1 Korintiërs 10
De woestijngeneratie als waarschuwing, de tafel van de Heer en de tafel van demonen, eten en geweten
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De woestijngeneratie als voorbeeld
Zie Rietzee (ligging onzeker): In 1 Korintiërs 10:1-2 verwijst Paulus naar de doortocht van Israël door de zee, de Rietzee.
De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez.
De precieze plaats van de doortocht is niet zeker.
ἀγνοέω (agnoeo), ‘niet weten, onwetend zijn’. ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: het Griekse woord omvat ook de zusters in de gemeente.
‘Onze vaders’: de generatie van de uittocht uit Egypte.
‘Onder de wolk’ en ‘door de zee’ verwijzen naar de uittocht: de wolk die het volk leidde en de doortocht door de zee.
Zie ook Exod. 13:21; Exod. 14:22; Exod. 14:29.
Zie Rietzee (ligging onzeker): In 1 Korintiërs 10:1-2 verwijst Paulus naar de doortocht van Israël door de zee, de Rietzee.
De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez.
De precieze plaats van de doortocht is niet zeker.
βαπτίζω (baptizo), ‘dopen’: onderdompelen. εἰς τὸν Μωϋσῆν (eis ton Moysen), ‘in Mozes’: ook ‘tot Mozes’; Paulus stelt de doortocht door de zee naast de doop.
Exod. 14:31 zegt dat het volk ‘in Yahweh en in Mozes’ geloofde.
Zie ook Exod. 14:31; Rom. 6:3.
πόμα (poma), ‘drank’. πέτρα (petra), ‘rots’.
Paulus noemt de rots geestelijk en zegt dat zij het volk ‘volgde’.
Dat staat niet in Exodus of Numeri; Paulus ziet in de rots een beeld van de Messias.
In Exod. 17:6 staat Yahweh zelf op de rots en komt water uit de rots; in Num. 20:11 slaat Mozes op de rots.
Zie ook Exod. 17:6; Num. 20:11; Ps. 78:15–16.
εὐδοκέω (eudokeo), ‘welbehagen hebben’. καταστρώννυμι (katastronnymi), ‘neerstrekken’: neerleggen, verspreid doen liggen; zo ‘lagen’ de doden in de woestijn.
Ons Hebreeuws heeft in Num. 14:16 ‘Hij heeft hen in de woestijn afgeslacht’ en in Num. 14:29 ‘in deze woestijn zullen jullie lijken vallen’.
Zie ook Num. 14:16; Num. 14:29; Num. 14:32.
τύπος (typos), ‘voorbeeld’: letterlijk ‘afdruk, vorm’; een gebeurtenis die als voorbeeld dient. ἐπιθυμητής (epithymetes), ‘begeerder’; ἐπιθυμέω (epithymeo), ‘begeren’.
Het Grieks noemt niet wat zij begeerden; vergelijk de verlangens naar vlees in de woestijn.
Zie ook Num. 11:4; Num. 11:34; Ps. 106:14.
εἰδωλολάτρης (eidololatres), ‘afgodendienaar’.
Aanhaling van Exod. 32:6, het tweede deel.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Het volk ging zitten om te eten en te drinken, en zij stonden op om zich te vermaken’.
De Griekse tekst heeft dezelfde woorden. παίζω (paizo), ‘spelen, zich vermaken’: ook ‘dansen’; de zin gaat over het feest voor het gouden kalf.
Het citaat staat zwart: Paulus haalt het aan.
Zie ook Exod. 32:6.
πορνεύω (porneuo), ‘ontucht plegen’: seksuele immoraliteit in het algemeen.
Het Grieks heeft ‘23 duizend’.
Ons Hebreeuws heeft in Num. 25:9 ‘24.000 doden’ voor de plaag bij Baäl-Peor; Num. 25:1 spreekt van hoereren met de dochters van Moab.
Het verschil tussen 23.000 en 24.000 verklaart het Grieks niet.
Vergelijk Exod. 32:28, waar ongeveer drieduizend man vallen.
Zie ook Num. 25:1; Num. 25:9; Exod. 32:28.
ἐκπειράζω (ekpeirazo), ‘op de proef stellen’: de voorvoegsel ἐκ- versterkt het woord, ‘tot het uiterste op de proef stellen, tarten’; hetzelfde Griekse stam als πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’.
Het Grieks laat het voorwerp bij ‘zij stelden op de proef’ weg; wij vullen ‘Hem’ aan, de Messias. ὄφις (ofis), ‘slang’.
De gebeurtenis is die van de vurige slangen.
De SBLGNT markeert hier een lezing.
Sommige oude handschriften hebben in plaats van ‘de Messias’ een ander woord; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Num. 21:5–7; Ps. 95:9.
γογγύζω (gongyzo), ‘morren’. ὀλοθρευτής (olothreutes), ‘verderver’: een vernietigende kracht; ons Hebreeuws heeft in Exod. 12:23 ‘de verderver’ voor degene die Yahweh in Egypte niet in de huizen liet komen.
Paulus noemt niet welke gebeurtenis hij bedoelt; mogelijk is het het morren tegen Mozes en Aäron met de plaag die erop volgde.
Zie ook Exod. 12:23; Num. 17:6–15; in de Nederlandse telling is dit 16:41–50.
τυπικῶς (typikos), ‘als voorbeeld’, van τύπος, zie vers 6. νουθεσία (nouthesia), ‘waarschuwing’: terechtwijzing. τὰ τέλη τῶν αἰώνων (ta tele ton aionon), ‘de einden van de eeuwen’: τέλος (telos) betekent ‘einde’ en ook ‘doel’; Paulus bedoelt dat de tijd van de Messias het eindpunt van de voorafgaande tijdperken is.
ἵστημι (histemi), ‘staan’: vast staan. βλέπω (blepo), ‘toezien, oppassen’.
πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: het Griekse woord betekent zowel ‘beproeving’ als ‘verzoeking’; wij houden ‘beproeving’ en ‘op de proef stellen’ (πειράζω).
Zie Jak. 1:2–4 en 1:13–14. πιστός (pistos), ‘trouw’: ook ‘betrouwbaar, gelovig’; hier gaat het om Elohims trouw. ἔκβασις (ekbasis), ‘uitweg’: een weg naar buiten, zoals uit een nauwe pas. ὑποφέρω (hypofero), ‘verdragen’.
Zie ook Jak. 1:2; Jak. 1:13.
Vlucht voor de afgodendienst
ἀγαπητός (agapetos), ‘geliefde’. φεύγω (feugo), ‘vluchten’. εἰδωλολατρία (eidololatria), ‘afgodendienst’: het dienen van afgoden, zie vers 7.
φρόνιμος (fronimos), ‘verstandig’. κρίνω (krino), ‘oordelen’: beoordelen, onderzoeken.
ποτήριον τῆς εὐλογίας (poterion tes eulogias), ‘beker van de zegen’: de beker van het maal, waarover de zegen wordt uitgesproken. κοινωνία (koinonia), ‘gemeenschap’: ook ‘deelhebben aan’; zie 1 Kor. 1:9.
‘Breken’ (κλάω, klao) van het brood is het gebruikelijke gebaar bij het maal. τοῦ αἵματος τοῦ Χριστοῦ (tou haimatos tou Christou), ‘het bloed van de Messias’.
Zie ook 1 Kor. 11:23–26; Luc. 22:19–20.
ἄρτος (artos), ‘brood’; σῶμα (soma), ‘lichaam’.
Het ene brood en het ene lichaam: de velen die het brood delen, zijn samen het lichaam van de Messias; zie ook 1 Kor. 12:12–27. μετέχω (metecho), ‘deelhebben’.
Zie ook 1 Kor. 12:12–13.
Ἰσραὴλ κατὰ σάρκα (Israel kata sarka), ‘Israël naar het vlees’: het volk Israël volgens afstamming, tegenover de gemeente; σάρξ (sarx), ‘vlees’. θυσιαστήριον (thysiasterion), ‘altaar’; κοινωνός (koinonos), ‘deelgenoot’.
Wie van de offers at, had deel aan het altaar.
Zie ook Lev. 7:6; Deut. 18:1.
εἰδωλόθυτον (eidolothyton), ‘offervlees (aan afgoden)’: vlees van een offer aan een afgod. εἴδωλον (eidolon), ‘afgod’.
Paulus stelt twee vragen die het antwoord ‘nee’ verwachten: het offervlees en de afgod zijn op zichzelf niets, zie 1 Kor. 8:4.
Zie ook 1 Kor. 8:4.
δαιμόνιον (daimonion), ‘demon’.
Ons Hebreeuws heeft in Deut. 32:17: ‘Zij offerden aan demonen, die geen Eloah zijn’.
Het Grieks heeft bij ‘maar’ het woord ‘dat’ (ὅτι); wij leggen dat uit vers 19 aan: ‘ik zeg dat’. κοινωνός (koinonos), ‘deelgenoot’.
Zie ook Deut. 32:17; Ps. 106:37.
τράπεζα (trapeza), ‘tafel’: de tafel van de maaltijd.
‘De beker van de Heer’ en ‘de tafel van de Heer’ zijn de maaltijd van de Heer, zie 1 Kor. 11:20.
Vergelijk ‘de tafel van Yahweh’ in Mal. 1:7, waar het over het altaar gaat. μετέχω (metecho), ‘deelhebben’.
Zie ook 1 Kor. 11:20; Mal. 1:7.
παραζηλόω (parazeloo), ‘na-ijverig maken’: iemand jaloers maken.
Het woord klinkt aan op Deut. 32:21, waar ons Hebreeuws zegt: ‘Zij hebben Mij na-ijverig gemaakt met wat geen El is’. ἰσχυρός (ischyros), ‘sterk’.
De vraag verwacht ‘nee’. κύριος (kyrios), ‘Heer’: hier de Heer van de maaltijd, Yeshua; het Griekse woord verwijst ook naar Yahweh in Deut. 32.
Zie ook Deut. 32:21.
Eten en geweten
ἔξεστιν (exestin), ‘is toegestaan’: geoorloofd.
Paulus herhaalt een zegswijze die lijkt te komen uit de kring van de Korintiërs; zie 1 Kor. 6:12, waar ook aanhalingstekens staan. συμφέρω (sympfero), ‘nuttig zijn’. οἰκοδομέω (oikodomeo), ‘opbouwen’; zie 1 Kor. 8:1.
Zie ook 1 Kor. 6:12; 1 Kor. 8:1.
ἑαυτοῦ (heautou), ‘van zichzelf’; ἕτερος (heteros), ‘ander’: de naaste.
Vergelijk Fil. 2:4.
Aanhaling van Ps. 24:1.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Aan Yahweh behoort de aarde en haar volheid, de wereld en wie daarin wonen’.
De Griekse tekst heeft de eerste helft: ‘Van de Heer is de aarde en haar volheid’.
Omdat het citaat uit het Oude Testament komt en het Hebreeuws יהוה (Yahweh) heeft, schrijven wij ‘Yahweh’. πλήρωμα (pleroma), ‘volheid’: alles wat de aarde vult.
Het citaat staat zwart.
Zie ook Ps. 24:1.
ἄπιστος (apistos), ‘ongelovige’: iemand die niet gelooft. καλέω (kaleo), ‘uitnodigen’.
ἱερόθυτον (hierothyton), ‘tempeloffer’: ‘aan het heilige geofferd’.
Dit is een ander woord dan εἰδωλόθυτον (eidolothyton) in vers 19; het is het woord van wie het vlees als gewijd ziet. μηνύω (menyo), ‘melden, bekendmaken’.
Het Grieks zegt niet wie de spreker is.
ἐλευθερία (eleutheria), ‘vrijheid’. κρίνω (krino), ‘beoordelen’. ἱνατί (hinati), ‘waarom’: letterlijk ‘tot welk doel’.
Wij lezen de verzen 29b–30 als vragen van Paulus.
χάριτι (chariti), ‘met dank’: χάρις (charis) betekent hier ‘dank’, niet ‘genade’; het Grieks kan ook ‘met genade’ betekenen. μετέχω (metecho), ‘deelhebben’: ook ‘eten’. βλασφημέω (blasfemeo), ‘lasteren’. εὐχαριστέω (eucharisteo), ‘dank zeggen’: de dankzegging bij het maal.
Alles tot heerlijkheid van Elohim
δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’: ook ‘eer’.
ἀπρόσκοπος (aproskopos), ‘zonder aanstoot’: iemand die niet doet struikelen.
Het Grieks noemt drie groepen: Joden, Grieken en de gemeente van Elohim.
ἀρέσκω (aresko), ‘behagen’: ook ‘tevredenstellen, tegemoetkomen’. σύμφορον (sympforon), ‘voordeel’. οἱ πολλοί (hoi polloi), ‘de velen’. σῴζω (sozo), ‘redden’.
Vers 11:1 sluit hierop aan.
Zie ook 1 Kor. 11:1.