος, zie vers 6. νουθεσία (nouthesia), ‘waarschuwing’: terechtwijzing. τὰ τέλη τῶν αἰώνων (ta tele ton aionon), ‘de einden van de eeuwen’: τέλος (telos) betekent ‘einde’ en ook ‘doel’; Paulus bedoelt dat de tijd van de Messias het eindpunt van de voorafgaande tijdperken is.

Zie ook1 Kor 10:6
12Wie dus meent te staan, moet oppassen dat hij niet valt.
ὥστε
(hoste)
zodat
ὁ
(ho)
wie
δοκῶν
(dokon)
meent
ἑστάναι
(hestanai)
te staan
βλεπέτω
(blepeto)
moet oppassen
μὴ
(me)
dat niet
πέσῃ
(pese)
hij valt
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἵστημι (histemi), ‘staan’: vast staan. βλέπω (blepo), ‘toezien, oppassen’.

13Geen beproeving heeft jullie getroffen, behalve een menselijke. Elohim is trouw. Hij zal niet toelaten dat jullie op de proef gesteld worden boven wat jullie kunnen. Maar met de beproeving zal Hij ook de uitweg maken, zodat jullie het kunnen verdragen.
πειρασμὸς
(peirasmos)
beproeving
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
οὐκ
(ouk)
niet
εἴληφεν
(eilephen)
heeft getroffen
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
ἀνθρώπινος
(anthropinos)
menselijke
πιστὸς
(pistos)
trouw
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
ὃς
(hos)
die
οὐκ
(ouk)
niet
ἐάσει
(easei)
zal toelaten
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
πειρασθῆναι
(peirasthenai)
op de proef gesteld te worden
ὑπὲρ
(hyper)
boven
ὃ
(ho)
wat
δύνασθε
(dynasthe)
jullie kunnen
ἀλλὰ
(alla)
maar
ποιήσει
(poiesei)
zal maken
σὺν
(syn)
met
τῷ
(to)
de
πειρασμῷ
(peirasmo)
beproeving
καὶ
(kai)
ook
τὴν
(ten)
de
ἔκβασιν
(ekbasin)
uitweg
τοῦ
(tou)
om
δύνασθαι
(dynasthai)
te kunnen
ὑπενεγκεῖν
(hypenenkein)
verdragen
Bron: SBLGNT
Uitleg

πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: het Griekse woord betekent zowel ‘beproeving’ als ‘verzoeking’; wij houden ‘beproeving’ en ‘op de proef stellen’ (πειράζω).

Zie Jak. 1:2–4 en 1:13–14. πιστός (pistos), ‘trouw’: ook ‘betrouwbaar, gelovig’; hier gaat het om Elohims trouw. ἔκβασις (ekbasis), ‘uitweg’: een weg naar buiten, zoals uit een nauwe pas. ὑποφέρω (hypofero), ‘verdragen’.

Zie ook Jak. 1:2; Jak. 1:13.

Vlucht voor de afgodendienst

14Daarom, mijn geliefden, vlucht weg van de afgodendienst.
Διόπερ
(Dioper)
daarom
ἀγαπητοί
(agapetoi)
geliefden
μου
(mou)
mijn
φεύγετε
(pheugete)
vlucht
ἀπὸ
(apo)
weg van
τῆς
(tes)
de
εἰδωλολατρίας
(eidololatrias)
afgodendienst
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀγαπητός (agapetos), ‘geliefde’. φεύγω (feugo), ‘vluchten’. εἰδωλολατρία (eidololatria), ‘afgodendienst’: het dienen van afgoden, zie vers 7.

Zie ook1 Kor 10:7
15Ik spreek als tot verstandigen: oordeel jullie zelf over wat ik zeg.
ὡς
(hos)
als tot
φρονίμοις
(phronimois)
verstandigen
λέγω
(lego)
spreek ik
κρίνατε
(krinate)
oordeelt
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ὅ
(ho)
wat
φημι
(phemi)
ik zeg
Bron: SBLGNT
Uitleg

φρόνιμος (fronimos), ‘verstandig’. κρίνω (krino), ‘oordelen’: beoordelen, onderzoeken.

16De beker van de zegen die wij zegenen: is die niet gemeenschap met het bloed van de Messias? Het brood dat wij breken: is dat niet gemeenschap met het lichaam van de Messias?
τὸ
(to)
de
ποτήριον
(poterion)
beker
τῆς
(tes)
van de
εὐλογίας
(eulogias)
zegen
ὃ
(ho)
die
εὐλογοῦμεν
(eulogoumen)
wij zegenen
οὐχὶ
(ouchi)
niet
κοινωνία
(koinonia)
gemeenschap
ἐστὶν
(estin)
is
τοῦ
(tou)
met het
αἵματος
(haimatos)
bloed
τοῦ
(tou)
van de
Χριστοῦ
(Christou)
Messias
τὸν
(ton)
het
ἄρτον
(arton)
brood
ὃν
(hon)
dat
κλῶμεν
(klomen)
wij breken
οὐχὶ
(ouchi)
niet
κοινωνία
(koinonia)
gemeenschap
τοῦ
(tou)
met het
σώματος
(somatos)
lichaam
τοῦ
(tou)
van de
Χριστοῦ
(Christou)
Messias
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg

ποτήριον τῆς εὐλογίας (poterion tes eulogias), ‘beker van de zegen’: de beker van het maal, waarover de zegen wordt uitgesproken. κοινωνία (koinonia), ‘gemeenschap’: ook ‘deelhebben aan’; zie 1 Kor. 1:9.

‘Breken’ (κλάω, klao) van het brood is het gebruikelijke gebaar bij het maal. τοῦ αἵματος τοῦ Χριστοῦ (tou haimatos tou Christou), ‘het bloed van de Messias’.

Zie ook 1 Kor. 11:23–26; Luc. 22:19–20.

17Omdat er één brood is, zijn wij, de velen, één lichaam. Want wij allen hebben deel aan het ene brood.
ὅτι
(hoti)
omdat
εἷς
(heis)
één
ἄρτος
(artos)
brood
ἓν
(hen)
één
σῶμα
(soma)
lichaam
οἱ
(hoi)
de
πολλοί
(polloi)
velen
ἐσμεν
(esmen)
zijn wij
οἱ
(hoi)
de
γὰρ
(gar)
want
πάντες
(pantes)
allen
ἐκ
(ek)
aan
τοῦ
(tou)
het
ἑνὸς
(henos)
ene
ἄρτου
(artou)
brood
μετέχομεν
(metechomen)
hebben deel
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄρτος (artos), ‘brood’; σῶμα (soma), ‘lichaam’.

Het ene brood en het ene lichaam: de velen die het brood delen, zijn samen het lichaam van de Messias; zie ook 1 Kor. 12:12–27. μετέχω (metecho), ‘deelhebben’.

Zie ook 1 Kor. 12:12–13.

18Kijk naar Israël naar het vlees: zijn zij die de offers eten niet deelgenoten van het altaar?
βλέπετε
(blepete)
kijk naar
τὸν
(ton)
de
Ἰσραὴλ
(Israel)
Israël
κατὰ
(kata)
naar
σάρκα
(sarka)
vlees
οὐχ
(ouch)
niet
οἱ
(hoi)
zij die
ἐσθίοντες
(esthiontes)
eten
τὰς
(tas)
de
θυσίας
(thysias)
offers
κοινωνοὶ
(koinonoi)
deelgenoten
τοῦ
(tou)
van het
θυσιαστηρίου
(thysiasteriou)
altaar
εἰσίν
(eisin)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Ἰσραὴλ κατὰ σάρκα (Israel kata sarka), ‘Israël naar het vlees’: het volk Israël volgens afstamming, tegenover de gemeente; σάρξ (sarx), ‘vlees’. θυσιαστήριον (thysiasterion), ‘altaar’; κοινωνός (koinonos), ‘deelgenoot’.

Wie van de offers at, had deel aan het altaar.

Zie ook Lev. 7:6; Deut. 18:1.

19Wat zeg ik dan? Dat offervlees iets is? Of dat een afgod iets is?
τί
(ti)
wat
οὖν
(oun)
dan
φημι
(phemi)
zeg ik
ὅτι
(hoti)
dat
εἰδωλόθυτόν
(eidolothyton)
offervlees
τί
(ti)
iets
ἐστιν
(estin)
is
ἢ
(e)
of
ὅτι
(hoti)
dat
εἴδωλόν
(eidolon)
afgod
τί
(ti)
iets
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg

εἰδωλόθυτον (eidolothyton), ‘offervlees (aan afgoden)’: vlees van een offer aan een afgod. εἴδωλον (eidolon), ‘afgod’.

Paulus stelt twee vragen die het antwoord ‘nee’ verwachten: het offervlees en de afgod zijn op zichzelf niets, zie 1 Kor. 8:4.

Zie ook 1 Kor. 8:4.

Zie ook1 Kor 8:4
20Maar wat zij offeren, offeren zij aan demonen en niet aan Elohim. En ik wil niet dat jullie deelgenoten van de demonen worden.
ἀλλ’
(all’)
maar
ὅτι
(hoti)
dat
ἃ
(ha)
wat
θύουσιν
(thyousin)
zij offeren
δαιμονίοις
(daimoniois)
aan demonen
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
θεῷ
(theo)
aan Elohim
θύουσιν
(thyousin)
zij offeren
οὐ
(ou)
niet
θέλω
(thelo)
wil ik
δὲ
(de)
maar
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
κοινωνοὺς
(koinonous)
deelgenoten
τῶν
(ton)
van de
δαιμονίων
(daimonion)
demonen
γίνεσθαι
(ginesthai)
worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

δαιμόνιον (daimonion), ‘demon’.

Ons Hebreeuws heeft in Deut. 32:17: ‘Zij offerden aan demonen, die geen Eloah zijn’.

Het Grieks heeft bij ‘maar’ het woord ‘dat’ (ὅτι); wij leggen dat uit vers 19 aan: ‘ik zeg dat’. κοινωνός (koinonos), ‘deelgenoot’.

Zie ook Deut. 32:17; Ps. 106:37.

21Jullie kunnen niet de beker van de Heer drinken en de beker van demonen. Jullie kunnen niet deelhebben aan de tafel van de Heer en aan de tafel van demonen.
οὐ
(ou)
niet
δύνασθε
(dynasthe)
kunnen jullie
ποτήριον
(poterion)
beker
κυρίου
(kyriou)
van de Heer
πίνειν
(pinein)
drinken
καὶ
(kai)
en
ποτήριον
(poterion)
beker
δαιμονίων
(daimonion)
van demonen
οὐ
(ou)
niet
δύνασθε
(dynasthe)
kunnen jullie
τραπέζης
(trapezes)
aan de tafel
κυρίου
(kyriou)
van de Heer
μετέχειν
(metechein)
deelhebben
καὶ
(kai)
en
τραπέζης
(trapezes)
aan de tafel
δαιμονίων
(daimonion)
van demonen
Bron: SBLGNT
Uitleg

τράπεζα (trapeza), ‘tafel’: de tafel van de maaltijd.

‘De beker van de Heer’ en ‘de tafel van de Heer’ zijn de maaltijd van de Heer, zie 1 Kor. 11:20.

Vergelijk ‘de tafel van Yahweh’ in Mal. 1:7, waar het over het altaar gaat. μετέχω (metecho), ‘deelhebben’.

Zie ook 1 Kor. 11:20; Mal. 1:7.

22Of maken wij de Heer na-ijverig? Zijn wij soms sterker dan Hij?
ἢ
(e)
of
παραζηλοῦμεν
(parazeloumen)
maken wij na-ijverig
τὸν
(ton)
de
κύριον
(kyrion)
Heer
μὴ
(me)
soms
ἰσχυρότεροι
(ischyroteroi)
sterker
αὐτοῦ
(autou)
dan Hij
ἐσμεν
(esmen)
zijn wij
Bron: SBLGNT
Uitleg

παραζηλόω (parazeloo), ‘na-ijverig maken’: iemand jaloers maken.

Het woord klinkt aan op Deut. 32:21, waar ons Hebreeuws zegt: ‘Zij hebben Mij na-ijverig gemaakt met wat geen El is’. ἰσχυρός (ischyros), ‘sterk’.

De vraag verwacht ‘nee’. κύριος (kyrios), ‘Heer’: hier de Heer van de maaltijd, Yeshua; het Griekse woord verwijst ook naar Yahweh in Deut. 32.

Zie ook Deut. 32:21.

Zie ookDeut 32:21

Eten en geweten

23„Alles is toegestaan”, maar niet alles is nuttig. „Alles is toegestaan”, maar niet alles bouwt op.
Πάντα
(Panta)
alles
ἔξεστιν
(exestin)
is toegestaan
ἀλλ’
(all’)
maar
οὐ
(ou)
niet
πάντα
(panta)
alles
συμφέρει
(sympherei)
is nuttig
πάντα
(panta)
alles
ἔξεστιν
(exestin)
is toegestaan
ἀλλ’
(all’)
maar
οὐ
(ou)
niet
πάντα
(panta)
alles
οἰκοδομεῖ
(oikodomei)
bouwt op
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἔξεστιν (exestin), ‘is toegestaan’: geoorloofd.

Paulus herhaalt een zegswijze die lijkt te komen uit de kring van de Korintiërs; zie 1 Kor. 6:12, waar ook aanhalingstekens staan. συμφέρω (sympfero), ‘nuttig zijn’. οἰκοδομέω (oikodomeo), ‘opbouwen’; zie 1 Kor. 8:1.

Zie ook 1 Kor. 6:12; 1 Kor. 8:1.

24Laat niemand zoeken wat van hemzelf is, maar wat van de ander is.
μηδεὶς
(medeis)
niemand
τὸ
(to)
wat
ἑαυτοῦ
(heautou)
van zichzelf
ζητείτω
(zeteito)
laat zoeken
ἀλλὰ
(alla)
maar
τὸ
(to)
wat
τοῦ
(tou)
van de
ἑτέρου
(heterou)
ander
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἑαυτοῦ (heautou), ‘van zichzelf’; ἕτερος (heteros), ‘ander’: de naaste.

Vergelijk Fil. 2:4.

Zie ookFil 2:4
25Eet alles wat op de vleesmarkt verkocht wordt, zonder iets te onderzoeken omwille van het geweten.
πᾶν
(pan)
alles
τὸ
(to)
wat
ἐν
(en)
op
μακέλλῳ
(makello)
vleesmarkt
πωλούμενον
(poloumenon)
verkocht wordt
ἐσθίετε
(esthiete)
eet
μηδὲν
(meden)
niets
ἀνακρίνοντες
(anakrinontes)
onderzoekend
διὰ
(dia)
omwille van
τὴν
(ten)
het
συνείδησιν
(syneidesin)
geweten
Bron: SBLGNT
Uitleg

μάκελλον (makellon), ‘vleesmarkt’: de markt waar vlees verkocht werd, dat kon van offers komen. ἀνακρίνω (anakrino), ‘onderzoeken’: navragen; zie 1 Kor. 9:3. συνείδησις (syneidesis), ‘geweten’.

Zie ook 1 Kor. 8:7.

26Want „van Yahweh is de aarde en haar volheid.”
τοῦ
(tou)
van de
κυρίου
(kyriou)
Yahweh
γὰρ
(gar)
want
ἡ
(he)
de
γῆ
(ge)
aarde
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
πλήρωμα
(pleroma)
volheid
αὐτῆς
(autes)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Ps. 24:1.

Ons Hebreeuws heeft: ‘Aan Yahweh behoort de aarde en haar volheid, de wereld en wie daarin wonen’.

De Griekse tekst heeft de eerste helft: ‘Van de Heer is de aarde en haar volheid’.

Omdat het citaat uit het Oude Testament komt en het Hebreeuws יהוה (Yahweh) heeft, schrijven wij ‘Yahweh’. πλήρωμα (pleroma), ‘volheid’: alles wat de aarde vult.

Het citaat staat zwart.

Zie ook Ps. 24:1.

Zie ookPs 24:1
27Als iemand van de ongelovigen jullie uitnodigt en jullie willen gaan, eet alles wat jullie wordt voorgezet, zonder iets te onderzoeken omwille van het geweten.
εἴ
(ei)
als
τις
(tis)
iemand
καλεῖ
(kalei)
uitnodigt
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
τῶν
(ton)
van de
ἀπίστων
(apiston)
ongelovigen
καὶ
(kai)
en
θέλετε
(thelete)
willen jullie
πορεύεσθαι
(poreuesthai)
gaan
πᾶν
(pan)
alles
τὸ
(to)
wat
παρατιθέμενον
(paratithemenon)
wordt voorgezet
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
ἐσθίετε
(esthiete)
eet
μηδὲν
(meden)
niets
ἀνακρίνοντες
(anakrinontes)
onderzoekend
διὰ
(dia)
omwille van
τὴν
(ten)
het
συνείδησιν
(syneidesin)
geweten
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄπιστος (apistos), ‘ongelovige’: iemand die niet gelooft. καλέω (kaleo), ‘uitnodigen’.

28Maar als iemand tegen jullie zegt: „Dit is een tempeloffer”, eet het niet, omwille van degene die het heeft gemeld en omwille van het geweten.
ἐὰν
(ean)
als
δέ
(de)
maar
τις
(tis)
iemand
ὑμῖν
(hymin)
tegen jullie
εἴπῃ
(eipe)
zegt
Τοῦτο
(Touto)
dit
ἱερόθυτόν
(hierothyton)
tempeloffer
ἐστιν
(estin)
is
μὴ
(me)
niet
ἐσθίετε
(esthiete)
eet
δι’
(di’)
omwille van
ἐκεῖνον
(ekeinon)
degene
τὸν
(ton)
de
μηνύσαντα
(menysanta)
die het meldde
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
het
συνείδησιν
(syneidesin)
geweten
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἱερόθυτον (hierothyton), ‘tempeloffer’: ‘aan het heilige geofferd’.

Dit is een ander woord dan εἰδωλόθυτον (eidolothyton) in vers 19; het is het woord van wie het vlees als gewijd ziet. μηνύω (menyo), ‘melden, bekendmaken’.

Het Grieks zegt niet wie de spreker is.

29Ik bedoel het geweten, niet het eigen geweten maar dat van de ander. Want waarom wordt mijn vrijheid beoordeeld door het geweten van een ander?
συνείδησιν
(syneidesin)
geweten
δὲ
(de)
maar
λέγω
(lego)
zeg ik
οὐχὶ
(ouchi)
niet
τὴν
(ten)
het
ἑαυτοῦ
(heautou)
eigen
ἀλλὰ
(alla)
maar
τὴν
(ten)
dat
τοῦ
(tou)
van de
ἑτέρου
(heterou)
ander
ἱνατί
(hinati)
waarom
γὰρ
(gar)
want
ἡ
(he)
de
ἐλευθερία
(eleutheria)
vrijheid
μου
(mou)
mijn
κρίνεται
(krinetai)
wordt beoordeeld
ὑπὸ
(hypo)
door
ἄλλης
(alles)
ander
συνειδήσεως
(syneideseos)
geweten
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐλευθερία (eleutheria), ‘vrijheid’. κρίνω (krino), ‘beoordelen’. ἱνατί (hinati), ‘waarom’: letterlijk ‘tot welk doel’.

Wij lezen de verzen 29b–30 als vragen van Paulus.

30Als ik met dank deelneem, waarom word ik gelasterd om datgene waarvoor ik dank zeg?
εἰ
(ei)
als
ἐγὼ
(ego)
ik
χάριτι
(chariti)
met dank
μετέχω
(metecho)
deelneem
τί
(ti)
waarom
βλασφημοῦμαι
(blasphemoumai)
word ik gelasterd
ὑπὲρ
(hyper)
om
οὗ
(hou)
datgene
ἐγὼ
(ego)
ik
εὐχαριστῶ
(eucharisto)
dank zeg
Bron: SBLGNT
Uitleg

χάριτι (chariti), ‘met dank’: χάρις (charis) betekent hier ‘dank’, niet ‘genade’; het Grieks kan ook ‘met genade’ betekenen. μετέχω (metecho), ‘deelhebben’: ook ‘eten’. βλασφημέω (blasfemeo), ‘lasteren’. εὐχαριστέω (eucharisteo), ‘dank zeggen’: de dankzegging bij het maal.

Alles tot heerlijkheid van Elohim

31Of jullie dus eten of drinken of iets doen, doe alles tot heerlijkheid van Elohim.
Εἴτε
(Eite)
of
οὖν
(oun)
dus
ἐσθίετε
(esthiete)
eten jullie
εἴτε
(eite)
of
πίνετε
(pinete)
drinken jullie
εἴτε
(eite)
of
τι
(ti)
iets
ποιεῖτε
(poieite)
doen jullie
πάντα
(panta)
alles
εἰς
(eis)
tot
δόξαν
(doxan)
heerlijkheid
θεοῦ
(theou)
van Elohim
ποιεῖτε
(poieite)
doe
Bron: SBLGNT
Uitleg

δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’: ook ‘eer’.

32Geef geen aanstoot, niet aan Joden, niet aan Grieken en niet aan de gemeente van Elohim.
ἀπρόσκοποι
(aproskopoi)
zonder aanstoot
καὶ
(kai)
zowel
Ἰουδαίοις
(Ioudaiois)
voor Joden
γίνεσθε
(ginesthe)
word
καὶ
(kai)
als ook
Ἕλλησιν
(Hellesin)
voor Grieken
καὶ
(kai)
als ook
τῇ
(te)
voor de
ἐκκλησίᾳ
(ekklesia)
gemeente
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀπρόσκοπος (aproskopos), ‘zonder aanstoot’: iemand die niet doet struikelen.

Het Grieks noemt drie groepen: Joden, Grieken en de gemeente van Elohim.

33Zoals ook ik in alles allen behaag. Ik zoek niet mijn eigen voordeel, maar dat van de velen, opdat zij gered worden.
καθὼς
(kathos)
zoals
κἀγὼ
(kago)
ook ik
πάντα
(panta)
in alles
πᾶσιν
(pasin)
allen
ἀρέσκω
(aresko)
behaag
μὴ
(me)
niet
ζητῶν
(zeton)
zoekend
τὸ
(to)
wat
ἐμαυτοῦ
(emautou)
van mijzelf
σύμφορον
(symphoron)
voordeel
ἀλλὰ
(alla)
maar
τὸ
(to)
wat
τῶν
(ton)
van de
πολλῶν
(pollon)
velen
ἵνα
(hina)
opdat
σωθῶσιν
(sothosin)
zij gered worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀρέσκω (aresko), ‘behagen’: ook ‘tevredenstellen, tegemoetkomen’. σύμφορον (sympforon), ‘voordeel’. οἱ πολλοί (hoi polloi), ‘de velen’. σῴζω (sozo), ‘redden’.

Vers 11:1 sluit hierop aan.

Zie ook 1 Kor. 11:1.