Het volk komt in opstand en Yahweh spreekt het vonnis uit
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het volk wil terug naar Egypte
1Heel de gemeenschap verhief haar stem en liet die horen. Het volk huilde die nacht.
וַתִּשָּׂא֙
(vatisa)
en verhief
כָּל
(kal)
heel
הָ֣עֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
וַֽיִּתְּנ֖וּ
(vayitenu)
en zij gaven
אֶת
(et)
(obj.)
קוֹלָ֑ם
(qolam)
hun stem
וַיִּבְכּ֥וּ
(vayivku)
en zij weenden
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
בַּלַּ֥יְלָה
(balayla)
in de nacht
הַהֽוּא
(hahu)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Alle zonen van Israël morden tegen Mozes en Aäron. Heel de gemeenschap zei tegen hen: „Waren we maar gestorven in het land Egypte, of waren we maar gestorven in deze woestijn!
וַיִּלֹּ֨נוּ֙
(vayilonu)
en zij morden
עַל
(al)
tegen
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
וְעַֽל
(veal)
en tegen
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
כֹּ֖ל
(kol)
alle
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַֽיֹּאמְר֨וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אֲלֵהֶ֜ם
(alehem)
tot hen
כָּל
(kal)
heel
הָעֵדָ֗ה
(haeda)
de gemeenschap
לוּ
(lu)
och
מַ֨תְנוּ֙
(matnu)
waren wij gestorven
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
א֛וֹ
(o)
of
בַּמִּדְבָּ֥ר
(bamidbar)
in de woestijn
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
לוּ
(lu)
och
מָֽתְנוּ
(matenu)
waren wij gestorven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
לוּן (lun), ‘morren’: klagen tegen iemand.
Hetzelfde werkwoord staat in Exod. 15:24 en 17:3 en komt in dit hoofdstuk steeds terug (verzen 27, 29, 36).
3Waarom brengt Yahweh ons naar dit land? Om door het zwaard te vallen! Onze vrouwen en onze kleintjes zullen een prooi worden. Is het niet beter voor ons om naar Egypte terug te keren?”
וְלָמָ֣ה
(velama)
en waarom
יְ֠הוָה
(Yahweh)
Yahweh
מֵבִ֨יא
(mevi)
brengt
אֹתָ֜נוּ
(otanu)
ons
אֶל
(el)
naar
הָאָ֤רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּאת֙
(hazot)
dit
לִנְפֹּ֣ל
(linpol)
om te vallen
בַּחֶ֔רֶב
(bacherev)
door het zwaard
נָשֵׁ֥ינוּ
(nasheinu)
onze vrouwen
וְטַפֵּ֖נוּ
(vetapenu)
en onze kleintjes
יִהְי֣וּ
(yihyu)
zullen worden
לָבַ֑ז
(lavaz)
tot prooi
הֲל֧וֹא
(halo)
is niet
ט֦וֹב
(tov)
goed
לָ֖נוּ
(lanu)
voor ons
שׁ֥וּב
(shuv)
terug te keren
מִצְרָֽיְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
טַף (taf), ‘kleintjes’: de kleine kinderen, zoals in Exod. 10:10.
9Alleen: kom niet in opstand tegen Yahweh. En jullie, wees niet bang voor het volk van het land, want zij zijn ons brood. Hun bescherming is van hen weggenomen en Yahweh is met ons. Wees niet bang voor hen.”
אַ֣ךְ
(akh)
alleen
בַּֽיהוָה֮
(baYahweh)
tegen Yahweh
אַל
(al)
niet
תִּמְרֹדוּ֒
(timrodu)
jullie mogen in opstand komen
וְאַתֶּ֗ם
(veatem)
en jullie
אַל
(al)
niet
תִּֽירְאוּ֙
(tireu)
jullie mogen vrezen
אֶת
(et)
(obj.)
עַ֣ם
(am)
het volk van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
כִּ֥י
(ki)
want
לַחְמֵ֖נוּ
(lachmenu)
ons brood
הֵ֑ם
(hem)
zij
סָ֣ר
(sar)
is weggenomen
צִלָּ֧ם
(tsilam)
hun bescherming
מֵעֲלֵיהֶ֛ם
(mealeihem)
van hen
וַֽיהוָ֥ה
(vaYahweh)
en Yahweh
אִתָּ֖נוּ
(itanu)
met ons
אַל
(al)
niet
תִּירָאֻֽם
(tiraum)
vrees hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לַחְמֵנוּ הֵם (lachmenu hem), ‘zij zijn ons brood’: wij zullen hen opeten, dat wil zeggen: wij verslaan hen gemakkelijk.
צִלָּם (tsillam), ‘hun schaduw’: hun bescherming. Wij vertalen ‘bescherming’.
10Heel de gemeenschap zei dat zij hen met stenen moesten stenigen. Maar de heerlijkheid van Yahweh verscheen in de tent van samenkomst aan alle zonen van Israël.
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
כָּל
(kal)
heel
הָ֣עֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
לִרְגּ֥וֹם
(lirgom)
om te stenigen
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
בָּאֲבָנִ֑ים
(baavanim)
met stenen
וּכְב֣וֹד
(ukhevod)
en de heerlijkheid van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
נִרְאָה֙
(nira)
verscheen
בְּאֹ֣הֶל
(beohel)
in de tent van
מוֹעֵ֔ד
(moed)
samenkomst
אֶֽל
(el)
aan
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֖י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De heerlijkheid van Yahweh (כְּבוֹד יְהוָה, kevod Yahweh) verschijnt in de tent van samenkomst, zoals in Exod. 40:34–35.
11Yahweh zei tegen Mozes: „Hoelang zal dit volk Mij nog minachten? Hoelang zullen zij Mij nog niet geloven, ondanks alle tekenen die Ik in hun midden gedaan heb?
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
עַד
(ad)
tot
אָ֥נָה
(ana)
waar
יְנַאֲצֻ֖נִי
(yenaatsuni)
zal minachten Mij
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
וְעַד
(vead)
en tot
אָ֨נָה֙
(ana)
waar
לֹא
(lo)
niet
יַאֲמִ֣ינוּ
(yaaminu)
zullen geloven
בִ֔י
(bi)
in Mij
בְּכֹל֙
(bekhol)
ondanks alle
הָֽאֹת֔וֹת
(haotot)
de tekenen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשִׂ֖יתִי
(asiti)
Ik deed
בְּקִרְבּֽוֹ
(beqirbo)
in zijn midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Zij zullen het zeggen tegen de bewoners van dit land. Zij hebben gehoord dat U, Yahweh, in het midden van dit volk bent. U, Yahweh, wordt oog in oog gezien. Uw wolk staat boven hen, en U gaat overdag voor hen uit in een wolkkolom en ’s nachts in een vuurkolom.
וְאָמְר֗וּ
(veameru)
en zij zullen zeggen
אֶל
(el)
tot
יוֹשֵׁב֮
(yoshev)
de bewoner van
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּאת֒
(hazot)
dit
שָֽׁמְעוּ֙
(shameu)
zij hebben gehoord
כִּֽי
(ki)
dat
אַתָּ֣ה
(ata)
U
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּקֶ֖רֶב
(beqerev)
in het midden van
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עַ֨יִן
(ayin)
oog
בְּעַ֜יִן
(beayin)
in oog
נִרְאָ֣ה
(nira)
gezien wordt
אַתָּ֣ה
(ata)
U
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַעֲנָֽנְךָ֙
(vaananekha)
en Uw wolk
עֹמֵ֣ד
(omed)
staat
עֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
boven hen
וּבְעַמֻּ֣ד
(uveamud)
en in een kolom van
עָנָ֗ן
(anan)
wolk
אַתָּ֨ה
(ata)
U
הֹלֵ֤ךְ
(holekh)
gaat
לִפְנֵיהֶם֙
(lifneihem)
voor hen uit
יוֹמָ֔ם
(yomam)
overdag
וּבְעַמּ֥וּד
(uveamud)
en in een kolom van
אֵ֖שׁ
(esh)
vuur
לָֽיְלָה
(layela)
's nachts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18‘Yahweh is langzaam tot toorn en rijk aan trouw. Hij vergeeft schuld en overtreding, maar Hij houdt de schuldige niet onschuldig. Hij bezoekt de schuld van vaders aan kinderen, aan het derde en het vierde geslacht.’
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶ֤רֶךְ
(erekh)
langzaam tot
אַפַּ֨יִם֙
(apayim)
toorn
וְרַב
(verav)
en rijk aan
חֶ֔סֶד
(chesed)
trouw
נֹשֵׂ֥א
(nose)
vergevend
עָוֺ֖ן
(avon)
schuld
וָפָ֑שַׁע
(vafasha)
en overtreding
וְנַקֵּה֙
(venaqe)
en onschuldig houden
לֹ֣א
(lo)
niet
יְנַקֶּ֔ה
(yenaqe)
Hij houdt onschuldig
פֹּקֵ֞ד
(poqed)
bezoekend
עֲוֺ֤ן
(avon)
schuld van
אָבוֹת֙
(avot)
vaders
עַל
(al)
aan
בָּנִ֔ים
(banim)
kinderen
עַל
(al)
tot
שִׁלֵּשִׁ֖ים
(shileshim)
het derde geslacht
וְעַל
(veal)
en tot
רִבֵּעִֽים
(ribeim)
het vierde geslacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Mozes haalt de woorden van Yahweh zelf aan uit Exod. 34:6–7; daarom staan ze rood, zoals daar.
נֹשֵׂא (nose), letterlijk ‘dragend’: wij vertalen ‘vergeeft’, zoals in Exod. 34:7.
22Want al die mannen hebben Mijn heerlijkheid gezien en Mijn tekenen die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb. Zij hebben Mij nu al tien keer op de proef gesteld en niet naar Mijn stem geluisterd.
כִּ֣י
(ki)
want
כָל
(kal)
alle
הָאֲנָשִׁ֗ים
(haanashim)
de mannen
הָרֹאִ֤ים
(haroim)
die zagen
אֶת
(et)
(obj.)
כְּבֹדִי֙
(kevodi)
Mijn heerlijkheid
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֹ֣תֹתַ֔י
(ototay)
Mijn tekenen
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשִׂ֥יתִי
(asiti)
Ik deed
בְמִצְרַ֖יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
וּבַמִּדְבָּ֑ר
(uvamidbar)
en in de woestijn
וַיְנַסּ֣וּ
(vaynasu)
en zij stelden op de proef
אֹתִ֗י
(oti)
Mij
זֶ֚ה
(ze)
dit
עֶ֣שֶׂר
(eser)
tien
פְּעָמִ֔ים
(peamim)
keer
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁמְע֖וּ
(shameu)
zij luisterden
בְּקוֹלִֽי
(beqoli)
naar Mijn stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Lezing
‘Tien keer’ (עֶשֶׂר פְּעָמִים, eser pe’amim) kan een precies aantal zijn of ‘heel vaak’.
24Maar Mijn dienaar Kaleb: er is een andere geest met hem en hij heeft Mij volledig gevolgd. Daarom zal Ik hem brengen naar het land waar hij heen gegaan is. Zijn nageslacht zal het in bezit nemen.
וְעַבְדִּ֣י
(veavdi)
en Mijn dienaar
כָלֵ֗ב
(kalev)
Kaleb
עֵ֣קֶב
(eqev)
omdat
הָֽיְתָ֞ה
(hayeta)
was
ר֤וּחַ
(ruach)
een geest
אַחֶ֨רֶת֙
(acheret)
andere
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
וַיְמַלֵּ֖א
(vaymale)
en hij volgde volledig
אַחֲרָ֑י
(acharay)
achter Mij
וַהֲבִֽיאֹתִ֗יו
(vahaviotiv)
en Ik zal hem brengen
אֶל
(el)
naar
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
waar
בָּ֣א
(ba)
hij kwam
שָׁ֔מָּה
(shama)
daarheen
וְזַרְע֖וֹ
(vezaro)
en zijn nageslacht
יוֹרִשֶֽׁנָּה
(yorishena)
zal het in bezit nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רוּחַ אַחֶרֶת (ruach acheret), ‘een andere geest’: een andere gezindheid dan die van de anderen.
30Jullie zullen het land niet binnengaan waarvan Ik Mijn hand heb opgeheven dat Ik jullie daar zou laten wonen. Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.
אִם
(im)
zeker niet
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
תָּבֹ֣אוּ
(tavou)
zullen binnengaan
אֶל
(el)
in
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waarvan
נָשָׂ֨אתִי֙
(nasati)
Ik opgeheven heb
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִ֔י
(yadi)
Mijn hand
לְשַׁכֵּ֥ן
(leshaken)
om te laten wonen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
בָּ֑הּ
(bah)
daarin
כִּ֚י
(ki)
behalve
אִם
(im)
als
כָּלֵ֣ב
(kalev)
Kaleb
בֶּן
(ben)
zoon van
יְפֻנֶּ֔ה
(yefune)
Jefunne
וִיהוֹשֻׁ֖עַ
(vihoshua)
en Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נֽוּן
(nun)
Nun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Mijn hand opgeheven’ (נָשָׂאתִי אֶת־יָדִי, nasati et-yadi): een eed, zoals in Exod. 6:8.
Dat Kaleb en Jozua wel binnengaan, staat ook in Num. 26:65.
31Jullie kleintjes, van wie jullie gezegd hebben dat ze een prooi zullen worden, die zal Ik erheen brengen. Zij zullen het land leren kennen dat jullie verworpen hebben.
וְטַ֨פְּכֶ֔ם
(vetapekhem)
en jullie kleintjes
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
van wie
אֲמַרְתֶּ֖ם
(amartem)
jullie zeiden
לָבַ֣ז
(lavaz)
tot prooi
יִהְיֶ֑ה
(yihye)
zullen worden
וְהֵבֵיאתִ֣י
(veheveiti)
en Ik zal brengen
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
וְיָֽדְעוּ֙
(veyadeu)
en zij zullen kennen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
מְאַסְתֶּ֖ם
(meastem)
jullie verwierpen
בָּֽהּ
(bah)
erin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Jullie hebben het land veertig dagen verkend. Naar dat aantal dagen zullen jullie jullie schuld dragen: een dag voor een jaar, een dag voor een jaar. Dat zijn veertig jaar. Dan zullen jullie weten wat Mijn afwijzing is.
בְּמִסְפַּ֨ר
(bemispar)
naar het aantal van
הַיָּמִ֜ים
(hayamim)
de dagen
אֲשֶׁר
(asher)
die
תַּרְתֶּ֣ם
(tartem)
jullie verkenden
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָרֶץ֮
(haarets)
het land
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
יוֹם֒
(yom)
dagen
י֣וֹם
(yom)
een dag
לַשָּׁנָ֞ה
(lashana)
voor het jaar
י֣וֹם
(yom)
een dag
לַשָּׁנָ֗ה
(lashana)
voor het jaar
תִּשְׂאוּ֙
(tisu)
jullie zullen dragen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺנֹ֣תֵיכֶ֔ם
(avonoteikhem)
jullie schuld
אַרְבָּעִ֖ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
וִֽידַעְתֶּ֖ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
אֶת
(et)
(obj.)
תְּנוּאָתִֽי
(tenuati)
Mijn afwijzing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תְּנוּאָה (tenu’ah), ‘afwijzing’: een zeldzaam woord van het werkwoord נוא (nu’), ‘afhouden, afwijzen’.
De betekenis is niet helemaal zeker.
Wij vertalen ‘Mijn afwijzing’; ook ‘dat Ik Mij van jullie afkeer’ is mogelijk.
35Ik, Yahweh, heb het gezegd. Dit zal Ik zeker doen met heel deze slechte gemeenschap, die zich tegen Mij verzameld heeft. In deze woestijn zullen zij omkomen en daar zullen zij sterven.”
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
דִּבַּרְתִּי֒
(dibarti)
heb gesproken
אִם
(im)
zeker
לֹ֣א
(lo)
niet
זֹ֣את
(zot)
dit
אֶֽעֱשֶׂ֗ה
(eese)
Ik zal doen
לְכָל
(lekhal)
aan heel
הָעֵדָ֤ה
(haeda)
de gemeenschap
הָֽרָעָה֙
(haraa)
slechte
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
הַנּוֹעָדִ֖ים
(hanoadim)
die zich verzamelen
עָלָ֑י
(alay)
tegen Mij
בַּמִּדְבָּ֥ר
(bamidbar)
in de woestijn
הַזֶּ֛ה
(haze)
deze
יִתַּ֖מּוּ
(yitamu)
zij zullen omkomen
וְשָׁ֥ם
(vesham)
en daar
יָמֻֽתוּ
(yamutu)
zij zullen sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36De mannen die Mozes had gestuurd om het land te verkennen, kwamen terug. Zij lieten heel de gemeenschap tegen hem morren door een gerucht over het land te verspreiden.
וְהָ֣אֲנָשִׁ֔ים
(vehaanashim)
en de mannen
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁלַ֥ח
(shalach)
zond
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
לָת֣וּר
(latur)
om te verkennen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַיָּשֻׁ֗בוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
וַיַּלִּ֤ינוּ
(vayalinu)
en zij lieten morren
עָלָיו֙
(alav)
tegen hem
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָ֣עֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
לְהוֹצִ֥יא
(lehotsi)
om te verspreiden
דִבָּ֖ה
(diba)
een gerucht
עַל
(al)
over
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40’s Morgens stonden zij vroeg op en gingen naar de top van het bergland. Zij zeiden: „Zie, wij gaan op naar de plaats waarover Yahweh gesproken heeft, want wij hebben gezondigd.”
וַיַּשְׁכִּ֣מוּ
(vayashkimu)
en zij stonden vroeg op
בַבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיַּֽעֲל֥וּ
(vayaalu)
en zij gingen omhoog
אֶל
(el)
naar
רֹאשׁ
(rosh)
de top van
הָהָ֖ר
(hahar)
het bergland
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הִנֶּ֗נּוּ
(hinenu)
zie ons
וְעָלִ֛ינוּ
(vealinu)
en wij zullen omhoog gaan
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֛וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
waarover
אָמַ֥ר
(amar)
sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֥י
(ki)
want
חָטָֽאנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Zie’ (הִנֵּנוּ, hinennu): het volk toont nu spijt, maar het bevel van Yahweh in vers 25 is al gegeven.
43Want de Amalekieten en de Kanaänieten zijn daar voor jullie, en jullie zullen door het zwaard vallen. Omdat jullie je van Yahweh afgekeerd hebben, zal Yahweh niet met jullie zijn.”
כִּי֩
(ki)
want
הָעֲמָלֵקִ֨י
(haamaleqi)
de Amalekiet
וְהַכְּנַעֲנִ֥י
(vehakenaani)
en de Kanaäniet
שָׁם֙
(sham)
daar
לִפְנֵיכֶ֔ם
(lifneikhem)
voor jullie
וּנְפַלְתֶּ֖ם
(unefaltem)
en jullie zullen vallen
בֶּחָ֑רֶב
(becharev)
door het zwaard
כִּֽי
(ki)
want
עַל
(al)
op
כֵּ֤ן
(ken)
zo
שַׁבְתֶּם֙
(shavtem)
jullie hebben je afgekeerd
מֵאַחֲרֵ֣י
(meacharei)
van achter
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹא
(velo)
en niet
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עִמָּכֶֽם
(imakhem)
met jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)