Elohim Bijbel

Numeri 14

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Het volk komt in opstand en Yahweh spreekt het vonnis uit

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het volk wil terug naar Egypte

1Heel de gemeenschap verhief haar stem en liet die horen. Het volk huilde die nacht.
וַתִּשָּׂא֙
(vatisa)
en verhief
כָּל
(kal)
heel
הָ֣עֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
וַֽיִּתְּנ֖וּ
(vayitenu)
en zij gaven
אֶת
(et)
(obj.)
קוֹלָ֑ם
(qolam)
hun stem
וַיִּבְכּ֥וּ
(vayivku)
en zij weenden
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
בַּלַּ֥יְלָה
(balayla)
in de nacht
הַהֽוּא
(hahu)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Alle zonen van Israël morden tegen Mozes en Aäron. Heel de gemeenschap zei tegen hen: „Waren we maar gestorven in het land Egypte, of waren we maar gestorven in deze woestijn!
וַיִּלֹּ֨נוּ֙
(vayilonu)
en zij morden
עַל
(al)
tegen
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
וְעַֽל
(veal)
en tegen
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
כֹּ֖ל
(kol)
alle
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַֽיֹּאמְר֨וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אֲלֵהֶ֜ם
(alehem)
tot hen
כָּל
(kal)
heel
הָעֵדָ֗ה
(haeda)
de gemeenschap
לוּ
(lu)
och
מַ֨תְנוּ֙
(matnu)
waren wij gestorven
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
א֛וֹ
(o)
of
בַּמִּדְבָּ֥ר
(bamidbar)
in de woestijn
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
לוּ
(lu)
och
מָֽתְנוּ
(matenu)
waren wij gestorven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

לוּן (lun), ‘morren’: klagen tegen iemand.

Hetzelfde werkwoord staat in Exod. 15:24 en 17:3 en komt in dit hoofdstuk steeds terug (verzen 27, 29, 36).

3Waarom brengt Yahweh ons naar dit land? Om door het zwaard te vallen! Onze vrouwen en onze kleintjes zullen een prooi worden. Is het niet beter voor ons om naar Egypte terug te keren?”
וְלָמָ֣ה
(velama)
en waarom
יְ֠הוָה
(Yahweh)
Yahweh
מֵבִ֨יא
(mevi)
brengt
אֹתָ֜נוּ
(otanu)
ons
אֶל
(el)
naar
הָאָ֤רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּאת֙
(hazot)
dit
לִנְפֹּ֣ל
(linpol)
om te vallen
בַּחֶ֔רֶב
(bacherev)
door het zwaard
נָשֵׁ֥ינוּ
(nasheinu)
onze vrouwen
וְטַפֵּ֖נוּ
(vetapenu)
en onze kleintjes
יִהְי֣וּ
(yihyu)
zullen worden
לָבַ֑ז
(lavaz)
tot prooi
הֲל֧וֹא
(halo)
is niet
ט֦וֹב
(tov)
goed
לָ֖נוּ
(lanu)
voor ons
שׁ֥וּב
(shuv)
terug te keren
מִצְרָֽיְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

טַף (taf), ‘kleintjes’: de kleine kinderen, zoals in Exod. 10:10.

4Zij zeiden tegen elkaar: „Laten we een leider kiezen en naar Egypte teruggaan.”
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֶל
(el)
tot
אָחִ֑יו
(achiv)
zijn broer
נִתְּנָ֥ה
(nitena)
laten wij geven
רֹ֖אשׁ
(rosh)
een hoofd
וְנָשׁ֥וּבָה
(venashuva)
en laten wij terugkeren
מִצְרָֽיְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

5Mozes en Aäron wierpen zich op hun gezicht neer voor heel de vergadering van de gemeenschap van de zonen van Israël.
וַיִּפֹּ֥ל
(vayipol)
en viel
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
וְאַהֲרֹ֖ן
(veaharon)
en Aäron
עַל
(al)
op
פְּנֵיהֶ֑ם
(peneihem)
hun gezichten
לִפְנֵ֕י
(lifnei)
voor
כָּל
(kal)
heel
קְהַ֥ל
(qehal)
de vergadering van
עֲדַ֖ת
(adat)
de gemeenschap van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes en Aäron vallen op hun gezicht: zij smeken Yahweh om hulp.

Zie ook Num. 16:4.

Jozua en Kaleb

6Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, twee van hen die het land verkend hadden, scheurden hun kleren.
וִיהוֹשֻׁ֣עַ
(vihoshua)
en Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נ֗וּן
(nun)
Nun
וְכָלֵב֙
(vekhalev)
en Kaleb
בֶּן
(ben)
zoon van
יְפֻנֶּ֔ה
(yefune)
Jefunne
מִן
(min)
van
הַתָּרִ֖ים
(hatarim)
hen die verkenden
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
קָרְע֖וּ
(qareu)
zij scheurden
בִּגְדֵיהֶֽם
(bigdeihem)
hun kleren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Kleren scheuren is een teken van diepe droefheid of ontzetting (Gen. 37:34).

7Zij zeiden tegen heel de gemeenschap van de zonen van Israël: „Wij zijn door het land getrokken om het te verkennen. Dat land is zeer, zeer goed.
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
עֲדַ֥ת
(adat)
de gemeenschap van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
עָבַ֤רְנוּ
(avarnu)
wij doortrokken
בָהּ֙
(bah)
erin
לָת֣וּר
(latur)
om te verkennen
אֹתָ֔הּ
(otah)
het
טוֹבָ֥ה
(tova)
goed
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
מְאֹ֥ד
(meod)
zeer
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Als Yahweh behagen in ons heeft, zal Hij ons in dit land brengen en het ons geven, een land dat overvloeit van melk en honing.
אִם
(im)
als
חָפֵ֥ץ
(chafets)
Hij behagen heeft
בָּ֨נוּ֙
(banu)
in ons
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהֵבִ֤יא
(vehevi)
dan zal Hij brengen
אֹתָ֨נוּ֙
(otanu)
ons
אֶל
(el)
naar
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
וּנְתָנָ֖הּ
(unetanah)
en Hij zal het geven
לָ֑נוּ
(lanu)
aan ons
אֶ֕רֶץ
(erets)
een land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הִ֛וא
(hi)
het
זָבַ֥ת
(zavat)
overvloeiend van
חָלָ֖ב
(chalav)
melk
וּדְבָֽשׁ
(udevash)
en honing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Alleen: kom niet in opstand tegen Yahweh. En jullie, wees niet bang voor het volk van het land, want zij zijn ons brood. Hun bescherming is van hen weggenomen en Yahweh is met ons. Wees niet bang voor hen.”
אַ֣ךְ
(akh)
alleen
בַּֽיהוָה֮
(baYahweh)
tegen Yahweh
אַל
(al)
niet
תִּמְרֹדוּ֒
(timrodu)
jullie mogen in opstand komen
וְאַתֶּ֗ם
(veatem)
en jullie
אַל
(al)
niet
תִּֽירְאוּ֙
(tireu)
jullie mogen vrezen
אֶת
(et)
(obj.)
עַ֣ם
(am)
het volk van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
כִּ֥י
(ki)
want
לַחְמֵ֖נוּ
(lachmenu)
ons brood
הֵ֑ם
(hem)
zij
סָ֣ר
(sar)
is weggenomen
צִלָּ֧ם
(tsilam)
hun bescherming
מֵעֲלֵיהֶ֛ם
(mealeihem)
van hen
וַֽיהוָ֥ה
(vaYahweh)
en Yahweh
אִתָּ֖נוּ
(itanu)
met ons
אַל
(al)
niet
תִּירָאֻֽם
(tiraum)
vrees hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לַחְמֵנוּ הֵם (lachmenu hem), ‘zij zijn ons brood’: wij zullen hen opeten, dat wil zeggen: wij verslaan hen gemakkelijk.

צִלָּם (tsillam), ‘hun schaduw’: hun bescherming. Wij vertalen ‘bescherming’.

10Heel de gemeenschap zei dat zij hen met stenen moesten stenigen. Maar de heerlijkheid van Yahweh verscheen in de tent van samenkomst aan alle zonen van Israël.
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
כָּל
(kal)
heel
הָ֣עֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
לִרְגּ֥וֹם
(lirgom)
om te stenigen
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
בָּאֲבָנִ֑ים
(baavanim)
met stenen
וּכְב֣וֹד
(ukhevod)
en de heerlijkheid van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
נִרְאָה֙
(nira)
verscheen
בְּאֹ֣הֶל
(beohel)
in de tent van
מוֹעֵ֔ד
(moed)
samenkomst
אֶֽל
(el)
aan
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֖י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De heerlijkheid van Yahweh (כְּבוֹד יְהוָה, kevod Yahweh) verschijnt in de tent van samenkomst, zoals in Exod. 40:34–35.

Yahweh wil het volk treffen

11Yahweh zei tegen Mozes: „Hoelang zal dit volk Mij nog minachten? Hoelang zullen zij Mij nog niet geloven, ondanks alle tekenen die Ik in hun midden gedaan heb?
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
עַד
(ad)
tot
אָ֥נָה
(ana)
waar
יְנַאֲצֻ֖נִי
(yenaatsuni)
zal minachten Mij
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
וְעַד
(vead)
en tot
אָ֨נָה֙
(ana)
waar
לֹא
(lo)
niet
יַאֲמִ֣ינוּ
(yaaminu)
zullen geloven
בִ֔י
(bi)
in Mij
בְּכֹל֙
(bekhol)
ondanks alle
הָֽאֹת֔וֹת
(haotot)
de tekenen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשִׂ֖יתִי
(asiti)
Ik deed
בְּקִרְבּֽוֹ
(beqirbo)
in zijn midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Ik zal hen met de pest slaan en hen onterven. Jou zal Ik tot een volk maken dat groter en machtiger is dan zij.”
אַכֶּ֥נּוּ
(akenu)
Ik zal hen slaan
בַדֶּ֖בֶר
(badever)
met de pest
וְאוֹרִשֶׁ֑נּוּ
(veorishenu)
en Ik zal hen onterven
וְאֶֽעֱשֶׂה֙
(veeese)
en Ik zal maken
אֹֽתְךָ֔
(otekha)
jou
לְגוֹי
(legoy)
tot een volk
גָּד֥וֹל
(gadol)
groot
וְעָצ֖וּם
(veatsum)
en machtig
מִמֶּֽנּוּ
(mimenu)
dan zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְאוֹרִשֶׁנּוּ (ve’orishennu), ‘en Ik zal hen onterven’: letterlijk ‘in bezit nemen’; hier betekent het dat zij hun erfdeel kwijtraken.

Hetzelfde aanbod aan Mozes staat in Exod. 32:10.

Het pleidooi van Mozes

13Mozes zei tegen Yahweh: „De Egyptenaren zullen het horen, want U hebt dit volk met Uw kracht uit hun midden laten optrekken.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְשָׁמְע֣וּ
(veshameu)
en zullen horen
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
כִּֽי
(ki)
want
הֶעֱלִ֧יתָ
(heelita)
U deed optrekken
בְכֹחֲךָ֛
(bekhochakha)
met Uw kracht
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
מִקִּרְבּֽוֹ
(miqirbo)
uit zijn midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dezelfde reden voor zijn pleidooi had Mozes in Exod. 32:12.

Lezing

Het Hebreeuws laat de zin in vers 13–14 doorlopen: ‘Egypte zal horen … en zij zullen zeggen’.

Wij splitsen in twee zinnen.

14Zij zullen het zeggen tegen de bewoners van dit land. Zij hebben gehoord dat U, Yahweh, in het midden van dit volk bent. U, Yahweh, wordt oog in oog gezien. Uw wolk staat boven hen, en U gaat overdag voor hen uit in een wolkkolom en ’s nachts in een vuurkolom.
וְאָמְר֗וּ
(veameru)
en zij zullen zeggen
אֶל
(el)
tot
יוֹשֵׁב֮
(yoshev)
de bewoner van
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּאת֒
(hazot)
dit
שָֽׁמְעוּ֙
(shameu)
zij hebben gehoord
כִּֽי
(ki)
dat
אַתָּ֣ה
(ata)
U
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּקֶ֖רֶב
(beqerev)
in het midden van
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עַ֨יִן
(ayin)
oog
בְּעַ֜יִן
(beayin)
in oog
נִרְאָ֣ה
(nira)
gezien wordt
אַתָּ֣ה
(ata)
U
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַעֲנָֽנְךָ֙
(vaananekha)
en Uw wolk
עֹמֵ֣ד
(omed)
staat
עֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
boven hen
וּבְעַמֻּ֣ד
(uveamud)
en in een kolom van
עָנָ֗ן
(anan)
wolk
אַתָּ֨ה
(ata)
U
הֹלֵ֤ךְ
(holekh)
gaat
לִפְנֵיהֶם֙
(lifneihem)
voor hen uit
יוֹמָ֔ם
(yomam)
overdag
וּבְעַמּ֥וּד
(uveamud)
en in een kolom van
אֵ֖שׁ
(esh)
vuur
לָֽיְלָה
(layela)
's nachts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Als U dit volk als één man doodt, zullen de volken die over U gehoord hebben, zeggen:
וְהֵמַתָּ֛ה
(vehemata)
en U doodt
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
כְּאִ֣ישׁ
(keish)
als man
אֶחָ֑ד
(echad)
één
וְאָֽמְרוּ֙
(veameru)
en zullen zeggen
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁמְע֥וּ
(shameu)
hoorden
אֶֽת
(et)
(obj.)
שִׁמְעֲךָ֖
(shimakha)
het bericht over U
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁמְעֲךָ (shim’akha), ‘het bericht over U’: wat de volken over U gehoord hebben.

Zie ookRe 6:16
16‘Omdat Yahweh dit volk niet kon brengen naar het land dat Hij hun gezworen had, heeft Hij hen in de woestijn afgeslacht.’
מִבִּלְתִּ֞י
(mibilti)
omdat niet
יְכֹ֣לֶת
(yekholet)
in staat was
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהָבִיא֙
(lehavi)
om te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
אֶל
(el)
naar
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נִשְׁבַּ֣ע
(nishba)
Hij zwoer
לָהֶ֑ם
(lahem)
hun
וַיִּשְׁחָטֵ֖ם
(vayishchatem)
en Hij slachtte hen
בַּמִּדְבָּֽר
(bamidbar)
in de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17En nu, laat Uw kracht, mijn Heer, toch groot worden, zoals U gesproken hebt:
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
יִגְדַּל
(yigdal)
laat groot worden
נָ֖א
(na)
toch
כֹּ֣חַ
(koach)
de kracht van
אֲדֹנָ֑י
(adonay)
mijn Heer
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
דִּבַּ֖רְתָּ
(dibarta)
U sprak
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’, is hier de aanspreking van Yahweh.

18‘Yahweh is langzaam tot toorn en rijk aan trouw. Hij vergeeft schuld en overtreding, maar Hij houdt de schuldige niet onschuldig. Hij bezoekt de schuld van vaders aan kinderen, aan het derde en het vierde geslacht.’
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶ֤רֶךְ
(erekh)
langzaam tot
אַפַּ֨יִם֙
(apayim)
toorn
וְרַב
(verav)
en rijk aan
חֶ֔סֶד
(chesed)
trouw
נֹשֵׂ֥א
(nose)
vergevend
עָוֺ֖ן
(avon)
schuld
וָפָ֑שַׁע
(vafasha)
en overtreding
וְנַקֵּה֙
(venaqe)
en onschuldig houden
לֹ֣א
(lo)
niet
יְנַקֶּ֔ה
(yenaqe)
Hij houdt onschuldig
פֹּקֵ֞ד
(poqed)
bezoekend
עֲוֺ֤ן
(avon)
schuld van
אָבוֹת֙
(avot)
vaders
עַל
(al)
aan
בָּנִ֔ים
(banim)
kinderen
עַל
(al)
tot
שִׁלֵּשִׁ֖ים
(shileshim)
het derde geslacht
וְעַל
(veal)
en tot
רִבֵּעִֽים
(ribeim)
het vierde geslacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes haalt de woorden van Yahweh zelf aan uit Exod. 34:6–7; daarom staan ze rood, zoals daar.

נֹשֵׂא (nose), letterlijk ‘dragend’: wij vertalen ‘vergeeft’, zoals in Exod. 34:7.

19Vergeef toch de schuld van dit volk, naar de grootte van Uw trouw, zoals U dit volk vergeven hebt van Egypte tot nu toe.”
סְלַֽח
(selach)
vergeef
נָ֗א
(na)
toch
לַעֲוֺ֛ן
(laavon)
de schuld van
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
כְּגֹ֣דֶל
(kegodel)
naar de grootte van
חַסְדֶּ֑ךָ
(chasdekha)
Uw trouw
וְכַאֲשֶׁ֤ר
(vekhaasher)
en zoals
נָשָׂ֨אתָה֙
(nasata)
U hebt vergeven
לָעָ֣ם
(laam)
aan dit volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
מִמִּצְרַ֖יִם
(mimitsrayim)
van Egypte
וְעַד
(vead)
en tot
הֵֽנָּה
(hena)
nu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

סְלַח (selach), ‘vergeef’, en נָשָׂאתָה (nasata), letterlijk ‘U hebt gedragen’: bij schuld betekenen beide ‘vergeven’.

Wij vertalen beide met ‘vergeven’.

Yahweh vergeeft en spreekt het vonnis uit

20Yahweh zei: „Ik heb vergeven, zoals je gezegd hebt.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
סָלַ֖חְתִּי
(salachti)
Ik heb vergeven
כִּדְבָרֶֽךָ
(kidvarekha)
naar Uw woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Maar zo waar Ik leef: heel de aarde zal vervuld worden van de heerlijkheid van Yahweh.
וְאוּלָ֖ם
(veulam)
en toch
חַי
(chay)
levend
אָ֑נִי
(ani)
Ik
וְיִמָּלֵ֥א
(veyimale)
en zal vervuld worden
כְבוֹד
(kevod)
de heerlijkheid van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַי אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: een eed van Yahweh.

Dat de aarde vol van Zijn heerlijkheid wordt, staat ook in Ps. 72:19 en Jes. 6:3.

22Want al die mannen hebben Mijn heerlijkheid gezien en Mijn tekenen die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb. Zij hebben Mij nu al tien keer op de proef gesteld en niet naar Mijn stem geluisterd.
כִּ֣י
(ki)
want
כָל
(kal)
alle
הָאֲנָשִׁ֗ים
(haanashim)
de mannen
הָרֹאִ֤ים
(haroim)
die zagen
אֶת
(et)
(obj.)
כְּבֹדִי֙
(kevodi)
Mijn heerlijkheid
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֹ֣תֹתַ֔י
(ototay)
Mijn tekenen
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשִׂ֥יתִי
(asiti)
Ik deed
בְמִצְרַ֖יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
וּבַמִּדְבָּ֑ר
(uvamidbar)
en in de woestijn
וַיְנַסּ֣וּ
(vaynasu)
en zij stelden op de proef
אֹתִ֗י
(oti)
Mij
זֶ֚ה
(ze)
dit
עֶ֣שֶׂר
(eser)
tien
פְּעָמִ֔ים
(peamim)
keer
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁמְע֖וּ
(shameu)
zij luisterden
בְּקוֹלִֽי
(beqoli)
naar Mijn stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Lezing

‘Tien keer’ (עֶשֶׂר פְּעָמִים, eser pe’amim) kan een precies aantal zijn of ‘heel vaak’.

Wij laten het getal staan.

23Het land dat Ik hun vaderen gezworen heb, zullen zij zeker niet zien. Niemand van hen die Mij minachten, zal het zien.
אִם
(im)
zeker niet
יִרְאוּ֙
(yiru)
zullen zien
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
נִשְׁבַּ֖עְתִּי
(nishbati)
Ik zwoer
לַאֲבֹתָ֑ם
(laavotam)
hun vaderen
וְכָל
(vekhal)
en alle
מְנַאֲצַ֖י
(menaatsay)
die Mij minachten
לֹ֥א
(lo)
niet
יִרְאֽוּהָ
(yiruha)
zullen het zien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Maar Mijn dienaar Kaleb: er is een andere geest met hem en hij heeft Mij volledig gevolgd. Daarom zal Ik hem brengen naar het land waar hij heen gegaan is. Zijn nageslacht zal het in bezit nemen.
וְעַבְדִּ֣י
(veavdi)
en Mijn dienaar
כָלֵ֗ב
(kalev)
Kaleb
עֵ֣קֶב
(eqev)
omdat
הָֽיְתָ֞ה
(hayeta)
was
ר֤וּחַ
(ruach)
een geest
אַחֶ֨רֶת֙
(acheret)
andere
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
וַיְמַלֵּ֖א
(vaymale)
en hij volgde volledig
אַחֲרָ֑י
(acharay)
achter Mij
וַהֲבִֽיאֹתִ֗יו
(vahaviotiv)
en Ik zal hem brengen
אֶל
(el)
naar
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
waar
בָּ֣א
(ba)
hij kwam
שָׁ֔מָּה
(shama)
daarheen
וְזַרְע֖וֹ
(vezaro)
en zijn nageslacht
יוֹרִשֶֽׁנָּה
(yorishena)
zal het in bezit nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ אַחֶרֶת (ruach acheret), ‘een andere geest’: een andere gezindheid dan die van de anderen.

Kaleb kreeg later Hebron (Joz. 14:6–14).

Jozua wordt in vers 30 genoemd.

25De Amalekieten en de Kanaänieten wonen in het dal. Keer morgen om en trek de woestijn in, in de richting van de Rietzee.”
וְהָֽעֲמָלֵקִ֥י
(vehaamaleqi)
en de Amalekiet
וְהַֽכְּנַעֲנִ֖י
(vehakenaani)
en de Kanaäniet
יוֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
woont
בָּעֵ֑מֶק
(baemeq)
in het dal
מָחָ֗ר
(machar)
morgen
פְּנ֨וּ
(penu)
keer om
וּסְע֥וּ
(useu)
en breek op
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
הַמִּדְבָּ֖ר
(hamidbar)
naar de woestijn
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
de weg van
יַם
(yam)
de zee van
סֽוּף
(suf)
riet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De weg naar de Rietzee (יַם סוּף, yam suf) liep vanaf Kades naar het zuiden of zuidoosten, waarschijnlijk naar de Golf van Akaba.

De precieze ligging is niet zeker.

Veertig jaar in de woestijn

26Yahweh sprak tot Mozes en Aäron:
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
וְאֶֽל
(veel)
en tot
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27„Hoelang nog moet Ik deze slechte gemeenschap dulden, die tegen Mij morren? Ik heb gehoord hoe de zonen van Israël tegen Mij morren.
עַד
(ad)
hoelang
מָתַ֗י
(matay)
nog
לָעֵדָ֤ה
(laeda)
voor de gemeenschap
הָֽרָעָה֙
(haraa)
slechte
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
מַלִּינִ֖ים
(malinim)
morrend
עָלָ֑י
(alay)
tegen Mij
אֶת
(et)
(obj.)
תְּלֻנּ֞וֹת
(telunot)
de klachten van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הֵ֧מָּה
(hema)
zij
מַלִּינִ֛ים
(malinim)
morrend
עָלַ֖י
(alay)
tegen Mij
שָׁמָֽעְתִּי
(shamati)
Ik heb gehoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord: ‘Hoelang nog voor deze slechte gemeenschap?’

Wij vullen ‘dulden’ aan.

28Zeg tegen hen: Zo waar Ik leef, spreekt Yahweh: zoals jullie in Mijn oren gesproken hebben, zo zal Ik met jullie doen.
אֱמֹ֣ר
(emor)
zeg
אֲלֵהֶ֗ם
(alehem)
tot hen
חַי
(chay)
levend
אָ֨נִי֙
(ani)
Ik
נְאֻם
(neum)
spreekt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
zeker
לֹ֕א
(lo)
niet
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
דִּבַּרְתֶּ֖ם
(dibartem)
jullie spraken
בְּאָזְנָ֑י
(beazenay)
in Mijn oren
כֵּ֖ן
(ken)
zo
אֶֽעֱשֶׂ֥ה
(eese)
Ik zal doen
לָכֶֽם
(lakhem)
met jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29In deze woestijn zullen jullie lijken vallen: al jullie getelden, jullie hele aantal van twintig jaar en ouder, jullie die tegen Mij gemord hebben.
בַּמִּדְבָּ֣ר
(bamidbar)
in de woestijn
הַ֠זֶּה
(haze)
deze
יִפְּל֨וּ
(yipelu)
zullen vallen
פִגְרֵיכֶ֜ם
(pigreikhem)
jullie lijken
וְכָל
(vekhal)
en al
פְּקֻדֵיכֶם֙
(pequdeikhem)
jullie getelden
לְכָל
(lekhal)
naar heel
מִסְפַּרְכֶ֔ם
(misparkhem)
jullie aantal
מִבֶּ֛ן
(miben)
van een zoon van
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
וָמָ֑עְלָה
(vamaela)
en daarboven
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֲלִֽינֹתֶ֖ם
(halinotem)
jullie morden
עָלָֽי
(alay)
tegen Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Van twintig jaar en ouder’: de mannen die geteld zijn volgens Num. 1:3.

30Jullie zullen het land niet binnengaan waarvan Ik Mijn hand heb opgeheven dat Ik jullie daar zou laten wonen. Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.
אִם
(im)
zeker niet
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
תָּבֹ֣אוּ
(tavou)
zullen binnengaan
אֶל
(el)
in
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waarvan
נָשָׂ֨אתִי֙
(nasati)
Ik opgeheven heb
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִ֔י
(yadi)
Mijn hand
לְשַׁכֵּ֥ן
(leshaken)
om te laten wonen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
בָּ֑הּ
(bah)
daarin
כִּ֚י
(ki)
behalve
אִם
(im)
als
כָּלֵ֣ב
(kalev)
Kaleb
בֶּן
(ben)
zoon van
יְפֻנֶּ֔ה
(yefune)
Jefunne
וִיהוֹשֻׁ֖עַ
(vihoshua)
en Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נֽוּן
(nun)
Nun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Mijn hand opgeheven’ (נָשָׂאתִי אֶת־יָדִי, nasati et-yadi): een eed, zoals in Exod. 6:8.

Dat Kaleb en Jozua wel binnengaan, staat ook in Num. 26:65.

31Jullie kleintjes, van wie jullie gezegd hebben dat ze een prooi zullen worden, die zal Ik erheen brengen. Zij zullen het land leren kennen dat jullie verworpen hebben.
וְטַ֨פְּכֶ֔ם
(vetapekhem)
en jullie kleintjes
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
van wie
אֲמַרְתֶּ֖ם
(amartem)
jullie zeiden
לָבַ֣ז
(lavaz)
tot prooi
יִהְיֶ֑ה
(yihye)
zullen worden
וְהֵבֵיאתִ֣י
(veheveiti)
en Ik zal brengen
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
וְיָֽדְעוּ֙
(veyadeu)
en zij zullen kennen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
מְאַסְתֶּ֖ם
(meastem)
jullie verwierpen
בָּֽהּ
(bah)
erin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Maar jullie lijken, jullie zullen in deze woestijn vallen.
וּפִגְרֵיכֶ֖ם
(ufigreikhem)
en jullie lijken
אַתֶּ֑ם
(atem)
jullie
יִפְּל֖וּ
(yipelu)
zullen vallen
בַּמִּדְבָּ֥ר
(bamidbar)
in de woestijn
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Jullie zonen zullen veertig jaar herders zijn in de woestijn. Zij zullen jullie ontrouw dragen, tot jullie lijken in de woestijn vergaan zijn.
וּ֠בְנֵיכֶם
(uveneikhem)
en jullie zonen
יִהְי֨וּ
(yihyu)
zullen zijn
רֹעִ֤ים
(roim)
herders
בַּמִּדְבָּר֙
(bamidbar)
in de woestijn
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
וְנָשְׂא֖וּ
(venaseu)
en zij zullen dragen
אֶת
(et)
(obj.)
זְנוּתֵיכֶ֑ם
(zenuteikhem)
jullie ontrouw
עַד
(ad)
tot
תֹּ֥ם
(tom)
volledig zijn van
פִּגְרֵיכֶ֖ם
(pigreikhem)
jullie lijken
בַּמִּדְבָּֽר
(bamidbar)
in de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זְנוּת (zenut), ‘ontrouw’: letterlijk ‘hoererij’; hier is het ontrouw aan Yahweh.

נָשָׂא (nasa), ‘dragen’: zij dragen de gevolgen van de ontrouw van hun vaders.

תֹּם (tom), ‘vergaan zijn’: tot een einde komen.

34Jullie hebben het land veertig dagen verkend. Naar dat aantal dagen zullen jullie jullie schuld dragen: een dag voor een jaar, een dag voor een jaar. Dat zijn veertig jaar. Dan zullen jullie weten wat Mijn afwijzing is.
בְּמִסְפַּ֨ר
(bemispar)
naar het aantal van
הַיָּמִ֜ים
(hayamim)
de dagen
אֲשֶׁר
(asher)
die
תַּרְתֶּ֣ם
(tartem)
jullie verkenden
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָרֶץ֮
(haarets)
het land
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
יוֹם֒
(yom)
dagen
י֣וֹם
(yom)
een dag
לַשָּׁנָ֞ה
(lashana)
voor het jaar
י֣וֹם
(yom)
een dag
לַשָּׁנָ֗ה
(lashana)
voor het jaar
תִּשְׂאוּ֙
(tisu)
jullie zullen dragen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺנֹ֣תֵיכֶ֔ם
(avonoteikhem)
jullie schuld
אַרְבָּעִ֖ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
וִֽידַעְתֶּ֖ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
אֶת
(et)
(obj.)
תְּנוּאָתִֽי
(tenuati)
Mijn afwijzing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּנוּאָה (tenu’ah), ‘afwijzing’: een zeldzaam woord van het werkwoord נוא (nu’), ‘afhouden, afwijzen’.

De betekenis is niet helemaal zeker.

Wij vertalen ‘Mijn afwijzing’; ook ‘dat Ik Mij van jullie afkeer’ is mogelijk.

35Ik, Yahweh, heb het gezegd. Dit zal Ik zeker doen met heel deze slechte gemeenschap, die zich tegen Mij verzameld heeft. In deze woestijn zullen zij omkomen en daar zullen zij sterven.”
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
דִּבַּרְתִּי֒
(dibarti)
heb gesproken
אִם
(im)
zeker
לֹ֣א
(lo)
niet
זֹ֣את
(zot)
dit
אֶֽעֱשֶׂ֗ה
(eese)
Ik zal doen
לְכָל
(lekhal)
aan heel
הָעֵדָ֤ה
(haeda)
de gemeenschap
הָֽרָעָה֙
(haraa)
slechte
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
הַנּוֹעָדִ֖ים
(hanoadim)
die zich verzamelen
עָלָ֑י
(alay)
tegen Mij
בַּמִּדְבָּ֥ר
(bamidbar)
in de woestijn
הַזֶּ֛ה
(haze)
deze
יִתַּ֖מּוּ
(yitamu)
zij zullen omkomen
וְשָׁ֥ם
(vesham)
en daar
יָמֻֽתוּ
(yamutu)
zij zullen sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De dood van de verkenners

36De mannen die Mozes had gestuurd om het land te verkennen, kwamen terug. Zij lieten heel de gemeenschap tegen hem morren door een gerucht over het land te verspreiden.
וְהָ֣אֲנָשִׁ֔ים
(vehaanashim)
en de mannen
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁלַ֥ח
(shalach)
zond
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
לָת֣וּר
(latur)
om te verkennen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַיָּשֻׁ֗בוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
וַיַּלִּ֤ינוּ
(vayalinu)
en zij lieten morren
עָלָיו֙
(alav)
tegen hem
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָ֣עֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
לְהוֹצִ֥יא
(lehotsi)
om te verspreiden
דִבָּ֖ה
(diba)
een gerucht
עַל
(al)
over
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37Die mannen, die een kwaad gerucht over het land hadden verspreid, stierven door de plaag voor het aangezicht van Yahweh.
וַיָּמֻ֨תוּ֙
(vayamutu)
en stierven
הָֽאֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
מוֹצִאֵ֥י
(motsiei)
verspreiders van
דִבַּת
(dibat)
een gerucht over
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
רָעָ֑ה
(raa)
kwaad
בַּמַּגֵּפָ֖ה
(bamagefa)
door de plaag
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַגֵּפָה (maggefah), ‘plaag’: een plotselinge ziekte of slag, zoals in Exod. 9:14.

38Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven in leven van die mannen die het land waren gaan verkennen.
וִיהוֹשֻׁ֣עַ
(vihoshua)
en Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נ֔וּן
(nun)
Nun
וְכָלֵ֖ב
(vekhalev)
en Kaleb
בֶּן
(ben)
zoon van
יְפֻנֶּ֑ה
(yefune)
Jefunne
חָיוּ֙
(chayu)
bleven leven
מִן
(min)
van
הָאֲנָשִׁ֣ים
(haanashim)
de mannen
הָהֵ֔ם
(hahem)
die
הַֽהֹלְכִ֖ים
(haholekhim)
die gingen
לָת֥וּר
(latur)
om te verkennen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De mislukte aanval

39Mozes sprak deze woorden tot alle zonen van Israël. Toen rouwde het volk zeer.
וַיְדַבֵּ֤ר
(vaydaber)
en sprak
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
אֶֽל
(el)
tot
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֖י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּֽתְאַבְּל֥וּ
(vayitabelu)
en rouwde
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40’s Morgens stonden zij vroeg op en gingen naar de top van het bergland. Zij zeiden: „Zie, wij gaan op naar de plaats waarover Yahweh gesproken heeft, want wij hebben gezondigd.”
וַיַּשְׁכִּ֣מוּ
(vayashkimu)
en zij stonden vroeg op
בַבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיַּֽעֲל֥וּ
(vayaalu)
en zij gingen omhoog
אֶל
(el)
naar
רֹאשׁ
(rosh)
de top van
הָהָ֖ר
(hahar)
het bergland
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הִנֶּ֗נּוּ
(hinenu)
zie ons
וְעָלִ֛ינוּ
(vealinu)
en wij zullen omhoog gaan
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֛וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
waarover
אָמַ֥ר
(amar)
sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֥י
(ki)
want
חָטָֽאנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Zie’ (הִנֵּנוּ, hinennu): het volk toont nu spijt, maar het bevel van Yahweh in vers 25 is al gegeven.

41Mozes zei: „Waarom overtreden jullie het bevel van Yahweh? Het zal niet lukken.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
זֶּ֛ה
(ze)
toch
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
עֹבְרִ֖ים
(overim)
overtreden
אֶת
(et)
(obj.)
פִּ֣י
(pi)
het bevel van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהִ֖וא
(vehi)
en het
לֹ֥א
(lo)
niet
תִצְלָֽח
(titslach)
zal slagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42Ga niet omhoog, want Yahweh is niet in jullie midden. Anders worden jullie door jullie vijanden verslagen.
אַֽל
(al)
niet
תַּעֲל֔וּ
(taalu)
ga omhoog
כִּ֛י
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
niet is
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּקִרְבְּכֶ֑ם
(beqirbekhem)
in jullie midden
וְלֹא֙
(velo)
en niet
תִּנָּ֣גְפ֔וּ
(tinagefu)
jullie worden verslagen
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֹיְבֵיכֶֽם
(oyeveikhem)
jullie vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43Want de Amalekieten en de Kanaänieten zijn daar voor jullie, en jullie zullen door het zwaard vallen. Omdat jullie je van Yahweh afgekeerd hebben, zal Yahweh niet met jullie zijn.”
כִּי֩
(ki)
want
הָעֲמָלֵקִ֨י
(haamaleqi)
de Amalekiet
וְהַכְּנַעֲנִ֥י
(vehakenaani)
en de Kanaäniet
שָׁם֙
(sham)
daar
לִפְנֵיכֶ֔ם
(lifneikhem)
voor jullie
וּנְפַלְתֶּ֖ם
(unefaltem)
en jullie zullen vallen
בֶּחָ֑רֶב
(becharev)
door het zwaard
כִּֽי
(ki)
want
עַל
(al)
op
כֵּ֤ן
(ken)
zo
שַׁבְתֶּם֙
(shavtem)
jullie hebben je afgekeerd
מֵאַחֲרֵ֣י
(meacharei)
van achter
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹא
(velo)
en niet
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עִמָּכֶֽם
(imakhem)
met jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44Toch trokken zij overmoedig op naar de top van het bergland. Maar de ark van het verbond van Yahweh en Mozes verlieten het kamp niet.
וַיַּעְפִּ֕לוּ
(vayapilu)
en zij waren overmoedig
לַעֲל֖וֹת
(laalot)
om omhoog te gaan
אֶל
(el)
naar
רֹ֣אשׁ
(rosh)
de top van
הָהָ֑ר
(hahar)
het bergland
וַאֲר֤וֹן
(vaaron)
en de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וּמֹשֶׁ֔ה
(umoshe)
en Mozes
לֹא
(lo)
niet
מָ֖שׁוּ
(mashu)
verlieten
מִקֶּ֥רֶב
(miqerev)
het midden van
הַֽמַּחֲנֶֽה
(hamachane)
het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָפַל (afal) komt alleen hier voor.

Wij vertalen ‘overmoedig’; ook ‘vermetel doorzetten’ is mogelijk.

De betekenis is niet helemaal zeker.

De ark van het verbond: zie Num. 10:33.

45Toen kwamen de Amalekieten en de Kanaänieten die in dat bergland woonden, naar beneden. Zij versloegen hen en vermorzelden hen, tot aan Chorma.
וַיֵּ֤רֶד
(vayered)
en kwam af
הָעֲמָלֵקִי֙
(haamaleqi)
de Amalekiet
וְהַֽכְּנַעֲנִ֔י
(vehakenaani)
en de Kanaäniet
הַיֹּשֵׁ֖ב
(hayoshev)
die woonde
בָּהָ֣ר
(bahar)
in het bergland
הַה֑וּא
(hahu)
dat
וַיַּכּ֥וּם
(vayakum)
en hij sloeg hen
וַֽיַּכְּת֖וּם
(vayaketum)
en hij vermorzelde hen
עַד
(ad)
tot
הַֽחָרְמָֽה
(hacharema)
Chorma
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Chorma (חָרְמָה, Chormah) lag waarschijnlijk in het noorden van de Negev, bij Beërsheba (Num. 21:3; Richt. 1:17).

De naam hangt samen met het woord voor ‘ban’ (cherem).

De precieze ligging is niet zeker.